Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Beleidsregel Restauratierichtlijnen versie 2011
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel Restauratierichtlijnen versie 2011

Beleidsregel Restauratierichtlijnen Versie 2011

Voorwoord

Dit document bevat restauratieve richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van beschermde monumenten en beeldbepalende panden. De richtlijnen zijn bedoeld als leidraadvoor planontwikkeling, planbeoordeling en de uitvoering van de verbouwing- of restauratiewerkzaamheden. Dit document is geen complete restauratieve handleiding maar een beknopte leidraad voor veel voorkomende praktijkgevallen. De restauratieve richtlijnen zijn opgesteld vanuit een behoudtechnische optiek. Uitspraken over nieuwe toevoegingen of aanpassingen worden alleen gedaan zolang er geen historische onderdelen in het geding zijn en de wijzigingen technisch, fysisch en chemisch verenigbaar zijn met het monument.

Uitgangspunt is dat alle rijks-, provinciale- en gemeentelijke monumenten behouden moeten blijven. A!le wijzigingen aan een monument zijn vergunningsplichtig (omgevingsvergunning). Een pand is in zijn geheel als monument aangewezen, zowel het inferieur als het exterieur valt onder de bescherming. Ook wijzigingen aan het interieur zijn daarom vergunningsplichtig.

Algemeen toetsingskader

'behoud gaat voor vernieuwen' 'de bouwgeschiedenis eerbiedigen'

RESTAURATIE BEGINT MET ONDERZOEK

Het is feitelijk onmogelijk en onverantwoord om over de restauratie van een monument beslissingen te nemen zonder dat er eerst een uitgebreid vooronderzoek is gedaan naar de bouwkundige, historische, kunsthistorische, sociologische en technische aspecten van het monument

BEHOUD GAAT VOOR VERNIEUWEN

De historische bouwmaterialen, structuren en constructiewijzen vertegenwoordigen een belangrijke monumentale en historische waarde. Deze waarde dient zoveel mogelijk te worden gerespecteerd, zodat de geschiedenis, de bouwhistorie en het dagelijks gebruik van een monument afleesbaar zijn. Door vervanging gaat deze afleesbaarheid voorgoed verloren. De kern is dat restauratie vooral consolidatie betreft en alles te doen wat nodig is voor instandhouding en voor het toekomstig gebruik. Het behoud van historische elementen en structuren gaat altijd voor de vernieuwing of reconstructie ervan.

BOUWHISTORIE EERBIEDIGEN

Het transformatieproces, door verandering van het gebruik of functie, dat een gebouw door de tijd heen ondergaat, heeft een grote historische waarde. Een monument ontleent veelal zijn waarde aan de bouwgeschiedenis. Latere wijzigingen of toevoegingen kunnen van groot belang zijn omdat de bouwhistorie van een gebouw daaraan afleesbaar is. Door reconstructie wordt deze afleesbaarheid verstoord. In een reconstructie wordt weliswaar getracht een historisch beeld op te roepen, maar daarvoor moeten vaak historisch waardevolle onderdelen wijken. Voor reconstructie dient de historische aanwezigheid aangetoond te worden met bouwhistorisch onderzoek.

De bestaande situatie is dwingend ten opzichte van een eventuele wijziging of aanpassing. Indien de bestaande situatie niet de oorspronkelijke situatie is, kan in overleg de oorspronkelijke situatie worden hersteld mits er geen historisch relevante onderdelen ten behoeve van dit herstel worden verwijderd.

Onderdelen of elementen mogen niet worden vervangen als herstel mogelijk is. Indien een onderdeel of element, ondanks kwaliteitsverlies, zijn functie nog vervult is vervanging geen optie. Indien een toevoeging nodig is om een onderdeel of element naar behoren te laten functioneren is dit te prevaleren boven een volledig nieuw onderdeel of element.

Vernieuwen met oude materialen blijft vernieuwen. Hergebruik van historische bouwmaterialen verdient echter wel de voorkeur. Alle noodzakelijk te vervangen onderdelen of constructies dienen in overeenstemming met bestaande en/of historisch juiste maatvoering en detaillering te worden uitgevoerd.

Nieuwe toevoegingen en veranderingen aan monumenten moeten reversibel zijn. De verandering moet in beginsel een toevoeging zijn die weer ongedaan kan worden gemaakt, zonder de monumentale waarden aan te tasten. Toe te voegen elementen ten behoeve van uiterlijke- of functieverbetering dienen op een zodanige wijze te worden ingepast dat dit geen consequenties heeft voor de historische vormgeving of detaillering (bijv. isolatie t.b.v. warmte en geluid, beschermende beglazing, ventilatie).

Nieuw toe te passen materialen moeten passend zijn. Historische materiaaltoepassingen en/of constructiewijzen zijn niet altijd verenigbaar met de hedendaagse bouwmaterialen of constructiewijzen. Zij kunnen fysische en/of chemische reacties veroorzaken die schade toebrengen aan het monument. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade toebrengen aan een monument.

Noviteiten mogen niet zonder meer toegepast worden in of bij een monument. Materialen of technieken moeten hun toepasbaarheid door attest of ervaring aantonen, In geval van twijfel kan een materiaal of techniek geweigerd worden. Noodzakelijke aanvullingen en reconstructies dienen zo uitgevoerd te worden dat zichtbaar is dat het later werk betreft.

UITVOERINGSVOORWAARDEN

Indien tijdens de uitvoering van vergunde werkzaamheden historische onderdelen tevoorschijn komen waarvan het bestaan voordien niet bekend was, is de vergunninghouder verplicht dit te melden bij het team monumenten van de gemeente Zaanstad.

- De uitvoerder moet medewerkers van het team monumenten van de gemeente Zaanstad de mogelijkheid bieden tijdens de werkzaamheden onderzoek uit te voeren.

- Historisch waardevolle elementen moeten tijdens restauratie- en verbouwingswerkzaamheden afdoende beschermd worden tegen beschadigingen.

- Een monument moet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te allen tijde afdoende tegen weersinvloeden beschermd zijn,

- Alle planwijzigingen die plaatsvinden tijdens de uitvoering van bouwen restauratiewerkzaamheden dienen te worden vastgelegd op een revisietekening welke aan het team monumenten van de Gemeente Zaanstad wordt voorgelegd,

- Onderdelen die hergebruikt zullen worden, maar voor de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijk worden gedemonteerd, moeten droog, geventileerd en beschermd tegen mogelijke beschadigingen worden opgeslagen.

- Indien graafwerkzaamheden plaatsvinden in een archeologisch waardevol gebied dat dient er contact opgenomen te worden met de gemeentelijk archeoloog P Kleij via p.kleij@zaanstad.nl.

- Stut- en stempelconstructies moeten zodanig worden aangebracht dat zij geen schade kunnen veroorzaken aan histohsch waardevolle elementen.

- Steigers moeten zodanig geplaatst en bevestigd worden, dat de schade aan de gevel tot een minimum beperkt blijft. Verankeringelementen moetenbij demontage worden verwijderd en de ontstane gaten moeten gevuld worden met daartoe geëigende, bij het monument passende materialen. Steigers mogen niet aan geveltoppen worden "gehangen".

- Veiligheidsvoorzieningen voor inspectie zijn in beginsel toegestaan mits de aan te brengen voorzieningen geen monumentale onderdelen aantasten en zij niet prominent aanwezig zijn.

- Veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud zijn alleen toegestaan indien de bereikbaarheid met bijvoorbeeld hoogwerkers niet redelijkerwijs mogelijk is en de noodzaak van regulier onderhoud aanwezig is. Op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kunt u informatieve brochures nalezen over restauratietechniek, cultuurhistorie en wet- en regelgeving.

Deze website vindt u onder http://www.cultureelerfgoed.nl/monumenten/publicaties/brochures.

AFWIJKEN VAN DE RICHTLIJNEN

In bepaalde gevallen waarbij de aardof het kwaliteitsniveau van demonumentale waarden niet in deze richtlijnen algemeen geregeld worden, kunnen nadere eisen gesteld worden. Zowel het afwijken als het uitvoeren van deze richtlijnen gaat altijd in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad. Een aantal werkzaamheden aan rijksmonumenten is vanaf 1 juli 2011 niet meer vergunningsplichtig. De gemeente Zaanstad zal uniform aan de Monumentenwet 1988 voor de volgende werkzaamheden aan alle gemeentelijke monumenten geen omgevingsvergunning activiteit monumenten meer verlangen: - Werkzaamheden aan niet-monumentale onderdelen van het object. Dit kunnen uitsluitend onderdelen betreffen die op grond van de redengevende omschrijving als niet-monumentaal zijn gekwalificeerd of onderdelen zijn waarbij uit bouwhistorisch onderzoek blijkt dat er geen monumentale waarden in het geding zijn. Voorbeelden van niet-monumentale onderdelen zijn aanbouwen of winkelinterieurs die afgelopen decennia zijn gerealiseerd.

- Het uitvoeren van onderhoud of ondergeschikte restauratiewerkzaamheden (vervanging van maximaal 10% van het materiaal) waarbij materiaal, detaillering en afwerking niet veranderen.

- Werkzaamheden die dienen te worden uitgevoerd naar aanleiding van een aanschrijving van burgemeester en wethouders.

VRIJSTELLINGSREGEL BOUWBESLUIT​

Van de vrijstellingsregel, art. 1.12 van het Bouwbesluit 2003, kan gebruik worden gemaakt als er monumentale waarden in het geding zijn of als de aanpassing zou leiden tot gevolgschade door fysische of chemische reacties. Indien Bouw- en Woningtoezicht expliciet eist dat aan een veiligheidseis voldaan moet worden, terwijl er monumentale waarden in het geding zijn, moet er gezocht worden naar een alternatieve oplossing waarbij aan de eis tot een aanvaardbaar niveau tegemoet wordt gekomen en de aantasting van het monument tot een minimum beperkt blijft.

Wetgeving

WABO ARTIKEL 2.1

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

    • a.

      het bouwen van een bouwwerk,

    • b.

      b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

    • c.

      het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

    • d.

      het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen,

    • e.
      • 1°.

        het oprichten,

      • 2°.

        het veranderen of veranderen van de werking of

      • 3°.

        het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk,

    • f.

      het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

    • g.

      het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald,

    • h.

      het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht of

    • i.

      het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Voor rijksmonumenten geldt:

Artikel 11 van de Momentenwet 1988

  • 1.

    Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

    • a.

      een beschermd archeologisch monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een beschermd archeologisch

Indien iemand zonder vergunning en/of in afwijking van deze vergunning werkzaamheden in of aan een monument uitvoert is dit een overtreding.

Artikel 56 van de Monumentenwet 1988:

  • 1.

    Hij die opzettelijk handelt In strijd met artikel 11, met artikel 37, eerste lid, of met een maattegel getroffen opgrond van artikel 49, eerste lid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar of een geldboete van de vijfde categorie.

  • 2.

    Hij die opzettelijk handelt in strijd niet een der artikelen 39, eerste lid, en 47, eerste lid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar of een geldboete van de vijfde categorie

  • 3.

    De feiten zijn misdrijven.

WABO ARTIKEL 2.2

  • 1.

    Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: een bouwwerk te slopen, een monument als bedoeld in een zodanige verordening:

    • 1.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen

      of

    • 2.

      te herstellen, te gebruiken o f te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, een bouwwerk te slopen ln een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht.

Voor provinciale- en gemeentelijke monumenten geldt:

Artikel 10 Erfgoedverordening 2010 Gemeente Zaanstad: instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld In artikel l, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen,

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

    • a.

      een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1. onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzichtte wijzigen:

    • b.

      een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken o f te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

  • 3.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet Indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek

1. Constructieve onderdelen

Aanpassingen in een monument mogen in geen geval een wijziging of aantasting van de hoofddraagconstructie tot gevolg hebben. Herstel van de bestaande constructie is het uitgangspunt. Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dienen noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen in beginsel reversibel te zijn. Overbodig geraakte constructieve onderdelen moeten gehandhaafd blijven.

Rekentechnisch moet worden aangetoond dat een constructie niet toereikend is. Indien herstellen geen optie is kan het constructieve element of onderdeel vervangen worden door een bij de constructie van het object passend element of onderdeel.

Bij demontage van een constructie moet de stabiliteit van het geheel gewaarborgd zijn.

1.1 FUNDERING

Uitgangspunten

Een bouwwerk mag slechts worden voorzien van een nieuwe fundering als de oorspronkelijke fundering aantoonbaar slecht en/of overbelast is. De oude monumentale fundering wordt niet verwijderd,

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Een funderingsrapport moet uitsluitsel bieden over de technische staat en de mate van aantasting van de fundering. De kwaliteitsniveaus van het casco funderingsonderzoek zijn hierbij het uitgangspunt. Bij een kwaliteitsniveau "beperkte bruikbaarheidduur, de betrouwbaarheid van de constructie moet gegarandeerd zijn voor een periode van 15 jaar" is een nieuwe fundering mogelijk indien er geen monumentale waarden in het geding zijn. Bij splitsingsniveau "de betrouwbaarheid van de constructie moet gegarandeerd zijn voor een periode van 25 jaar" en bij nieuwbouwniveau is een nieuwe fundering niet toegestaan.

  • -

    - Indien een object een gemeenschappelijke bouwmuur heeft, moet er een afstemming met de funderingssituatie van het belendende pand komen.

  • -

    - Voor de beoordeling van mogelijke schade door trillingen bij het plaatsen van nieuwe palen wordt de strengste grenswaarde uit het SBR-rapport. Meet en beoordelingsrichtlijn, schade aan gebouwen ten gevolge van trillingen, deel 1,1993 gehanteerd. Trillingsvrije systemen genieten de voorkeur.

Toelichting

Ontoereikend draagvermogen van een fundering moet rekentechnisch worden aangetoond. Denuttige diameter van een paal bepaalt het draagvermogen, niet de mate van aantasting. Indien een aangetaste paal nog voldoende draagvermogen heeft en de fundering aan minimaal kwaliteitsniveau beperkte bruikbaarheidduur voldoet is een nieuwe fundering niet nodig. Indien een nieuwe fundering wordt aangebracht, mag de oude fundering niet worden verwijderd.

1.2 HOUTEN KAPPEN EN BALKLAGEN

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Onderdelen die zijn aangetast door insecten en/of schimmels mogen pas vervangen worden Als de onderdelen onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is.

  • -

    Slechte onderdelen moeten niet in hun geheel worden vervangen, maar afgezaagd tot voorbij het niet aangetaste gezonde hout en aangelast (schuine lip- of haaklas; Lias = 2-2,5 hoogte balk) in dezelfde houtsoort van hetzelfde formaat.

  • -

    Indien meer dan 40% van een onderdeel is aangetast is volledig vervangen toegestaan. Het gebruik van epoxyharsen ter vervanging van balkkoppen en dergelijke is toegestaan tot maximaal 1 /5e van de overspanning tot een maximum van 1,20 meter Rekentechnisch moet worden aangetoond of de gerepareerde balk voldoende draagvermogen heeft.

  • -

    Staalconstructies of stalen hulpconstructies mogen in beginsel niet worden toegepast. Staal heft een andere uitzettingscoëfficiënt dan hout waardoor spanningen kunnen ontstaan, Daarnaast is de toepassing daarvan een aantasting van de oorspronkelijke constructiemethode. Indien nodig, zijn verstijvingen in overleg met team monumenten Zaanstad en een constructeur toegestaan.

  • -

    De aanwezigheid van insecten of schimmels maakt niet altijd dat het 'aangetaste' hout moet worden vervangen. In voorkomende gevallen kan bij een beperkte aantasting met het verlagen van het vochtgehalte in het hout en/of het toepassen van een bestrijdingsmiddel worden volstaan.

Toelichting

De houtaantastingbestrijding dient uitgevoerd te worden met een middel op basis van permethroiden en conform de norm NEN 3252. Alvorens tot bestrijding overgegaan wordt, moeten eerst de ruimten en constructies goed stofvrij gemaakt worden. Bij toepassing van injectoren ter bestrijding van houtaantasters dient vooraf op het kapplan of op de spanttekeningen het aantal en de plaats van de injectoren te worden aangegeven. Dit kapplan of eventuele tekeningen dienen vooraf ter goedkeuring te worden overgelegd aan het team monumenten van de Gemeente Zaanstad. Het uitvoerende bedrijf moet na de invoering van de bestrijding een garantie van ten minste 5 jaar geven, dit in verband met de cyclustijd van de larven. Het verdient aanbeveling van het uitvoerende bedrijf te verlangen dat deze bij de toegang tot de behandelde ruimten of kappen een plaatje bevestigt met daarop de datum van de bespuiting, het toegepaste middel, de garantietermijn en de naam van het bedrijf dat de bestrijding heeft uitgevoerd.

1.3 DRAGEND METSELWERK

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Scheuren mogen niet dichtgesmeerd worden maar moeten worden ingeboet zodat de muur één constructief geheel blijft vormen. De te gebruiken stenen en mortel moeten zijn aangepast aan de fysische en chemische eigenschappen (hardheid, samenstelling) van de bestaande wand. Indien het inboetwerk niet is aangepast aan het bestaande metselwerk kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Voorts bestaat het risico dat het inboetwerk onvoldoende aan het bestaande werk hecht.

  • -

    Geroeste ankers mogen niet worden vervangen maar ontroest en behandeld worden, tenzij herstel niet mogelijk is. Een controleberekening moet aantonen of een anker in die mate is gecorrodeerd dat hij niet sterk genoeg meer is.

  • -

    Indien er sprake is van een kalkmortel dient schelpkalk toegepast te worden. De schelpkalk moet voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. Mengverhoudingen, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metselwerk volgens NEN 3835.

1.4 BETON

Uitgangspunt

Voordat een herstel- en conserveringsadvies voor een bestaande betonconstructie kan worden opgesteld, moet een goed en volledig beeld bestaan van de kwaliteit en de huidige toestand van het beton. Het in kaart brengen van de toestand begint altijd met een visuele inspectie. In veel gevallen echter is dat niet voldoende. Voor het stellen van een goede diagnose is meestal aanvullend technisch onderzoek vereist. De meest gebruikelijke onderzoeken vinden in situ plaats. Mogelijk is aanvullend onderzoek nodig en moeten er monsters worden genomen, die vervolgens in een laboratorium worden onderzocht. Daarnaast kan een bouwhistorisch onderzoek nodig zijn, waarin gegevens worden verzameld over het bouwproces, zoals bouwbestek en onderhoudsmaatregelen.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    De reparatiemortel moet aangepast zijn aan de betonkwaliteit, betonsamenstelling en elasticiteitsmodulus van de bestaande constructie.

  • -

    De bestaande oppervlakte structuur, textuur en oppervlakte behandeling kunnen een wezenlijk onderdeel zijn van de architectonische expressie. Het is van belang dat reparaties een zelfde afwerking en uiterlijk krijgen als de te herstellen betonconstructie.

  • -

    Ongeschilderde betonconstructies moeten ongeschilderd blijven tenzij de schone betonconstructie geen wezenlijk onderdeel is van de karakteristiek van het monument.

  • -

    Wanneer het noodzakelijk is een schone betonconstructie te beschermen tegen vochtindringing en reguliere bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden, kan de beton behandeld worden met een kleurloze minerale verf. De oppervlakte behandeling moet in overleg met en ten genoegen van het team monumenten van de gemeente Zaanstad plaats vinden.

Toelichting

Door het toepassen van bijvoorbeeld geprefabriceerde koolstofwapening of kunststof lagen met weefselmatten kunnen historische betonconstructies die volgens de huidige normen een te gering draagvermogen hebben worden versterkt. In een vroeg stadium wanneer de wapening en beton nog niet te zeer zijn aangetast kan het kathodisch beschermen van het wapeningsstaal een verder verval voorkomen.

1.5 IJZER, STAAL

Uitvoeringseisen

  • -

    Constructieve ijzeren of stalen onderdelen dienen te worden gehandhaafd en indien nodig hersteld, tenzij aantoonbaar is dat herstel niet mogelijk is. Rekentechnisch moet worden aangetoond dat een onderdeel of element niet meer voldoet.

  • -

    In geval van vervanging of toevoeging van nieuwe stalen constructieve onderdelen moet men rekening houden met de mogelijke legeringsverschillen tussen de oude en nieuwe onderdelen in verband met contactcorrosie.

  • -

    Aan een historische ijzer- of staalconstructie mag niet getast worden. Lassen is niet geheel reversibel en historische ijzer- of staalconstructies bevatten overwegend een te hoog koolstofgehalte. Lassen is alleen mogelijk, indien door onderzoek blijkt dat er geen monumentale waarden in het geding zijn en de ijzer- of staalconstructie een koolstofgehalte bevat lager dan 5%.

2. Gevels

De uiterlijke kwaliteiten en technische staat van een gevel zijn van groot belang voor de historische waarde en de beleving van de een monument. Een zorgvuldige en terughoudende omgang met de gevel is derhalve een voorwaarde. Onzorgvuldig omgaan met de gevel leidt tot onherstelbare beschadiging. Materiaaltoepassing, metselverband, patina, textuur, vorm en uiterlijk van het voegwerk, vormen een wezenlijk bestanddeel van de historische waarde van een gevel. Conservering van de bestaande gevel dient derhalve het uitgangspunt te zijn. In geval van schade of calamiteiten bij gevels moet eerst de oorzaak van de schade worden vastgesteld en verholpen alvorens tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodige wijzigingen aan de gevel zijn aangebracht.

2.1 HOUTEN GEVEL

Uitgangspunten

Slecht en/of ingerot houtwerk mag alleen dan worden vervangen wanneer de noodzaak daartoe in overleg met het team monumenten is aangetoond.

Uitvoeringseisen

  • -

    Het vervangen van onderdelen zal enkel geschieden na overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad.

  • -

    De te vervangen houten onderdelen dienen op historisch verantwoorde wijze te worden uitgevoerd, waarbij de bestaande houtsoort, maatvoering en detaillering, als uitgangspunt dient. Van het bestaande hout dienen delen ter controle bewaard te worden. De te verwijderen delen dienen te worden gedocumenteerd in verband met bouwsporen zoals tel merken.

  • -

    Het gebruik van epoxyharsen ter vervanging van bijvoorbeeld balkkoppen is onder voorwaarden toegestaan. Rekentechnisch zal moeten worden aangetoond dat de gerepareerde delen voldoende draagvermogen hebben.

  • -

    Het houtwerk dat in aanraking komt met het metselwerk dient tweemaal in de lijvige menie of grondverf gezet te worden.

  • -

    De houtsoort van de te vernieuwen onderdelen dienen van eerste kwaliteit en spintvrij te zijn.

  • -

    Het toepassen van FSC hardhout is slechts onder striae voorwaarden toegestaan en dient altijd te worden afgestemd met het team monumenten van de Gemeente Zaanstad.

  • -

    Bestaande kozijnen en/of ramen en deuren in de gevels handhaven. Constructief goede kozijnen en ramen handhaven. Ingerotte en/of vergane delen op de juiste wijze uitstukken.

  • -

    Ten behoeve van herstel van dakgoten, windveren, dekplanken, gevel en dakbeschietingen is het toepassen van plaatmateriaal, van welk fabricaat dan ook, niet toegestaan. Dit dient te gebeuren met massief hout Het gebruik van andere materialen zal in overleg met het team monumenten worden bepaald.

  • -

    Gaten in houten gootbodems ten behoeve van de tapeinden van de hemelwaterafvoeren dienen 0,5 cm rondom wijder te zijn dan de afvoer.

  • -

    - Bij houten gevels dient men het oorspronkelijke materiaal en de uiterlijke verschijningsvorm (het systeem) te handhaven, zoals potdekselen (getrapte weeg), messing en groef verbinding en staande delen. De bevestiging van de houten delen dient te geschieden aan de bestaande situatie.

  • -

    Het vervangen van hout bij houten gevels mag alleen in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad. Pas wanneer er sprake is van minimaal 60% van de gevel die rot is kan er gesproken worden over vervanging van de gehele gevel.

  • -

    Indien er gekozen wordt om gevelhout te vervangen dient een zelfde materiaal en houtsoort te worden toegepast. Waar dit niet mogelijk is wordt in overeenstemming met het team monumenten van de gemeente Zaanstad een vervangende houtsoort gekozen welke in uitstraling overeenkomt.

2.2 METSELWERK

Uitgangspunten

Bestaand metselwerk dient zoveel mogelijk behouden te blijven (geconserveerd te worden). Metselwerk mag pas vervangen worden als de onderlinge samenhang en scheurvorming herstel verhinderen.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    De in te boeten stenen moeten qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. Hierbij zijn de fysische eigenschappen van het inboeten belangrijker dan de kleur.

  • -

    De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt ais in de bestaande situatie.

  • -

    Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan.

  • -

    Het bestaande metselwerk en de in te brengen stenen moeten dusdanig vochtig zijn dat er geen vochtuitwisseling plaats vindt.

Toelichting

In het geval dat bestaande beschadigde stenen verdere schade tot gevolg kunnen hebben is een reparatiemortel toegestaan mits uitgevoerd volgens de richtlijnen in de brochure Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed info restauratie en beheer nr. 5,1996.

IJzeren elementen in de gevel dient men te ontroesten en ijzeren restanten zonder functie (of decoratieve waarde) te verwijderen.

2.3 VOEGWERK

Uitgangspunten

Alleen die delen van het voegwerk die slecht zijn dienen te worden vervangen. Een licht beschadigde voeg die zijn functie nog vervuld is te prevaleren boven een nieuw te plaatsen voeg. Een voeg Is slecht als hij zijn waterwerende functie niet meer vervult. Hardheid is geen criterium voor het vervangen van een voeg. Indien meer dan 70 % van het voegwerk slecht is, mag het voegwerk integraal worden vervangen. Indien het metselwerk een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter beslaat, mag het voegwerk integraal worden vervangen als 50% van het voegwerk in een slechte staat verkeerd. In het geval dat de aantasting onder het bovengenoemde percentage blijft maar zeer over de gevel is verspreid, kan het voegwerk in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad integraal vervangen worden.

Uitvoeringeisen

  • -

    Het nieuwe voegwerk dient in, kleur, uitmonstering en samenstelling overeen te komen met het bestaande en/of historisch juiste voegwerk. Het volledig uithakken van voegwerk is niet toegestaan. Slechts loszittende en ontbrekende voegen mogen vernieuwd worden.

  • -

    De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie.

  • -

    De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie.

  • -

    De samenstelling van de voegen dient aangepast te zijn aan de hardheid van de steen. De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. De metselmortel moet aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van de bestaande mortel.

  • -

    De voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk. Een lintvoeg dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een op lage toeren draaiende diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is alleen inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd.

  • -

    Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan. Het uithakken van voegen dient uitsluitend met de hand, of indien pneumatisch, met een fijne beitel uitgevoerd te worden. Een drietal monsters dient, voorafgaand aan het uithakken van de voegen, ter goedkeuring voorgelegd te worden. Bij uithakken van bestaand voegwerk mogen smalle stootvoegen niet verbreed worden; het zogenaamde ophakken van stootvoegen is niet toegestaan.

  • -

    Indien er sprake is van een kalkmortel moet de toe te passen schelpkalk voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. De mengverhoudingen moeten, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metsel- of voegwerk, volgens NEN 3835 zijn. Het gebruik van steenkalk is niet toegestaan.

Toelichting

  • -

    Wanneer met het uithakken van de voegen begonnen gaat worden dient dit bij het team monumenten van de Gemeente Zaanstad gemeld te worden, zodat in overleg een proefvlak opgezet kan worden. De voegen dienen in verband met een goede hechting van de voegspecie zodanig te worden uitgehakt dat de voeg voldoende massa heeft. Als richtlijn kan een verhoudingvan voegdikte staat tot voegdiepte is als 1 staat tot 2 worden aangehouden. Ter hoogte van het maaiveld dienen het metselwerk en het voegwerk alsmede het eventuele stucwerk tot ten minste 30 cm beneden het maaiveld te worden nagezien en zonodig hersteld of vernieuwd.

  • -

    Het metselwerk moet dusdanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de voegspecie optreedt. Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen.

  • -

    Het is niet mogelijk kalk en trasvoegen aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden.

2.4 REINIGING

Uitgangspunten

Agressieve gevelreiniging is niet toegestaan. Gevelreiniging is alleen toegestaan met water onder lage druk en borstelen, borstel zonder metalen delen. Tenzij de verontreiniging (organisch of chemisch) schade kan veroorzaken aan de gevel (metselwerk) of een gevel dermate vuil is dat de architectonische expressie volledig verloren is gegaan. Het hydrofoberen en/ of impregneren van gevels is in beginsel niet toegestaan. Permanente antigraffitisystemen zijn niet toegestaan omdat hiermee een kleurverschil in de gevel ontstaat op termijn. Semipermanente antigraffitilagen zijn toe gestaan bij een spouwmuurconstructie indien zij kleurloos (niet glanzend), dampdoorlatend en zelfopofferend zijn. Indien er geen sprake is van een spouwmuur mag een semipermanente antigraffitilaag alleen toegepast worden indien het gebouw geen aantoonbare fysische schade van de beschermlaag ondervindt.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Bij de reiniging wordt een gevel in fysieke en esthetische zin gewijzigd. Bij beschermde monumenten is daarom een omgevingsvergunning vereist.

  • -

    Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, moet eerst worden vastgesteld welk type verf is gebruikt. Vervolgens kan de reinigingstechniek worden bepaald, waarbij in ogenschouw moet worden genomen welke schade de reinigingsmethode kan aanrichten.

  • -

    Het verwijderen van graffiti door middel van stralen is niet toegestaan.

  • -

    Een antigraffitilaag mag alleen worden aangebracht met de toestemming en volgens de voorwaarden van het team monumenten van de Gemeente Zaanstad.

Toelichting

De minste beschadiging ondervindt een monument als van een gevel, welke niet van een beschermlaag is voorzien, de graffiti binnen 24 uur wordt verwijderd met de voor de verfsoort en ondergrond juiste reinigingsmethode.

Gevelreiniging brengt in alle gevallen een zeker schaderisico met zich mee. Reiniging kan de gevel mechanisch of chemisch beschadigen wat kan leiden tot afzanden, verpoederen, schilferen en afbrokkelen. Metselwerk en vele soorten natuursteen zijn na reiniging door het verwijderen of aantasten van de bakhuid veelal meer poreus wat leidt tot grotere wateropname van de gevel, meer kans op vorstschade en een snellere en diepere vervuiling van de gevel. Wat voor de ene gevel en/of materiaal een geschikte reinigingsmethode is, kan bij een andere gevel en/of materiaal ernstige schade opleveren. Het is derhalve onmogelijk om een uniforme reinigingsmethode aan te geven. De methode van reinigen wordt bepaald in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad. De technische noodzaak van reinigen is meestal niet aanwezig. Een reiniging enkel om esthetische redenen is niet toegestaan.

2.5 NATUURSTEEN

Uitgangspunten

Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek niet grotere omvang hebben dan 10cm^ In geval van ernstige schade dan wel verwering (meer dan 10 cm^) is inboeten van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan. Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. Ernstig aangetaste natuurstenen elementen waarvan het materiaalverlies door verwering meer dan 10% is ten opzichte van het oorspronkelijke element, mogen vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort. Voor ornamenten kan, indien de expressie volledig verloren is gegaan, in overleg met het team monumenten Zaanstad, het element vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort. Indien een natuursteensoort niet meer voorradig is kan in overleg met het team monumenten Zaanstad een alternatieve steensoort of reparatiemethode worden gezocht.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Vervangen onderdelen dienen ter controle te worden bewaard. Vervangende steensoorten in overleg met het team monumenten Zaanstad. Afwerking van de nieuwe natuursteen onderdelen dient op ambachtelijke wijze door middel van schuren, hakken, frijnen e.d. worden uitgevoerd.

  • -

    Epoxyharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2 mm) toegestaan.

  • -

    Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan. De laag is niet te verwijderen zonder schade en dient in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de versteviginglaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.

  • -

    Consolidatie van natuurstenen onderdelen met een acrylhars is alleen toegestaan als reguliere reparatiemethoden geen oplossing bieden en de dampdichtheid van de behandelde onderdelen geen schade bij het monument kunnen veroorzaken. De methode is alleen toe te passen met toestemming van het team monumenten Zaanstad.

Toelichting

  • -

    De aard van de schade geeft de reparatiemethode aan.

  • -

    De te vervangen natuurstenen onderdelen of constructies dienen gelijk aan bestaande en/of historisch juiste detaillering en natuursteensoort te worden uitgevoerd. Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie.

2.6 AFWERKING

Uitgangspunten

  • -

    Het toepassen van een gevelafwerking die niet aanwezig is in de bestaande situatie mag alleen aangebracht worden met de toestemming en volgens de voorwaarden van het team monumenten van de gemeente Zaanstad.

  • -

    Het hydrofoberen van gevels is niet toegestaan, tenzij bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden om vochtdoorslag in gevels te voorkomen. Alleen gevels die geolied zijn mogen opnieuw geolied worden.

  • -

    Natuursteen mag alleen geschilderd worden als dit historisch verantwoord is. Verflagen in beginsel niet verwijderen. Gevels mogen niet geschilderd of geteerd worden tenzij dit historisch verantwoord is.

  • -

    Indien alle bestaande verflagen geheel verwijderd worden, dient er vooraf een gedegen kleuronderzoek te worden verricht en aangeboden te worden aan de gemeente Zaanstad.

  • -

    Op gevels mogen alleen pleisterlagen worden aangebracht als deze al aanwezig zijn of als dit historisch verantwoord is. Hoekbeschermers zijn niet toegestaan.

  • -

    Tegeltableaus moeten gehandhaafd blijven en mogen niet worden overgeschilderd of anderzijds weggewerkt worden op een wijze die schade aan het tableau veroorzaakt.

  • -

    Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was. Bij polychromering dient men zich te laten leiden door de voorstelling of het onderschrift. Het aanbrengen van extra ornamenten of kleur, zonder dat daar -bijvoorbeeld m het reliëf af het onderschrift- aanwijzing voor is, fs niet toegestaan, tenzij historisch onderzoek kan aantonen dat daarvan wel sprake was. Waar geen reliëf aanwezig is, moet gekozen worden voor een natuursteenkleur.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    De toe te passen pleisters moeten damp-open zijn (Sd totale constructie 30cm). Nieuw pleisterwerk dient in samenstelling, kleur en uitvoering overeen te komen met het bestaande en/of historisch juiste pleisterwerk.

  • -

    De kleur en verfsoort moet in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad worden bepaald.

  • -

    Geoliede gevels mogen niet geschilderd worden. Indien er sprake is van voegwerkherstel of inboeten minimaal 6 weken wachten met oliën. Als een voeg niet volledig is uitgehard zal verzeping van de voeg optreden.

  • -

    Er moet met een damp-open product worden geschilderd, bij voorkeur een minerale verf, olieverf of eventueel met een zuivere siliconenhars-emulsie verf.

  • -

    Nieuw schilderwerk dient ten aanzien van systeem, kleur en uitvoering overeen te komen met het bestaande, historisch juiste schilderwerk. Zover mogelijk volgens het basisverfbestek of in overleg.

  • -

    Het is niet toegestaan schilderwerk uit te voeren in de periode eind oktober tot eind maart. In deze periode mag het houtwerk wel in de grondverf gezet worden, alles overeenkomstig het gestelde in het basis-verfbestek of in overleg.

  • -

    Het schilderen van pleisterwerk of natuursteen dient uitsluitend te geschieden met een glad opdrogende verf. In verband met de waterhuishouding in de constructie dient het verfsysteem aan het over te schilderen type pleisterwerk of natuursteen te worden aangepast.

  • -

    Het schilderen van gevelstenen met olie-of sillconenemulsieverf is aan te raden, omdat verf de stenen beschermt. Het verfsysteem moet damp open zijn en moet zonder schade aan de steen te verwijderen zijn. Het gebruik van mineralogische verven op gevelstenen is niet toegestaan, omdat deze verven een reactie aangaan met de ondergrond.

  • -

    Er dient met een blanke half rauwe/half gekookte lijnotie te worden gewerkt, zonder siccatieven. Pigment mag alleen toegevoegd worden In overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad.

  • -

    Het verwijderen van oude verflagen mag niet door middel van afbranden geschieden (krachtens het Brandbeveiligheids besluit bijzondere gebouwen). Schuren geniet de voorkeur.

Toelichting

Het hydrofoberen van een gevel is alleen toegestaan met de toestemming en volgens de voorwaarden van het team monumenten Zaanstad. Het is van groot belang dat historische constructies damp-open worden gehouden. Vocht uit het gebouw migreert in dampvorm door de niet geventileerde constructie. Aangezien de gebouwen dampdiffusietechnisch en thermisch, overwegend onoplosbaar, lek zijn heeft het afsluiten van een constructie ernstige gevolgen. Het vochtgehalte in de constructie zal door de remming toenemen waardoor houten elementen zoals balken of kozijnen veelal een te hoge vochtconcentratie krijgen waardoor rot kan ontstaan. Met name als bijvoorbeeld de kozijnen zelf met een dampdichte verf geschilderd zijn. IJzeren ankers in de gevel gaan ook sneller corroderen wat weer tot scheurvorming in het metselwerk zal leiden. Water dat bijvoorbeeld door inwendige condensatie in de constructie komt kan er door de waterwerende laag niet uit wat het verval versnelt. Een tweede probleem is dat bijvoorbeeld hydrofobeermiddelen verweren. Na een aantal jaren moet opnieuw gehydrofobeerd worden anders kan de gevel plaatselijk inwateren. Verder moet een gevel homogeen van aard zijn en niet te veel zouten bevatten anders is de hydrofobeerlaag op den duur niet waterdicht. Tot slot is het hydrofoberen niet reversibel.

2.7 ISOLEREN VAN GEVELS

Uitgangspunten

Het aanbrengen van isolatiemateriaal mag geen fysische veranderingen tot gevolg hebben die schade aan het monument toebrengen. Isolatiesystemen geplaatst aan de buitenzijde van de gevel zijn in beginsel niet toegestaan.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    De isolatie van de wanden moet afgestemd zijn op het totale pakket van isolatievoorzieningen. Een in verhouding tot de overige isolatievoorzieningen relatief dik isolatiepakket kan tot schade leiden.

  • -

    Voorzetwanden en isolatiesystemen aan de binnenzijde mogen niet worden toegepast als monumentale interieuronderdelen worden aangetast of aan het zicht ontrokken, zoals lambriseringen, wandbespanningen, plinten, monumentale plafonds en plafondlijsten. Indien strijkbalken en strijkspanten dermate dicht op de gevel liggen (> 25 mm) dat er niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand kan worden aangebracht, of monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden doorgezet moet van de isolerende maatregel worden afgezien. Een strijkspant of strijkbalk mag in beginsel niet verplaatst worden, tenzij de gevolgen voor de monumentale waarden beperkt zijn. Indien er sprake is van een houtskelet, moer en kinderbint- constructie, of anderzijds bijzondere historische constructies is het verplaatsen van onderdelen uitgesloten.

  • -

    Een strijkbalk of strijkspant mag niet aan de 'koude'zijde van de isolatie komen te liggen.

  • -

    Bij het toepassen van binnenisolatie moet ter voorkoming van inwendige condensatie aan de 'warme'zijde een dampremmende folie worden aangebracht.

Toelichting

Het isoleren van buitenmuren leidt vaak tot onvoorziene problemen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden, vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers wat tot ernstige en mogelijk onherstelbare schade kan leiden.

2.8 NIEUWE VOORZIENINGEN

Uitgangspunten

  • -

    Voorzieningen die een niet reversibele toevoeging zijn en waarvoor in de gevel een sparing of gat moet worden aangebracht, zoals brievenkasten, bel en intercomvoorzieningen, gevelstenen, etc. zijn in beginsel niet toegestaan.

  • -

    Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn in beginsel niet toegestaan.

  • -

    Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals lampen, camera's, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc, mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. De voorzieningen moeten voldoen aan de geldende Welstandsrichtlijnen en zijn vergunningsplichtig.

  • -

    Buitenzonwering en rolluiken zijn in beginsel niet toegestaan.

  • -

    Installaties moeten zodanig zijn aangebracht dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen. De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast.

3. Gevelsparingen

Bestaande gevelsparingen dienen te blijven. Voor het reconstrueren of het verplaatsen van openingen is het vereist dat een bouwhistorisch onderzoek deze situatie moet verantwoorden. Het creëren van nieuwe openingen kan alleen als het monumentenbelang zich daartegen niet verzet, er mogen geen monumentale waarden verloren gaan met het plaatsen van nieuwe gevelsparingen. Bestaande gevelsparingen in een afwijkende stijl zijn ook onderdeel van het beschermde monument. Het vervangen van een bestaande gevelsparing heeft niet altijd de voorkeur en mag alleen in overeenstemming met het team monumenten van de Gemeente Zaanstad plaatsvinden.

3.1 HOUTEN VENSTERS EN DEURPARTIJEN

Uitgangspunten

Bestaande houten vensters en deurpartijen dienen zo veel mogelijk te worden gehandhaafd. De te vervangen houten onderdelen dienen op historisch verantwoorde wijze te worden uitgevoerd, waarbij de bestaande houtsoort, maatvoering en detaillering als uitgangspunt dienen. Van het bestaande hout dienen delen ter controle bewaard te worden. Het volledig vervangen van vensters of deurpartijen die nog hersteld kunnen worden of nog in goede staat verkeren, is niet toegestaan. Zijn onderdelen van een historisch venster of deurpartij slecht, dan wordt niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. De detaillering en de afmetingen van de nieuwe onderdelen van historische vensters of deurpartijen moet worden aangepast aan de bestaande detaillering en afmetingen en uitgevoerd in dezelfde houtsoort. Daar waar de verwerking van de bestaande houtsoort niet mogelijk is kan worden afgeweken. De vervangende houtsoort wordt altijd in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad afgestemd. De vervangende houtsoort dient in karakteristiek hetzelfde te zijn als bestaand.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Voor de reparatie van historische vensters en deurpartijen moeten oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast. Het handhaven van een demontabele constructie heeft het voordeel dat deel van de constructie voor reparatie altijd weer uit kan worden genomen.

  • -

    Reparaties van gedeelten van een historisch venster- of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een liplas (richtlijn is L-las 2-2,5 x houtzwaarte) met dezelfde houtsoort als het bestaande venster of de deurpartij.

  • -

    Reparatiemortels op kunststofbasis kunnen alleen voor gaten kleiner dan 10 cm^ worden toegepast.

  • -

    Rotte en/of vergane delen uitstukken.

  • -

    Het aanbrengen van een doorvalbeveiliging is een wijziging van het monument en als zodanig vergunningplichtig.

  • -

    Voor schilderwerk moet men damp-open verfsystemen gebruiken, waarvan de Sd-waarde kleiner is dan 30 cm (een Sd-waarde van 15 cm voor het verfsysteem wordt als damp-open beschouwd). Omdat oudere houtconstructies vanwege de aard van omliggende constructie vaak meer vochtbelast zijn dan de tegenwoordige constructies is het beter een damp-open verfsysteem toe te passen. Het vervangen van hout dient in eenzelfde houtsoort uitgevoerd te worden. Bij grootschalige restauraties kan gekeken worden naar een passende oplossing. De karakteristiek van het hout dient behouden te blijven.

  • -

    Het toepassen van kozijnen met het KOMO-keurmerk is niet toegestaan vanwege de wijziging in karakteristiek door de v-naden.

  • -

    Het is niet toegestaan om openingen tussen kozijn en muur met kit af te dichten. De naden tussen kozijn en gevel moeten met een damp-open voeg van kalkspecie worden afgedicht. Door kit als materiaal te gebruiken op oude houten constructies kan de mogelijkheid tot uittreding van vocht worden geblokkeerd.

  • -

    Het houtwerk dat in aanraking komt met het metselwerk dient tweemaal in de lijvige menie of grondverf gezet te worden.

  • -

    Oude verflagen mogen niet volledig worden verwijderd maar overgeschilderd in verband met toekomstig kleuronderzoek, tenzij de diverse aanwezige verflagen gezamenlijk dermate dampdicht zijn dat in de aanwezige condities vochtproblemen te verwachten zijn.

Toelichting

Historische venster- en deurpartijen horen tot de monumentale waarden van een pand. Het streven om deze onderdelen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag nooit leiden tot aantasting van de monumentale waarden of integraal vervangen van de onderdelen. Indien de technische staat van het venster (kozijnen, ramen, deuren en luiken) zo slecht is dat het volledig vervangen moet worden, geldt als regel dat het nieuwe onderdeel overeenkomstig het oorspronkelijke wordt gemaakt. Aan het vernieuwen van vensters en deurpartijen in oude vorm kleven in sommige situaties bezwaren. Niet alle oude constructies voldoen zonder meer aan de eisen die onder meerde KeuringsVoorschrifen voorTimmerwerken (KVT '95) stelt. Er zijn gecertificeerde timmerfabrikanten die oude vensters kunnen kopiëren die tevens voldoen aan de kwaliteitseisen. Wanneer op een enkel detail na, niet aan die eisen kan worden voldaan, hoeft dat geen probleem te zijn. Indien wordt afgeweken van de huidige kwaliteitsnorm kan de fabrikant een verklaring ondertekenen op welke details is afgeweken. Bij vervanging in de oude vorm kan men via artikel 1,12 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing krijgen van de eisen waaraan een nieuw aan te brengen

venster- of een deurpartij moet voldoen.

Indien een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. De normen van de KeuringsVoorschriften voor Timmerwerk (KVT '95) gelden niet voor historische vensters en deurpartijen.

3.2 STALEN VENSTERS EN DEURPARTIJEN

Uitgangspunten

Stalen vensters en deurpartijen mogen alleen worden vervangen indien herstel niet mogelijk is.

In geval van herstel of vervanging zijn bouwtechnische verbeteringen toegestaan mits het oorspronkelijke uiterlijk gehandhaafd blijft. Detaillering en uitvoering moeten in overleg met het team monumenten van de gemeente Zaanstad geschieden.

3.3 BEGLAZING

Uitgangspunten

Historisch glas dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven.

Uitvoeringseisen

  • -

    Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas.

  • -

    Het glaswerk dient in enkel glas en in principe zonder gebruik te maken van glaslatten te worden uitgevoerd. Glaslatten mogen enkel worden toegepast in situaties waar dit historisch juist is.

  • -

    Het plaatsen van aluminium roosters en suskasten in glasvlakken Is niet toegestaan. Het gebruik van gleufroosters in raamhout en muurdempers in de gevel is wel toegestaan, mits de roosters geschilderd worden. Het afkitten van glas-in-loodramen dient uitgevoerd te worden met een voor beglazing geschikte kit (geen siliconenkit).

  • -

    Bij het aanbrengen van beschermende beglazing bij glas-in-lood vensters moet de ventilatie tussen het glas gewaarborgd zijn, waarbij de minimale afstand tussen het glas 45 mm bedraagt.

  • -

    Gebrandschilderd glas-in-lood mag in overleg met hel team monumenten Zaanstad in een zogenaamde museale opstelling geplaatst worden. De beschermende beglazing dient te zijn ontspiegeld.

  • -

    Het gebruik van siliconenkit bij glas-in-lood is niet toegestaan.

  • -

    Bij gebrandschilderd glas mogen geen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen worden gebruikt.

  • -

    Uitbuikend glas-in-lood mag niet vlak worden geduwd.

3.4 ISOLEREN VAN RAMEN

Uitgangspunten

Historisch glas dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven.

Uitvoeringseisen

  • -

    De aanwezige monumentale waarden kunnen er toe leiden dat geen voorzieningen mogelijk zijn.

  • -

    Isolerende beglazing {dubbelglas) is in beginsel niet toegestaan, tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.

  • -

    Indien de wens bestaat om de ramen te isoleren dan is het mogelijk om gebruik te maken van achterzetbeglazing als hiermee geen monumentale waarden verloren gaan.

  • -

    Met een achterzetraam wordt een extra raam aan de binnenzijde bedoeld. Isolerende voorzieningen aan de buitenzijde zijn niet toegestaan, tenzij ter bescherming van zeer kwestbare roedeverdeling of glas-in-lood. Indien een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een achterzetraam in beginsel niet toegestaan. Een achterzetraam mag onderdeel uitmaken van een volledige achterzetwand.

  • -

    De detaillering en de onderverdeling van het achterzetraam mag niet detoneren met het monumentale raam.

  • -

    De ruimte tussen het raam en het achterzetraam dient met buitenlucht geventileerd te worden, op een zodanige wijze dat de monumentale onderdelen niet materiaaltechnisch of visueel worden aangetast,

  • -

    Indien de zwaarte van het raamhout niet toereikend is kan tot aanpassing of vervanging worden overgegaan als de bestaande ramen geen monumentale waarden vertegenwoordigen en/of in die mate in slechte technische staat verkeren dat ze niet zijn te handhaven.

  • -

    Indien een bestaand raam geen monumentale waarden vertegenwoordigd zal het nieuwe raam in detaillering en materialisering moeten aansluiten bij het monument.

  • -

    De bestaande kozijnen mogen niet ingrijpend worden aangepast of worden vervangen ten behoeve van tochtdichting voorzieningen of geleidingssystemen.

  • -

    Oud glas en glas-in-lood ramen moeten worden gehandhaafd. Glas-inloodramen mogen in principe niet in de luchtspouw van dubbel glas worden aangebracht.

  • -

    Buitenbeglazing geplaatst in de stopverf geniet de voorkeur. Het aanbrengen van isolerende beglazing heeft geen effect zondereen verbetering van de kierdichting.

  • -

    Bij het toepassen van dubbele beglazing dienen de afstandsprofielen te worden uitgevoerd in de kleur van het kozijn of met een zwarte rubberkern in plaats van metaal.

  • -

    Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt maar onherstelbaar aangetast is, kan gelaagd glas worden toegepast, mits het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam verenigbaar zijn met isolerende beglazing. Hierbij moet het aanzicht, de dagmaten, negge, zwaarte, en detaillering vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven, tenzij het interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, dan zal ook aan de binnenzijde het uiterlijk ongewijzigd moeten blijven.

4. Daken

De bestaande historische dakbedekking en vorm dienen te worden gehandhaafd.

De oorspronkelijke dakbedekking is vaak in samenhang met de architectonische uitdrukkingsvorm gekozen. Bestaande historische dakbedekkingen dienen daarom gehandhaafd te worden. Daar waar de dakbedekking is aangepast kan een reconstructie van de originele dakbekleding worden uitgevoerd. Voor dit type reconstructie is een bouwhistorisch onderzoek vereist.

4.1 DAKBESCHOT

Uitgangspunten

Het bestaande dakbeschot handhaven.

Onbeschoten kappen mogen worden beschoten.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Wijzigingen aan het dak dienen een noodzaak te hebben, bijvoorbeeld ten behoeve van het gebruik bij herbestemming van het pand.

  • -

    Traditionele daklichten verdienen de voorkeur boven moderne kantelramen.

  • -

    Bij gebouwen met van oudsher een woonfunctie verdient een dakkapel de voorkeur boven een dakraam.

  • -

    Bij monumenten van bedrijf en techniek hebben dakramen de voorkeur boven een dakkapel.

  • -

    Dakramen of kapellen dienen tussen sporen of spanten geplaatst te worden zodat de constructie niet wordt aangetast.

  • -

    Bij een gesloten kap dient de geslotenheid gewaarborgd te zijn bij aanpassingen in het dakvlak.

  • -

    Het plaatsen van dakramen in dominante/ beeldbepalende dakschilden is niet toegestaan.

  • -

    Dakramen dienen zo laag mogelijk in het dakvlak geplaatst te worden, hiermee blijft de geslotenheid van de nok beeldbepalend.

  • -

    Het aanbrengen van loggia's in dakvlakken is in beginsel niet toegestaan.

  • -

    Voor dakdoorvoeren dient gebruik gemaakt te worden van bestaande kanalen.

  • -

    Doorvoeren voor ventilatie dient plaats te vinden d.m.v het ventileren onder de pannen.

  • -

    Het ontwerp van een aanpassing aan het dakvlak dient te gescheiden met hoogwaardige materialisering en maatvoering, passend bij het bestaand.

  • -

    Indien het bestaande dakbeschot aantoonbaar slecht is en vervangen moet worden, dienen de herstellingen in hout van dezelfde soort en afmetingen als in de bestaande toestand te worden uitgevoerd.

  • -

    Afdichringsmiddelen zoals kit en PUR-schuim zijn niet toegestaan.

  • -

    Historische kappen dienen voldoende te worden geventileerd.

4.2 PANNEN

Uitgangspunten

Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan levensverwachting 15 jaar of langer is, te worden hergebruikt. Mocht er een technische noodzaak zijn om tot gedeeltelijke of gehele vervanging over te gaan, dan wordt eenzelfde type pan, bij voorkeur gebruikt, toegepast.

Het historisch pannendak vormtéén wezenlijk onderdeel van het monument en is mede daardoor van belang voor het stadsbeeld. De tendens om holle pannen tijdens de restauratie te vervangen door opnieuw verbeterde Hollandse of door nieuwe'oude'pannen is een ongelukkige ontwikkeling. Het eenvormige strakke uiterlijk van die pannen is wezensvreemd aan het historische dak.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Bij inboeten en vernieuwen van panbedekking dienen nieuw aan te brengen pannen in vorm, type en kleur overeen te komen met de bestaande en/ of historisch juiste pannen.

  • -

    Het vervangen van keramische pannen door betonpannen is niet toegestaan.

  • -

    De toepassing van Oudhollandse pannen dient in samenhang met ventilerende dakfolie te geschieden. De folie dient bij dakdoorbrekingen en opgaand muurwerk voldoende te worden opgezet. Bij voorkeur dienen oude gebruikte pannen in plaats van nieuw gebakken pannen te worden toegepast.

  • -

    Ontbrekende of beschadigde pannen bijleveren in hetzelfde soort en van dezelfde kleur als de bestaande.

  • -

    Alle aan te brengen keramische dakpannen dienen met de bij de pansoort behorende hulpstukken te worden toegepast.

  • -

    Bij een dak met Oudhollandse pannen moet een platte nokvorst worden toegepast.

  • -

    Het aansmeren van pannen mag alleen in geval van noodherstel of reparatie van incidentele lekkages. Voor het aansmeren van de nok en hoekkepervorsten mag alleen kalkspecie worden toegepast.

  • -

    Het gebruik van portlandcement of oneigenlijk materiaal (flexim) is niet toegestaan. De nok- en hoekkepervorsten dienen met behulp van een gewapende kalkspecie of polystyreenvezel gewapende mortel te worden aangebracht.

  • -

    Op een pre-industrieel pannendak hoort bij voorkeur een met de hand vervaardigde, holle pan te liggen.

  • -

    Het verdient de aanbeveling zowel de bestaande pannen als de nieuwe pannen bij elkaar te leggen. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak te dekken.

  • -

    Het is aanbevelenswaardig onder Oudhollandse pannen een dampdoorlatende folie aan te brengen.

  • -

    Indien een dak gedekt is met een niet meer verkrijgbare pan, wordt in overleg met het team monumenten Zaanstad een passende oplossing gezocht. De meest voorkomende pannen zijn over het algemeen in ruime mate beschikbaar.

  • -

    De eventueel toe te passen panhaken en -klemmen dienen in roestvast staal te zijn uitgevoerd. Bij Oudhollandse pannen kunnen gegalvaniseerde panklemmen worden toegepast.

  • -

    Het schuine dakvlak moet gedekt worden met zogenaamde losanges van zink, dik 1,1 mm (STZ 16). De juiste maat en de wijze van dekken dient In overleg met de gemeente Zaanstad bepaald te worden.

Toelichting

  • -

    Schiet sterk afgeschilferde en gebarsten pannen, zogenoemde rammelaars, uit. De aanwezigheid van craquelé op verglaasde pannen vormt geen beletsel voor hergebruik, dat geldt ook voor slijtageplekken in verglaasde pannen of voor versleten nokken. Door het oplijmen van een nieuwe nok kan de pan weer jaren mee.

  • -

    Ontdoe bruikbare pannen van kalkmortel.

  • -

    Sorteer de pannen op grootte en houd kromme en meer vlakke pannen bij elkaar.

  • -

    Vul ontbrekende pannen aan met oude exemplaren uit restvoorraden.

4.3 LEIEN

Uitgangspunten

-De oorspronkelijke wijze van dekken dient te worden gehandhaafd. Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Leien dienen van natuursteen te zijn overeenkomstig bestaande en/of historisch juiste dekking.

  • -

    Bij inboeten en vernieuwen van leibedekking dienen de nieuw aan te brengen leien in kleur, afmeting en vorm, alsmede ten aanzien van de wijze waarop het dak wordt gedekt, overeen te komen met de bestaande en/of historisch juiste leidekking. De leien mogen uitsluitend met koper worden vernageld of bevestigd met r.v.s.-leihaken (type 316), in zwarte uitvoering.

  • -

    De toe te passen leisoort dient door de importeur te worden voorzien van een recent keuringsrapport, een her kom stee rtificaat en de te verlenen garanties. De toe te passen leien moeten vrij zijn van breuk, insluitingen, schadelijke verbindingen zoals kool, kalk, ijzer, pyriet zwavel en bitumineuze verbindingen.

Toelichting

Indien er twijfel bestaat omtrent de kwaliteit van bestaande leien, kan ook voor oude leien een keuring uitsluitsel bieden over de te verwachten levensduur.

4.4 ZINK, KOPER EN LOOD

Uitgangspunten

Koper, lood en zink moeten bij restauraties op dezelfde wijze worden toegepast als in de bestaande situatie met gebruikmaking van traditionele bevestigingsmethoden.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Het toe te passen zink is minimaal Zink 16(1,1 mm) en koper minimaal 0,8 mm. Lood moet volgens de richtlijnen van de SIBL (http://www.bouwlood.nl) worden aangebracht; op loden nokken moet minimaal 25 ponds lood worden toegepast.

  • -

    Een platte kraal mag niet worden vervangen door een ronde kraal.

  • -

    Zink mag niet worden gefelst maar moet worden gezet.

  • -

    Metaalwerk mag niet worden gelijmd.

  • -

    Bij het solderen van koper moet van koper of zilverhoudend tinsoldeer gebruik worden gemaakt.

  • -

    Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren moet hetzelfde materiaal worden toegepast als aangetroffen is, met uitzondering van kunststof dat bij vervanging niet is toegestaan.

  • -

    Het dilateren van goten gebeurt bij voorkeur door middel van een broekstuk. Indien een broekstuk niet mogelijk is of wanneer een goot geen enkele monumentale waarde vertegenwoordigt, kan in overleg met een expansiestuk toegepast worden.

Toelichting

In overleg kan zink eventueel door lood of koper worden vervangen.

4.5 VOORZIENINGEN IN HET DAK

Uitgangspunten

  • -

    Nieuwe dakkapellen, daklichten en doorbraken zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast. Bestaande schoorstenen moeten worden gehandhaafd.

  • -

    Er dient rekening gehouden te worden met de landschappelijke of stedebouwkundige context. Bijvoorbeeld of het vrijstaand pand betreft.

  • -

    Ook de plaats van de voorziening speelt een grote rol (voordakvlak is meer van invloed dan zij- of achterdakvlak)

  • -

    Gekeken moet worden naar de ouderdom en bijzonderheid van de kapconstructie, maar ook naar de waarde van het gesloten beeld.

  • -

    Boven elkaar plaatsen van openingen gaat ten koste van het gesloten karakteristiek van een dakvlak en is dus niet wenselijk. Een hoog geplaatste opening is ook niet wenselijk, omdat deze meer in het oog springt dan lager geplaatste openingen.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Loggia's zijn om bouwtechnische redenen af te wijzen maar ook vanwege de aantasting van het gesloten karakter van een dakvlak.

  • -

    Voorzieningen in het dak mogen maximaal een derde van de lengterichting van het dakvlak beslaan, waarbij de som van voorzieningen in en op het dakvlak (dakkapellen, dakvensters, loggia's etc.) niet meer dan een derde van de lengterichting van het dak beslaat.

  • -

    De voorzieningen moeten tussen de spanten worden aangebracht.

5. Structuur

De bestaande hoofdstructuur dient te worden gerespecteerd. De ruimtelijkheid van een monumentaal vertrek kan een wezenlijk onderdeel zijn van de monumentaliteit. De open structuur van een monumentale ruimte dient te worden gerespecteerd en ervaarbaar gehouden. De oorspronkelijke opzet van een pand is een wezenlijk onderdeel van de monumentale waarden. Uit de structuur valt het historische opzet en gebruik van een pand af te lezen.

5.1 KELDERS EN SOUTERRAINS

Uitgangspunten

De kelder of het souterrain moet een ondergeschikte verdieping blijven ten opzichte van de rest van het pand. Het uitdiepen van kelders of souterrains is uitsluitend toegestaan wanneer het uitdiepen geen gevolgen heeft voor de aanwezige monumentale waarden. Het aanbrengen of uitbreiden van een kelder is alleen mogelijk wanneer de kelder aansluit bij de typologie van het pand en de morfologie van de omgeving. De kelder moet een toevoeging zijn zonder aantasting van de aanwezige monumentale waarden.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Met het aanbrengen of uitdiepen van de kelder mogen geen monumentale onderdelen verloren gaan, aangetast of ontmanteld worden.

  • -

    De werkzaamheden ten behoeve van de kelder of souterrain moeten aantoonbaar een minimaal aanvaardbaar schaderisico voor het pand met zich meebrengen.

  • -

    Samengestelde kelders op verschillende niveaus mogen niet zonder meer op één niveau gebracht worden. Waneer de niveauverschillen een wezenlijk onderdeel van de structuur van de afzonderlijke bouwdelen uitmaken zullen de niveauverschillen gehandhaafd moeten blijven.

  • -

    Bij ontgraving moet de mogelijkheid voor archeologisch onderzoek geboden worden.

Toelichting

Een nieuwe kelder kan enkel geplaatst worden als hiervoor geen monumentale onderdelen als vloeren,wanden, historische fundering of kelder verwijderd, aangetast of ontmanteld moet worden.

5.2 PLATTEGROND

Uitgangspunten

De structuur van het pand moet afleesbaar blijven waarbij structurerende elementen moeten worden gehandhaafd.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Bij een wijziging van de plattegrond dient bouwhistorisch onderzoek gedaan te worden naar de vorming van de huidige plattegrond.

  • -

    Rookkanalen zijn belangrijke structureerde elementen waaruit de oorspronkelijke indeling kan worden afgeleid en moeten daarom worden gehandhaafd.

  • -

    En-suite scheidingen dienen te worden gehandhaafd.

  • -

    Hoofdverkeersstruauren zoals gangen moeten blijven bestaan en mogen niet bij gebruiksruimtes worden gevoegd.

  • -

    Vides in verdiepingscheidende vloeren zijn niet toegestaan.

Toelichting

Incidenteel zijn bescheiden doorbraken in wanden die een onderdeel zijn van de monumentale hoofdstructuur mogelijk. Afhankelijk van de aard en situering van de doorbraak moet hierbij gedacht worden aan een enkele deur tot maximaal de omvang van een dubbele deur.

5.3 TRAPPEN

Uitgangspunten

-Trappen zijn zeer bepalende structuurelementen. De bestaande verkeersstructuur met trappen dient te worden gehandhaafd tenzij deze niet aansluiten bij de oorspronkelijke opzet of een monumentaal waardevol geachte verbouwing.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Bij traditioneel opgezette woningen met een verkeerzijde en een rookkanaalzijde zijn trappen aan de rookkanaalzijde in beginsel niet toegestaan.

  • -

    Een tussenlid tussen een voor- en een achterhuis met daarin een trappenhuis moet in die vorm worden gehandhaafd.

  • -

    De afzonderiijke verkeerstructuur van panden moet worden gehandhaafd; wat betekent dat bij samenvoeging de afzonderiijke trappenhuizen moeten worden gehandhaafd,

  • -

    Toegevoegde trappen of trappenhuizen moeten zijn ingegeven vanuit een functionele noodzaak omwille van het hedendaagse gebruik en mogen geen waardevolle structuren of onderdelen doorbreken.

  • -

    Trappen die een monumentale waarde vertegenwoordigen moeten op de bestaande plek worden gehandhaafd.

Toelichting

Afhankelijk van de monumentale waarden is incidenteel een raveling in een historische balklaag mogelijk, mits de ingreep onoverkomelijk is. Wanneer een trap bijvoorbeeld in een bestaande raveling of tussen de balken kan worden aangebracht zal van de ingreep moeten worden afgezien. Bij houtconstructies met een hoge monumentale en uniciteitswaarde zijn extra ravelingen niet mogelijk.

5.4 LIFTEN

Uitgangspunten

het plaatsen van een nieuwe lift is in beginsel niet toegestaan tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.

Uitvoeringrichtlijnen

-Een liftopbouw is niet toegestaan.

Toelichting

Een lift is per definitie een structuuraantasting. Er wordt naast de bestaande verkeersstructuur een nieuw stijgpunt aangebracht waarvoor veelal ingrepen moeten worden gedaan. Een lift is derhalve alleen mogelijk als er geen monumentale onderdelen direct of indirect als gevolg van de plaatsing van een lift worden doorsneden.

6. Interieurs

Historisch waardevolle interieurs dienen gehandhaafd te blijven en mogen niet worden aangepast ten behoeve van nieuwe gebruikseisen en/of huidige regelgeving. Alles wat nagelvast met het monument is verbonden is een onderdeel van het beschermde monument. Dit geldt voor rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Ook het volledige interieur valt onder deze bescherming. Per aanvraag zal bekeken worden wat de mogelijke aantasting is van de monumentale waarden en zal worden gewezen op de vergunningsplicht.

6.1 VLOER/ PLAFONDWUZIGINGEN

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    In beginsel dienen historische kleurafwerkingen gehandhaafd te worden. Hierbij is de samenhang met andere stijlelementen van belang.

  • -

    Kleurwijziging is vergunningsplichtig en alleen toegestaan als histonschkleuronderzoek en archiefonderzoek de wens tot kleurwijziging ondersteunen. De kleurkeuze moet aansluiten bij de stijlkenmerken van het interieur Voor een verantwoorde interieurrestauratie is professioneel kleuronderzoek onontbeerlijk.

  • -

    Het aanbrengen van dampdichte afwerktagen op historische binnenwanden is niet toegestaan.

  • -

    Bij monumentale interieurs, waarvan de ruimte een eenheid vormt, is een verlaagd plafond niet toegestaan.

  • -

    Voor het aanbrengen van isolerende voorzieningen mogen geen monumentale onderdelen, zoals vloeren of plafonds, verwijderd of ontmanteld worden.

  • -

    Verlaagde plafonds moeten zodanig zijn aangebracht dat de bevestigingsmiddelen eventuele monumentale onderdelen niet aantasten en installaties , zoals elektrische leidingen, niet door monumentale onderdelen, bijvoorbeeld balken, worden doorgevoerd.

  • -

    Verhoogde of zwevende vloeren mogen niet leiden tot het inkorten van monumentale deuren.

  • -

    Verhoogde en zwevende vloeren mogen niet leiden tot het aanpassen of verplaatsen van monumentale trappen.

  • -

    Monumentale onderdelen, zoals lambriseringen of plinten die onderdeel zijn van het interieur, mogen niet geheel of gedeeltelijk door verhoogde vloeren aan het zicht ontrokken worden.

Toelichting

Oude dikke muren in een historisch vertrek hebben vaak een bufferfunctie wat betreft het opnemen van vocht. Het verloren gaan van deze bufferfunctie kan een verhoogd risico opleveren voor de vensters. Ook zal bij dampopen afwerking de kans op schimmels sterk worden verminderd.

7. Duurzaamheid

De aanwezige monumentale waarden zijn samen met de technische en fysische condities van het monument bepalend voor de mogelijk ^ nemen energiebesparende maatregelen. Indien een maatregel of -voorziening de monumentaliteit aantast of de technische conditie van het monument ondermijnt zal van de maatregel of voorziening moeten worden afgezien of met een minder niveau genoegen worden genomen.

7.1 ISOLATIE

Uitgangspunten

Het is van belang is dat de te nemen maatregelen op elkaar zijn afgestemd. Er zijn maatregelen denkbaar waarvan het doorvoeren in wezen vanuit monumentaal oogpunt niet bezwaarlijk zou zijn, maar die in combinatie de thermische of fysische balans verstoren. De wens tot het isoleren van monumenten leidt vaak tot problemen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers wat tot ernstige schade leidt. Indien een monument wordt nageïsoleerd, moet grote zorg besteedt worden aan de ventilatie. Zonder een deugdelijke ventilatie kan het nageïsoleerde monument grote schade ondervinden door te hoge vochtconcentraties in het pand. De voorzieningen mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten of ontsierend werken.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Middels een fysische berekening zal moeten worden aangetoond dat het pakket van maatregelen verenigbaar is met het monument,

  • -

    Naast de reguliere isolerende beglazing en isolatiematerialen zijn er diverse producten in de handel met redelijke of goede isolerende eigenschappen die, bijvoorbeeld door een geringere dikte, een oplossing zouden kunnen bieden voor problemen die zich voordoen bij het na-isoleren van monumenten. De materiaal en systeemkeuze kan mede bepalend zijn voor de mogelijkheden en de energiebesparende resultaten.

7.2 VENTILATIE

Uitgangspunten

Bij mechanische of balansventilatie moeten de installaries zodanig zijn aangebracht dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen. De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast.

-Ventilatieroosters of suskasten zijn in beginsel niet toegestaan. Indien het vervangen van de ramen is toegestaan mag een verholen ventilatievoorziening worden aangebracht.

Indien er geen monumentale waarden in het geding zijn, kunnen ventilatievoorzieningen

in de achtergevel aangebracht worden.

-De venrilatie dient bij voorkeur via voorzieningen op het dak te worden geregeld, maar wel op een wijze dat de monumentale waarden van de interieurs niet worden aangetast.

7.3 ZONNE-ENERGIE

Uitgangspunten

Zonnepanelen zijn onder strikte voorwaarde toepasbaar op hellende en platte daken.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Bij daken die zijn gedekt met leien, koper, losanges of een zeldzame dakbedekking zijn zonnepanelen niet toegestaan.

  • -

    Indien een dak een prominent onderdeel is van de architectuur of het monumentale voorkomen van een monument zijn voorzieningen om zonne-energie op te vangen niet toegestaan.

  • -

    Zonnecollectoren mogen niet in een hoek ten opzichte van het dakvlak worden aangebracht.

  • -

    Zonnecollectoren mogen niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied.

  • -

    De bestaande dakpannen mogen niet verwijderd worden.

  • -

    De doorvoer van leidingen mogen geen schade toedoen aan het monument.

8. Veiligheid

Bij functiewijziging van een pand worden vaak de veiligheidseisen opnieuw getoetst. Om aan de veiligheidseisen te voldoen binnen een beschermd monument is speciale aandacht nodig. Er mag geen blijvende schade aangericht worden. Voor nieuwe toevoegingen met oog op de veiligheid is een omgevingsvergunning noodzakelijk.

8.1 BRANDVOORSCHIFTEN

Uitgangspunten

Om tegemoet te komen aan de eisen van brandwerendheid moet, in overleg met het Bouw- en Woningtoezicht, de Brandweer en het team monumenten Zaanstad, gezocht worden naar een oplossing waarbij geen monumentale onderdelen worden aangetast.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Brandwerende voorzieningen moeten reversibel worden uitgevoerd.

  • -

    Historische deuren mogen niet worden vervangen door brandwerende deuren. (Soms kan een bij brand opschuimende strip in de sponning voldoende blijken.) Het plaatsen van deurdrangers en/of een panieksluiting is in het beginsel niet toegestaan.

  • -

    Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerede materialen tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.

  • -

    Gietijzeren en stalen onderdelen mogen alleen met brandwerende verf worden behandeld, als daarmee de expressie van aanwezige detaillering niet verloren gaat.

8.2 BLIKSEMAFLEIDING

Alle beugels van de bliksemafleidingsinstallatie dienen uitgevoerd te worden in koper

9. Reclame

Het plaatsen van een reclame uiting op of aan een monument is een wijziging van het voorkomen. De reclameuiting mag het monument niet beschadigen en de uitstraling van het monument niet aantasten,

9.1 GEVELRECLAME

Uitgangspunten

  • -

    Voor monumenten geldt dat er erg terughoudend moet worden omgegaan met het aanbrengen van reclame. Als gevelreclame wordt toegestaan dan moet deze worden uitgevoerd in een openlettertype en losse letters.

  • -

    Reclame is geen onderdeel van een gebouw maar een nieuw toegevoegd element (monumentale reclame uitgezonderd).

  • -

    Een gebouw gaat over het algemeen langer mee dan het bedrijf wat er in gevestigd is.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Het monument moet zo min mogelijk aangetast worden.

  • -

    De wijziging moet reversibel zijn.

  • -

    Reclame moet zo min mogelijk het monument beschadigen. De beschadigingen moeten eenvoudig en verantwoordt te herstellen zijn. (bv bevestiging in de voeg en niet in de baksteen of natuursteen). - Als tussen de bouwlagen een niet geornamenteerd gedeelte is, dan kan gevelbelettering worden toegestaan.

  • -

    Als een gevel hoge monumentale waarden bezit of rijk geornamenteerd is, dan kan gevelbelettering worden geweigerd.

  • -

    In voorgevel reclame-uiting dient als zelfstandig element vormgeven te worden, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met de oorspronkelijke gevel en de samenhang. Daarmee mag de ritmiek van de straatwand niet verstoord worden.

Toelichting

Het herstellen van historisch reclamewerk als onderdeel van de monumentale waarden wordt gezien als regulier onderhoud.

9.2 DAKRECLAME

Uitgangspunten

-Het aanbrengen van dakreclame is in beginsel niet toegestaan. Bij panden waar historische reclame onderdeel is van de monumentale waarden is herstel mogelijk.

Uitvoeringrichtlijnen

  • -

    Het monument moet zo min mogelijk aangetast worden.

  • -

    De wijziging moet reversibel zijn.

  • -

    Reclame moet zo min mogelijk het monument beschadigen. De beschadigingen moeten eenvoudig en verantwoordt te herstellen zijn