Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Verordening Jeugdhulp gemeente Zaanstad 2018
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Jeugdhulp gemeente Zaanstad 2018

Verordening Jeugdhulpgemeente Zaanstad 2018

De raad van de gemeente Zaanstad,

Gelet op artikel 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1. vierde lid en van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet,

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17-10-2017; 2017/30728;

Overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp, zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen bij de gemeente heeft neergelegd waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en/of de jeugdige zelf ligt;

Overwegende dat waar de eigen kracht van jeugdigen en hun ouders tekortschiet en aanvullende ondersteuning nodig is, de gemeente in haar beleid de uitgangspunten voor een zorgvuldige toewijzing van ondersteuning, gebaseerd op daarvoor noodzakelijk deskundig advies heeft geformuleerd;

Overwegende dat de gemeente en degenen die de jeugdhulp verlenen de noodzakelijke verandering van de jeugdhulp niet alleen voor elkaar kunnen krijgen. Dat kan alleen als gemeente, Jeugdhulpverleners en inwoners gezamenlijk invulling en uitvoering geven aan de Jeugdwet in de dagelijkse praktijk;

In aanmerking nemend dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, de toegang en toekenning van individuele voorzieningen, de afstemming met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

Besluit vast te stellen:

De “Verordening Jeugdhulp gemeente Zaanstad 2018”

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    aanmelding: een door de jeugdige, ouders of namens de jeugdige en/of ouders ingediend verzoek (middels het formulier op de website) om ondersteuning;

  • -

    aanvraag: schriftelijk verzoek om jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening, bestaande uit een ondertekend perspectiefplan dan wel een verzoek om zorgtoewijzing zoals genoemd in art. 3.4, lid 5 van deze verordening;

  • -

    algemene voorziening: voorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling;

  • -

    andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet;

  • -

    college: het college van B&W van de gemeente Zaanstad

  • -

    hoogspecialistische jeugdhulp: individuele voorzieningenzoals bedoeld in artikel 3.2 zijnde voorzieningen voor jeugdhulpdie een zeer intensieve aanpak en/of zeer hoge dan wel zeer specifieke – vaak multidisciplinaire – expertise vragen;

  • -

    individuele voorziening: de op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening die door het college in natura of bij persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit;

  • -

    intensiteit: de duur en omvang van de individuele voorzieningen voor specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp die geboden worden binnen een ondersteuningsprofiel;

  • -

    Jeugdteam: een op wijk(en)niveau werkend multidisciplinair team van professionals, zoals bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening, dat de hulpvraag van jeugdigen of hun ouders behandelt en door het college is aangewezen om waar nodig de gemeentelijke toegang naar de individuele voorzieningen te verzorgen;

  • -

    ondersteuningsprofiel: een cluster van hulpvragen waarmee de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en zijn ouders wordt gecategoriseerd;

  • -

    persoonsgebonden budget: het persoonsgebonden budget als in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • -

    perspectiefplan: het document waarin de ondersteuningsbehoeften van de jeugdige en/of zijn ouders zijn vastgelegd samen met de doelen (resultaten) en hoe deze te bereiken en waarin op verschillende levensgebieden de gezinssituatie in kaart gebracht wordt om een effectieve ondersteuning van de jeugdige mogelijk te maken;

  • -

    professional: een hulpverlener die op grond van de Jeugdwet of Wet publieke gezondheid beroepsmatig zorg verleent;

  • -

    Veilig Thuis Zaanstreek-Waterland: advies en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • -

    Sociaal wijkteam: een op wijkniveau werkend team dat zorg, welzijn en preventie in de wijk op elkaar afstemt. Voor bewoners is het team het aanspreekpunt voor zorg, ondersteuning en activering;

  • -

    specialistische jeugdhulp: individuele voorzieningenzoals bedoeld in artikel 3.1 zijnde voorzieningen voor jeugdhulpdie een intensieve aanpak en/of hoge dan wel specifieke expertise vragen;

  • -

    wet: de Jeugdwet.

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen

Artikel 2.1 Voorzieningen Jeugd(welzijn)

  • 1.

    Er is een aanbod aan voorzieningen jeugd(welzijn) in de gemeente.

  • 2.

    De voorzieningen jeugd(welzijn) sluiten zoveel als mogelijk aan op eigen initiatieven van inwoners in de wijken en omvatten:

    • a.

      activiteiten in het teken van de (talent)ontwikkeling bij jeugdigen (0 -23 jaar), en

    • b.

      gerichte preventieve inzet voor kwetsbare jeugd.

Artikel 2.2 Ondersteuning bij het maken van een familiegroepsplan

Ouders en of jeugdigen (die samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren), een familiegroepsplan willen opstellen worden op hun verzoek, ondersteund door de door de gemeente Zaanstad ingekochte organisatie(s).

Artikel 2.3 Jeugdgezondheidszorg en opvoed- en opgroeiondersteuning

  • 1.

    Er is een dekkend aanbod van Centra Jong in de gemeente.

  • 2.

    De Centra Jong voeren het basispakket jeugdgezondheidszorg uit en leveren rond opvoeden en opgroeien;

    • a.

      op preventie gerichte informatie en activiteiten;

    • b.

      deskundig advies aan personen die (beroepsmatig) met jeugdigen werken.

Artikel 2.4 Jeugdteams

  • 1.

    Er is een dekkend aanbod van Jeugdteams in de gemeente.

  • 2.

    De Jeugdteams voeren de volgende taken uit:

    • a.

      op preventie gerichte informatie en activiteiten;

    • b.

      ondersteuning bij het opstellen van een perspectiefplan;

    • c.

      vraagverheldering en basisdiagnostiek bij hulpvragen van de jeugdige en zijn ouders;

    • d.

      bieden van hulp bestaande uit opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding en basiszorg bij psychisch klachten en problemen, inclusief drang;

    • e.

      het bieden van nazorg;

    • f.

      regie over de inzet van zorg wanneer meerdere hulpverleners betrokken zijn en dit gewenst wordt door de jeugdige of zijn ouders, met als uitzondering wanneer een jeugdige een maatregel in het gedwongen kader heeft;

    • g.

      gerichte preventieve inzet voor kwetsbare jeugd;

    • h.

      deskundig advies aan personen die beroepsmatig met jeugdigen werken;

  • 3.

    Wanneer de hulpvraag verder gaat dan alleen de ondersteuning van de jeugdige en/of de ouders met betrekking tot de jeugdige, zal het Jeugdteam in samenwerking met het Sociaal Wijkteam of andere betrokken (zorg)organisaties een perspectiefplan opstellen.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen over de omvang en toegang van de in het tweede lid bedoelde aanbod.

Artikel 2.5 Opvoed- en opgroeiondersteuning

In aanvulling op het aanbod zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.4, is er een laagdrempelig (cursus) aanbod aan opvoed- en opgroeiondersteuning in de gemeente voor jeugdigen en hun ouders, zowel in groepsverband als individueel.

Artikel 2.6  Huiselijk geweld en kindermishandeling

  • 1.

    Er is het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis Zaansteek-Waterland.

  • 2.

    Veilig Thuis Zaanstreek-Waterland voert de volgende taken uit:

    • a.

      Een herkenbaar en toegankelijk meldpunt zijn voor alle gevallen of vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • b.

      7 x 24 uur advies en ondersteuning geven aan hulpvragers en omstanders en professionals bij huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • c.

      Het –indien noodzakelijk- inschakelen van passende hulpverlening;

    • d.

      Bijdragen aan de uitvoering van Tijdelijk Huisverboden en preventief inzetten van Tijdelijk Huisverboden;

    • e.

      Voorlichting geven en scholing verzorgen voor medewerkers van partners die met Veilig Thuis in de keten werken.

Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen

Paragraaf 1 Soorten individuele voorzieningen

Artikel 3.1 Specialistische jeugdhulp

  • 1.

    In aanvulling op de algemene voorzieningen draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van specialistische jeugdhulp.

  • 2.

    De ondersteuning die geboden wordt vanuit de specialistische jeugdhulp kan bestaan uit:

    • a.

      ambulante hulp, begeleiding, verzorging en ondersteuning voor jeugdigen en hun ouders, geboden in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf, de school of de locatie van de jeugdhulpaanbieder;

    • b.

      kortdurende dagbehandeling, dagbesteding en verblijf (logeervoorzieningen) op de locatie van de jeugdhulpaanbieder.

Artikel 3.2 Hoogspecialistische jeugdhulp

  • 1.

    In aanvulling op de algemene voorzieningen draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van hoogspecialistische jeugdhulp.

  • 2.

    De ondersteuning die geboden wordt vanuit de hoogspecialistische jeugdhulp kan bestaan uit:

    • a.

      ambulante jeugdhulp bij complexe en/of meervoudige problematiek,

    • b.

      Jeugdhulp met verblijf.

Artikel 3.3 Dyslexiezorg

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit:

    • a.

      diagnostiek bij een vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie,

    • b.

      behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de afbakening van de in het eerste lid bedoelde dyslexiezorg en de doelgroep.

Paragraaf 2. Toegang specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp

Artikel 3.4 Toegangsproces algemeen

  • 1.

    In dit artikel en volgende artikelen van paragraaf 2 wordt verstaan onder jeugdhulpaanbieder: de jeugdhulpaanbieder in de zin van de wet die specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp aanbiedt, tenzij specifiek aangegeven is dat het om een van beide gaat.

  • 2.

    Het college kent specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp toe door middel van een besluit dat toegang geeft tot specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp binnen een bepaald ondersteuningsprofiel en – als het gaat om hoogspecialistische jeugdhulp – met een bepaalde intensiteit.

  • 3.

    Het college neemt het besluit als bedoeld in het tweede lid op grond van het gesprek met het Jeugdteam over de hulpvraag met de jeugdige en/of zijn ouders en het opgestelde perspectiefplan, zoals bedoeld in artikel 3.5 en wanneer het gaat om een persoonsgebonden budget, aanvullend op grond van het pgb-plan, zoals bedoeld in artikel 3.9.

  • 4.

    Het gesprek, zoals bedoeld in artikel 3.5, kan achterwege gelaten worden, wanneer:

    • a.

      de huisarts, jeugdarts of medisch specialist conform artikel 2.6 eerste lid onderdeel g van de wet verwezen heeft naar specialistische jeugdhulp

    • b.

      in crisissituaties waar de onmiddellijke uitvoering van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp geen uitstel duldt.

  • 5.

    In de in het vierde lid onderdeel a genoemde gevallen neemt het college het besluit als bedoeld in het tweede lid op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de betrokken jeugdhulpaanbieder van specialistische jeugdhulp.

  • 6.

    Wanneer de huisarts, jeugdarts of medisch specialist conform artikel 2.6 eerste lid onderdeel g van de wet verwezen heeft naar hoogspecialistische jeugdhulp, neemt het college het besluit als bedoeld in het tweede lid op grond van het door de jeugdige en/of zijn ouders – al dan niet met ondersteuning van de verwijzende huisarts, jeugdarts, of medisch specialist of het Jeugdteam – opgestelde perspectiefplan, en de toets hiervan door het Jeugdteam.

  • 7.

    Wanneer een jeugdige en/of zijn ouders zwaarwegende bezwaren hebben tegen de betrokkenheid van het Jeugdteam bij de toetsing van het perspectiefplan kunnen zij gebruik maken van een opt-out-regeling; het college neemt dan het besluit enkel op aanwijzing van de jeugdhulpaanbieder dat inzet van hoogspecialistische jeugdhulp noodzakelijk is en dat een perspectiefplan opgesteld is.

  • 8.

    Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de ondersteuningsprofielen en intensiteiten, zoals bedoeld in het tweede lid en wijze waarop de melding zoals bedoeld in het zevende lid gedaan dient te worden.

  • 9.

    In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in artikel 3.4 tweede lid worden afgeweken.

Artikel 3.5 Het gesprek en het perspectiefplan

  • 1.

    Het Jeugdteam neemt na de aanmelding zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken contact op met de jeugdige en/of ouders en informeert hen over de verder te volgen procedure.

  • 2.

    Het Jeugd team stelt namens het college in een of meerdere gesprek(ken) samen met de jeugdige en/of zijn ouders vast:

    • a.

      wat de hulpvraag is en wat de gezinssituatie is op de verschillende leefgebieden;

    • b.

      wat de opgroei- en opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen van de jeugdige zijn;

    • c.

      wat de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk zelf kunnen doen om de hulpvraag te beantwoorden;

    • d.

      of en welke ondersteuning nodig is vanuit de algemene voorzieningen;

    • e.

      of en welke extra ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening;

    • f.

      op welke wijze de ondersteuning bedoeld onder b, c, d en e wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, en;

    • g.

      wat de doelen (beoogde resultaten) zijn van de ondersteuning.

  • 3.

    Het Jeugdteam stelt de jeugdige en/of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen en in te dienen. Na het indienen van het familiegroepsplan wordt vervolgens de procedure gevolgd zoals in dit artikel beschreven staat.

  • 4.

    Het Jeugdteam kan voor het gesprek beschikbare, toegankelijke gegevens bekijken en verzamelen.

  • 5.

    In het perspectiefplan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het perspectiefplan met de jeugdige en/of zijn ouders, het Jeugdteam en de jeugdhulpaanbieder besproken worden.

  • 6.

    Het Jeugdteam en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het tweede lid vast in een perspectiefplan, dat door de gemandateerde professional van het Jeugdteam, de jeugdige en/of zijn ouders ondertekend wordt.

  • 7.

    Het ondertekende perspectiefplan, wordt beschouwd als een aanvraag indien een individuele voorziening gewenst is, en kan door het lokaal team worden opgeslagen in de eigen administratie.

  • 8.

    Het ondertekende perspectiefplan wordt, voor zover van toepassing voor een effectieve uitvoering van de specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp, door de jeugdige en/of zijn ouders, of in voorkomende gevallen door het lokaal team, gedeeld met de betrokken jeugdhulpaanbieder met inachtneming van de geldende privacyregelgeving.

Artikel 3.6 Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning

  • 1.

    Het college kent specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp toe indien en voor zover in het gesprek en perspectiefplan zoals bedoeld in artikel 3.4 vastgesteld is dat:

    • a.

      een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;

    • b.

      de jeugdige op eigen kracht, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;

    • c.

      een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;

    • d.

      de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag te beantwoorden.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria zoals genoemd in het eerste lid of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.

Artikel 3.7 Inhoud en geldigheidsduur van het besluit

  • 1.

    In het besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt vastgelegd:

    • a.

      of sprake is van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp, het ondersteuningsprofiel en als het gaat om hoogspecialistische jeugdhulp ook de intensiteit van de jeugdhulp;

    • b.

      in geval van een persoonsgebonden budget de hoogte van het budget en hoe deze is berekend.

  • 2.

    Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening wordt afgegeven:

    • a.

      als het gaat om zorg in natura, met een geldigheidsduur tot het moment waarop de betrokken jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp heeft beëindigd en het college hiervan op de hoogte heeft gesteld;

    • b.

      als het gaat om een persoonsgebonden budget: met een in het besluit vastgestelde geldigheidsduur tot maximaal het moment waarop de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt of in het geval voortzetting van jeugdhulp na 18 jaar nodig is om het gewenste resultaat te bereiken, tot de jeugdige de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt.

  • 3.

    In aanvulling op het gestelde in het tweede lid onderdeel a, wordt het besluit opnieuw van kracht wanneer een jeugdige en/of zijn ouders zich binnen vier maanden na een volgens plan beëindigd jeugdhulptraject dat gericht was op herstel opnieuw, met dezelfde hulpvraag, bij de jeugdhulpaanbieder melden.

  • 4.

    De geldigheid van het besluit kan vervallen wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen zes maanden na het afgeven van het besluit gestart is met zorg.

  • 5.

    Het besluit wordt genomen:

    • a.

      indien er overeenstemming is tussen het Jeugdteam en de jeugdige en/of zijn ouders over de in te zetten specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp, direct na de ondertekening van het perspectiefplan door beide partijen;

    • b.

      indien er geen overeenstemming is tussen het Jeugdteam en de jeugdige en/of zijn ouders over de in te zetten specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp, binnen 2 weken na ontvangst van het eenzijdig door de jeugdige en/of zijn ouders ondertekende perspectiefplan dat voldoet aan de gestelde eisen;

    • c.

      indien een perspectiefplan op grond van artikel 3.4 vierde lid niet nodig is, binnen 2 weken na het verzoek om toewijzing van de jeugdhulpaanbieder.

  • 6.

    Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 7.

    In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in artikel 3.7 eerste lid onder a worden afgeweken.

Paragraaf 3. Toegang dyslexiezorg

Artikel 3.8 Toegang dyslexiezorg

  • 1.

    Het college kent een individuele voorziening voor dyslexiezorg toe door middel van een besluit dat toegang geeft tot diagnostiek, waarmee wordt vastgesteld of er sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie.

  • 2.

    Indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie kent het college een individuele voorziening voor behandeling toe.

  • 3.

    Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van een controle van het leerlingdossier van de basisschool door de daartoe gemandateerde poortwachter dyslexiezorg of een coördinator werkzaam binnen het samenwerkingsverband of het schoolbestuur

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de werkwijze van de poortwachter dyslexiezorg of coördinator bij het samenwerkingsverband of het schoolbestuur en de eisen waaraan het leerlingdossier dient te voldoen.

Paragraaf 4 Het persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 3.9 Het pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

  • 2.

    Bij de aanvraag voor een pgb dienen de jeugdige en/of zijn ouders hiertoe in aanvulling op het perspectiefplan een budgetplan op te stellen waarin is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom zorg in natura niet toereikend en een pgb gewenst is,

    • b.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening,

    • c.

      de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering, die ten hoogste de kostprijs bedragen van zorg in natura,

    • d.

      de kwalificaties van de uitvoerder.

  • 3.

    Een pgb kan alleen worden aangewend voor jeugdhulp in de zin van de wet zoals omschreven in het budgetplan. Het pgb kan niet worden aangewend voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, begeleidingskosten of administratieve kosten.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in deze paragraaf.

Artikel 3.10 Hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb:

    • a.

      is gebaseerd op een door de jeugdige en/of zijn ouders opgesteld persoonlijk budgetplan over hoe zij het pgb gaan besteden;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatieve zorg in te kopen en

    • c.

      is gebaseerd op de volgende categorieën jeugdhulp:

      • -

        ambulante jeugdzorg (uurtarief op HBO en WO niveau)

      • -

        dagbehandeling jeugdzorg (dagdeeltarief MBO/HBO niveau)

      • -

        verblijf jeugdzorg (etmaaltarieven op MBO, HBO en WO niveau)

      • -

        generalistische basis ggz (uurtarief op HBO niveau )

      • -

        specialistische ggz (uurtarief op WO niveau)

      • -

        begeleiding individueel/groep (uur- en dagdeeltarieven op MBO/HBO niveau)

      • -

        persoonlijke verzorging (uurtarief op MBO niveau)

      • -

        kortdurend verblijf (etmaaltarief op MBO niveau)

      • -

        behandeling (licht)verstandelijke beperking (uur- en dagdeeltarieven op MBO, HBO en WO niveau)

      • -

        verblijf (licht)verstandelijke beperking (etmaaltarief op MBO, HBO en WO-tarief)

    • d.

      de hoogte van een pgb voor de categorieën genoemd in het eerste lid onder c is gebaseerd op de tarieven van 2017 voor zorg in natura welke jaarlijks met ingang van 2018 worden geïndexeerd.

  • 2.

    Het tarief bij de inzet van een professionele hulpverlener is 85% van het in lid 1 onder c beschreven tarief bij het inschakelen van een zelfstandige zonder personeel;

  • 3.

    Het tarief voor dyslexiezorg zoals genoemd in artikel 3.3 bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van de kostprijs van de goedkoopste door het college in 2017 ingekochte vergelijkbare voorziening bij de inzet van een medewerker in loondienst bij een zorgaanbieder;

    • b.

      85% van de kostprijs van de goedkoopste door het college in 2017 ingekochte vergelijkbare voorziening bij een zelfstandige zonder personeel.

  • 4.

    Het tarief van niet professionele ondersteuning (voor begeleiding en persoonlijke verzorging) van uit het sociale netwerk bedraagt maximaal € 20,25 per uur en wordt jaarlijks met ingang van 2018 geïndexeerd.

  • 5.

    Het college stelt de maximumtarieven vast voor de categorieën genoemd in het eerste lid onder c met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid onder d.

Artikel 3.11 Voorwaarden informele zorg

Het college kent een pgb voor niet professionele ondersteuning of informele zorg vanuit het sociale netwerk alleen toe:

  • a.

    voor zorg zoals genoemd in artikel 3.1;

  • b.

    als de persoon die deze niet professionele zorg verleent voldoet aan de minimale kwaliteitscriteria die gesteld kunnen worden aan de betreffende ondersteuning;

  • c.

    indien de inzet van het pgb bijdraagt aan het behalen van de beoogde resultaten.

Paragraaf 5 Nieuwe feiten en omstandigheden

Artikel 3.12 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een individuele voorziening.

  • 2.

    Het college kan een besluit aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening, of;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het (daarmee samenhangende persoonsgebonden) budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van het pgb.

  • 6.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

Hoofdstuk 4 Cliëntondersteuning, vertrouwenspersoon, second opinion en klachten

Artikel 4.1 Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat een jeugdige en/of ouders een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, gericht op het geven van informatie en advies, en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening.

  • 2.

    Het Jeugdteam wijst de jeugdige en/of ouders in het eerste gesprek op de mogelijkheid van cliëntondersteuning.

Artikel 4.2 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of hun ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon, die hen bij kan staan bij problemen in het kader van de geboden jeugdhulp.

  • 2.

    Het Jeugdteam wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door deze onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 4.3 Second opinion

  • 1.

    Indien de jeugdige en/of zijn ouders en de zorgprofessional geen overeenstemming kunnen bereiken over het perspectiefplan, heeft de jeugdige en/of zijn ouders recht op een second opinion. De second opinion wordt uitgevoerd binnen een ander Jeugdteam, door een (of meerdere) deskundige(n) met ten minste overeenkomstige jeugdhulp kwalificaties.

  • 2.

    De second opinion heeft het karakter van een tweede beoordeling van het bestaande dossier. Er wordt niet opnieuw (diagnostisch) onderzoek gedaan.

  • 3.

    Het perspectiefplan, bedoeld in het eerste lid, wordt opgesteld met inachtneming van de bevindingen van de second opinion.

Artikel 4.4 Klachten

De Jeugdwet regelt het klachtrecht met betrekking tot jeugdaanbieders en gecertificeerde aanbieders in paragraaf 4.2.a van de wet. De Klachtenregeling Zaanstad 2015 is van toepassing op klachten met betrekking tot de toegang, uitgevoerd door de Jeugdteams

Hoofdstuk 5 Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 5.1 Afstemming gezondheidszorg

Het college zorgt ervoor dat wanneer het Jeugdteam een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het Jeugdteam zich samen met de ouders en/of jeugdige inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 5.2 Afstemming langdurige zorg

  • 1.

    Het college zorg dat het Jeugdteam de jeugdige en/of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

  • 2.

    Indien de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

Artikel 5.3 Afstemming voorschoolse voorzieningen en het onderwijs

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het Jeugdteam in de stad.

  • 2.

    Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden vastgelegd in het perspectiefplan van de jeugdige en zijn ouders.

Artikel 5.4 Afstemming maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt voor een goede afstemming tussen de Jeugdteams en de Sociale Wijkteams, indien een jeugdige en/of zijn ouders naast jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Het college zorg ervoor dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en het Jeugdteam een besluit hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt.

Artikel 5.5 Afstemming werk en inkomen

  • 1.

    Het college zorg ervoor dat de Jeugdteams en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schulddienstverlening, inkomensvoorzieningen, bijzondere bijstand en minimaregelingen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. Maar ook vanuit landelijke regelingen zoals de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget.

  • 2.

    Wanneer een jeugdhulpaanbieder bij de jeugdige en/of zijn ouders betrokken is in het kader van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp, ondersteunt deze de jeugdige en/of zijn ouders bij het verminderen van de belemmeringen die armoede- en schuldenproblematiek vormen voor het slagen van de jeugdhulp.

  • 3.

    Wanneer de jeugdhulpaanbieder er niet in slaagt om de financiële belemmeringen voor het slagen van de jeugdhulp weg te nemen, stelt zij hiervan het Jeugdteam dan wel de betrokken gecertificeerde instelling op de hoogte, die zich vervolgens inspant de jeugdige en/of zijn ouders naar de betreffende gemeentelijke voorzieningen toe te leiden.

Artikel 5.6 Afstemming wonen

  • 1.

    Wanneer de woonsituatie in fysiek, sociaal of financieel opzicht, de juiste jeugdhulp voor de jeugdige en/of zijn ouders in de weg staat en daardoor een verhuizing noodzakelijk is, kan het gezin voorgedragen worden voor urgentie

  • 2.

    Het college zorgt ervoor de begeleiding wanneer een in het eerste lid bedoelde gezin op grond van de afgegeven urgentie een woning toegewezen krijgt en legt zo nodig afspraken vast in een bewonersovereenkomst.

Hoofdstuk 6 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit

Artikel 6.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functies;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadskosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, en

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

Hoofdstuk 7 Cliëntparticipatie

Artikel 7.1 Cliëntparticipatie

In de Verordening Cliëntenparticipatie 2017 heeft de gemeente uitvoering gegeven aan onder andere artikel 2.10 van de Jeugdwet waarin is aangegeven dat jeugdigen en/ of hun ouders vroegtijdig worden betrokken bij onder andere de totstandkoming van verordeningen en beleid.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 8.1 Inwerkingtreding

De verordening treedt in werking op 1 januari 2018

Artikel 8.2 Overgangsbepaling

De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening gelden met betrekking tot een individuele voorziening waarvoor op grond van de Verordening Jeugdhulp Zaanstad 2015 een besluit is afgegeven, blijven gelden gedurende de looptijd van het besluit, dan wel tot het moment dat er op basis van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte na 1 januari 2018 een nieuw besluit wordt genomen op grond van deze verordening.

Artikel 8.3 Hardheidsclausule

Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouders af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn.

Artikel 8.4 Evaluatie

Het college zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening en de nadere regels in de praktijk.

Artikel 8.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als:” Verordening Jeugdhulp gemeente Zaanstad 2018”.

Artikelsgewijze toelichting Verordening Jeugdhulp Gemeente Zaanstad 2018

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Begrippen die in de Jeugdwet (en Besluit Jeugdwet) gedefinieerd worden, worden – in de regel – niet opgenomen in de begripsbepaling van de verordening.

Aanmelding

Een door de jeugdige, ouders of namens de jeugdige en/of ouders ingediend verzoek (middels het formulier op de website) om ondersteuning. De jeugdige en/of ouders kunnen de aanmelding ook door bijvoorbeeld een schoolmaatschappelijk werker of huisarts laten doen.

Algemene voorziening

De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. In de Jeugdwet wordt (maar alleen in artikel 2.9) van ‘overige voorziening’ gesproken. Deze laatste term kan verwarrend werken en doet geen recht aan de belangrijke positie van de vrij toegankelijke voorzieningen in het nieuwe jeugdstelsel. Zij zijn geen restcategorie.

Hoogspecialistische jeugdhulp

In de verordening wordt als het gaat om niet vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen een onderscheid gemaakt tussen specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp. Het onderscheidende karakter van de hoogspecialistische jeugdhulp ten opzichte van specialistische jeugdhulp is vooral gelegen in de hoogte van de kosten en de schaarste van het aanbod. Hoogspecialistische jeugdhulp kan vanuit de aard van de zorg slechts geboden worden door een beperkt aantal jeugdhulpaanbieders, die vaak bovenregionaal of zelfs landelijk werken. De kosten van de trajecten voor hoogspecialistische jeugdhulp liggen in de regel aanmerkelijk boven die van specialistische jeugdhulp (zie hieronder).

Individuele voorziening

‘Individuele voorziening’ is de term die in de Jeugdwet gebruikt wordt voor wat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een ‘maatwerkvoorziening’ heet. De term individuele voorziening wordt in de Jeugdwet niet gedefinieerd, vandaar dat in de verordening een begripsbepaling is toegevoegd. Ofschoon de term (net als de term ‘overige voorziening’) verwarring op kan roepen – het gaat niet noodzakelijkerwijze om individueel geboden hulp, maar ook om groepsaanbod– is in dit geval er voor gekozen om de formele term uit de Jeugdwet te gebruiken, aangezien deze in meerdere bepalingen van de Jeugdwet een rol speelt.

Intensiteit

In de specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp worden diverse ondersteuningsprofielen onderscheiden (zie hieronder). Elke ondersteuningsprofiel kent vervolgens een zekere ‘intensiteit’ die iets zegt over de duur en omvang (en daarmee de kosten) van de jeugdhulp. Er worden (vastgelegd in de nadere regels) vier intensiteiten onderscheiden: perspectief, intensief en duurzaam licht en duurzaam zwaar. Bij de eerste twee intensiteiten wordt gewerkt met een vaste trajectprijs, bij de laatste twee met een vaste maandprijs.

Ondersteuningsprofiel

Het ondersteuningsprofiel probeert de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en zijn ouders in te delen naar verschillende categorieën. Dit is vooral belangrijk in het kader van het inkoop- en toewijzingsproces richting aanbieders. Op deze manier kan de specifieke expertise van aanbieders goed beschreven worden. Het perspectiefplan (zie hieronder) is bedoeld om de hulpvraag breed in beeld te brengen, maar uiteindelijk wordt (indien van toepassing) de toegang naar specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp altijd geformuleerd in termen van één ondersteuningsprofiel. Gekozen wordt dan voor het ondersteuningsprofiel dat het beste bij de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders past, ook al zouden wellicht meerdere profielen passend zijn.

Perspectiefplan

Het perspectiefplan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Zij stellen het op al dan niet in samenspraak met de betrokken professional van het Jeugdteam of huisarts, jeugdarts en/of medisch specialist en eventueel ook anderen uit het bredere sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders. Het perspectiefplan bundelt hulpvraag en afspraken over de ondersteuning, niet alleen op het terrein van jeugdhulp, maar ook op andere terreinen, indien van toepassing voor de jeugdhulp. Denk hierbij aan hulp voor een van de ouder(s), het bestaan van broertjes en/of zusjes met een hulpvraag, schuldproblematiek, huisvestingsproblematiek en zo verder. Deze context kan van belang zijn bij het bepalen van de hulpvraag voor de jeugdige en is specifiek van belang bij de inzet van hoogspecialistische jeugdhulp. Uit onderzoek is meerdere malen gebleken dat de inzet van hoogspecialistische jeugdhulp voor een kind altijd in samenhang dient te worden bepaald met de gezinssituatie, omdat deze nagenoeg nooit los van elkaar staan. Met andere woorden: schulden, of woonproblemen, of andere problemen van de ouders kunnen invloed hebben op de hulpvraag van de jeugdige.

Wanneer besloten wordt dat de inzet van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp nodig is, wordt ook dit in het perspectiefplan vastgelegd. Voor de jeugdhulpaanbieder is het perspectiefplan vervolgens uitgangspunt voor het verder vormgeven van het hulpverleningstraject (zie verder de toelichting bij artikel 3.4 derde lid). Het perspectiefplan kan echter ook gebruikt worden wanneer specialistische jeugdhulp (nog) niet nodig is en het Jeugdteam bijvoorbeeld zelf met de jeugdige en zijn ouders aan de slag gaat.

Het perspectiefplan onderscheidt zich van het hulpverleningsplan van de jeugdhulpaanbieder (vaak ook behandelplan genoemd), het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling en het familiegroepsplan van het gezin – die alle in de Jeugdwet zelf verankerd zijn. Het hulpverleningsplan (of behandelplan) is een nadere uitwerking van (het jeugdhulpdeel van) het perspectiefplan door de jeugdhulpaanbieder. Het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling is goed vergelijkbaar met het perspectiefplan, omdat hierin ook altijd breed de gezinssituatie in ogenschouw genomen wordt. Het verschil met het perspectiefplan is gelegen in het feit dat het plan van aanpak door de gecertificeerde instelling opgesteld wordt in het kader van een rechterlijke dwangmaatregel. De veiligheid van de jeugdige zal daarin dus altijd een prominente(ere) plek hebben. Het familiegroepsplan is het gezinsplan dat zonder betrokkenheid van hulpverleners (Jeugdteam, jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling) wordt opgesteld.

Specialistische jeugdhulp

Het onderscheidende karakter van specialistische jeugdhulp ten opzichte van hoogspecialistische jeugdhulp is dat zij in de regel minder specifieke kennis en een minder intensieve en veelomvattende aanpak vraagt. De kosten zijn daardoor in de regel lager. Specialistische jeugdhulp kan door een grote groep jeugdhulpaanbieders geboden worden (waaronder vrijgevestigden), waarvoor ook een eenvoudiger proces geldt om gecontracteerd te worden.

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen

Artikel 2.1 Voorzieningen Jeugd(welzijn)

Het gaat hier om voorzieningen - vaak in de wijk- waar jeugdigen van gebruik kunnen maken en die gericht zijn op brede talentontwikkeling en participatie. Het gaat dan onder meer om activiteiten georganiseerd door het jongerenwerk, brede schoolactiviteiten, sportbuurtwerk, de inzet van jongerenervaringsdeskundigen, de ondersteuning van jongereninitiatieven, spreekuren en ondersteuning van jongeren die op zoek zijn naar een baan en/of problemen hebben met wonen en schulden.

Artikel 2.2 Het maken van een familiegroepsplan

De jeugdwet biedt jeugdigen en/of ouder de mogelijkheid om zelf een plan, het familiegroepsplan te maken en in te dienen bij een jeugdteam. Daarbij kunnen ze ondersteuning krijgen bij door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Wie dat zijn is te vinden op de website van de Jeugdteams Zaanstad.

Artikel 2.3 Jeugdgezondheidszorg en opvoed- en opgroeiondersteuning

Het Centrum Jong is de plek waar ouders/verzorgers, kinderen, jongeren tot 23 jaar en professionals terecht kunnen met al hun vragen over opvoeden en opgroeien. Het Centrum Jong is het Centrum voor Jeugd en Gezin in de regio Zaanstreek. Het Centrum Jong is vrij toegankelijk. De meest bekende diensten zijn het consultatiebureau en de onderzoeken in de schoolleeftijd. Voor meer informatie over wat de Centra Jong doen kunt u terecht op de website van Centrum Jong Zaanstad.

Artikel 2.4 Jeugdteams

In de gemeente Zaanstad vormen Jeugdteams een lokaal dekkende structuur voor het bieden van jeugdhulpverlening. De Jeugdteams zijn vrij toegankelijk en bestaan uit specialisten op verschillende gebieden die generalistisch werken. Zij beschikken over expertise op het gebied van onder meer: maatschappelijke dienstverlening, (jeugd)gezondheidszorg, jeugdhulp, (jeugd)GGZ en jeugd met een verstandelijke beperking. De experts in de Jeugdteams hebben een generalistische kijk op mogelijke hulpbehoeften buiten hun eigen expertisegebied. Tijdens het gesprek met een medewerker van het Jeugdteam is aandacht voor de diverse omstandigheden waar een jeugdige zich in bevindt. De ondersteuning van het Jeugdteam kan bestaan uit het verhelderen van de hulpvraag, advisering over de beschikbare vormen van jeugdhulp en het zelf bieden van jeugdhulpverlening.

De Jeugdteams zijn zichtbaar in de wijk, bieden advies en ondersteuning dichtbij huis en werken nauw samen met sleutelfiguren en organisaties in de wijk, met de Centra Jong, de Sociale Wijkteams, het onderwijs, de politie en andere relevante partners. De medewerkers van de Jeugdteams bieden bijvoorbeeld ambulante hulp en trainingen aan. Meer informatie is te vinden op de website van de Jeugdteams

Artikel 2.5 Opvoed- en opgroeiondersteuning

Er is een laagdrempelig aanbod van cursussen om jeugdigen en/of ouders te ondersteunen bij het opgroeien en/of opvoeden. Het beschikbare aanbod is te vinden bij het cursusbureau van de GGD.

Artikel 2.6 Huiselijk geweld en kindermishandeling

Er is het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis Zaansteek-Waterland. Zij geven advies en hulp bij huiselijk geweld en kindermishandeling aan inwoners en professionals en voorlichting en scholing om onder meer professionals te trainen in het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen

Paragraaf 1 Soorten individuele voorzieningen

Artikel 3.1 Specialistische jeugdhulp

Eerste lid

Specialistische jeugdhulp wordt gezien als aanvullend op het vrij toegankelijke aanbod aan preventie en jeugdhulp omschreven in hoofdstuk 2. In veel gevallen zal bijvoorbeeld ook de hulpverlener vanuit het Jeugdteam betrokken blijven bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders. Specialistische Jeugdhulp wordt in de regel dichtbij geboden, in de directe leefomgeving van de jeugdige en zijn ouders: in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf, de school of de locatie van de jeugdhulpaanbieder. De opsomming in dit lid is overigens niet limitatief. Zie ook de toelichting bij de begripsbepaling.

Tweede lid, onderdeel a

Specialistische jeugdhulp wordt voor het grootste gedeelte ambulant gegeven. Dat wil zeggen dat de jeugdhulpverlener met de jeugdige en of zijn ouders op de locatie van de aanbieder, thuis of op school ondersteuning biedt (bijvoorbeeld in de vorm van adviesgesprekken). De aard van de zorg kan heel divers zijn, van een gedragstherapeutische behandeling tot persoonlijke verzorging. Ook adviezen richting het sociale netwerk van de jeugdige kunnen behoren tot de specialistische jeugdhulp. NB de opsomming ‘in de thuissituatie, kinderdagverblijf, de school of de locatie van de aanbieder’ is niet limitatief. Er kunnen ook andere locaties zijn waar specialistische jeugdhulp ambulant geboden kan worden.

Tweede lid, onderdeel b

Naast ambulant, kan specialistische jeugdhulp ook geboden worden als dagbehandeling of dagbesteding op de locatie van de aanbieder. De jeugdige verblijft dan overdag op de locatie van de aanbieder. Ook kortdurend verblijf in de vorm van logeervoorzieningen kunnen behoren tot de specialistische jeugdhulp. Doel is dan de ontlasting van de ouders (respijtzorg).

Artikel 3.2 Hoogspecialistische jeugdhulp

Eerste lid

Ook hoogspecialistische jeugdhulp wordt gezien als aanvullend op het vrij toegankelijke aanbod aan preventie en jeugdhulp omschreven in hoofdstuk 2. Omdat het aanbod van hoogspecialistische jeugdhulp in de regel een stuk intensiever en veelomvattender is, zal de rol van de professionals vanuit de algemene voorzieningen (met name Jeugdteams) in de regel (in verhouding) beperkter zijn. De aard van de hoogspecialistische jeugdhulp betekent ook dat deze soms niet in de directe woonomgeving van de jeugdige geboden kan worden. In sommige gevallen zal de jeugdige voor een (dag)behandeling een eind moeten reizen of zelf korter of langer elders dan in het ouderlijk huis verblijven. Ook in die gevallen is het streven om het Jeugdteam betrokken te houden, zodat een terugkeer naar de normale opvoedsituatie bevorderd wordt. Zie ook de toelichting bij artikel 1.1 de begripsbepaling.

Tweede lid, onderdeel a

Ook hoogspecialistische jeugdhulp kan ambulant aangeboden worden. In meer gevallen dan bij specialistische jeugdhulp zal dat dan gaan om behandeling op de locatie van de aanbieder. Maar het streven is ook hoogspecialistische jeugdhulp beschikbaar te maken in de directe leefomgeving van de jeugdige (en zijn ouders).

Tweede lid, onderdeel b

Verblijfsvoorzieningen waar de jeugdige in een instelling of gezinshuis verblijft vallen altijd onder hoogspecialistische jeugdhulp. Ook gesloten jeugdzorg valt onder deze categorie. NB pleegzorg kan – afhankelijk van de aard en omvang – zowel onder specialistische als hoogspecialistische jeugdhulp vallen.

Artikel 3.3 Dyslexiezorg

Dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige enkelvoudige dyslexie viel tot 1 januari 2015 onder de Zorgverzekeringswet en het regiem van de geestelijke gezondheidszorg. Met inwerkingtreding van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor deze zorg en valt zij onder de noemer ‘jeugdhulp’. In de Jeugdwet (of het Besluit of Regeling Jeugdwet) is deze vorm van jeugdhulp niet nader afgebakend. Vanaf 1 januari 2015 is door gemeente de voor die tijd gegroeide praktijk voortgezet. Bij dyslexiezorg gaat het om de diagnostiek en behandeling bij kinderen in de leeftijd van 7 – 13 jaar.

Paragraaf 2 Toegang tot specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp

Artikel 3.4 Toegangsproces algemeen

Eerste lid: begripsbepaling

In paragraaf 2 wordt over de toegang naar de (hoog)specialistische jeugdhulp. Waar in deze paragraaf gesproken wordt over jeugdhulpaanbieder wordt dan ook een jeugdhulpaanbieder van (hoog)specialistische jeugdhulp bedoeld zoals weergegeven in respectievelijk artikel 3.1 en 3.2, tenzij anders vermeld. Nb de term jeugdhulpaanbieder is gedefinieerd in de Jeugdwet zelf en kan bijvoorbeeld ook aanbieders van jeugdhulp als algemene voorziening betreffen (hoofdstuk 2).

Tweede lid: aard besluit tot inzet individuele voorzieningen

Bij specialistische jeugdhulp bepaalt de jeugdhulpaanbieder (eventueel op basis van het advies van het Jeugdteam) de intensiteit van de jeugdhulp. De intensiteit voor specialistische jeugdhulp ligt daarom – in tegenstelling tot de intensiteit van hoogspecialistische jeugdhulp – niet in het besluit van het college vast. In de zorgtoewijzing die het college richting de jeugdhulpaanbieder afgeeft ligt de intensiteit altijd wel vast. Als jeugdhulpaanbieder en college (het Jeugdteam) het niet eens zijn over de intensiteit (of het ondersteuningsprofiel), is contractueel vastgelegd dat de jeugdhulpaanbieder, het Jeugdteam en het gezin er éérst in gezamenlijk overleg uit moeten komen. Indien dat om wat voor reden dan ook niet lukt, geeft een onafhankelijk deskundige een bindend advies of er sprake is van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp, en wat het ondersteuningsprofiel en/of intensiteit moet zijn. Op grond van dit advies herziet het college (d.w.z. de gemandateerde professional) dan het besluit.

Derde lid: besluit op grond van gesprek met Jeugdteam (en perspectiefplan)

In dit derde lid is als algemene regel geformuleerd dat de toegang verloopt via het gesprek dat het team met de jeugdige en zijn ouders heeft (en het perspectiefplan dat daar een weergave van is). In het vierde lid worden vervolgens de uitzonderingen benoemd.

Vierde lid, onderdeel a: artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp

Huisarts, jeugdarts en medisch specialist hebben op grond van de Jeugdwet de eigenstandige bevoegdheid om toegang te verlenen tot alle jeugdhulp. In deze verordening wordt deze bevoegdheid voor specialistische jeugdhulp en hoogspecialistische jeugdhulp verschillend ingevuld. De laatste komt aan de orde in het zesde lid. De eerste hier in het vierde lid onderdeel a. Uitgangspunt bij een artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp (dus niet zijnde hoogspecialistische jeugdhulp) is dat in de regel de afstemming met een Jeugdteam en daarmee de integrale afweging van zorgbehoeften in een perspectiefplan niet perse nodig is. Als het gaat om specialistische jeugdhulp kan een arts dus zonder betrokkenheid van een Jeugdteam naar een jeugdhulpaanbieder verwijzen. Ook de jeugdhulpaanbieder is dan niet verplicht contact op te nemen met het Jeugdteam (maar wel met de gemeente in het kader van de zorgtoewijzing).

Vierde lid, onderdeel b: crisissituaties

In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van (hoog)specialistische jeugdhulp tot een perspectiefplan is opgesteld. In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het Jeugdteam heeft plaatsgevonden en een perspectiefplan is opgesteld. NB het gaat dan om kortdurende inzet (zie Nadere regels, artikel 3.1 vierde lid). Wanneer daarna langdurig (hoog)specialistische jeugdhulp nodig is (vanuit een ander ondersteuningsprofiel dan profiel 11), dient alsnog een perspectiefplan opgesteld te worden.

Vijfde lid, besluit na artsverwijzing specialistische jeugdhulp

In dit lid wordt duidelijk gemaakt dat het college feitelijk een besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp (niet zijnde hoogspecialistische jeugdhulp) na een verwijzing van de huisarts, jeugdarts, of medisch specialist neemt op het moment dat de jeugdhulpaanbieder zich bij de gemeente meldt met een verzoek tot toewijzing van zorg.

Zesde lid, artsverwijzing naar hoogspecialistische jeugdhulp

Voor hoogspecialistische jeugdhulp wordt ervan uitgegaan dat altijd – ook bij een artsverwijzing –een perspectiefplan waarbij een Jeugdteam betrokken is, nodig is. Het gaat in die gevallen immers bijna altijd om hoogcomplexe en veelomvattende / meervoudige jeugdhulp, waarbij een integrale aanpak en continuïteit van het hoogste belang zijn. De arts kan wel zelfstandig verwijzen naar de jeugdhulpaanbieder, maar er zal dan vervolgens alsnog een perspectiefplan opgesteld moeten worden (door ouders zelf, al dan niet met hulp van de arts of het Jeugdteam). Dit perspectiefplan dient ook geaccordeerd te worden door het Jeugdteam, voordat de inzet van hoogspecialistische jeugdhulp kan starten. Deze afspraken zijn ook vastgelegd in de contracten met de jeugdhulpaanbieders. De achtergrond van deze keuze staat toegelicht bij de begripsbepaling ‘perspectiefplan’ onder artikel 1.1. De jeugdhulpaanbieder kan zich in deze gevallen via het verzoek om toewijzing van zorg bekend maken bij de gemeente, die voor de betrokkenheid van het Jeugdteam zorgdraagt. Natuurlijk kan een jeugdhulpaanbieder (of arts) in deze gevallen ook zelf rechtstreeks contact opnemen met het Jeugdteam.

Zevende lid, opt-outregeling

Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders zwaarwegende bezwaren hebben tegen de betrokkenheid van het Jeugdteam, kunnen zij, indien er sprake is van een artsverwijzing, gebruik maken van een opt-out-regeling. Ook in die gevallen dient een perspectiefplan te worden opgesteld voordat de hoogspecialistische jeugdhulp kan starten, maar deze zal dan tot stand komen zonder betrokkenheid (accordering) van het Jeugdteam. Het college besluit dan tot de inzet van hoogspecialistische jeugdhulp op basis van de melding van de jeugdhulpaanbieder dat een arts verwezen heeft en een perspectiefplan aanwezig is, maar de jeugdige en/of zijn ouders van de opt-out-regeling wensen gebruik te maken.

Achtste lid: nadere regels

De nadere invulling van de ondersteuningsprofielen en intensiteiten ligt niet vast in de verordening, maar in de nadere regels. Hiervoor is gekozen omdat de verwachting is dat beiden zich de komende jaren nog verder zullen ontwikkelen en nadere regels sneller aangepast kunnen worden.

Negende lid: bijzondere gevallen

Het gaat hierbij om onder meer hoogspecialistische Jeugdhulp van landelijke werkende aanbieders waarmee VNG contracten heeft afgesloten. Dit lid is opgenomen omdat de inzet van deze Jeugdhulp niet gebaseerd is op profielen en intensiteiten. Een overzicht van de gecontracteerde partijen is te vinden op de website van de VNG.

Artikel 3.5 Het gesprek en perspectiefplan

Eerste lid: termijn binnen twee weken contact

Het is belangrijk dat jeugdige en/of ouders snel weten waar ze aan toe zijn en daarover ingelicht worden.

Tweede lid: het gesprek

Er wordt in de verordening (en nadere regels) niets vastgelegd over de wijze waarop het gesprek gevoerd wordt tussen Jeugdteam en jeugdige en/of zijn ouders (en eventuele andere betrokken). Dit zou de handelingsvrijheid van de jeugdige, zijn ouders én de professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat er in het gesprek aan de orde kan komen (indien van belang), niet welke methodiek of instrumentarium gebruikt moet worden of wie er precies bij betrokken dienen te zijn. Natuurlijk gelden hierbij wel de eisen die de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen aan de kwaliteit van de toegang.

Belangrijk is dat onderzocht en vastgesteld wordt wat de opgroei- en opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen van de jeugdige zijn om zo te kunnen bepalen welke ondersteuning passend is bij de vraag van jeugdige en/of ouders.

Derde lid: het familiegroepsplan

Jeugdige en/of ouders hebben de mogelijkheid om zelf een familiegroepsplan in te dienen zoals dat verder in de wet wordt toegelicht.

Vierde lid: Verzamelen van beschikbare gegevens

Doel hiervan is dat jeugdigen en/of hun ouders niet belast worden met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Hierbij zijn de regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de wet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn te allen tijde van toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het Jeugdteam geen toegang heeft in verband met de privacy regels, kan het Jeugdteam de jeugdige of zijn ouders om toestemming vragen om deze gegevens op te vragen of in te zien.

Vijfde en zesde lid: het perspectiefplan

Ook de inhoud van het perspectiefplan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát uitkomsten van het gesprek altijd in het perspectiefplan vastgelegd worden. Nb het perspectiefplan kan zelfstandig door de jeugdige en/of zijn ouders opgesteld worden, of met de hulp van het Jeugdteam of anderen. Wanneer gekozen wordt voor de inzet van een individuele voorziening is het wel een verplichting dat het Jeugdteam meekijkt en een akkoord geeft (met uitzondering van artsverwijzing in kader specialistische jeugdhulp).

De wederzijdse ondertekening is vooral bedoeld om het karakter van het perspectiefplan als gezamenlijk plan te bekrachtigen en zeker niet om het karakter van een privaatrechtelijk overeenkomst te geven. Nb het besluit tot inzet van (hoog)specialistische jeugdhulp wordt toegevoegd aan het perspectiefplan (zie artikel 3.8), maar is juridisch gezien een eenzijdige, publiekrechtelijke, beslissing van het college (de facto de gemandateerde professional van het Jeugdteam). Het besluit wordt wel genomen op grond van het perspectiefplan.

Vijfde en zesde lid: evaluatie perspectiefplan

In het perspectiefplan worden doelen geformuleerd: in de zin van wanneer worden door wie welke resultaten behaald. De jeugdige en/zijn ouders kunnen in het perspectiefplan afspraken maken om na een bepaalde tijd de resultaten met het Jeugdteam, de eventueel betrokken jeugdhulpaanbieders en/of anderen te bespreken en zo het perspectiefplan te evalueren.

Zevende lid: vastlegging perspectiefplan in administratie Jeugdteam

Het (ondertekende) perspectiefplan kan worden opgeslagen door het Jeugdteam als onderbouwing en toelichting op het besluit om te komen tot de inzet van een individuele voorziening, dan wel dat het in de vorm van een gespreksverslag of eigen ondertekende documentatie van het Jeugdteam gebeurt die deze inhoud weergeeft. Het ‘oorspronkelijke’ perspectiefplan is namelijk eigendom van het gezin en kan niet zondermeer door het Jeugdteam één op één worden opgeslagen.

Achtste lid: delen perspectiefplan met de jeugdhulpaanbieder

Het perspectiefplan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen zoals vastgelegd in het perspectiefplan. De relevante informatie uit het perspectiefplan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het Jeugdteam aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor.

Als het gaat om hoogspecialistische jeugdhulp heeft de gemeente ook in haar contracten met de jeugdhulpaanbieders bepaald, dat zij niet mogen starten met de hulpverlening voordat een perspectiefplan opgesteld is. Voor deze complexe en in de regel meervoudige jeugdhulp is het brede perspectief van het grootste belang om effectieve jeugdhulp te kunnen verlenen.

Natuurlijk gelden bij het delen van het perspectiefplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3 rond dossiervorming). Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen die niet van belang is voor de hulp aan een jeugdige. Het is aan de ouders om in samenspraak met het Jeugdteam (of arts) te bepalen welke informatie in het perspectiefplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het Jeugdteam (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van de jeugdige tegen elkaar afgewogen te worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders zal hieraan aandacht besteed worden.

Artikel 3.6 Criteria en afwegingsfactoren bij toekenning

In de verordening worden de criteria en afwegingsfactoren bij de beoordeling tot toekenning van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp alleen in algemene termen beschreven. In het tweede lid is een kan-bepaling opgenomen. Criteria kunnen eventueel uitgewerkt worden in nadere regels. Maar hieraan wordt vooralsnog geen invulling gegeven.

Artikel 3.7 Inhoud en geldigheidsduur van het besluit

Eerste lid, onderdeel a: inhoud besluit ZIN

De inhoud van het besluit is beperkt. Alleen de keuze specialistisch of hoogspecialistisch, het ondersteuningsprofiel en bij hoogspecialistische jeugdhulp ook de intensiteit liggen in het besluit vast. Andere zaken – zoals omschrijving hulpvraag en het resultaat – worden vastgelegd in het perspectiefplan. Hiermee wordt ook voorkomen dat te veel privacygevoelige gegevens in de gemeentelijke beschikkingenadministratie vast komen te liggen. De jeugdige en/zijn ouders kunnen met het besluit zelf voor een van de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders kiezen. Het Jeugdteam kan hierbij adviseren. De keuze voor een bepaalde aanbieder ligt niet vast in het besluit.

Eerste lid, onderdeel b: inhoud besluit PGB

In een besluit voor het toekennen van een pgb is ook altijd de hoogte van het pgb en hoe dit bepaald is, opgenomen.

Tweede lid, onderdeel a: geldigheidsduurbesluit ZIN

Het besluit voor zorg in natura wordt in de regel afgegeven voor onbepaalde tijd. Dat wil zeggen dat bij het afgeven van het besluit de duur niet vaststaat. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder moet (binnen de afspraken die daarover in het contract gesteld zijn) hulp kunnen inzetten zo lang als nodig is om het beoogde resultaat te bereiken. De geldigheidsduur van het besluit eindigt als het jeugdhulptraject (met wederzijdse instemming) is beëindigd. De jeugdhulpaanbieder brengt de gemeente hiervan op de hoogte middels het stop-zorgbericht. Dit is contractueel vastgelegd.

Tweede lid, onderdeel b: geldigheidsduur besluit PGB

Voor pgb-beschikkingen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek zoals die bij de geldigheidsduur van ZIN geldt. Dit betekent dat als een jeugdige duurzame zorg nodig heeft de duur van het besluit hierop aansluit. Periodiek wordt beoordeeld of de pgb-zorg nog aansluit bij de opgestelde resultaten.

Derde lid: garantietermijn

Dit lid regelt een garantietermijn. Wanneer de jeugdige en/zijn ouders zich binnen vier maanden nadat het hulpverleningstraject succesvol is afgerond opnieuw bij de jeugdhulpaanbieder melden met dezelfde hulpvraag, is de jeugdhulpverlener verplicht de jeugdige en/of zijn ouders opnieuw te helpen. Het oude besluit wordt daarmee opnieuw van kracht. De jeugdige en/of zijn ouders hoeven in die gevallen dus ook niet opnieuw langs de verwijzende arts of Jeugdteam. NB deze garantietermijn geldt alleen voor jeugdhulptrajecten die gericht waren op herstel, niet op duurzame trajecten. Ook geldt deze garantietermijn niet wanneer de jeugdhulpaanbieder aan de ene kant of de jeugdige en/of zijn ouders aan de andere kant het traject eenzijdig (voortijdig) beëindigd hebben.

Vierde lid: beperking geldigheidsduur besluit

Wanneer bij het afgeven van een besluit nog niet bekend is welke jeugdhulpaanbieder betrokken wordt, dient de jeugdige en/of zijn ouders zo snel als mogelijk een jeugdhulpaanbieder te vinden en zich daar te melden. De jeugdhulpaanbieder accepteert vervolgens de cliënt en stuurt een verzoek tot zorgtoewijzing aan de gemeente. Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders zich niet binnen zes maanden melden bij een aanbieder, kan het besluit vervallen als de gemeente van mening is dat na die periode de omstandigheden binnen het gezin dusdanig gewijzigd zijn dat een nieuw gesprek noodzakelijk is om de ondersteuningsbehoefte opnieuw vast te stellen.

Vijfde lid, onderdeel a

Als jeugdige en zijn ouders en de professional van het Jeugdteam het eens zijn over de inhoud van het perspectiefplan bekrachtigen zij dit door ondertekening van het perspectiefplan. Op dat moment is er ook overeenstemming over de in te zetten specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp en kan de beschikking snel afgegeven worden.

Vijfde lid, onderdeel b

Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders en het Jeugdteam geen overeenstemming kunnen bereiken over de inhoud van het perspectiefplan en de noodzaak of de aard van de inzet van specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp dienen zij een aanvraag tot een individuele voorziening in, in de vorm van een door hen eenzijdig ingevuld perspectiefplan. Het Jeugdteam besluit dan binnen twee weken op deze aanvraag.

Vijfde lid, onderdeel c

In artikel 3.3 vierde lid is bepaald dat bij verwijzing van een huisarts, jeugdarts, of medisch specialist naar specialistische jeugdhulp (in tegenstelling tot hoogspecialistische jeugdhulp) en in crisissituaties een gesprek met het Jeugdteam niet verplicht is. In die gevallen maakt de jeugdhulpaanbieder zich via een verzoek om zorgtoewijzing bekend bij de gemeente. Op basis van dit verzoek (JW315) wijst de gemeente dan de jeugdhulpaanbieder de zorg toe (via een JW301-bericht). De facto neemt het college hiermee een besluit over de inzet van specialistische jeugdhulp.

Zesde lid

Voor sommige specialistische of hoogspecialistische jeugdhulp die niet bestaat uit een diagnose- of behandeltraject, maar een langdurig begeleidingstraject (in de regel vanwege de ernstige beperkingen van de jeugdige) kan het gewenst zijn dat het Jeugdteam namens het college periodiek herbeoordeelt of en zo ja welke voortzetting van hulp nodig is. De regels hierover liggen niet vast in de verordening zelf maar in de nadere regels (zie nadere regels artikel 3.2 vijfde lid).

Zevende lid: bijzondere gevallen

Het gaat hierbij om onder meer hoogspecialistische Jeugdhulp van landelijke werkende aanbieders waarmee VNG contracten heeft afgesloten. Dit lid is opgenomen omdat de inzet van deze Jeugdhulp niet gebaseerd is op profielen en intensiteiten. Een overzicht van de gecontracteerde partijen is te vinden op de website van de VNG.

Paragraaf 3: Toegang dyslexiezorg

Artikel 3.8 Toegang tot dyslexiezorg

Eerste lid

Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige enkelvoudige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig.

Bij ernstige enkelvoudige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen en/of schrijven (spellen), die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kan worden. ‘Enkelvoudig’ slaat op het feit dat er geen sprake dient te zijn van een algemene ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) of ernstige gedragsproblematiek.

Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders.

Tweede lid

Een door het college aangewezen poortwachter of een coördinator werkzaam binnen het samenwerkingsverband of schoolbestuur is verantwoordelijk voor de controle van het leerlingdossier. Indien dit niet volledig is koppelt de poortwachter dit terug naar de verwijzende school zodat zij alsnog passende extra begeleiding kunnen inzetten. Indien het leerlingdossier op orde is geeft de poortwachter goedkeuring aan de doorverwijzing en kunnen ouders en school contact leggen met een gecontracteerde dyslexieaanbieder naar keuze. Daarnaast spreekt de poortwachter scholen aan op het moment dat zij signaleren dat er veel onvolledige dossiers worden aangeleverd.

Derde lid

De poortwachter werkt volgens de landelijke, professionele, standaard voor dyslexiezorg. Met dit derde lid wordt de mogelijkheid open gehouden dat college (kern)elementen van deze standaard ook vastlegt in nadere regels.

Paragraaf 4: Het persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 3.9 Het pgb

Tweede lid

Het budgetplan vormt een aanvulling op het perspectiefplan, maar vervangt deze niet. De hulpvraag en te bereiken resultaten liggen vast in het perspectiefplan. De details met betrekking tot de motivatie voor de aanvraag van een pgb, uitvoerder van de pgb-zorg en de kosten liggen vast in het budgetplan.

Artikel 3.10 Hoogte van het pgb

Eerste lid, c

In dit lid is vastgelegd op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld door categorieën jeugdhulp te benoemen die kunnen worden ingezet bij een pgb. Aan de verschillende categorieën is een maximumtarief verbonden. Het tarief dat aan de categorie is gekoppeld, maakt de inzet van kwalitatief toereikende zorg mogelijk.

Artikel 3.11 Voorwaarden informele zorg

Eerste lid onderdeel a

In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een pgb gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. Met dit artikel wordt de verstrekking van een pgb voor informele zorg beperkt tot specialistische jeugdhulp en wordt hoogspecialistische jeugdhulp daarvan dus uitgesloten.

Eerste lid onderdeel b

Aan informele zorg kunnen niet dezelfde kwaliteitscriteria gesteld worden als aan de inzet van professionele zorg. Wel dient er aan minimale criteria te worden voldaan, zoals veilige en cliëntgerichte zorg.

Paragraaf 5: Nieuwe feiten en omstandigheden

Artikel 3.12 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet is de gemeente verplicht bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of pgb. De tekst van dit artikel is grotendeels ontleend aan de bepalingen rond bestrijding van misbruik die de wet stelt in het kader van het verstrekken van pgb’s (artikel 8.1.2 tot en met 8.1.4). We herhalen in de verordening de wet om de leesbaarheid te vergroten. Bovendien wordt de toepassing van deze regels verbreed naar voorzieningen in natura. Ten slotte, het intrekken of herzien van een besluit kan natuurlijk ook relevant zijn als in gevallen waar geen sprake is van misbruik, maar gewoon van een gewijzigde (inschatting van de) situatie.

Hoofdstuk 4 Cliëntondersteuning, vertrouwenspersoon, second opinion en klachten

Artikel 4.1 Cliëntondersteuning

Als jeugdige en of ouder kan je vragen hebben over de problemen die je hebt, maar die je niet alleen met de professional wilt bespreken. Daarvoor kunnen jeugdigen en/of ouders gebruikmaken van onafhankelijke cliëntondersteuners. Zij geven informatie en advies en kunnen ondersteunen bij een gesprek. De cliëntondersteuners hebben kennis op verschillende terreinen (o.a. verstandelijke beperking, geestelijke gezondheid) en hebben in een aantal gevallen zelf ervaring met Jeugdhulp (ervaringsdeskundige jongeren en ouders).

Artikel 4.2 Vertrouwenspersoon

Als de jeugdhulp niet zo verloopt als verwacht of er problemen zijn met de ingezette Jeugdhulp, kan er een beroep gedaan worden op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Zoals de wet dit voorschrijft is deze persoon onafhankelijk, beschikbaar en toegankelijk om ouders en/of jeugdigen bij te staan.

Artikel 4.3 Second opinion

Het kan voorkomen dat een jeugdige en/of zijn ouders het niet eens is/zijn met de beoordeling van de professional over de vraag welke ondersteuning al dan niet nodig is. Als dit het geval is kan/kunnen een jeugdige en/of zijn ouders een second opinion vragen bij een ander Jeugdteam. Deze second opinion wordt uitgevoerd door een professional uit een ander Jeugdteam met dezelfde kwalificaties als de eerste beoordelaar en beperkt zich tot een tweede beoordeling van het bestaande dossier. Er wordt niet opnieuw (diagnostisch) onderzoek gedaan.

Artikel 4.4 Klachten

De Klachtenregeling Zaanstad 2015 bevat de interne procedure voor de behandeling van klachten en verzoeken van de ombudsman, ter uitwerking van de klachtenregeling opgenomen in hoofdstuk 9 van de Awb.

Op grond van artikel 5 lid 6 van deze klachtenregeling wordt bij het opdragen van gemeentelijke taken en specifieke vormen van gemeentelijke dienstverlening externe opdrachtnemers van de gemeente of andere overheden dat klachten over medewerkers van deze opdrachtnemers op gelijke wijze worden behandeld als klachten over medewerkers van de gemeente, tenzij wettelijke regels zich hiertegen verzetten. De klachtenregeling Zaanstad 2015 is van toepassing op de klachten die betrekking hebben op de uitvoering door de Jeugdteams. De coördinatie van de klacht vindt vanuit de gemeente plaats.

Hoofdstuk 5 Afstemming met andere voorzieningen

Op basis van de Jeugdwet artikel 2.9 zijn gemeenten verplicht in hun verordening op te nemen hoe de afstemming met andere voorzieningen geregeld is. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het perspectiefplan, dat immers over alle domeinen betreft.

Artikel 5.1 Afstemming gezondheidszorg

Hier wordt gedoeld op de specialistische jeugdhulp die voorheen viel onder de jeugd-geestelijke gezondheidszorg. Deze zorg valt vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeraars stellen aan zorgaanbieders de eisen met betrekking tot de toegang. Er moet een rechtmatige verwijzer zijn in de vorm van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Het Jeugdteam kan voor een dergelijke verwijzing zorgen, of door contact op te (laten) nemen met de huisarts, of door de jeugdarts een verwijzing te laten schrijven.

Artikel 5.2 Afstemming langdurige zorg

Eerste lid

Wanneer jeugdigen levenslang en levensbreed zorg nodig hebben vallen zij onder de Wet langdurige zorg. Bij kinderen is dit echter nog niet altijd makkelijk vast te stellen. Het Jeugdteam, ondersteunt de jeugdige en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat.

Tweede lid

Dit lid is een nadere uitwerking van de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel c:”Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen:...indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.” Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van de jeugdige voorop staan. De jeugdige mag nooit het slachtoffer worden van onwillige ouders.

Artikel 5.3 Afstemming voorschoolse voorzieningen en het onderwijs

Eerste lid

Korte lijnen tussen onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de jeugdteams zijn belangrijk. Kinderen brengen immers een groot deel van hun tijd op die plekken door. Zorgen om kinderen kunnen zo makkelijk gedeeld worden, advies ingewonnen en zo nodig gestart worden met het bespreken met kind en/of ouders welke ondersteuning, jeugdhulp geboden kan worden worden.

Artikel 5.4 Afstemming maatschappelijke ondersteuning

Het hier gestelde betekent dat het Jeugdteam, indien de situatie zich voordoet, afstemming zoekt met het Sociale wijkteam. Deze afstemming start uiterlijk een half jaar voor de 18e verjaardag. De jeugdige wordt begeleid en voorbereid op de veranderingen na het 18e jaar, met als beoogd resultaat continuïteit van zorg.

Artikel 5.5 Afstemming werk en inkomen

Het hebben van schulden en/of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouders hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden. Hierbij kan het jeugdteam of gecertificeerde instelling een actieve rol spelen: aanvragen van armoedevoorzieningen, het voeren van een gesprek over armoede, zelf een afspraak maken voor de ouder en de drempel zo laag mogelijk maken door bijvoorbeeld samenwerking met de sociale wijkteams. Het is belangrijk te toetsen of het gezin huur- en/of zorgtoeslag, kindgebonden budget ontvangen en/of aangevraagd heeft, dit om een tekort of het ontstaan van grote schulden te voorkomen. Ook van jeugd-hulpaanbieders wordt een actieve houding verwacht. Wanneer het hen echter niet lukt om financiële belemmeringen weg te nemen kunnen zij een beroep doen op de lokale teams of (indien van toepassing) de gecertificeerde instelling

Artikel 5.6 Afstemming wonen

De lokale teams kunnen samen met de ouder(s) een gezin voordragen voor urgentie. De Huisvestingswet 2014 bepaalt dat gemeenten die willen sturen op verdeling van sociale huurwoningen de regels op dat gebied moeten vastleggen in een huisvestingsverordening.

De regels over urgentie en voorrang zijn opgenomen in de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad en Beleidsregels urgentie gemeente Zaanstad 2016. De beleidsregels geven de specifieke voorwaarden en criteria per urgentiecategorie en doelgroep aan. Zo ook voor gezinnen met kinderen die dakloos dreigen te raken of een ouder met de dagelijkse zorg voor kinderen die gevlucht is voor huiselijk geweld.

Hoofdstuk 6 Waarborging prijs-kwaliteit

Op grond van artikel 2.12 van de wet dient de gemeente bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Dit is gevat in dit artikel 5.1. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst uit de modelverordening van de VNG.

Hoofdstuk 7 Cliëntparticipatie

Met de inwerkingtreding van de Verordening Cliëntenparticipatie 2017 kent de gemeente Zaanstad een nieuwe werkwijze met betrekking tot cliëntenparticipatie en wordt hiermee uitvoering gegeven aan artikel 2.10 van de Jeugdwet. Voor jeugdigen en/of hun ouders moet het mogelijk zijn om invloed uit te oefenen op het lokale beleid en de uitvoering van de Jeugdwet. Cliëntenparticipatie is onmisbaar voor de totstandkoming en uitvoering van beleid waarin de cliënt centraal staat. ‘Meepraten over hulp en ondersteuning’, is een nieuwe vorm van cliëntenparticipatie. De gemeente wil zo (beter) weten wat nu goed gaat, maar vooral ook wat beter kan. Op verschillende manieren wordt de inbreng van jeugdigen en/of ouders opgehaald, meer hierover kunt u vinden op de gemeentelijke website.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 8.1 Inwerkingtreding

De verordening treedt in werking op 1 januari 2018, hetzelfde moment als de start van de nieuwe inkoop (hoog)specialistische jeugdhulp.

Artikel 8.2 Overgangsbepalingen

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het recht op zorg dat een jeugdige heeft ontvangen op grond van de ‘oude’ verordening, en de afspraken die gemeenten en jeugdhulpaanbieders maken over de financiering van de hulp in de overgang van 2017 naar 2018. Door het recht op zorg te waarborgen is de continuïteit van jeugdhulp voor de jeugdige en/of zijn ouders gegarandeerd. Geen kind mag immers de dupe worden van de gewijzigde contractafspraken tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Feit is wel dat gemeenten en jeugdhulpaanbieders in onderling overleg en op basis van de nieuwe contractafspraken met elkaar mogen besluiten om de hulp anders te benoemen, dan wel te financieren.

Artikel 8.3 Hardheidsclausule

Spreekt voor zich.

Artikel 8.4 Evaluatie

Hiermee stelt de gemeenteraad het college verplicht binnen twee jaar een evaluatie van de verordening op te stellen. Deze periode loopt synchroon met (initiële) contractperiode in het kader van de nieuwe inkoopstrategie (2018-2019).

Artikel 8.5 Citeertitel

Gekozen is om aan te sluiten op de titel van de verordening van 2015,