Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo Zaanstad 2010
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo Zaanstad 2010

Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten en toetsingsmethodiek

1.1 Inleiding

Wanneer geoordeeld wordt dat een aanvraag om omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient onderzocht te worden of het wenselijk is om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan of van de beheersverordening. Indien het onderzoek positief uitvalt, wordt er, afhankelijk van de afwijkingsmogelijkheid, op grond van de Wabo een omgevingsvergunning verleend. Dit heeft tot gevolg dat de toetsing plaatsvindt volgens de zogenoemde afpelmethodiek. De mogelijkheden worden 'afgepeld' naar mate van de omvang van de afwijking van het bestemmingsplan.

  • -

    Indien een (bouw)project strijdig is met het vigerende bestemmingsplan, wordt eerst beoordeeld of er met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels afwijking mogelijk is. Als dat niet het geval is, wordt bekeken of de Aanvullende bestemmingsplanvoorschriften 1985 (artikel 5/7 AV; een koepelbestemmingsplan met aanvullende voorschriften) van toepassing zijn;

  • -

    Indien het bovengenoemde niet mogelijk is, wordt onderzocht of voor de gevraagde activiteit op grond van de in het Besluit omgevingsrecht (Bor) opgenomen gevallen vergunning kan worden verleend. Beoordelingskader hiertoe is artikel 2.7 Bor juncto artikel 4 van bijlage II van het Bor

  • -

    indien beide bovengenoemde mogelijkheden niet aan de orde zijn, kan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo medewerking worden verleend.

Afwijken bouwverordening

In voorkomende gevallen is in plaats van of aanvullend op een bestemmingsplan de bouwverordening Zaanstad van toepassing. De bouwverordening geeft ook afwijkingssmogelijkheden om op die manier van de daarin neergelegde regelgeving te kunnen afwijken. Het college is hiertoe bevoegd. Ook op deze categorie ontheffingen zijn de onderhavige beleidsregels onverkort van toepassing.

1.2 Gemeentelijke beleidsnota's

Bij het beoordelen van verzoeken om afwijkingen van het bestemmingsplan worden daarnaast de door de gemeente opgestelde beleidsuitgangspunten toegepast, zoals deze zijn opgenomen in diverse beleidsnota's. Deze werkwijze blijft onder de Wabo ongewijzigd. Daar waar de uitgangspunten in de diverse beleidsnota's met elkaar conflicteren, vindt een afweging van belangen plaats.

1.3 Beleidsregels

Naast het hiervoor genoemde uitgangspunt dat afwijkingen van het bestemmingsplan getoetst worden aan wet-, regelgeving en de beleidsuitgangspunten uit de door Zaanstad vastgestelde beleidsnota's, zijn nog enkele beleidsregels van belang. Zij vloeien voort uit de Actualisatienotitie 2006 en de ‘Beleidsregels ontheffingen en projectbesluiten Wro Zaanstad 2009’ en gelden alleen voor activiteiten waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

Hoofdstuk 2: Bevoegdheid college

2.1 Afwijken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo (voorheen Wro “kruimelgevallen”).

2.1.1 Wet- en regelgeving

Artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo geeft aan het college de mogelijkheid om van geldende bestemmingsplannen of beheersverordeningen af te wijken. De mogelijkheid staat open voor de in artikel 4 van bijlage II van het Bor aangegeven gevallen. Het gaat hierbij om bouwwerken met beperkte planologische betekenis.

2.1.2 Beleidsregel voor toepassing van artikel 4 van bijlage II Bor

Voor de toepassing van het begrip 'bebouwde kom', zoals vermeld in artikel 4 van bijlage II Bor, wordt uitgegaan van het gebied dat in de vigerende bouwverordening Zaanstad als zodanig is aangegeven.

2.1.3 Beleidsregels voor toepassing van artikel 4, eerste lid, bijlage II Bor

Bij toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo gelden voor bebouwing zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, bijlage II Bor de volgende beleidsregels:

  • 1.

    de 'Nota erfbebouwing Zaanstad 2007' is het gemeentelijk beoordelingskader voor bouwplannen die passen in de gevallen genoemd in artikel 4, eerste lid, van bijlage II Bor;

  • 2.

    ten aanzien van erfbebouwing behorende bij woningen geldt voor bebouwing van een zij- of achtererf aan een openbare weg, aan openbaar water of aan openbaar groen grenst, de eis dat de situatie ter plekke naar het oordeel van het college dusdanig is dat de realisatie van het bouwplan stedenbouwkundig gezien wenselijk en toelaatbaar is;

  • 3.

    overige bebouwing behorende bij woningen, maar niet voorkomend in de 'Nota erfbebouwing Zaanstad 2007', komt in principe niet voor medewerking in aanmerking, tenzij de situatie ter plekke naar het oordeel van het college dusdanig is dat de realisatie van het bouwplan stedenbouwkundig gezien wenselijk en toelaatbaar is;

  • 4.

    voor wat betreft de uitbreidingen van of een bijgebouw bij een ander gebouw geldt dat medewerking aan de ontheffingsprocedure slechts plaatsvindt, indien de locatie en de situering van de uitbreiding of het bijgebouw stedenbouwkundig naar het oordeel van het college als wenselijk en toelaatbaar wordt beschouwd.

2.1.4 Beleidsregels voor toepassing van artikel 4, tweede lid, bijlage II Bor

Bij toepassing van artikel 2.1, eerste lid onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo gelden voor de bebouwing zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, bijlage II Bor de volgende beleidsregels:

  • 1.

    de aangevraagde afmetingen van de gebouwen ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, de telecommunicatie, het openbaar vervoer of het trein-, water- of wegverkeer moeten aantoonbaar noodzakelijk zijn voor de functie van het betreffende gebouw;

  • 2.

    medewerking aan de ontheffingsprocedure is voorts afhankelijk van de locatie en de situering van het gebouw. Deze dienen naar het oordeel van college stedenbouwkundig als wenselijk en toelaatbaar te worden beschouwd.

2.2 Beleidsregel voor toepassing van artikel 4, derde lid t/m tiende lid, bijlage II Bor

Voor de overige in artikel 4 van bijlage II Bor opgenomen gevallen, genoemd onder derde tot en met tiende lid, worden, naast de geldende wet- en regelgeving (waaronder specifieke gemeentelijke beleidsregels), geen algemene beleidsregels gehanteerd. Voor deze gevallen geldt dat van geval tot geval door het college beoordeeld wordt of medewerking aan de activiteit gewenst is. Een beoordeling van onder andere de planologische en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van een bouwplan op de betreffende locatie is op zijn plaats, alvorens besloten wordt tot eventuele medewerking aan een procedure voor een omgevingsvergunning.

2.3 Beleidsregels voor projectbesluiten, artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo (voorheen artikel 3.10 Wro).

Uitgangspunt van de Wro is dat voorziene ruimtelijke ontwikkeling voor de komende tien jaar in een bestemmingsplan wordt vastgelegd. Zaanstad hanteert een stringent beleid ten aanzien van het toepassen van de bevoegdheid om af te wijken van het geldende beleid. Alleen in uitzonderingssituaties wanneer een project ruimtelijk wenselijk en toelaatbaar is, kan worden afgeweken van het geldende beleid.

Beleidsregels voor besluitvorming over activiteiten in strijd met het bestemmingsplan of de beheersverordening, (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo) luiden als volgt:

  • 1.

    Een omgevingsvergunning is mogelijk voor (bouw)plannen ten behoeve van woningbouw, bedrijfsdoeleinden als bedoeld in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' zoals die luidt op het moment van indiening van de betreffende aanvraag, verenigings-, sport- en recreatiedoeleinden en het algemeen belang, mits andere belangen zich niet tegen deze plannen verzetten.

  • 2.

    De gemeente werkt mee met (bouw)plannen waarvoor de aanvrager in het verleden met een omschreven doel grond van de gemeente heeft afgenomen, de planologische regeling nog niet aan dit doel is aangepast en het (bouw)plan past binnen die doelstelling.

  • 3.

    De gemeente kan, ten behoeve van het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing, van de aanvrager verlangen dat hij of zij daar gegevens toe aanlevert of kan hiervoor geheel of gedeeltelijk kosten in rekening brengen bij de aanvrager. De gemeente behoudt zich het recht voor om haar medewerking aan de desbetreffende activiteit alsnog te weigeren, indien een aanvrager verzuimt de gevraagde gegevens aan te leveren.

Hoofdstuk 3: Bevoegdheid raad

3.1 Afwijking met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo

3.1.1 Wet- en regelgeving

Het college is bevoegd voor het verlenen van omgevingsvergunningen.

De raad dient in gevallen waarbij sprake is van een activiteit waarbij met toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c en 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening een verklaring van geen bedenkingen af te geven.

De raad kan ingevolge artikel 6.5, derde lid, Bor categorieën van gevallen aangeven waarin een verklaring niet vereist is.

De raad besluit:

  • 1.

    De volgende categoriën van gevallen aan te wijzen waarvoor op grond van artikel 6.5, derde lid, Besluit omgevingsrecht een 'verklaring van geen bedenkingen' (vvgb) niet is vereist:

  • a.

    aanvragen die passen binnen ter visie liggende ontwerpbestemmingsplannen;

  • b.

    aanvragen die passen binnen door de raad vastgesteld beleid, stedenbouwkundige visie, een masterplan of een gebiedsvisie;

  • c.

    aanvragen waarvoor met een omschreven doel grond van de gemeente is afgenomen maar de planologische regeling nog niet aan dat doel is aangepast en het (bouw)plan past binnen dat omschreven doel.

  • 2.

    De volgende categorieën van gevallen aan te wijzen waarvoor op grond van artikel 6.5. eerste lid, Besluit omgevingsrecht een 'verklaring van geen bedenkingen' wel is vereist:

  • a.

    het realiseren van meer dan 50 woningen, m.u.v. de gevallen die betrekking hebben op de onder 1 genoemde aanvragen;

  • b.

    het realiseren van meer dan 5.000 m2 bvo aan kantoorruimte, dienstverlening, bedrijfsruimte, horeca, commerciële ruimte, maatschappelijke en recreatieve voorzieningen of een combinatie daarvan, m.u.v. de gevallen die betrekking hebben op de onder 1 genoemde aanvragen;

  • c.

    het bouwen, verbouwen of slopen van objecten gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor zover hiervoor een afwijking van het bestemmingsplan nodig is.

  • 3.

    Alle overige categorieën van gevallen wijst de gemeenteraad aan als categorieën waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, tenzij de raad raad zelf aangeeft, op basis van de ter kennis gebrachte aanvragen, dat een aanvraag anderszins politiek gevoelig

    is.

Daarbij zal het college verder bij bouwplannen van enige importantie een uiterste krachtinspanning leveren om deze niet tijdens de vakantieperiode ter visie te leggen en voert het college, los van de wettelijk voorgeschreven procedures, waar nodig een actief informatiebeleid over deze omgevingsvergunningen richting de burgers van Zaanstad.

HOOFDSTUK 4: SLOTBEPALINGEN

4.1 Inwerkingtreding

Na vaststelling door college en raad treden deze beleidsregels een dag na publicatie in werking. Zij worden gepubliceerd in Gemeenteblad en website.

Op verzoeken om ontheffingen als bedoeld in artikelen 3.6, 3.23 en 3.10 Wro die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn ingediend, blijven de "Beleidsregels ontheffingen en projectbesluiten Wro Zaanstad 2009” onverkort van toepassing.

4.2 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: "Beleidsregels afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo".

Deze beleidsregels zijn, voorzover betrekking hebbend op de bevoegdheden van het college, vastgesteld door het college van Zaanstad bij besluit van17 november 2010, nr A2.

burgemeester

secretaris

(ondertekening)

Deze beleidsregels zijn, voorzover betrekking hebbend op de bevoegdheden van de raad, vastgesteld door de raad van Zaanstad bij besluit van 2 december 2010, nr. 2010/98 en gewijzigd bij belsuit van 23 januari 2014

voorzitter,

griffier

Toelichting.

Inleiding: aanleiding en doel van deze beleidsregels

Per 1 oktober 2010 treedt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking (Wabo).

Met inwerkingtreding van de Wabo zijn de ontheffingsmogelijkheden uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) komen te vervallen. De mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan is vanaf 1 oktober geregeld in de Wabo.

In de Wro was een aantal mogelijkheden opgenomen om ontheffing te kunnen verlenen van een geldend bestemmingsplan. Voor de toepassing van die ontheffingsmogelijkheden hebben zowel de raad als het college de ‘Beleidsregels ontheffingen en projectbesluiten Wro Zaanstad 2009’ vastgesteld.

Vanwege deze nieuwe wettelijke situatie is het noodzakelijk om de beleidsregels voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheden van bestemmingsplannen en beheersverordeningen aan te passen.

Hierbij is eveneens aandacht besteed aan de overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving.

Bevoegdheid tot het vaststellen van deze beleidsregels

Het college is bevoegd de beleidsregels in hoofdstuk 2 vast te stellen. Het college is bevoegd voor het verlenen van omgevingsvergunningen.

De raad is bevoegd de beleidsregels in hoofdstuk 3 vast te stellen.

De raad dient in gevallen waarbij sprake is van een activiteit waarbij met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening te verklaren daar geen bedenkingen tegen te hebben.

De raad kan categorieën van gevallen aangeven waarin een verklaring niet vereist is.

Met het vaststellen van het in hoofdstuk 3 bepaalde, stelt de raad de kaders waarbinnen het college kan opereren. Dit levert tijdswinst op en daarmee potentieel financieel voordeel daar het gevaar van termijnoverschrijdingen verkleind wordt.