Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Zaanstad 2015
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Zaanstad 2015

De raad van de gemeente Zaanstad,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2014; nr 2014/230864.

gelet op de artikel 108, tweede lid en artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet;

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en c, tweede en derde lid van de Participatiewet;

gezien het advies van de Cliëntenraad WWB, Ioaz en Ioaw;

besluit vast te stellen de Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Participatiewet Zaanstad 2015.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;

    • b.

      Peildatum: Datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

    • c.

      Referteperiode: Een onafgebroken periode van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum;

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Indienen verzoek

Een verzoek om toekenning van een individuele inkomenstoeslag of individuele studietoeslag, zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid en artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet, wordt ingediend op een door het college vastgestelde wijze.

Artikel 3 Nadere regels

Het college kan nadere beleidsregels stellen, die verband houden met de uitvoering van de deze verordening en legt deze voor aan de raad voor een zienswijze.

Hoofdstuk 2 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 4 Uitsluiting

Er bestaat geen recht op individuele inkomenstoeslag als de belanghebbende op de peildatum of tijdens de referteperiode een opleiding volgt of heeft gevolgd als bedoeld in de Wtos, dan wel een studie volgt of heeft gevolgd als genoemd in de WSF 2000.

Artikel 5 Langdurig laag inkomen
  • 1. Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan maximaal 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2. Als een deel van de referteperiode een gedeelte van een kalenderjaar betreft, mag het gemiddelde inkomen over deze periode niet meer bedragen dan maximaal 110% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm over die periode.

  • 3. Ten aanzien van perioden, waarin een belanghebbende is uitgesloten van het recht op bijstand, wordt een belanghebbende voor de toepassing van het eerste lid geacht minimaal een inkomen te hebben gehad van 100% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Artikel 6 Hoogte van de individuele toeslag
  • 1. De individuele inkomenstoeslag bedraagt per 12 maanden:

    • a.

      voor gehuwden € 605,00;

    • b.

      voor alleenstaande ouders € 545,00;

    • c.

      voor een alleenstaande € 385,00.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 3. Als één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13, eerste lid van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

Artikel 7 Beleidsregels

De beleidsregels, zoals bedoeld artikel 3 hebben voor de individuele inkomenstoeslag in elk geval betrekking op de invulling van het begrip “omstandigheden” zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid van de Participatiewet.

Hoofdstuk 3 Individuele studietoeslag

Artikel 8 Doelgroep

Recht op studietoeslag heeft een belanghebbende die naar het oordeel van het college:

  • 1.

    niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimum loon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie;

  • 2.

    niet in staat is om het minimumloon te verdienen, vanwege een medische urenbeperking.

  • 3.

    De beleidsregels met betrekking tot de individuele studietoeslag, zoals bedoeld in artikel 3, hebben in elk geval betrekking op de medisch adviseur bij wie het college advies in kan winnen als zich een situatie voordoet als genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 9 Hoogte en frequentie
  • 1. De individuele studietoeslag bedraagt een percentage van de bijstandsnorm voor gehuwden, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de wet. Dit percentage is voor personen in de leeftijd van:

    • a.

      18 tot en met 20 jaar: 11,5%;

    • b.

      21 jaar: 16%;

    • c.

      22 jaar: 18,5%;

    • d.

      23 jaar en ouder: 22%.

  • 2. De individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

Artikel 10 Toekenning en beëindiging
  • 1.

    De individuele studietoeslag wordt niet eerder toegekend dan vanaf de eerste dag van de maand waarop de aanvraag is aangevraagd.

  • 2.

    De individuele studietoeslag wordt verstrekt voor de duur dat belanghebbende voldoet aan de aan de individuele studietoeslag verbonden voorwaarden.

  • 3.

    De individuele studietoeslag wordt tussentijds beëindigd zodra de studie wordt gestaakt of belanghebbende niet langer voldoet aan het gestelde in art. 36b, eerste lid van de Participatiewet.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 11 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Participatiewet Zaanstad 2015.

Artikel 12 Intrekking en inwerkingtreding

De Verordening individuele inkomenstoeslag WWB Zaanstad 2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2015.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

Ondertekening

Ondertekening
Aldus besloten in de openbare vergadering van 18 december 2014.
voorzitter,
raadsgriffier

Toelichting

Algemeen individuele inkomenstoeslag

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. De individuele inkomenstoeslag voorziet in extra inkomen voor die personen, die in deze positie zitten.

De individuele inkomenstoeslag is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor.

In deze verordening zijn regels opgenomen die in betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’ en wanneer er sprake is van een laag inkomen. Daarnaast is in de verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald.

Algemeen individuele studietoeslag

De Participatiewet kent een studieregeling: de individuele studietoeslag. De individuele studietoeslag biedt het college de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze door een arbeidshandicap niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft.

Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk hoger, omdat de kans op een baan later kleiner is. De studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.

De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand maar is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen.

Artikelsgewijze toelichting

Alleen de artikelen die een toelichting behoeven worden hier toegelicht.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen

Voor zover in dit artikel niet anders geformuleerd, hebben de begrippen in deze verordening dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Indienen verzoek

Het college bepaalt op welke wijze een verzoek kan worden ingediend. Dit kan zowel schriftelijk, digitaal via internet of beiden zijn. Afhankelijk van de wijze waarop een aanvraag kan worden ingediend, wordt een schriftelijk of digitaal formulier vastgesteld en beschikbaar gesteld.

Hoofdstuk 2 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 4 Uitsluiting

De individuele inkomenstoeslag richt zich op personen, die langdurig een laag inkomen hebben en daardoor geen financiële ruimte hebben om te reserveren voor onverwachte uitgaven.

Studerenden hebben tijdelijk een laag inkomen. Zodra zij hun studie hebben afgerond worden zij in staat geacht zich een inkomen te verwerven, dat uit komt boven het sociaal minimum. Zij worden daarom niet gerekend tot de doelgroep van deze regeling.

Artikel 5 Langdurig laag inkomen

Het begrip ‘langdurig laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat gemiddeld per kalenderjaar niet hoger is dan 110% van de bijstandsnorm die voor belanghebbende van toepassing was, gerekend over een periode van vijf jaar.

Na vijf jaar op een inkomen aangewezen te zijn geweest, dat niet meer bedroeg dan 110% van de bijstandsnorm, is er over het algemeen weinig reserveringsruimte over en is een extra inkomensondersteuning in de vorm van een individuele inkomenstoeslag nodig.

De methode van het kijken naar het gemiddelde loon per kalenderjaar maakt dat iemand, die wegens werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven het sociaal minimum heeft gehad, niet zonder meer zijn recht op individuele inkomenstoeslag verliest.

Een dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van (tijdelijk) werk. Dat geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur van dit werk.

Het is echter niet de bedoeling dat een belanghebbende perioden waarin hij een inkomen boven de bijstandsnorm heeft kan middelen met perioden waarin hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond een lager inkomen heeft, zoals bijvoorbeeld detentie, geen recht op bijstand had.

Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie de partner is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag. Daarom wordt in het derde lid bepaald dat dergelijke perioden voor het berekenen van het gemiddelde inkomen meetellen als perioden waarin tenminste 100% van de bijstandsnorm is ontvangen. Het woord “minimaal” in het derde lid maakt, dat als er in bedoelde perioden in werkelijkheid meer inkomen dan de bijstandsnorm is geweest, dit hogere werkelijke inkomen moet meetellen.

Hoofdstuk 3 Recht op individuele studietoeslag

Artikel 8 Doelgroep

Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet.

Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De aanvrager zal voor de toeslag aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen.

In artikel 3 en het derde lid wordt aangegeven dat het college beleidsregels op kan stellen om de medische situatie van belanghebbende te beoordelen. Het college kan bepalen dat eventueel advies wordt ingewonnen bij een medisch adviseur, bijvoorbeeld een keuringsarts bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het gaat om advies over het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid wel of niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Een medisch onderzoek is niet altijd nodig. Bijvoorbeeld doordat al voldoende informatie over belanghebbende bij de gemeente of het Sociaal Wijkteam aanwezig is, waardoor een medisch deskundigenonderzoek niet nodig is om de verdiencapaciteit van belanghebbende te beoordelen.

Artikel 9 Hoogte en frequentie

De hoogte van de toeslag is gebaseerd op het netto wettelijk minimumloon en het werken op één dag in de week. Daarbij wordt voor de leeftijdsgroep 18 tot en met 20 jaar een toeslag gehanteerd, omdat in deze leeftijdscategorie slechts een klein verschil in hoogte van het wettelijk minimumloon is. Vanaf 21 jaar worden de verschillen groter, waardoor het dit verschil ook in de toeslag tot uiting moet komen.

Ziet belanghebbende mogelijkheden om, ondanks zijn medische beperking, iets bij te verdienen, dan worden deze inkomsten niet op de individuele studietoeslag in mindering gebracht. De achtergrond hiervan is, dat hierdoor een extra stimulans ontstaat werkervaring op te doen en zo de kans op betaalde arbeid te vergroten als de studie is afgerond.

Artikel 10 Toekenning en beëindiging

Het recht op de studietoeslag blijft voortduren zolang belanghebbende aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de individuele inkomenstoeslag voldoet.

Bij de toekenning van de individuele inkomenstoeslag wordt daarom de verplichting opgelegd, dat belanghebbende de gemeente informeert als zijn situatie wijzigt en daardoor het recht op de toeslag vervalt.