Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Uitvoeringsregeling met betrekking tot de heffing en invordering van lozingsrecht Zaanstad
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Uitvoeringsregeling met betrekking tot de heffing en invordering van lozingsrecht Zaanstad

Artikel 1 Algemene bepaling

  • 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en het betreffende artikel in de vigerende verordening lozingsrecht van de gemeente Zaanstad op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en de invordering van het lozingsrecht.

  • 2. Voor de toepassing van deze regeling worden rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.

  • 3. De op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen bedoeld in artikel 233 van de Gemeentewet, worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder de aanslag of de voorlopige aanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde bedrag. Artikel 2 blijft bij de op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen buiten toepassing.

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze uitvoeringsregeling wordt:

  • 1.

    onder meetvoorzieningen verstaan: watermeter(s), bedrijfsurenteller(s) of op grond van enige andere wettelijke bepalingen toegestane meetinstallatie(s);

  • 2.

    onder gesloten meetsysteem verstaan: meetsysteem dat de hoeveelheid (afval-)water meet in een gesloten leiding of gesloten drukleiding, waarbij het (afval-)water niet in contact staat met de buitenlucht;

  • 3.

    onder een open meetsysteem verstaan: meetsysteem waarbij het (afval-)water niet in contact staat met de buitenlucht;

  • 4.

    onder aftrek verstaan: het in een productieproces verdampt of opgenomen (afval-)water.

Artikel 3 Aangifte en eigendom

  • 1. De belastingplichtige voor het lozingsrecht aan wie niet binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van die zes maanden bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet.

  • 2. Als formulier van het aangiftebiljet lozingsrecht wordt vastgesteld het formulier dat in overeenstemming is met het op 18 december 2001 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde model.

  • 3. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden ingevuld. Het aangiftebiljet wordt ondertekend en met de daarbij gevraagde bescheiden ingeleverd of toegezonden.

  • 4. Degene die ten behoeve van enig werk incidenteel in het gemeenteriool loost is verplicht bij aanvang van het uit te voeren werk of lozing een aangiftebiljet aan te vragen bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar.

  • 5. Een ieder die in de loop van het heffingsjaar wordt aangesloten op het gemeenteriool dient via een aangiftebiljet de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar hiervan op de hoogte te stellen.

  • 6. In het geval dat een eigendom of de eigendommen worden gebruikt door meerdere gebruikers en de toelevering van water via één watermeter geschiedt kan degene die gedeelte(-n) van het of de eigendom(-men) in gebruik heeft gegeven als belastingplichtige worden aangemerkt; degene die het of de eigendom(-men) ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene(-n) aan wie de eigendommen ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 4 De wijze van meting

  • 1. Het bepalen van de hoeveelheid (afval-)water geschiedt door meting van de hoeveelheid toegeleverd water en de hoeveelheid onttrokken oppervlaktewater en bronwater.

  • 2. De meting vindt plaats door gebruik van meetvoorzieningen.

  • 3. Meetvoorzieningen dienen in goede staat te verkeren, regelmatig te worden schoongemaakt en moeten altijd goed en veilig toegankelijk zijn. De meetvoorzieningen moeten overeenkomstig de voorschriften van de leverancier geïnstalleerd en onderhouden worden.

  • 4. Een afvalwaterstroom kan in een open of en gesloten meetsysteem worden gemeten.

  • 5. Bij een open meetsysteem moet een meetput of een meetgoot worden toegepast.

  • 6. Als de hoeveelheid geloosd (afval-)water door een gekeurde en goed functionerende meetvoorzienig bij het lozen op het gemeenteriool wordt bemeten dan kan bij aangifte worden volstaan met opgave hiervan.

  • 7. De gemeente Zaanstad kan omtrent de te gebruiken meetvoorziening(-en) nadere eisen stellen.

Artikel 5 Aantal kubieke meters afvalwater en aftrek

  • 1. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt.

    Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.

  • 2. Indien door de aangifteplichtige bij de aangifte een aftrek hanteert, wordt gesteld dat deze pas wordt gehonoreerd als de aftrek wordt aangetoond door middel van meetvoorzieningen of een adequaat bijgehouden boekhouding of op andere wijze aannemelijk gemaakt wordt waarom de aftrek is gerechtvaardigd en dat aan de voorschriften gesteld in artikel 3 wordt voldaan.

  • 3. Een aftrek wordt niet gehonoreerd als zij betrekking heeft op de eerste 300 m3 of minder geloosd koelwater, afvalwater of faecale stoffen. Er wordt immers in de verordening Lozingsrecht bepaald dat voor elk eigendom er voor de eerste 300 m3 of minder geloosd koelwater, afvalwater of faecale stoffen er één tarief per eigendom wordt gehanteerd. Tenzij er in geheel geen afvalwater in het gemeenteriool wordt geloosd.

Artikel 6 Vrijstelling koelwater onttrokken uit het oppervlaktewater

De hoeveelheid oppervlaktewater welke ten behoeve van de koeling van een productieproces uit het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater wordt onttrokken en ook zonder vervuiling weer wordt terug gebracht in hetzelfde voor de openbare dienst bestemde gemeentewater wordt niet in de heffing betrokken. Wel dient dit in de aangifte duidelijk gespecificeerd te worden. Dit geldt overigens niet voor (grond)water ontrokken uit een bron en wat in het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater wordt geloosd.

Artikel 7 Voorlopige aanslag

  • 1. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

  • 2. De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan: voor het lozingsrecht geschieden op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over, dan wel met betrekking tot het meest recente tijdvak of kalenderjaar, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag.

Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. De “Uitvoeringsregeling Lozingsrecht 2003”, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 22 april 2003, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van inwerkingtreding, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan;

  • 2. De “Uitvoeringsregeling lozingsrecht Zaanstad” treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking;

  • 3. Deze regeling wordt aangehaald als ‘Uitvoeringsregeling lozingsrecht Zaanstad”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 5 februari 2008;

burgemeestermr. G.H.Faber
secretarisdrs. A.J.van den Berg