Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Uitgangspunten brandveiligheidsbeleid bestaande bouw
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Uitgangspuntenbrandveiligheidsbeleid bestaande bouw

Algemene uitgangspunten voor het beleid bestaande gebouwen

Hieronder worden de uitgangspunten met betrekking tot het beleid voor bestaande gebouwen beschreven en toegelicht.

Voor een goed brandveiligheidsbeleid dienen de richtlijnen gesteld in de werkpakketten het uitgangspunt te zijn voordat tot de verstrekking van een gebruiksvergunning overgegaankan worden. Indien er in een bestaande bouwvergunning hogere richtlijnen zijn gesteld aan het brandveiligheidniveau mogen deze richtlijnen niet verlaagd worden. De enige reden om een bestaand brandveiligheidniveau te verlagen is indien een bestaande brandveiligheidsvoorziening boven het nieuwbouwniveau ligt.

1 Brandcompartimentering

Een brandcompartiment is een gedeelte van een of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.

Uitgangspunt voor deze categorie richtlijnen is een combinatie van de eisen voor bestaande bouw en voor nieuwbouw. Het probleem dat zich voordoet bij het volgen van enkel het niveau voor bestaande bouw is de hoogte van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van de brandcompartimenten. Deze is bij bestaande gebouwen 20 minuten. Dat is onvoldoende om de brandweer de kans te geven de brand binnen het brandcompartiment tegen te houden, zodat een verdere branduitbreiding over het gehele gebouw mogelijk is. Het nieuwbouwniveau van 60 minuten lijkt de enige juiste eis gezien het verloop van een brand, maar is verhoudingsgewijs zwaar bij bestaande gebouwen. Om deze reden is gekozen voor een tussenliggend niveau. Dit niveau houdt in dat het brandcompartiment twee keer zo groot mag zijn als bij nieuwbouw maar dat de WBDBO dan 60 minuten moet bedragen (nieuwbouweis). Ook mag gekozen worden voor een brandcompartimentsgrootte van 1000 m2 (nieuwbouweis) waarbij de WBDBO 30 minuten moet bedragen.

Met betrekking tot de aanwezigheid en de WBDBO van een subbrandcompartiment is het nieuwbouwniveau van toepassing. Subbrandcompartimentering heeft namelijk met vluchten te maken. In de bestaande situatie mag er 10 minuten reductie worden gegeven van deze basisrichtlijn indien er een brandmeldinstallatie met volledige bewaking aanwezig is in het gehele brandcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt waarop de reductie wordt gegeven.

Voor het tegengaan van branduitbreiding naar aangrenzende bouwwerken is uitgegaan van het landelijk minimaal vereiste niveau van 20 minuten brandwerendheid. Brandoverslag naar een naast gelegen pand is in dit geval regelmatig niet te voorkomen. Wel kan indien op tijd repressief stralen ingezet worden tussen panden in, brandoverslag waarschijnlijk voorkomen worden.

2 Rookcompartimenten

Een rookcompartiment is een gedeelte van een of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van rook.

Uitgangspunt voor de rookcompartimenten is het niveau voor nieuwbouw, omdat deze richtlijnenalles te maken hebben met een veilige ontvluchting. De zwaarte van deze richtlijnen is afhankelijk van de bezetting van het gebouw. Hoe meer mensen per gebruiksoppervlakte aanwezig kunnen zijn, hoe zwaarder de richtlijnen. Omdat het in een bestaand gebouw niet altijd mogelijk is om de rookcompartimentering aan te passen aan de eisen op het niveau voor nieuwbouw is er een gelijkwaardige veiligheid t.a.v. de loopafstand opgenomen. Deze houdt in dat de loopafstand in een rookcompartiment 1,5 keer de geëiste waarde mag zijn indien er een brandmeldinstallatie is aangebracht in het betreffende rookcompartiment.

3+4 Ontvluchten

Ook hier geldt dat deze richtlijnen direct te maken hebben met een veilige ontvluchting en er dus niet getornd wordt aan het niveau nieuwbouw. Twee uitzonderingen op deze regel zijn toegepast. De uitgangsbreedte en de draairichting van deuren worden berekend conform de nieuwbouweisen. Voor het bepalen van de uitgangsbreedte is echter gekozen uit te gaan van het realistische gebruik. In het verleden hoefde men immers geen bezettingsgraadklasse aan te geven. Dat wil zeggen dat er bij het betreffende pand gekeken wordt naar wat in de praktijk de bezetting is (in aantallen personen). Op basis van deze bezetting worden de richtlijnen ten aanzien voor de uitgangsbreedte bepaald. Ten tweede is de eis voor een vluchttrappenhuis verlaagd. Een trappenhuis is pas een vluchttrappenhuis indien het hoger is dan 12,5 meter. Dit is de hoogte die ook voor een bestaand gebouw gold. De WBDBO van een vluchttrappenhuis moet echter wel 60 minuten bedragen (nieuwbouweis).

Ook hier geldt weer dat omdat het in een bestaand gebouw niet altijd mogelijk is om de loopafstanden aan te passen aan de eisen op het niveau voor nieuwbouw er een gelijkwaardige veiligheid t.a.v. de loopafstand is opgenomen. Deze houdt ook hier in dat de loopafstand in een rookcompartiment 1,5 keer de geëiste waarde mag zijn indien er een brandmeldinstallatie is aangebracht in het betreffende rookcompartiment.

5 Constructies

Voor de constructies is gekozen voor een niveau tussen bestaande bouw en nieuwbouw in. Dit is vanuit het oogmerk van brandbestrijding nog acceptabel. Hulpverleners hebben dan nog de mogelijkheid om een veilige inzet te doen. De constructie van de rookvrije vluchtroute moet op het nieuwbouwniveau liggen. Dit heeft weer te maken met het veilig kunnen ontvluchten.

6 Materialen

Ook voor de materialen is als uitgangspunt gekozen voor het niveau bestaande bouw. Voor wat betreft de materiaalrichtlijnen binnen het gebouw is er, met uitzondering van de binnenzijde van schachten en de rookdichtheid van constructieonderdelen, geen verschil met het niveau nieuwbouw. Om te voldoen aan de nieuwbouweisen voor de schachten is een onevenredige investering en aanpassing noodzakelijk, zodat hier geen nadere richtlijnen aan gesteld worden. De rookdichtheid van de constructieonderdelen heeft te maken met vluchten. Daarom is deze richtlijn wel op het nieuwbouwniveau gesteld.

Het verschil tussen de nieuwbouweisen en richtlijnen voor bestaande gebouwen voor materiaaltoepassingen aan de buitenzijde van het gebouw hebben betrekking op het dak en de gevels. Aan de buitenzijde van het gebouw wordt alleen een eis gesteld aan de materialen indien anders de brandcompartimentering in gevaar komt. Indien bijvoorbeeld de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan13 meter moet er een richtlijn worden gesteld aan de bijdrage tot brandvoortplanting van de gebruikte materialen (nieuwbouwniveau). Deze richtlijn geldt alleen voor een bestaand gebouw indien via de buitenzijde van de gevel de brandcompartimentering gewaarborgd moet worden. De richtlijn voor het brandgevaarlijk zijn van een dak is ook niet van toepassing op een bestaand gebouw tenzij er een brandwerende scheiding door het dak loopt. Aan de eerste 13 meter van de gevel worden geen richtlijnen gesteld aan de gebruikt materialen. Tot 13 meter kan de brand goed worden bestreden door de brandweer.

7 Voorkomen en beperken van ongevallen bij brand

Om in een hoog bestaand gebouw een inzet van de brandweer mogelijk te maken is een brandweerlift vereist.

8 Bestrijden van brand

Een droge blusleiding wordt zowel geëist in een nieuw als in een bestaand gebouw. De uitvoering hiervan wordt gelegd op het niveau van bestaande bouw. Brandslanghaspels zijn noodzakelijk om een beginnende brand zelf te kunnen bestrijden. Deze moeten aanwezig zijn vanaf een bepaalde oppervlakte van het bouwwerk.

9 Brandbeveiligingsinstallaties

De eisen voor brandmeldinstallaties, ontruimingsalarminstallaties vluchtrouteaanduiding en noodverlichting verschillen niet bij nieuwbouw en bestaande bouw. Hiervoor wordt dus gewoon de Bouwverordening aangehouden.

10 Gebruik

Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in een bestaand gebouw of indien de situatie dit vereist (de stof kan bijvoorbeeld niet met water worden geblust) wordt een klein blusmiddel geëist. Zo kan een kleine beginnende brand worden geblust

11 Integrale beoordeling

Een gebruiksvergunning is het product van een integrale beoordeling van de bouwkundige en installatietechnische staat en het gebruik ten aanzien van brandveiligheid. Indien er een kleine afwijking plaatsvindt van de richtlijnen die beschreven worden in de werkpakketten is het van groot belang om goed te onderzoeken of een gelijkwaardige veiligheid kan worden bereikt door een integrale beoordeling van alle aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen uit het Bouwbesluit 2003, de Bouwverordening en de MG2003-19. Een goede afweging van de risico’s is hiervoor noodzakelijk.

Handvatten hiervoor, op basis van de gemeentelijke bouwverordening, zijn:

  • 1.

    Maximaal toelaatbaar aantal personen;

  • 2.

    Aanwezigheid van technische installatie (geen brandmeldinstallatie en ontruimingsalarm) te stellen op basis van de bouwverordening;

  • 3.

    organisatieaspecten;

  • 4.

    het feitelijk gebruik;

  • 5.

    plaats in het gebouw waar de richtlijn geldt (op de begane grond of op een verdieping);

  • 6.

    (in)validiteit van aanwezige personen;

  • 7.

    bekendheid met het gebouw.

Het voorschrijven van de richtlijnen zoals die zijn vastgelegd in de werkpakketten is dus afhankelijk van de specifieke situatie en het specifieke gebruik van een gebouw.

Algemene toelichting voor de uitgangspunten voor het beleid voor bestaande gebouwen

Enige jaren geleden hebben vele gemeenten brandveiligheidsbeleid vastgesteld voor bestaande panden. In de regio is dit gebeurd in de gemeenten Edam-Volendam, Oostzaan, Wormerland en Zaanstad. Hiermee kan de brandveiligheid van bestaande panden welke een extra risico bij brand met zich meebrengen op een minimaal noodzakelijk brandveiligheidsniveau gebracht worden. Het betreft hier de panden waarvoor de rechthebbende op het gebruik een gebruiksvergunning moet bezitten.

In 2003 is er nieuwe Bouwregelgeving vastgesteld, te weten het Bouwbesluit 2003. Bovendien is de Bouwverordening gewijzigd en is de MG 2003-19 als aanvulling op het Bouwbesluit uitgekomen. Het is daarom nodig om het gemeentelijk beleid voor bestaande gebouwen hierop af te stemmen. Dit betreft voornamelijk cosmetische wijzigingen en de herziening van enkele landelijk aangepaste regels.

Daarnaast is per 1 januari 2003 de Regionale Brandweer Zaanstreek-Waterland gevormd. Bij de vorming van deze organisatie is vastgelegd in de Gemeenschappelijke regeling dat de RBZW zorgdraagt voor advisering van de gemeentebesturen op het gebied van de brandpreventie. Tevens is vastgelegd dat de RBZW (preventie-) taken naar omvang en kwaliteit voor alle gemeenten als basispakket gelijkwaardig uitvoert. Bij de bepaling van het kwaliteitsniveau worden daarbij de wettelijke uitgangspunten in acht genomen (hoofdstuk 3 art. 4.3).

Dit heeft ertoe geleid dat direct na de start van de RBZW het Regionale Beleidsoverleg Proactie & Preventie (RBoP&P) is begonnen. Het overleg functioneert tevens als expertiseteam voor het ontwikkelen van regionaal preventie beleid. Het voorliggende beleid en de werkpakketten met uitgangspunten voor de bestaande gebouwen zijn door het expertiseteam akkoord bevonden. Dit heeft geleid tot dit voorstel met betrekking tot de uitgangspunten voor beleid voor bestaande gebouwen.

Totstandkoming minimale niveau brandveiligheid

Het Bouwbesluit kent eisen voor nieuw te bouwen gebouwen en voor bestaande gebouwen. Voordat een gemeente een gebruiksvergunning voor een bouwwerk wil verstrekken wordt aan het Bouwbesluit getoetst of het gebouw aan de eisen voldoet. Het niveau voor bestaande gebouwen, zoals dit in het Bouwbesluit 2003 is beschreven, is echter een economisch niveau en heeft geen enkele relatie met brandveiligheid. De wetgever heeft nooit de intentie gehad om gemeenten dit niveau voor bestaande gebouwen te laten hanteren. Daarom is gemeenten de vrijheid gegeven eigen uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor het niveau van een bestaand gebouw vast te stellen en uit te voeren. Deze uitgangspunten worden momenteel alleen toegepast voor die bouwwerken die ook gebruiksvergunningplichtig zijn.

Het niveau waarop de bouwkundige staat van een bestaand gebouw kan worden getoetst is een niveau dat ligt tussen het ‘bodemniveau’ (het niveau bestaande bouw zoals dit in het Bouwbesluit 2003 wordt omschreven) en het ‘streefniveau’ (de regelgeving zoals die geldt voor nieuwbouw). Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de gevolgen van deze richtlijnen op het gebied van investeringen en technische uitvoering. Indien er sprake is van een eerdere bouwvergunning op het bouwwerk, die al een hoger niveau van brandveiligheid aangaf, dan mag niet onder dit niveau gekomen worden.

Onlangs is de brochure “Vluchten bij brand” verschenen. Deze brochure geeft uitleg over de wijze waarop gemeentelijk brandpreventiebeleid voor bestaande gebouwen vorm gegeven moet worden. Het stellen van brandveiligheidseisen aan bestaande gebouwen moet een integrale afweging zijn van bouwkundige, installatietechnische, gebruikstechnische en organisatorische eisen. Dit betekent altijd dat een juiste afweging tussen deze verschillende aspecten noodzakelijk is en dat er in de werkpakketten wordt gesproken over richtlijnen. Middels een integrale beoordeling van de feitelijke situatie zal een pakket van brandveiligheidseisen per bouwwerk moeten worden vastgesteld. Maatwerk dus.

Voor het ontwikkelen van de voorstellen om tot vaststelling van beleid te komen zijn de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd:

  • 1.

    De aandacht gaat uit naar het zoveel mogelijk voorkomen van slachtoffers bij brand. Niet alleen bij de gebruikers van bouwwerken, maar ook bij brandweerpersoneel tijdens de bestrijding van een brand. Voor het opstellen van richtlijnen die te maken hebben met het voorkomen van slachtoffers wordt zoveel mogelijk uitgegaan van het niveau dat geldt voor nieuwbouw (snelle brandalarmering en veilige vluchtwegen vooral daar waar geslapen wordt of waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn).

  • 2.

    Er zal alleen naar de brandveiligheid van gebouwen gekeken worden die een gebruiksvergunning behoren te bezitten. Dit zijn de bouwwerken welke bij brand een verhoogd risico op slachtoffers hebben. Op deze wijze wordt ook in andere gemeenten invulling gegeven aan de brandveiligheid van bestaande panden. Voor het verkrijgen van de gebruiksvergunning is het noodzakelijk dat minimaal aan het gemeentelijk vastgestelde niveau voldaan wordt. Het spreekt voor zich dat indien in het verleden, middels vergunningen al een hoger niveau noodzakelijk was, dit hogere niveau gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Voor de maximale branduitbreiding binnen een pand mag de oppervlakte tweemaal zo groot zijn als welke bij nieuwbouw wordt geëist. Dit om een brand enigszins beheersbaar te houden en om een binnenaanval, indien deze noodzakelijk is, op een verantwoorde manier mogelijk te maken.

  • 4.

    Voor het tegengaan van branduitbreiding naar de aangrenzende panden toe is uitgegaan van het landelijk minimaal vereiste niveau. Brandoverslag naar een naast gelegen pand is in dit geval regelmatig niet te voorkomen. Wel kan indien op tijd repressief stralen ingezet worden tussen panden in, brandoverslag waarschijnlijk voorkomen worden.

  • 5.

    Deze uitgangspunten haken aan bij dat van andere gemeenten (bijv. Den Haag) en landelijk voorgesteld beleid (Nibra) voor bestaande bouw.

Werkpakketten

De relatie tussen deze uitgangspunten 1 t/m 4 en de regelgeving (Bouwbesluit 2003) wordt uitgebreid in het document algemene uitgangspunten bestaande bouw beschreven.

De uitgangspunten voor beleid voor bestaande gebouwen is, aan de hand van deze algemene uitgangspunten, per gebruiksfunctie omschreven in werkpakketten. De richtlijnen in deze pakketten zijn samengesteld met het voornaamste doel om de brandveiligheid van bestaande ‘risicovolle’ gebouwen te vergroten. Bovendien wordt door het beschrijven van deze uitgangspunten in werkpakketten de eenduidigheid van de richtlijnen voor bestaande gebouwen bevorderd.

Er zijn nog geen uitgangspunten beschreven voor bestaande industriegebouwen met een vuurbelasting van meer dan 120 kg vurehout per vierkante meter. Landelijke richtlijnen (het “groentje” beheersbaarheid van brand) zullen hiervoor het uitgangspunt gaan vormen. Deze landelijke richtlijnen zijn momenteel nog in ontwikkeling.

Bijlagen:

  • -

    Algemene uitgangspunten beleid bestaande bouw.

  • -

    Werkpakket 1.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een gezondheidszorgfunctie.

  • -

    Werkpakket 2.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een kantoorfunctie.

  • -

    Werkpakket 3.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een bijeenkomstfunctie.

  • -

    Werkpakket 4.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een industriefunctie met een maximale vuurbelasting tot 120 kg vurenhout m².

  • -

    Werkpakket 5.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een logiesfunctie.

  • -

    Werkpakket 6.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een onderwijsfunctie.

  • -

    Werkpakket 7.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een sportfunctie.

  • -

    Werkpakket 8.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een winkelfunctie

  • -

    Werkpakket 9.

    Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een woonfunctie

Werkpakket 1

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een gezondheidszorgfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

Gezondheidszorgfunctie= gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling.

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.105 lid 1,6,7,8 en art. 2.106 lid 1,3,7 NB + BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art 2.106 lid 3 NB). Deze laatste richtlijn geldt alleen voor een andere gezondheidszorgfunctie.

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art 2.105 en art 2.112 NB + BB):

  • -

    één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment.;

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel;

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling (MR art. 2.1) aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: minimaal twee brandcompartimenten

Per bouwlaag dient het gebouw (mede bestemd voor aan bed gebonden personen) tenminste in twee brandcompartimenten te worden verdeeld van maximaal 1000m² of 2000m², waarbij de verhouding van de gebruiksoppervlakken tenminste 77%:23% is. (art. 2.112 lid 10)

Richtlijn 1.4: subbrandcompartimenten

Een verblijfsruimte voor aan bed gebonden patiënten ligt in een subbrandcompartiment (art 2.116 lid 3 en 4 NB). Er mag een spleet met een maximale grootte van 0,03 m2 (waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05m) onder de deur zitten (art 2.118 lid 5 NB).

De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment mede bestemd voor aan bed gebonden personen en een andere besloten ruimte dient een WBDBO te bezitten van tenminste 20 minuten. (art 2.123 lid 1 BB)

Onder subbrandcompartiment wordt verstaan een verblijfsruimte voor aan bed gebonden patiënten en ruimten die ten dienste staan van die verblijfsruimten:

  • -

    met een gebruiksoppervlak van maximaal 50m²;

  • -

    met een gebruiksoppervlak van maximaal 500m² met permanente bewaking (intensive-care) (art 2.117 lid 1, 6 NB).

De scheidingsconstructie tussen een subbrandcompartiment mede bestemd voor aan bed gebonden personen en een andere besloten ruimte dient een WBDBO te bezitten van tenminste 30 minuten. (art. 2.118 lid 1,5 NB )

Onder subbrandcompartiment wordt verstaan een verblijfsruimte voor aan bed gebonden patiënten en ruimten die ten dienste staan van die verblijfsruimten:

  • -

    met een gebruiksoppervlak van maximaal 100m²;

  • -

    met een gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² met permanente bewaking (intensive-care) (art 2.121 lid 1 en 2.122 lid 5 BB).

Er kan een 10 minuten reductie van de brandwerendheid van 30 minuten van het subbrandcompartiment worden gegeven indien er een brandmeldinstallatie met volledige bewaking aanwezig is in het gehele brandcompartiment waar de reductie gegeven wordt. Op de brandwerendheid van 20 minuten van het subbrandcompartiment kan geen reductie worden gegeven.

Richtlijn 1.5: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten. (art. 2.106 lid 1 NB)

Richtlijn 1.6: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 en art. 2.119 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten. (art. 2.135 lid 1 NB)

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 en 3 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Uitzondering: bezettingsgraadklasse (B4 - geen bezoekers)

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied resp. verblijfsruimte (niet toegankelijk voor bezoekers) en de dichtstbijzijnde uitgang van een rookcompartiment mag maximaal 30 resp. 45m. bedragen, waarbij geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4m.

Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur. (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB)

3. Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het rookcompartiment en het subbrandcompartiment

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand van de toegang van de verblijfsruimte tot de toegang van het rookcompartiment mag maximaal 15 meter bedragen (art 2.146 lid 16 NB)

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang van een verblijfsruimte is de toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt. Dit geldt niet voor een verblijfsruimte die in een subbrandcompartiment ligt (art 2.146 lid 12 en 13 NB).

Vanaf de toegang van een verblijfsruimte dient via een route die niet voert door een verblijfsruimte, een badruimte, een toiletruimte of een technische ruimte naar de toegang van het rookcompartiment gevlucht te kunnen worden (art. 2.146 lid 12 NB).

Uitzondering:

Vanaf de toegang van een verblijfsruimte mag via een andere verblijfsruimte (mits deze beschikt over 2 toegangen die tenminste voldoen aan art 1.46 lid 12a en b) een toegang worden bereikt, van waaruit de toegang van het rookcompartiment wordt bereikt (art. 2.146 lid 12 NB).

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6: vrije doorgang vanuit een verblijfsruimte en van een verkeersroute

Tenminste één toegang van een verblijfsruimte voor aan bed gebonden patiënten en tenminste één verkeersroute die vanuit een aangrenzend brandcompartiment naar die toegang voert, hebben een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 meter een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen (art 2.146 lid 15 NB).

Richtlijn 3.7 Toegangen van een subbrandcompartiment en een rookcompartiment

Toelichting van de toegang van een subbrandcompartiment in art.2.147, lid 1 en 2 (NB).

Richtlijn 3.8 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art 2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art 2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.9: Gelijkwaardigheid:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

Een besloten ruimte waardoor een verkeersroute voert heeft tussen twee toegangen een loopafstand die niet groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 6 NB)

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Uitzondering :

Het rookcompartiment is geen verblijfsruimte (art 2.156 lid 1).

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ. (art. 2.156 lid 4 en 2.170 lid 1 NB)

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde. (art. 2.156 lid 5 NB). De lengte van de samenvallende vluchtroute mag niet groter zijn dan de in tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 7 NB).

Voor aan bed gebonden patiënten geldt dat de eerste gedeelten van de vluchtroutes kunnen samenvallen indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn. Ook dan mag het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten, die aangewezen is op deze gedeelten, niet groter zijn dan de grenswaarden zoals aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). De lengte van de samenvallende vluchtroute mag niet groter zijn dan 20 meter (art. 2.156 lid 8 NB).

Ter plaatse van tenminste één toegang van een rookcompartiment begint een rookvrije vluchtroute die naar een toegang van een ander brandcompartiment voert. Deze vluchtroute voert niet over een trap (art. 2.156 lid 10 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB)

Richtlijn4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9 m (art. 2.167 lid 1 NB).

Een rookvrije vluchtroute die voert naar een ander brandcompartiment heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,9 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen (art. 2.167 lid 2 NB). Dit artikel geldt alleen voor aan bed gebonden patiënten.

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 en 2. 157 . Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur. (art. 2.168 lid 1 en 2 NB)

Richtlijn 4.8: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie voor aan bed gebonden patiënten *

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 30 minuten indien de hoogste verblijfsvloer lager is gelegen dan 5 meter. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien er verblijfsvloeren zijn gelegen tussen 5 en 13m. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien er verblijfsvloeren zijn gelegen hoger dan 13 m (o.b.v. gemeentelijk beleid).

Richtlijn 5.2: hoofddraagconstuctie voor andere gedeelten in een gezondheidszorggebouw*

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.3: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB)

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Eeen constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB.

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen rookvrije vluchtroute voor aan bed gebonden patiënten

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 2 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1(art. 2.126 lid 3 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoet niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB). Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

Richtlijn 6.7: rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute voor ander gedeelten

Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1(art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1(art. 2.126 lid 5 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoevt niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB). Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

Richtlijn 6.8: rookdichtheid verkeersruimte van toegang subbrandcompartiment tot de toegang van het rookcompartiment

Indien een constructie-onderdeel aan een zijde grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1(art. 2.126 lid 10 NB).

Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een subbrandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het subbrandcompartiment ligt, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1(art. 2.126 lid 10 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn ( art. 2.128 NB). Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden(2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verblijfsgebieden groter dan 60m², 150m², 375m² of 900m² (bij respectievelijk bezettingsklasse B1, B2, B3 en B4), de rookvrije vluchtroutes en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).

8. bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h. (art 2.191 lid 2 en 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of indien de gebruiksfunctie is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer dan twee bouwlagen moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. bouwverordening art 2.6.5).

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een gezondheidszorgfunctie (voor aan bed gebonden patiënten en een andere gezondheidszorgfunctie voor mindere zelfredzame personen) dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (bouwverordening art 2.6.1 en bijlage 10). Indien in een brandcompartiment deze functie voorkomt moet het gehele brandcompartiment zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met volledige bewaking. De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de bouwverordening.

Een bijeenkomstfunctie moet zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met gedeeltelijke bewaking indien het gebruiksoppervlak groter is dan 1000 m2 en indien er meer dan 1 verblijfsruimte is bestemd voor bezoekers (bouwverordening art 2.6.1 en bijlage 10).

Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de hierop uitkomende ruimten dienen te zijn voorzien van rookdetectie. Voor de verblijfsruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geeist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddeln worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 2

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een kantoorfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

Kantoorfunctie= gebruiksfunctie voor administratie

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art 2.106 lid 3 NB).

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art 2.105 en art 2.112 NB + BB):

  • -

    één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art 2.104 lid 1 en art 2.111 lid 1);

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 en 3 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Uitzondering:

bezettingsgraadklasse (B4 - geen bezoekers)

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied resp. verblijfsruimte (niet toegankelijk voor bezoekers) en de dichtstbijzijnde uitgang van een rookcompartiment mag maximaal 30 resp. 45m. bedragen, waarbij geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4m.

Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan een toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

(art. 2.146 lid 12 NB).

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art 2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art 2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art2.148 lid 5 NB).

Een besloten ruimte waardoor een verkeersroute voert heeft tussen twee toegangen een loopafstand die niet groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 6 NB)

Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ. (art 2.170 lid 1 NB)

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB) .

In afwijking van het eerste lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd het zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9 m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies
Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 0 minuten indien de hoogste verblijfsvloer lager is gelegen dan 5 meter. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien er verblijfsvloeren zijn gelegen tussen 5 en 13m. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien er verblijfsvloeren zijn gelegen hoger dan 13 m (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB)

brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Eeen constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verblijfsruimten groter dan 60m², 150m², 375m² of 900m² (bij respectievelijk bezettingsklasse B1, B2, B3 en B4), een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).

8. bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h. (art 2.191 lid 2, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. bouwverordening art 2.6.5 en 2.6.6 lid 1.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de bouwverordening.

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een kantoorfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een niet automatische bewaking of een gedeeltelijke bewaking (bouwverordening art 2.6.1 en bijlage 10) indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 20 en 50 meter resp. de 50 en 70 meter gelegen is. De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de bouwverordening.

Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (bouwverordening art 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).

Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een kantoorfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (bouwverordening art 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (bouwverordening art 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geeist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 3

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een bijeenkomsfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

Bijeenkomstfunctie: gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport.

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen (art 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (art. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouw niveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art 2.106 lid 3 NB)

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art 2.105 lid 1, 4, 6, 7, en 8 NB en art 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 BB):

  • -

    één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute. (art 2.104 lid 1 en art 2.111 lid 1).;

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis van een gebouw, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter boven het meetniveau, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 en 3 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Uitzondering: bezettingsgraadklasse

Niet alle bezettingsgraadklassen kunnen hier worden aangegeven. Indien het gaat om het aanschouwen van sport moet klasse B1 of B2 worden aangegeven. Voor een andere bijeenkomstfunctie kan alleen bezettingsgraadklasse B1, B2 of B3 worden aangegeven.

Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan een toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB). is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar één toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.7: gelijkwaardigheid

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB).

In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd het zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan

worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie*

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB)

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Eeen constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1(art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlak die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 aangegeven is, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).

8. bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt van de vloer van de gebruiksfunctie maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art 2.191 lid 2, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Eis 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de bijeenkomstfunctie (niet bedoeld voor het aanschouwen van sport) op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de bouwverordening.

Eis 9.2: brandmeldinstallatie

Een bijeenkomstfunctie (niet zijnde een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport) dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking indien:

het oppervlak groter is dan 1000 m2 of er meer dan 1 verblijfsruimte bestemd is voor bezoekers, de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 meter en 13 meter gelegen is of er meer dan 1 verblijfsruimte bestemd is voor bezoekers, de hoogste verblijfsvloer tussen de 13 meter en 50 meter gelegen is (o.b.v.Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10).

Een bijeenkomstfunctie (niet zijnde een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport) dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking indien:

het oppervlak groter is dan 5000 m2, de hoogste verblijfsvloer tussen de 50 meter en 70 meter gelegen is (o.b.v.Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10).

De kwaliteit van de brandmeldinstallatie wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de bouwverordening.

Eis 9.3: ruimtebewaking/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (BV art 2.6.2 lid 2). Voor de verblijfsruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).

Eis 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een bijeenkomstfunctie (niet zijnde een bijeenkomstfunctie bedoeld voor het aanschouwen van sport) dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (bouwverordening art 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (bouwverordening art 2.6.9). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht (o.b.v. bouwverordening).

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 4

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een industriefunctie met een maximale vuurbelasting tot 120 kg vurehout/m2

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

industriefunctie:gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden.

Lichte industriefunctie = industriefunctie waar activiteiten plaatsvinden, waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt.

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen (art 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (art. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouw niveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art 2.113 BB).

Onder een brandcompartiment wordt verstaan:

  • -

    één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de richtlijnen van een brand- en rookvrije vluchtroute. (art 2.104 lid 1 en art 2.111 lid 1).;en (tabel 2.103 NB); (art 2.105 lid 1, 4, 6, 7, en 8 NB en art 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 BB);

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van eventueel meerdere gebouwen op hetzelfde perceel

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

  • 6.

    gelijkwaardigheid

Tabel: brandcompartimentering en gelijkwaardigheid brandcompartimentering in een industriefunctie met een maximale vuurbelasting tot 120 kg. vurenhout/m2

Hoogste vloer van een verblijfsgebied Maximaal opp. b.c (1) WBDBO (4) Aanvullende eisen  
< 5 meter 2500 m2 60 minuten    
< 5 meter 2500-5000 m2 60 minuten BMI (2) (volledig in het betreffende brandcompartiment)  
< 5 meter 5000-10.000 m2 60 minuten BMI + RWA (3) (in dat brandcompartiment, volledige BMI niet alleen aansturing voor de RWA)  
> 5 meter 2000 m2 60 minuten    
  • (1)

    brandcompartiment

  • (2)

    brandmeldinstallatie conform de NEN 2535

  • (3)

    rook- en warmte afvoerinstallatie conform de NEN 6093(3)

  • (4)

    (4)weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag conform de NEN 6068

  • (5)

    Indien een bedrijf graag een andere oplossing wil als hierboven beschreven kan het model beheersbaarheid van brand worden toegepast om een gelijkwaardige veiligheid te creëren.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).

Richtlijn 1.5: brandcompartimentering lichte industriefuncties

Voor lichte industriefuncties geldt ook dat niet in een brandcompartiment is gelegen :

  • -

    een lichte industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m², die uitsluitend is bestemd voor de opslag van goederen of materialen, niet zijnde bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen.

  • -

    een lichte industriefunctie, die uitsluitend is bestemd voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m².

(art. 2.104 lid 6 en 7 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB)

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis van een gebouw, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter boven het meetniveau, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB)

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 en 3 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Richtlijn 2.4: hoogteverschil in het rookcompartiment

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is niet groter dan 4m. (art. 2.136 lid 4 NB).

Het bovenstaande geldt niet, indien de bouwlagen met elkaar in open verbinding staan, tenzij de op vloerniveau gemeten open verbinding kleiner of gelijk is aan 25 % van de kleinste vloeroppervlakte van de bouwlagen die binnen de omhullende scheidingsconstructies van het rookcompartiment liggen (art. 2.136 lid 7 NB).

Richtlijn 2.5: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art 2.146 lid 12 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling of waar gewerkt wordt met brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan een toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

(art. 2.146 lid 12 NB).

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar één toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art 2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art 2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB)

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB).

In afwijking van het eerste lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd het zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan

worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB)

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB)

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Eeen constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB)

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand

Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlak die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 aangegeven is, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).

8. Bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels (geldt niet voor een lichte industriefunctie)

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt van de vloer van de gebruiksfunctie maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h. (art 2.191 lid 2, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

Richtlijn 8.3: droge blusleiding lichte industriefunctie

Voor de lichte industriefunctie is alleen richtlijn 8.1 van toepassing.

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie) groter is dan 8000 m2 dan moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. bouwverordening art 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de bouwverordening.

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie) dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie indien :

  • -

    het oppervlak groter is dan 8000 m2 (een handbrandmeldinstallatie conform de NEN 2535)

  • -

    de hoogste verblijfsvloer hoger dan 13 meter gelegen is (een brandmeldinstallatie met gedeeltelijke bewaking conform de NEN 2535) (op basis van gemeentelijk beleid en artikel 2.6.1 van de bouwverordening).

De kwaliteit van de brandmeldinstallatie wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de bouwverordening.

Richtlijn 9.3: ruimtebewaking/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (op basis van bouwverordening art 2.6.2 lid 2). Voor de verblijfsruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).

Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie) dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (bouwverordening art 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (bouwverordening art 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geeist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 5

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een logiesfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

Logiesfunctie: gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen.

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen (art 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (art. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouw niveau is) of 60 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art 2.106 lid 3 NB)

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art 2.105 lid 1, 4, 6, 7, en 8 NB en art 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 BB):

  • -

    één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute. (art 2.104 lid 1, 3 NB en art 2.111 lid 1 BB).;

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: subbrandcomaprtimenten voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw

Een niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een subbrandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid.

Een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt in een subbrandcompartiment.

Een subbrandcompartiment ligt in een brandcompartiment (art. 2.116 1,2 en 3 NB).

Richtlijn 1.5: omvang en WBDBO van het subbrandcompartiment voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw

Een subbrandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan één brandcompartiment.

Een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, omvat in afwijking van artikel 2.105, tweede lid, uitsluitend niet gemeenschappelijke ruimten van niet meer dan één gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie.

Een subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 500 m² (art. 2.117 lid 1,2 en 4 NB).

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een sub-brandcompartiment naar een ruimte in het brandcompartiment, een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw is niet lager dan de in tabel 2.115 aangegeven grenswaarde (art. 2.118 lid 1 NB).

Gelijkwaardigheid:

Er kan een 10 minuten reductie van de brandwerendheid van 30 minuten van het subbrandcompartiment worden gegeven indien er een brandmeldinstallatie met volledige bewaking aanwezig is in het gehele brandcompartiment waar de reductie gegeven wordt.

Richtlijn 1.6: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 en art. 2.119 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB). Een subbrandcompartiment is een rookcompartiment (art 2.136 lid 1 NB). Deze laatste richtlijn geldt alleen voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw.

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis van een gebouw, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter boven het meetniveau, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 en 3 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

Deze richtlijn geldt niet voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Dit leidt tot:

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied, resp. verblijfsruimte, tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment mag maximaal 20 resp. 30m zijn, waarbij geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4m. (art. 2.136 lid 2, 3 en 4 NB). De richtlijn voor overbrugging van het hoogteverschil geldt ook voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Uitzondering: bezettingsgraadklasse

Niet alle bezettingsgraadklassen kunnen hier worden aangegeven. Voor een logiesfunctie is bezettingsgraadklasse B5 uitgesloten.

Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art 2.146 lid 12 en richtlijn 3.6. De definitie voor de toegang zoals beschreven in het twaalfde lid geldt niet voor een verblijfsruimte die in een subbrandcompartiment ligt. Dit geldt alleen voor andere logiesfuncties (art 2.146 lid 13 NB).

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: loopafstanden niet gemeenschappelijke verblijfsruimte

De loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en tenminste één toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment is ten hoogste 15 m (art 2.146 lid 6 NB).

Richtlijn 3.6: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

(art. 2.146 lid 12 NB).

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar één toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking.

Richtlijn 3.7: Toegangen van het subbrandcompartiment

Een sub-brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft tenminste twee toegangen (art 2.147 lid 2 NB).

Richtlijn 3.8 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

De afstand tussen een stookplaats en de verticale projectie van een trap is tenminste 1,5 m (art 2.148 lid 1 NB).

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art 2.148 lid 2 NB) Deze richtlijn geldt niet voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlak van minder dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art 2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art 2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.9:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB). Dit geldt alleen voor een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw met een gebruiksoppervlak van minder dan 500 m2.

In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB).

Onverminderd het zesde lid (hierboven beschreven), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: Hoogteverschil samenvallende vluchtroutes

Het hoogteverschil tussen een vloer van een verblijfsgebied dat is aangewezen op samenvallende vluchtroutes als bedoeld in het zesde lid van art. 2.156 en het meetniveau, is niet groter dan 12,5 meter (art. 2.156 lid 9 NB). Dit geldt alleen voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 of voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw met een gebruiksoppervalkte van minder dan 500 m2.

Richtlijn 4.6: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.7: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.8: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander beweegbaar constructie- onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.9: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.10: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.11: Loopafstand rookvrije vluchtroute

Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft tussen twee toegangen die in de rookvrije vluchtroute liggen, een loopafstand die niet groter is dan 30 m. Dit geldt niet voor een vluchttrappenhuis (art. 2.172 NB).

Richtlijn 4.12: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan

worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw in combinatie met een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 30 minuten indien geen vloer van een logiesfunctie hoger ligt dan 5 meter boven het meetniveau (o.b.v. gemeentelijk beleid).

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 5 meter en niet hoger dan 13 meter boven het meetniveau (o.b.v. gemeentelijk beleid).

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter boven het meetniveau (o.b.v. gemeentelijk beleid).

Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art 2.9 lid 6 NB).

Bovenstaande richtlijnen gelden niet voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB)

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1 NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht van het, een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen van een rookvrije vluchtroute voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Richtlijn 6.7 rookdichtheid constructieonderdelen van een rookvrije vluchtroute voor een andere logiesfunctie

Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 2 NB).

Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 3 NB).

Richtlijn 6.8: Uitzonderigen

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlak die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 aangegeven is, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).

8. bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt van de vloer van de gebruiksfunctie maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h. (art 2.191 lid 2, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

Uitzondering brandslanghaspels

Indien de logiesfunctie niet in een logiesgebouw is gelegen geldt het bovenstaande alleen indien het gebruiksoppervlak van de logiesfunctie groter is dan 500 m2.

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Eis 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de logiesfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie of een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of indien de totale gebruiksoppervlakte kleiner of gelijk is dan 500 m2 en de logiesfunctie gelegen is in een gebouw dat uit twee of meer bouwlagen bestaat, moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. bouwverordening art 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.7. van de bouwverordening.

Eis 9.2: brandmeldinstallatie

Een logiesfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking indien:

het gebruiksoppervlak groter is dan 250 m2 of de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 5 meter (bouwverordening art 2.6.1 en bijlage 10).

De kwaliteit van de brandmeldinstallatie wordt beschreven in artikel 2.6.4. van de bouwverordening.

Eis 9.3: ruimtebewaking/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (o.b.v. bouwverordening art 2.6.2 lid 2). Voor de verblijfsruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).

Eis 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een logiesfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (bouwverordening art 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (bouwverordening art 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geeist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 6

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een onderwijsfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

onderwijsfunctie= gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 3 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB):

één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1);

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde (art. 2.136 lid 3 NB).

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer (zoals beschreven in richtlijn 9.2).

Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art. 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art. 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art. 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art. 2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd dit zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan

worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie*

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB).

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verblijfsruimten groter dan 60m², 150m² of 375m² (bij respectievelijk bezettingsklasse B1, B2 en B3), een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).

8. Bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een onderwijsfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een niet automatische bewaking of een gedeeltelijke bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10) indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 20 en 50 meter resp. de 50 en 70 meter gelegen is. De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (Bouwverordening art. 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.6 lid 2).

Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een onderwijsfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (Bouwverordening art. 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (Bouwverordening art. 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de Bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 7

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een sportfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

sportfunctie= gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 3 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB):één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1);

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde (art. 2.136 lid 3 NB).

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Richtlijn 2.4: ookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art. 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art. 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art. 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art. 2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB).

In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd dit zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchttoevoer en rookafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan

worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie*

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB).

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en art. 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervalkte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 is aangegeven, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).

8. Bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient er een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Indien het gebruiksoppervlak groter is dan 500 m2 dient er een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1000m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een sportfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een niet automatische bewaking, een gedeeltelijke bewaking of een volledige bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10) indien de hoogste verblijfsvloer resp. tussen de 5 en 13 meter, de 20 en 50 meter en de 50 en 70 meter gelegen is. De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (Bouwverordening art. 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.6 lid 2).

Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een sportfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (Bouwverordening art. 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (Bouwverordening art. 2.6.9). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de Bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 8

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een winkelfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

winkelfunctie= gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten.

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 3 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB):

één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1);

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² of 100m²;

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Gelijkwaardigheid:

Tabel: brandcompartimentering en gelijkwaardigheid brandcompartimentering in een winkelfunctie

Grootte brandcompartiment WBDBO (2) Aanvullende eis Aanvullende eis
1000 m2 30 minuten    
2000 m2 60 minuten    
2000-2500 m2 60 minuten + BMI (3)    
2500 – 4000 m2 60 minuten plus BMI (3) indien < 5 meter Sprinkler indien er woningen boven gelegen zijn Sprinkler indien vloer van de hoogste verblijfsruimte > 5 meter
4000 – 10.000 m2 BMI (3)+ RWA (4) (1 bouwlaag) Sprinkler indien er woningen boven gelegen zijn Sprinkler indien vloer van de hoogste verblijfsruimte > 5 meter
  • (1)

    brandcompartiment

  • (2)

    weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag conform de NEN 6068

  • (3)

    brandmeldinstallatie conform de NEN 2535

  • (4)

    rook- en warmte afvoerinstallatie conform de NEN 6093

  • (5)

    weerstand tegen rookdoorgang

Richtlijn 1.3 brandcompartimentering tussen bestaande winkelfuncties en bestaande woonfuncties

Indien de winkel gelegen is onder een woning of woongebouw en de eis van de bouwvergunning is lager dan 60 minuten dan moet er gekeken worden naar het relatieve oppervlak van de winkel en de woning of het woongebouw.

Dit betekent dat indien:

Oppervlak winkel/2000 + oppervlak woning of woongebouw/1000

  • 1.

    kleiner of gelijk aan 1 dan is 30 minuten WBDBO toegestaan tussen de winkel en de woning(en)

  • 2.

    groter dan 1 dan moet de WBDBO tussen woning en winkel 60 minuten zijn.

Richtlijn 1.4: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.5: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.

De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde (art. 2.136 lid 3 NB).

Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.

Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.146 lid 8 NB).

De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art. 2.146 lid 9 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte

De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art. 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.

Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen

De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art. 2.146 lid 11 NB).

Richtlijn 3.4: loopafstanden gang

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).

Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte

Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt,

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of

  • c.

    is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.

Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.

Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB).

De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.148 lid 3 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 4 NB).

Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art. 2.148 lid 5 NB).

Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:

Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.

4. vluchtroutes
Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB)

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB).

In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd dit zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).

Richtlijn 4.5: status trappenhuis

Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchttoevoer en rookafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: draairichting deur

Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).

Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).

Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).

Gelijkwaardigheid:

Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan

worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.

Richtlijn 4.11 vluchten door een winkel vanuit een woning

Er mag niet door een winkel worden gevlucht vanuit een woning. Een woning moet beschikken over een van brand- een rookvrije vluchtroute met een WBDBO van 30 minuten. Indien het echt onmogelijk is om aan voorstaande eis te voldoen kan worden volstaan met een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het brandcompartiment waardoor gevlucht moet worden. Deze brandmeldinstallatie moet een ontruimingsalarminstallatie aansturen in de woning(en). Het geluid hiervan moet in alle woningen goed hoorbaar zijn (o.b.v. van gemeentelijk beleid).

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie*

De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).

Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB)

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.

De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en art. 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).

Richtlijn 7.3: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.4: noodverlichting

De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervalkte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 is aangegeven, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).

8. Bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient er een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Indien het gebruiksoppervlak groter is dan 500 m2 dient er een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1000m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een winkelfunctie dient in een aantal gevallen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie. Dit wordt beschreven in bijlage 10 van de Bouwverordening (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (Bouwverordening art. 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.6 lid 2).

Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een winkelfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (Bouwverordening art. 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (Bouwverordening art. 2.6.9). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de Bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.

Werkpakket 9

Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een woonfunctie

BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw

NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw

Woonfunctie = gebruiksfunctie voor het wonen

Woongebouw = gebouw of een gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer woonfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes.

NB: deze uitgangspunten zijn niet opgesteld voor woonwagens.

1. Brandcompartimenten
Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).

De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).

Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij een lage vuurbelasting, bij lage gebouwen, indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel en tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 2 en 3 en 4 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).

In een brandcompartiment van een woongebouw liggen uitsluitend woonfuncties (art 2.105 lid 2 NB). Voor andere woonfuncties dan een woonfunctie gelegen in een woongebouw geldt dat in een brandcompartiment ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties van die woonfunctie liggen (art 2.105 lid 3 NB).

Indien een woonfunctie gelegen in een woongebouw is aangewezen op geheel of gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes als bedoeld in artikel 2.157, derde tot en met vijfde lid, liggen in het brandcompartiment waarin die woonfunctie ligt, ten hoogste:

  • a.

    zes woonfuncties of

  • b.

    woonfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 800 m² (art 2.105 lid 3 NB).

Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB):

één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1).;

  • -

    gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB);

  • -

    stookruimte (>130 KW);

  • -

    technische ruimte > 50m² (NB) of 100m² (BB);

  • -

    een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.

Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis

De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).

Richtlijn 1.4: subbrandcompartimenten voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2 gelegen in een woongebouw, voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 gelegen in een woongebouw en voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw

Een niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een subbrandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid.

Een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt in een subbrandcompartiment. Dit lid geldt niet voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw.

Een subbrandcompartiment ligt in een brandcompartiment (art. 2.116 1,2 en 4 NB).

Richtlijn 1.5: omvang en WBDBO van het subbrandcompartiment voor een woonfunctie gelegen in een woongebouw

Een subbrandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan één brandcompartiment.

Een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, omvat in afwijking van artikel 2.105, tweede lid, uitsluitend niet gemeenschappelijke ruimten van niet meer dan één gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie. Dit lid geldt niet voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw.

Een subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 500 m² (art. 2.117 lid 1,2 en 3 NB).

Het bovenstaande geldt niet voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw.

Een subbrandcompartiment waarin een verblijfsruimte ligt, omvat uitsluitend:

  • a.

    een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 40 m², of

  • b.

    die verblijfsruimte, indien de vloeroppervlakte van die verblijfsruimte groter is dan 40 m².

(art. 2.117 lid 4 NB

Het bovenstaande lid geldt alleen voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw en voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw

Een gemeenschappelijk verblijfsgebied is een subbrandcompartiment.

Dit lid geldt alleen een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2 gelegen in een woongebouw voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw.

(art. 2.117 lid 5 NB)

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een sub-brandcompartiment naar een ruimte in het brandcompartiment, een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw is niet lager dan de in tabel 2.115 aangegeven grenswaarde (art. 2.118 lid 1 NB).

In afwijking van het eerste lid, is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een subbrandcompartiment naar een ruimte als bedoeld in het eerste lid, die in dezelfde woonfunctie ligt, niet lager dan 30 minuten (art. 2.118 lid 2 NB). Dit lid geldt niet voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2 gelegen in een woongebouw

In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien:

  • a.

    de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het subbrandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m² en

  • b.

    in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau

(art. 2.118 lid 3 NB).

In afwijking van het eerste lid, kan tussen een subbrandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute loopt zijn volstaan met 30 minuten (art. 2.118 lid 4 NB).

Gelijkwaardigheid:

Er kan een 10 minuten reductie van de brandwerendheid van 30 minuten van het subbrandcompartiment worden gegeven indien er een brandmeldinstallatie met volledige bewaking, zonder doormelding naar de brandweer, aanwezig is in het gehele brandcompartiment waar de reductie gegeven wordt.

Richtlijn 1.6: zelfsluitendheid

In een inwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107). Deze eis geldt niet voor de deur van een subbrandcompartiment.

2. Rookcompartimenten
Richtlijn 2.1: rookcompartiment

Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).

Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).

Richtlijn 2.3: rookwerendheid scheidingsconstructies

De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende constructie-ondrdeel (art. 2.137 en 2.138 lid 1 NB).

Deze zelfsluitendheid geldt niet voor een toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw (2.138 lid 2 NB).

3. Vluchten binnen een rookcompartiment
Richtlijn 3.1: loopafstanden niet gemeenschappelijke verblijfsruimte

De loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, is ten hoogste 15 m (art 2.146 lid 6 NB).

Een toegang als bedoeld in het bovenstaande lid, van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte, is een toegang van een brandcompartiment of een subbrandcompartiment, of ter plaatse van die toegang begint een route naar de toegang van een brandcompartiment of een subbrandcompartiment. Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555 (art 2.146 lid 7 NB).

Richtlijn 3.2: loopafstanden in een verblijfsgebied en verblijfsruimte voor een woonfunctie gelegen in een woongebouw

De loopafstand tussen een punt in een gemeenschappelijk verblijfsgebied en ten minste een toegang van het subbrandcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is ten hoogste 20 m. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, dat in het verblijfsgebied ligt, buiten beschouwing gelaten (art 2.146 lid 1 NB).

De loopafstand tussen een punt in een gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste één toegang van het subbrandcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is ten hoogste 30 m (art 2.146 lid 2 NB).

Richtlijn 3.3: toegang gemeenschappelijke verblijfsruimte

Ten minste één toegang als bedoeld in het tweede lid, van een gemeenschappelijke verblijfsruimte is een toegang van het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, of bij ten minste één toegang begint een route die uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten naar een toegang van dat subbrandcompartiment voert.

De toegang van die verblijfsruimte mag de toegang van een andere verblijfsruimte zijn, op voorwaarde dat die ruimte ten minste twee toegangen heeft waarbij een route begint die uitsluitend door verkeersruimten naar een toegang van het subbrandcompartiment voert (art 2.146 lid 4 NB).

Richtlijn 3.4: twee toegangen in een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van meer dan 500 m2 niet gelegen in een woongebouw

Een verblijfsgebied of een verblijfsruimte heeft tenminste twee toegangen, indien:

  • a.

    in die ruimte geen opstelplaats voor een kooktoestel ligt en de vloeroppervlakte van dat gebied groter is dan 75 m2, of

  • b.

    in die ruimte een opstelplaats voor een kooktoestel ligt en de vloeroppervlakte van dat gebied groter is dan 25 m2 (art 2.146 lid 3 NB).

Richtlijn 3.5: uitzondering

Het eerste, het tweede en het derde lid gelden niet voor een gemeenschappelijk verblijfsgebied dat in een subbrandcompartiment ligt met een gebruiksoppervlakte van minder dan 500 m² (art 2.146 lid 5 NB).

Richtlijn 3.6: twee toegangen voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van meer dan 500 m2

Een verblijfsgebied of een verblijfsruimte heeft ten minste twee toegangen, indien:

  • a.

    in die ruimte geen opstelplaats voor een kooktoestel ligt en de vloeroppervlakte van dat gebied groter is dan 75 m², of

  • b.

    in die ruimte een opstelplaats voor een kooktoestel ligt en de vloeroppervlakte van dat gebied groter is dan 25 m²

(art 2.146 lid 3 NB).

Indien meerdere uitgangen noodzakelijk zijn, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 14 NB).

Richtlijn 3.7: toegangen subbrandcompartiment (dit geldt niet voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een woongebouw)

Een toegang van een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.146 (richtlijn 3.2), eerste en tweede lid:

  • a.

    is een toegang van het rookcompartiment waarin dat subbrandcompartiment ligt, of

  • b.

    is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert.

Een sub-brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² heeft ten minste twee toegangen (art. 2.147 NB).

Richtlijn 3.8: afstand stookplaats en trap

De afstand tussen een stookplaats en de verticale projectie van een trap is ten minste 1,5 m (art. 2.148 lid 1 NB).

Richtlijn 3.9 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment

Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB). Deze richtlijn geldt niet voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een woongebouw

4. Vluchtroutes

Richtlijn 4.1: loopsloten

Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).

Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment

Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).

Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis

Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).

Richtlijn 4.4: één vluchtroute

Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).

Indien het rookcompartiment een technische ruimte is, kunnen, in afwijking van het eerste lid, de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes over een lengte van niet meer dan 8 m samenvallen (art. 2.156 lid 4 NB).

Richtlijn 4.5: vluchten uit een subbrandcompartiment
  • 1.

    Ter plaatse van een toegang van een subbrandcompartiment beginnen ten minste twee rookvrije vluchtroutes die nergens samenvallen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute, indien het subbrandcompartiment meer dan een toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, kunnen de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander subbrandcompartiment grenst.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:

    • a.

      het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst,

    • b.

      de toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere subbrandcompartiment recht tegenover elkaar liggen en

    • c.

      het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:

    • a.

      de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m², geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m²,

    • b.

      op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of

    • c.

      dat trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is.

(art 2.157 NB)

Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute

Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).

Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden

De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).

Richtlijn 4.8: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.

Richtlijn 4.9: vluchttrappenhuis

Een vluchttrappenhuis, anders dan een veiligheidstrappenhuis is niet rechtstreeks bereikbaar vanuit een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een toiletruimte, een liftschacht of een technische ruimte, tenzij het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting en de som van de netto-vloeroppervlakten van dat vluchttrappenhuis, de besloten ruimte, de toiletruimte, de liftschacht en de technische ruimte per bouwlaag ten hoogste 3500 MJ is. Dit geldt niet voor een trappenhuis dat voldoet aan artikel 2.157, vijfde lid (art. 2.169 NB).

Richtlijn 4.10: draairichting deur

Een deur tussen een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, en een vluchttrappenhuis draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 1 NB).

Richtlijn 4.11: loopafstand

Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft tussen twee toegangen die in de rookvrije vluchtroute liggen, een loopafstand die niet groter is dan 30 m. Dit geldt niet voor een vluchttrappenhuis (art. 2.172 NB).

5. Constructies

* brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.

Richtlijn 5.1: vluchtmogelijkheden *

De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB).

Richtlijn 5.2: hoofddraagconstructie*

Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.9.1

hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten
indien geen vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau 30
indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau 60
indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 90

In afwijking van hetgeen hierboven staat, wordt de in tabel 2.9.1 aangegeven tijdsduur met 30 minuten bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m² en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau (art. 2.9 lid 2 en 3 o.b.v. gemeentelijk beleid).

6. Materialen
Richtlijn 6.1: stookplaats

Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).

Richtlijn 6.2: rookafvoer

De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).

Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak

Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).

Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak

Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB), heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).

Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is (conform de NEN 6069).

De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).

Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel

Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).

Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute voor een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een woongebouw

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB)

Richtlijn 6.7 rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute voor een andere woonfunctie

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 2 NB).

Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 3 NB).

Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).

5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB)

7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
Richtlijn 7.1: brandweerlift in een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2

Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).

Richtlijn 7.2: brandweerlift in een woonfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2 gelegen in een woongebouw voor de huisvesting van minder zelfredzame personen en een andere woonfunctie met een gebruiksoppervlak van meer dan 500 m2

Een woonfunctie met een lift heeft een al dan niet gemeenschappelijke brandweerlift (art. 2.184 lid 2 NB).

Richtlijn 7.3: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment

De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 45 m. bedragen (art. 2.185 lid 1 NB).

Richtlijn 7.4: Luchtafvoer

Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).

Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden

Richtlijn 7.5: noodverlichting

De verlichtingsinstallatie van de liftkooi is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 4 NB).

Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).

Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).

8. Bestrijden van brand
Richtlijn 8.1: droge blusleiding

Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).

Richtlijn 8.2: brandslanghaspels

Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).

Een woonfunctie gelegen in een woongebouw voor minder zelfredzame personen heeft altijd een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 3 NB).

Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).

9. Brandbeveiligingsinstallaties
Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie

Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie

Een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10) indien het gebruiksoppervlak groter is dan 500 m2.

Een woonfunctie gelegen in en woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10).

Een woonfunctie gelegen in en woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen zonder permanent toezicht dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een gedeeltelijke bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10).

De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.

Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes

De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (Bouwverordening art. 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.6 lid 2).

Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding

Een woonfunctie gelegen in een woongebouw dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (Bouwverordening art. 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (Bouwverordening art. 2.6.9). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de Bouwverordening

10. Gebruik
Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen

Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening)

11. Gelijkwaardigheid

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).

12. Wijziging regelgeving

Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.

Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.