Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017

VERORDENING BODEMSANERING ZAANSTAD 2017

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.

het college:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad;

b.

de wet:

de Wet bodembescherming (wet van 3 juli 1986, Staatsblad 374, de versie die geldig was op 1 januari 2017);

c.

saneringsplan:

een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet;

d.

evaluatieverslag:

een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de wet;

e.

nazorgplan:

een plan als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de wet;

f.

inspraak:

het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden om hun mening omtrent de voorgenomen uitvoering van het onderzoek of de sanering kenbaar te maken.

Artikel 2 Procedurele bepalingen

  • 1.

    Op de voorbereiding van een beschikking op basis van artikel 29 en 37 en/of artikel 39 van de wet is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2.

    Bij de voorbereiding van een beschikking op basis van artikel 29 en 37 van de wet wordt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet toegepast in het geval het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de subsidieregeling diffuus lood of de projectmatige aanpak van diffuus lood.

  • 3.

    Het college kan besluiten dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan die procedure geen behoefte bestaat.

Artikel 3 Wijze van melden

  • 1.

    Een melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet wordt bij het college ingediend via het webformulier ‘beschikking ernst van verontreiniging en spoedeisendheid om te saneren’ op www.zaanstad.nl.

  • 2.

    Voor de aanvraag tot het nemen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de wet zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor de aanvraag tot het nemen van een beschikking op basis van artikel 29 en 37 ten behoeve van de aanpak volgens de subsidieregeling diffuus lood, wordt gebruik gemaakt van het ‘meldingsformulier tijdelijke beveiligingsmaatregelen lood’, dat beschikbaar is op www.zaanstad.nl.

Artikel 4 Het saneringsplan

  • 1.

    Het saneringsplan wordt bij het college ingediend via het webformulier ‘beschikking instemmen met saneringsplan’ op www.zaanstad.nl.

  • 2.

    Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39, eerste lid van de wet aan het saneringsplan worden gesteld, worden in het saneringsplan de gegevens opgenomen als neergelegd in bijlage 1 bij deze verordening.

  • 3.

    Het overleggen van de gegevens als neergelegd in bijlage 1 bij deze verordening kan achterwege worden gelaten indien naar het oordeel van het college:

    • a.

      bij de indiening van het plan duidelijk is aangegeven welke gegevens ontbreken,

    • b.

      deugdelijk gemotiveerd wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en

    • c.

      die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.

  • 4.

    Voor de aanvraag tot het nemen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de wet dient te worden voldaan aan hetgeen in bijlage 1 onder d. is opgenomen.

Artikel 5 Melding wijziging saneringsplan

Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid van de wet worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    alle gegevens die afwijken van het saneringsplan waarmee het college heeft ingestemd;

  • b.

    de reden van afwijking;

  • c.

    de inhoud van de afwijking;

  • d.

    de gevolgen van de afwijking voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en ter uitvoering daarvan de te treffen saneringsmaatregelen.

Artikel 6 Melding start en einde sanering

  • 1.

    Degene die voornemens is te saneren doet uiterlijk vijf werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden melding van de datum waarop de werkzaamheden starten via het webformulier ‘startmelding bodemsanering‘.

  • 2.

    Degene die heeft gesaneerd doet uiterlijk vijf werkdagen na beëindiging van de saneringswerkzaamheden melding van de datum waarop de werkzaamheden starten via de bij de startmelding aangemaakt zaak. Voor de toepassing van dit lid worden nazorgmaatregelen niet inbegrepen bij saneringswerkzaamheden.

Artikel 7 Het evaluatieverslag

  • 1.

    Het evaluatieverslag wordt uiterlijk vijftien weken na beëindiging van de sanering bij het college ingediend via het webformulier ‘beschikking instemmen met saneringsevaluatie’ op www.zaanstad.nl, waarbij zo nodig afzonderlijk wordt gerapporteerd over de sanering van de grond en van het grondwater.

  • 2.

    Onverminderd de eisen die op grond van artikel 39c, eerste lid van de wet aan een evaluatieverslag worden gesteld, worden in het evaluatieverslag de gegevens opgenomen als neergelegd in bijlage 2 bij deze verordening.

  • 3.

    Het overleggen van de gegevens als neergelegd in bijlage 2 bij deze verordening kan achterwege worden gelaten indien naar het oordeel van het college:

    • a.

      bij de indiening van het plan duidelijk is aangegeven welke gegevens ontbreken,

    • b.

      deugdelijk gemotiveerd wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en

    • c.

      die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag.

  • 4.

    Voor het evaluatieverslag van het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 3 zijn artikel 7, lid 1, 2 en 3 niet van toepassing.

  • 5.

    Het verslag van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen moet binnen drie weken nadat de maatregelen zijn getroffen, worden ingediend bij het college, via het webformulier ‘verslag tijdelijke beveiligingsmaatregelen lood’ op www.zaanstad.nl.

  • 6.

    Het verslag van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bevat minimaal de informatie die wordt voorgeschreven in de ‘subsidieregeling diffuus lood’.

Artikel 8 Het nazorgplan

  • 1.

    Het nazorgplan wordt uiterlijk zes weken na de toezending van het evaluatieverslag bij het college ingediend via het webformulier ‘beschikking instemmen met nazorgplan’ op www.zaanstad.nl.

  • 2.

    Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39d van de wet aan het nazorgplan worden gesteld, worden in het nazorgplan de gegevens opgenomen als neergelegd in bijlage 3 bij deze verordening.

  • 3.

    Het overleggen van de gegevens als neergelegd in bijlage 3 bij deze verordening kan achterwege worden gelaten indien naar het oordeel van het college:

    • a.

      bij de indiening van het plan duidelijk is aangegeven welke gegevens ontbreken,

    • b.

      deugdelijk gemotiveerd wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en

    • c.

      die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.

Artikel 9 Sanering in opdracht van het college

  • 1.

    Op saneringen die in opdracht van het college worden uitgevoerd zijn de artikelen 2 tot en met 8 van toepassing.

  • 2.

    Indien het college als bevoegd orgaan een bodemonderzoek of een bodemsanering uitvoert, stelt het college ter begeleiding van dat onderzoek of die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

  • 3.

    Ten behoeve van een projectgroep in de zin van het tweede lid wijst het college een voorzitter aan en draagt het college er zorg voor dat voorzien wordt in het verrichten van de secretariaatswerkzaamheden.

  • 4.

    Een projectgroep heeft tot taak het college haar zienswijze te geven over de uitvoering van het onderzoek respectievelijk de sanering. De projectgroep brengt schriftelijk advies uit aan het college.

  • 5.

    Een projectgroep bestaat tenminste uit:

    • a.

      een vertegenwoordiger van de gemeente Zaanstad en

    • b.

      een vertegenwoordiger van de bij het onderzoek of de sanering betrokken bewonersgroep van de gemeente Zaanstad en andere bij dat onderzoek of die sanering belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen.

Artikel 10 Strafbaarstelling Procedurele bepalingen

Overtreding van het bepaalde bij artikel 6 is een strafbaar feit en wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 11 Toezicht op de naleving Procedurele bepalingen

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze regeling zijn belast de krachtens artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen personen.

Artikel 12 Intrekking Procedurele bepalingen

De Verordening bodemsanering Zaanstad 2006 wordt ingetrokken.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na die van bekendmaking in het Gemeenteblad.

Artikel 14 Overgangsbepaling

Er is geen overgangsbepaling van toepassing.

Artikel 15 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als de Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017.

Aldus besloten in de raadsvergadering van 20-04-2017

voorzitter,

raadsgriffier,

Bijlage 1 Aanvullende gegevens voor het saneringsplan

  • a.

    algemene gegevens:

    • 1.

      het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;

    • 2.

      een recente (maximum 3 maanden oude) kadastrale kaart, waarop het geval van bodemverontreiniging en de oppervlakte van het te saneren gedeelte is aangegeven;

    • 3.

      een uittreksel van het kadaster waaruit de eigendomssituatie blijkt en dat niet langer dan drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven;

    • 4.

      het huidig en toekomstig gebruik van de bodem;

    • 5.

      de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1, alsmede van de gebruiker daarvan;

    • 6.

      de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;

    • 7.

      een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval de datum waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen is aangegeven;

    • 8.

      een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn;

    • 9.

      een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en instemmingen om het werk te kunnen uitvoeren;

    • 10.

      de wijze waarop belanghebbenden bij de uitvoering van de sanering zullen worden betrokken;

    • 11.

      de wijze van milieukundige begeleiding;

  • b.

    keuze saneringsvariant:

    • 1.

      indien slechts een deel van de verontreiniging wordt verplaatst: het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet;

    • 2.

      indien na de sanering restverontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een argumentatie op grond waarvan dit gebeurt;

  • c.

    de te nemen maatregelen:

    • 1.

      een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;

    • 2.

      een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten;

    • 3.

      een beschrijving van de maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten en overlast als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;

    • 4.

      gegevens over de kwaliteit van het eventueel te gebruiken aanvulmateriaal;

    • 5.

      grondbalans;

Bijlage 2 Aanvullende gegevens voor het evaluatieverslag

  • a.

    algemene gegevens:

    • 1.

      adres van de locatie;

    • 2.

      naam, adres van de opdrachtgever;

    • 3.

      naam van de locatie met kadastrale gegevens, coördinaten van het werk en de oppervlakte van het gesaneerde deel;

    • 4.

      samenvatting van de verontreinigingssituatie, de bodemopbouw en de geohydrologie, volgend uit bodemonderzoeken (met rapportnummers);

    • 5.

      type sanering: deelsanering / gefaseerde sanering / volledige sanering;

    • 6.

      doelstelling van de sanering voor grond en/of grondwater, met verwijzing naar het (goedgekeurde) saneringsplan (met rapportnummer) en de beschikking (met nummer) waarmee ingestemd wordt met het saneringsplan;

    • 7.

      naam, adres directievoerder, aannemer, milieukundige begeleider, tanksaneerder;

    • 8.

      nummer bestek, indien er een bestek bestaat;

    • 9.

      veiligheidsklassen, veiligheids- en gezondheidsplan (ontwerpfase en uitvoeringsfase);

  • b.

    vergunningen:

    • 1.

      opsomming van vergunningen en meldingen die van belang waren voor de uitvoering van de sanering (ook meldingen aan arbeidsinspectie, verkeerspolitie, wegbeheerder, besluit bodemkwaliteit etc);

    • 2.

      data van verstrekking en inwerkingtreding van deze vergunningen (nummer vermelden);

    • 3.

      verstrekte afvalstroomnummers;

  • c.

    werkzaamheden voor grondsanering:

    • 1.

      start en einddatum van de periode waarop het evaluatieverslag betrekking heeft, alsmede de totale duur van de grondsanering;

    • 2.

      beschrijving van de voorbereidende werkzaamheden, zoals sloop van opstallen, inrichting van werkterrein en uitvoering van verkeersmaatregelen, overleg met omgeving of projectgroep;

    • 3.

      maatregelen voor kabels en leidingen;

    • 4.

      wijze van bemalen en zuiveren van het grondwater voor ontgraving in den droge (filterstelling, debiet, invloed op de omgeving zoals zettingen en influentconcentraties);

    • 5.

      overzicht van de hoeveelheid vrijgekomen grond (uitgedrukt in tonnen en kubieke meters) en de bestemming daarvan (inclusief de wijze van verwerking en afvalstroomnummers) verdeeld in de volgende categorieën:

      • a.

        ongereinigd storten

      • b.

        reinigen

      • c.

        ongereinigd hergebruiken

      • d.

        tijdelijke opslag

    • 6.

      overzicht van de hoeveelheden overige vrijgekomen materialen (zoals eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en ondergrondse tanks) en hun bestemmingen;

    • 7.

      afmetingen van de ontgravingen;

    • 8.

      inrichting van gronddepot(s);

    • 9.

      beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie en gegevens waaruit blijkt dat dit gemeld is bij Burgemeester en Wethouders;

    • 10.

      eventueel aangelegd onttrekkingssysteem voor een nog uit te voeren grondwatersanering;

  • d.

    grondwatersanering / bodemluchtonttreking:

    • 1.

      start en einddatum van de periode waarop het evaluatieverslag betrekking heeft, alsmede de totale duur van de grondwatersanering;

    • 2.

      wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van water en lucht bij in-situ-technieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten verontreiniging);

    • 3.

      beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie of prognoses;

    • 4.

      wijze van onttrekken en zuiveren van het grondwater;

  • e.

    bemonstering bij grondsanering:

    • 1.

      bespreking van analyseresultaten controlemonsters en de consequenties daarvan;

      • a.

        bespreking analyseresultaten van de depotmonsters, monsters van de afgevoerde grond e.d. en de consequenties daarvan;

      • b.

        bespreking van analyseresultaten van de effluentmonsters (bouwputmaling) in relatie tot de verleende vergunning(en);

      • c.

        certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond en steenachtige bouwmaterialen;

  • f.

    bemonstering bij grondwatersanering:

    • 1.

      bespreking van analyseresultaten van de influentmonsters voor het volgen van het verloop van de sanering;

    • 2.

      bespreking analyseresultaten van de effluentmonsters in relatie tot de verleende vergunning(en);

    • 3.

      bespreking analyseresultaten van de grondwatermonsters uit peilbuizen;

  • g.

    conclusies en aanbevelingen:

    • 1.

      uiteenzetting of is voldaan aan de doelstellingen van de bodemsanering zoals die zijn geformuleerd in het saneringsplan en de beschikking van de instemming;

    • 2.

      omschrijving redenen van eventuele afwijkingen van het saneringsplan;

  • h.

    bijlagen en tabellen bij het evaluatieverslag:

    • 1.

      locatiekaart;

    • 2.

      begrenzing van het saneringsterrein met een uittreksel uit het kadaster;

    • 3.

      verontreinigingsituatie uit het nader onderzoek of saneringsplan;

    • 4.

      ontgraving volgens het saneringsplan;

    • 5.

      kaart met het tijdens de sanering ontgraven gebied met dieptes en talud ingetekend;

    • 6.

      kaart locatie van bemaling en lozingspunt tijdens de grondsanering;

    • 7.

      overzicht het in-situ-maatregelen;

    • 8.

      overzicht grondwateronttrekking (debieten, totale onttrokken hoeveelheid, eventueel de vracht aan onttrokken verontreinigen);

    • 9.

      eventueel grafische weergave van de analyseresultaten, debieten, onttrokken vracht etc.;

    • 10.

      kaart met locatie van onttrekkingssysteem voor grondwatersanering of in-situ-sanering;

    • 11.

      kaart met locaties van genomen bodemmonsters;

    • 12.

      kaart met locaties van peilbuizen met filterstelling;

    • 13.

      grondbalans;

    • 14.

      certificaten met betrekking tot ondergrondse tanks;

    • 15.

      afvoerbewijs van eventueel vrijgekomen chemische afvalstoffen (zoals sludge), inclusief afvalstroomnummers en bestemming;

    • 16.

      analyseresultaten van grond- en grondwatermonsters en toetsing (“nacontrole”);

    • 17.

      analysecertificaten van eventueel aangevoerde grond en toetsing;

    • 18.

      overzicht van de bij de sanering betrokken instanties en bedrijven;

    • 19.

      toetsingstabel en referentiekader;

    • 20.

      kadastrale tekening met eventuele restverontreiniging;

    • 21.

      lijst van klachten tijdens de uitvoering en de afhandeling hiervan;

    • 22.

      lijst van calamiteiten tijdens de uitvoering en de afhandeling hiervan;

  • i.

    overige tekeningen / kaarten:

    • 1.

      ontgravingskaart;

      • a.

        ontgravingsgebieden (diepten);

      • b.

        ontgravingsvoorzieningen (damwanden etc);

      • c.

        ligging tijdelijke voorzieningen;

    • 2.

      grondkaart;

      • a.

        aard en omvang van de restverontreinigingen (grond en grondwater);

      • b.

        kadastrale kaart van restverontreinigingen;

      • c.

        aard en omvang van de gebruiksbeperkingen;

      • d.

        plaats van toepassing van herschikkinggrond;

      • e.

        plaats van toepassing van grond afkomstig buiten de locatie;

    • 3.

      grondwatersaneringskaart;

      • a.

        ligging van voorzieningen (b.v. drains en pompen);

      • b.

        invloed op omgeving en mogelijke effecten (isohypsen);

    • 4.

      kabel- en leidingenkaart.

Bijlage 3 Aanvullende gegevens voor het nazorgplan

  • a.

    overzicht organisatie:

    • 1.

      overzicht betrokken instanties (naam- en adresgegevens contactpersonen), taken en verantwoordelijkheden;

    • 2.

      verantwoordelijkheden (juridisch/organisatorisch/financieel);

    • 3.

      administratieve werkzaamheden;

  • b.

    aanvangssituatie:

    • 1.

      gehalten en plaats (grond/grondwater en locatie) van de restverontreiniging;

    • 2.

      beschrijving locatie en omgeving: geohydrologie, kwetsbare objecten;

  • c.

    maatregelen:

    onderhoud en investering:

    • 1.

      indien de restverontreiniging wordt geïsoleerd:

      • a.

        de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen worden gewaarborgd en gecontroleerd;

      • b.

        de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van de verontreiniging wordt beheerd;

      • c.

        een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik;

      • d.

        de relatie tussen restverontreiniging en eventuele gebruiksbeperkingen;

    • 2.

      indien de restverontreiniging wordt gemonitord:

      • a.

        een monitoringsplan met bemonsteringsfrequentie, geplande activiteiten met actiewaarden, ijkmomenten en verwachtte tijdsduur;

      • b.

        een onderbouwing van dit monitoringsplan middels een inschatting van de te verwachten mobiliteit/verspreiding;

      • c.

        plaats en filterstelling monitoringspeilbuizen;

      • d.

        een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik;

      • e.

        wijze waarop het ruimtegebruik de ontwikkelingen beïnvloedt;

      • f.

        toets of de voorgestelde maatregelen adequaat zijn met het oog op doelstellingen. Een rol hierbij spelen de aard van de maatregelen, de frequentie en de duur.

  • d.

    overig:

    • 1.

      beschrijving welke beperkingen van het terreingebruik noodzakelijk zijn als gevolg van de restverontreiniging of nazorgmaatregelen;

    • 2.

      welke risico’s de nazorg bedreigen;

    • 3.

      een beschrijving van de maatregelen om te zorgen dat de saneringsmaatregelen in stand blijven;

    • 4.

      een beschrijving van de evaluatie van de nazorg;

    • 5.

      hoe wordt gehandeld wanneer de feitelijke situatie afwijkt van de beoogde situatie;

    • 6.

      een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten, met vermelding van aanspreekpunt;

    • 7.

      een beschrijving hoe wordt gehandeld wanneer het terreingebruik of de bestemming verandert;

    • 8.

      benodigde vergunningen, meldingen;

    • 9.

      veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten.

1. ALGEMENE TOELICHTING

1.1 Inleiding

De verordening bodemsanering is gewijzigd vanwege de subsidieregeling diffuus lood en de projectmatige aanpak van diffuus lood. Door de wijzigingen zijn de procedures rondom het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen, de saneringsaanpak en de verslaglegging na afloop van de werkzaamheden vereenvoudigd.

Tevens zijn enkele wijzigingen in de verordening gemaakt die betrekking hebben op digitalisering van de werkzaamheden. Zo worden rapportages tegenwoordig digitaal aangeleverd en worden meldingen via de website van Zaanstad gedaan. In de oude verordening was nog sprake van aanlevering van de melding op papier met rapportages in viervoud.

Net als de oude verordening biedt de nieuwe verordening de mogelijkheid, om als daartoe geen behoefte of noodzaak toe bestaat, af te zien van de uitgebreide procedure. In dat geval kan de aanvraag naar de algemene regels van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht behandeld worden. Zie hierover meer in punt 1.2 van deze toelichting.

Hoewel er nadere regels worden gesteld aan saneringsplannen, evaluatieverslagen en nazorgplannen, betekent dit niet dat die bij elk geval van ernstige verontreiniging worden toegepast. Om te uitgebreide en belastende regelgeving te voorkomen is er een bepaling opgenomen die de aanvrager van de beschikking de mogelijkheid biedt niet alle in de verordening opgenomen gegevens in te dienen. Zo kunnen kleinere en eenvoudigere projecten snel worden afgehandeld zonder dat de aanvrager veel aanvullende gegevens zou moeten verzamelen. Voor nader uitleg over de toepassingsmogelijkheden van deze bepaling zie toelichting bij artikel 4.

1.2 Verkorte procedure

Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat de in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van de procedure geen behoefte bestaat. Een dergelijk besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling waartegen op grond van artikel 6:3 Algemene wet bestuursrecht in beginsel geen bezwaar of beroep open staat.

Algemeen uitgangspunt voor de toepassing van de verkorte procedure is dat er geen zienswijzen van belanghebbenden te verwachten zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval als er geen andere belanghebbenden bij het perceel betrokken zijn, dan wel dat zij niet in hun belangen worden geschaad en de locatie niet in een beschermd gebied ligt. Omdat dit het geval is bij de aanpak volgens de subsidieregeling diffuus lood en de projectmatige aanpak van diffuus lood wordt in die gevallen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet toegepast.

2. TOELICHTING PER ARTIKEL

Artikel 1 Begripsbepalingen

Hierin zijn enkele begrippen opgenomen die niet als zodanig in de wet zijn gedefinieerd, maar wel in de parlementaire stukken en in de literatuur zo worden genoemd.

Artikel 2 Procedurele bepalingen

In dit artikel wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaard op de beschikkingen vaststelling ernst en spoedeisendheid en instemming saneringsplan. Het volgen van deze regeling verzekert inspraakmogelijkheid voor belanghebbenden vóór het nemen van een beschikking.

De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure voorziet in:

  • -

    terinzagelegging van het stuk naar aanleiding waarvan de beschikking wordt gegeven (het onderzoeksrapport of de melding bedoeld in artikel 28, eerste lid, Wbb);

  • -

    een kennisgeving hiervan in het Zaanstad Journaal;

  • -

    de mogelijkheid voor belanghebbenden om ter zake zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

Op grond van het derde lid kan het college afzien van een uniforme openbare voorbereidingsprocedure voor de genoemde beschikkingen. In dat geval wordt de zogenaamde verkorte procedure gevolgd, zie hierover punt 1.2 van de Algemene toelichting.

Bij de beschikkingen instemming evaluatieverslag en nazorgplan lijkt het overbodig om de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Het is immers niet te verwachten dat veel belanghebbenden zienswijzen zouden indienen met betrekking tot het verslag over de loop van de saneringswerkzaamheden en de te nemen nazorgmaatregelen. In die gevallen krijgt de snelle afhandeling van de aanvraag de voorkeur.

Ook voor aanvragen van een beschikking in het geval het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de subsidieregeling diffuus lood of de projectmatige aanpak diffuus lood lijkt het overbodig de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen, omdat het niet wordt verwacht dat belanghebbenden zienswijzen zouden indienen over de bodemkwaliteit en het aanbrengen van een tijdelijke beveiligingsmaatregelen of een laag van een halve meter schone grond.

Artikel 3 Wijze van melden

Hierin wordt verwezen naar de digitale meldingsformulieren op de website van de gemeente Zaanstad.

Artikel 4 het saneringsplan

Deze bepaling is van toepassing op de in artikel 39, eerste lid, van de wet bedoelde saneringsplannen, die moeten worden ingediend indien sprake is van een voornemen tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging of tot het verrichten van handelingen waardoor die verontreiniging wordt verminderd of verplaatst. In dit saneringsplan dienen naast de wettelijke vereisten ook de in bijlage 2 bij deze verordening vermelde gegevens te worden opgenomen. Zowel bij de beoordeling van saneringsplannen van derden als bij het opstellen van eigen saneringsplannen zal de gemeente de in Bijlage 2 opgenomen eisen in acht nemen.

De functie van het saneringsplan is dat het college zich een goed oordeel kan vormen over de aard en omvang van de verontreiniging, over de voorgenomen maatregelen en kan toetsen of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd.

  • -

    lid 3: In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is te voldoen aan de eisen die in de wet en de gemeentelijke verordening ten aanzien van het saneringsplan worden gesteld. Tevens zijn de nadere eisen uit de verordening niet altijd relevant. Daarom is in het derde lid een bepaling opgenomen om indiening van de aanvullende gegevens achterwege mogen laten. Deze bepaling betreft alleen de gemeentelijke uitwerkingsbevoegdheid op basis van artikel 39, eerste lid, laatste volzin, van de Wbb. Van de wettelijke eisen in artikel 39, eerste lid, kan niet worden afgeweken.

Het gaat in feite om een tweetal situaties. Ten eerste kunnen wettelijk gegevens vereist zijn, die in het geval in kwestie feitelijk irrelevant zijn of waarvan de gegevens eenvoudigweg niet aanwezig zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien geen grondontgraving plaatsvindt, maar alleen een grondwatersanering, of indien geen ontgraving plaatsvindt maar isolatie geschiedt door het plaatsen van een gebouw. In dergelijke situaties worden alleen die gegevens geleverd, waarvan in redelijkheid kan worden gesteld dat deze ook geleverd kunnen worden.

Ten tweede kan zich de situatie voordoen waarin de verstrekking van bepaalde gegevens de indiener van het saneringsplan niet zinvol voorkomt of het verzamelen van de gevraagde gegevens disproportioneel is in verhouding tot het belang dat met de sanering is gediend. In dergelijke gevallen kan de indiener een motivering opstellen waarom hij afwijkt van de eisen.

Ontbreekt een motivering of is de motivering niet voldoende, dan kan een termijn worden gesteld (op grond van artikel 29, derde lid, van de wet, dan wel artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht) waarbinnen de ontbrekende gegevens alsnog moeten worden verstrekt.

Artikel 5 Melding wijziging saneringsplan

Artikel 39, vierde lid, van de wet schrijft voor dat wijziging van het reeds door het college goedgekeurde saneringsplan dient te worden gemeld. Tevens opent de wet de mogelijkheid voor de raad om nadere gegevens te eisen bij deze melding.

Het college kan naar aanleiding van die melding aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering. Indien het college van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken, heeft het een goed inzicht nodig in de geplande wijzigingen en wat deze wijzigingen voor het resultaat van de sanering en daardoor voor de bodemkwaliteit betekenen. Daarom worden in dit artikel nadere gegevens vereist die het precieze inzicht voor het college kunnen verschaffen.

Artikel 6 Melding start en einde sanering

De melding voor aanvang sanering biedt de mogelijkheid om effectiever toezicht op de sanering te organiseren. Indien de datum van de aanvang van de saneringswerkzaamheden bekend is, zijn inspecteurs beter in staat om het juiste moment te kiezen voor het houden van inspectie.

De bepaling van lid 2 strekt tevens ter vergemakkelijking van handhaving. Indien de datum van de beëindiging van de saneringswerkzaamheden bekend is, kan ook de termijn voor het indienen van het evaluatieverslag vastgesteld worden.

Het eindpunt van de beëindiging van de saneringswerkzaamheden wordt in de beschikking instemming saneringsplan opgenomen. Dit wordt bepaald op grond van het ingediende saneringsplan. De saneringswerkzaamheden worden in hoofdregel geacht beëindigd te zijn indien het grondwerk klaar is en het terrein geruimd is (de laatste vrachtwagen het terrein heeft verlaten) dan wel de leeflaag is aangebracht. In overige situaties waarop deze omschrijving niet van toepassing is (bij voorbeeld als een betonnen vloer wordt aangebracht of als er grondwatersanering plaats vindt) wordt het eindpunt van de sanering op grond van de omschrijving van de werkzaamheden in het saneringsplan bepaald.

Artikel 7 Het evaluatieverslag

Het evaluatieverslag geeft het college inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het verslag kan het college beslissen dat de sanering naar behoren is afgerond dan wel dat aanvullende saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

  • -

    lid 1 De Wbb stelt geen concrete termijn voor het indienen van het evaluatieverslag. Artikel 39c, eerste lid van de wet bepaalt alleen dat het verslag “zo spoedig mogelijk” na de uitvoering van de sanering ingediend wordt. Om meer duidelijkheid voor de saneerders en voor de toezichthouders te scheppen, is besloten de formulering te concretiseren. Daarom is een termijn van vijftien weken in de verordening opgenomen.

Indien bij overschrijding van de termijn gehandhaafd wordt, moet de termijn in overeenstemming gebracht worden met de wettelijk bepaling van “zo spoedig mogelijk”. Dit betekent dat de inspecteurs na moeten gaan of de termijn van vijftien weken in redelijkheid voldoende was voor de saneerder om een verslag op te stellen. Indien het blijkt dat de saneerder in redelijkheid binnen vijftien weken het verslag had kunnen opstellen, kan gehandhaafd worden op overtreding van artikel 39c, lid 1 van de wet. Hierbij wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de termijn in de verordening geen zelfstandige normstelling inhoudt; het dient alleen ter concretisering van de wettelijke bepaling. Daarom moet op schending van de Wbb gehandhaafd worden.

De opname van een concrete indieningstermijn betekent ook dat niet gehandhaafd kan worden als de termijn nog niet is verstreken, ondanks dat naar het oordeel van het bevoegd gezag de saneerder al eerder zijn verslag had kunnen indienen. Dan brengt het rechtszekerheidsbeginsel met zich mee dat het college zich aan de termijn in de verordening houdt.

  • -

    lid 2: Artikel 39c van de Wbb houdt een opsomming in van gegevens die in het verslag in ieder geval vermeld staan. In lid 3 van dat artikel is de bevoegdheid aan de raad gedelegeerd om nadere regels te stellen ten aanzien van het verslag.

De ervaring leert dat de eisen van de wet minimaal zijn, en in de meeste gevallen onvoldoende beeld geven van de uitgevoerde sanering. Verdere gegevens, precies aangegeven op plattegronden en/of kaarten, zijn daarom onontbeerlijk.

  • -

    lid 3: Voor toelichting over de toepassing van het derde lid, zie de uitleg bij het derde lid van artikel 4.

  • -

    lid 4: De benodigde informatie om te kunnen beoordelen of het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen is uitgevoerd volgens de eisen van de ‘subsidieregeling diffuus lood’, is veel beperkter dan de informatie die nodig is om een volledige sanering te kunnen beoordelen. Daarom kan het verslag sneller worden ingediend dan aangegeven in lid 1 en hoeft niet de informatie te worden aangeleverd zoals aangegeven in lid 2 en 3.

Artikel 8 Het nazorgplan

Het bevoegd gezag mag slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen voldoende zijn om er voor te zorgen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot kwaliteitsvermindering van de bodem.

  • -

    lid 1: Net als bij het evaluatieverslag, stelt de Wbb ook geen concrete indieningstermijn voor het nazorgplan. Artikel 39d, lid 1 van de wet bepaalt dat het plan tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van het evaluatieverslag ingediend moet worden.

Voor het nazorgplan lijkt het praktisch een concrete termijn van zes weken op te nemen. Voor toelichting op de handhaafbaarheid van deze bepaling zie de uitleg bij Artikel 7, lid 1.

  • -

    lid 2: Aangezien artikel 39d van de wet minimale eisen stelt aan het nazorgplan, is het nodig een nadere aanvulling te geven aan die wettelijke vereisten zodat het bevoegd gezag de bovenvermelde beoordeling op de juiste wijze kan maken. Om die reden zijn concrete (en praktische) gegevens in de verordening opgenomen die het bevoegd gezag een precies beeld kunnen geven over de aard en omvang van de restverontreiniging en over de manier waarop risico’s voor mens, plant of dier beperkt worden.

  • -

    lid 3: Voor toelichting over de toepassing van het derde lid, zie de uitleg bij het derde lid van artikel 4.

Artikel 9 Sanering vanwege het college

Artikel 48 van de wet houdt bijzondere bepalingen in voor saneringen vanwege gedeputeerde staten (i.c. het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad). Het grootste verschil tussen saneringen door overheid en door particulieren - voor zover hier van belang - is dat de procedurele voorschriften met betrekking tot het saneringsplan, evaluatieverslag en nazorgplan, almede de bijhorende instemmingsbeschikkingen niet van toepassing zijn.

In Zaanstad werd echter al onder het regime van de eerste verordening bodemsanering (uit 2001) besloten dat ook voor saneringen in eigen beheer de gewone procedure geldt. De achterliggende gedachte was dat de overheid als opdrachtgever gelijk behandeld dient te worden met de ‘gewone’ saneerder en geen voorrechten dient te hebben.

Om het gelijkheidsbeginsel en het recht van belanghebbenden op inspraak te handhaven wordt daarom de huidige praktijk voortgezet dat voor saneringen uitgevoerd door het college ook een saneringsplan opgesteld dient te worden en dat voorbereiding van het instemmingsbesluit via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure loopt.

Artikel 10 Strafbaarstelling

In dit artikel worden bepalingen genoemd die als strafbaar feit worden aangeduid om strafrechtelijk gehandhaafd te kunnen worden. De bevoegdheid om strafbaar te stellen wordt ontleend aan de artikelen 154 jo 147 van de Gemeentewet.

Naast bestuursrechtelijke handhaving is er ook behoefte gebleken aan strafrechtelijk optreden. De preventieve werking van strafrechtelijke sancties dient als praktische en noodzakelijke aanvulling op de mogelijkheid tot het geven van een bestuurlijke last onder dwangsom of het toepassen van bestuursdwang.

Artikel 11 Toezicht op de naleving

In deze bepaling is geregeld dat degenen die toezichthoudende bevoegdheden hebben krachtens artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ook toezichthouder en opsporingsbevoegd zijn voor de strafbare feiten volgens de Wbb.

Artikel 14 Overgangsbepaling

De wijzigingen in deze verordening hebben vooral betrekking op de ‘subsidieregeling diffuus lood’ en de ‘projectmatige aanpak van diffuus lood’. Beide worden pas in gang gezet na het in werking treden van deze verordening. Andere wijzigingen zorgen ervoor dat de verordening in lijn komt met de gangbare praktijk. Bijvoorbeeld het digitaal indienen van meldingen, waar deze voorheen in viervoud op papier moesten worden gedaan.