Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Subsidieregeling geharmoniseerde voorschoolse voorzieningen Zaanstad 2015-2018
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zaanstad.

Subsidieregeling geharmoniseerde voorschoolse voorzieningen Zaanstad 2015 - 2018

Artikel 1 Begripsbepalingen

Brede voorschoolse voorziening Een voorziening voor alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar van werkende en niet werkende ouders in de gemeente Zaanstad waar opvang, ontwikkelingsstimulering en samen spelen centraal staan, waarbij kinderen die het nodig hebben, extra ondersteuning wordt geboden om een achterstand te voorkomen of in te lopen. De voorziening is gevestigd in of nabij een basisschool.
Centrum Jong  Het Centrum voor jeugd en gezin in Zaandam, waar het consultatiebureau deel van uitmaakt.
Consultatiebureau Het consultatiebureau verzorgt de medische basiszorg en preventieve gezondheidszorg voor alle kinderen van 0 tot 4 jaar.
Convenant Harmonisatie Stedelijke convenant Harmonisatie voorschoolse educatie 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2018 deel I, getekend op 1 mei 2015.
Doelgroepkinderen Door het college gedefinieerde groep kinderen van 2,5- 4 jaar die in aanmerking komen voor deelname aan een voorschools VVE-programma, op indicatie van een door het college aan te wijzen instantie.
IKC / BKC Integraal Kindcentrum / Breed Kindcentrum. Een netwerk voor kinderen en hun ouders dat bestaat uit verschillende basisvoorzieningen waaronder in, ieder geval onderwijs voorschoolse educatie, opvang en welzijn. Doorgaande lijnen in educatie, ontwikkeling en opvang en zorg zijn kenmerken van de samenwerking
Kinderdagverblijf Een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in een brede voorschoolse voorziening.
Kinderopvangaanbieder Houder van één of meerdere kinderdagverblijven en peuterspeelzalen in een brede voorschoolse voorziening, ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) en die voldoet aan de vereisten uit de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en de hier uit voortvloeiende regelgeving.
Ouderbetrokkenheid  Betrokkenheid van ouders bij de opvang en het onderwijs van hun eigen kind, thuis (bijv. voorlezen en samen spelen) en op school (bijv. rapport- en voortgangsbesprekingen voeren met de leerkracht).
Ouderbijdrage Financiële vergoeding die de ouder(s)/verzorger(s) moeten betalen voor de deelname van hun kind aan een peuter- of VVE-plaats of een kinderopvangplaats
Ouderbijdragentabel Een door de gemeente opgesteld overzicht van de financiële bijdrage die ouders/verzorgers, die geen recht hebben op de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst, moeten betalen voor een gesubsidieerd peuter- of VVE-plaats. De bijdrage wordt afgestemd op het verzamelinkomen van het gezin.
Pedagogisch (beleids)plan  Schriftelijke weergave van beleid waarin de brede voorschoolse voorzieningen aangeven hoe het opvoedkundig handelen binnen de eigen organisatie en de samenwerking met het onderwijs en andere ketenpartners gestalte krijgt.
Peuterplaats Een reguliere peuterplaats in een brede voorschoolse voorziening voor peuters van 2,5 tot 4 jaar waarvan ouders geen beroep kunnen doen op een bijdrage aan de bekostiging van de opvang vanuit de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Voorschoolse educatie De door het college gesubsidieerde educatieve activiteiten in een brede voorschoolse voorziening, waaronder in ieder geval VVE. De educatie richt zich op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar.
VVE Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) conform een VVE-programma voor peuters van 2,5 tot 4 jaar.
VVE-beleidsgroep Overlegorgaan voor de VVE-ontwikkeling met als participanten: de gemeente Zaanstad, de GGD, VVE-coördinatoren vanuit de schoolbesturen, de kinderopvangaanbieders die de VVE uitvoeren in Zaanstad.
VVE-plaats  Een peuterplaats voor doelgroepkinderen. Deze peuters volgen gedurende een vol jaar een traject van 4 dagdelen een VVE-programma.
VVE-programma Een programma voor voorschoolse educatie gericht op vier ontwikkelingsdomeinen dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut.
Wet OKE Wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie uit 2010. De wet heeft tot doel de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren, de kwaliteitseisen van de peuterspeelzalen te verbeteren en het aanbieden van een breder en beter aanbod van voorschoolse educatie (harmonisatie).
Wet Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 2 Doel van de regeling

Met het toekennen van subsidies in het kader van deze regeling wordt beoogd:

  • a.

    een doorlopende leerlijn van 0 tot 13 jaar;

  • b.

    het bevorderen van gelijke ontwikkelingskansen voor alle kinderen tot 4 jaar;

  • c.

    te voorkomen dat kinderen met een (onderwijs)achterstand aan het basisonderwijs beginnen;

  • d.

    het versterken van de sociale en educatieve infrastructuur van de buurt door het stimuleren van brede voorschoolse voorzieningen als onderdeel van een IKC/BKC;

  • e.

    dat alle gesubsidieerde peuterplaatsen en VVE-plaatsen onderdeel zijn van een brede voorschoolse voorziening.

Artikel 3 Reikwijdte regeling

Deze regeling is van toepassing op geldelijke bedragen van het college voor peuter- en VVE-plaatsen voor de kinderen die ingeschreven staan in Zaanstad.

Artikel 4 Bevoegdheden college

  • 1. Het college stelt jaarlijks voor 1 oktober de normtarieven voor het volgende kalenderjaar vast voor peuter- en VVE-plaatsen, op basis van een berekening door een onafhankelijk bureau en na overleg met de betrokken uitvoerende kinderopvangaanbieders.

  • 2. Het college stelt jaarlijks voor 1 oktober de ouderbijdragentabel vast voor een gesubsidieerd peuter- of VVE-plaats die door de kinderopvangaanbieders het volgende jaar toegepast moet worden.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen in de vorm van voorwaarden en verplichtingen betreffende de uitvoering van peuter- en VVE-plaatsen en voor de erkenning, kwaliteit, inrichting en de ontwikkeling van brede voorschoolse voorzieningen.

Artikel 5 Te subsidiëren activiteiten

Het realiseren van peuterplaatsen en VVE plaatsen in een brede voorschoolse voorziening.

Artikel 6 Aanvraag

  • 1. Een subsidie voor het realiseren van peuterplaatsen of VVE-plaatsen in een brede voorschoolse voorziening kan aangevraagd worden door een kinderopvangaanbieder.

  • 2. De aanvraag bevat de naam en het adres van de subsidieaanvrager, de locatie waar de opvang plaatsvindt, de periode waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, de wijze waarop de opvang is vermeld in het LRKP met het bijbehorende registratienummer en het bankrekeningnummer van aanvrager;

  • 3. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a.

      bij de aanvraag peuterplaatsen, het aantal peuterplaatsen dat de aanvrager in de brede voorschoolse voorziening verwacht te realiseren op subsidiejaar;

    • b.

      bij de aanvraag VVE plaatsen, het aantal VVE-plaatsen dat de aanvrager in de brede voorschoolse voorziening voor doelgroepkinderen verwacht te realiseren op jaarbasis;

    • c.

      de afspraken met het IKC/BKC waarmee samengewerkt wordt in het kader van de doorlopende leerlijn;

    • d.

      de afspraken over de samenwerking met het Centrum Jong;

    • e.

      een beschrijving van de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de ouderbetrokkenheid;

    • f.

      het pedagogisch (beleids)plan van de brede (voor)schoolse voorziening;

    • g.

      een de-minimisverklaring (om te toetsen of aanvrager voldoet aan de eisen en voorwaarden van het toepasselijk staatssteunkader);

    • h.

      een begroting waaruit blijkt:

      • ·

        het bedrag van de aanvraag, totaal en verdeeld over het aantalpeuterplaatsen en VVE-plaatsen waarvoor subsidie wordt gevraagd met in de toelichting de opbouw en motivering van de aantallen en bedragen;

      • ·

        het aantal kindplaatsen dat wordt bezet door peuters van ouders met een fiscale regeling voor kinderopvang;

      • ·

        de openstelling, het aantal groepen en de bezetting voor elke locatie.

  • 4. De aanvrager beschikt over onderliggende gegevens en kan deze indien gewenst, binnen een redelijke termijn beschikbaar stellen aan de gemeente. Het gaat daarbij om:

    • a.

      een door de ouder(s) ondertekende aanvraag waarin vermeld staan de naam en adres en bsn-nummer van de ouder(s);

    • b.

      indien van toepassing: de naam en het bsn-nummer van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder, het adres van de partner. De aanvraag is dan ook mede ondertekend door de partner;

    • c.

      naam en bsn-nummer en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • d.

      inkomensgegevens van de ouder(s) en, indien van toepassing, van de partner waarmee de ouderbijdrage wordt bepaald. De ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze regeling geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. Voor de inkomensgegevens dient een kopie van de definitieve aangifte van de inkomstenbelasting van het voorgaande jaar of een recente aanslag inkomstenbelasting van de belastingdienst te worden overlegd.

    • e.

      de wijze waarop de ouderbijdragentabel is toegepast;

    • f.

      een plaatsingsovereenkomst van de kinderopvangaanbieder dat de opvang gaat verzorgen waarin wordt aangegeven: de naam en adres van de brede voorschoolse voorziening waar de opvang plaatsvindt, de soort opvang, het aantal uren opvang per kind, de kostprijs per uur, de aanvangsdatum en (verwachte) einddatum van de opvang;

    • g.

      indien het gaat om VVE-plaats een bewijs van indicatiestelling voor VVE door het consultatiebureau of een andere door het college daartoe aangewezen organisatie met daarin een opgave van de geldigheidsduur.

  • 5. In aanvulling op lid 3 en 4 kan het college overige gegevens opvragen die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag.

  • 6. Het college kan bepalen dat de subsidieaanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 7. Het college kan bepalen dat bij een vervolgaanvraag de gegevens bedoeld onder lid 3 sub c, d, en e niet opnieuw hoeven te worden overgelegd.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

  • 1. Een aanvraag om een subsidie voor de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 december 2015 wordt bij voorkeur voor 15 augustus ingediend en uiterlijk voor 1 september 2015.

  • 2. Een aanvraag voor een subsidie voor de overige kalenderjaren (2016, 2017 en 2018), wordt ingediend uiterlijk 1 september voorafgaand van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 8 Subsidiecriteria peuterplaatsen

De subsidie wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria:

  • a.

    de inrichting, samenstelling en begeleiding van de groep waarin de peuterplaatsen worden gerealiseerd, voldoen aan alle wettelijke verplichtingen en aan de eisen van de Belastingdienst ten aanzien van het toekennen van een toeslag voor werkende ouders;

  • b.

    de brede voorschoolse voorziening beschikt over een beleidsplan waarbij naast aandacht voor pedagogische kwaliteit er aandacht is voor ouderbetrokkenheid, de doorlopende leerlijn in het IKC en BKC en de samenwerking met instellingen op het terrein van de zorg voor jeugd;

  • c.

    de peuterplaatsen waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden gerealiseerd binnen één locatie waar kinderen van werkende en niet werkende ouders gezamenlijk opgevangen worden en een ontwikkelingsgericht aanbod krijgen;

  • d.

    de brede voorschoolse voorziening handelt in voorkomende gevallen volgens de meldcode kindermishandeling;

  • e.

    De kinderopvangaanbieders van de voorschoolse educatie treffen met de ouders de regeling dat:

    • -

      voor niet-werkende: de eigen bijdrage conform de ouderbijdragetabel voor twee van de vier dagdelen (6 uur) vervalt en wordt niet in rekening gebracht bij de ouders:

    • -

      voor werkende ouders: twee van de vier dagdelen VVE geen beroep hoeven te doen op de Wet, waardoor voor hen de wettelijke eigen bijdrage voor deze twee dagdelen (6 uren) komt te vervallen.

Artikel 9 Subsidiecriteria VVE-plaatsen

De subsidie wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria:

  • a.

    de inrichting, samenstelling en begeleiding van de VVE-plaatsen voldoet aan alle wettelijke verplichtingen en aan de eisen van de Belastingdienst ten aanzien van het toekennen van een toeslag voor de groep van werkende ouders;

  • b.

    de kinderopvangaanbieder dient bij de uitvoering van het VVE-programma samen te werken met een IKC of BKC in een brede voorschoolse voorziening in het kader van de doorgaande ontwikkelingslijn;

  • c.

    Er wordt gewerkt met een door de VVE beleidsgroep erkende VVE-programma, bij voorkeur Piramide; ;

  • d.

    de uitvoerende kinderopvangaanbieder subsidieaanvrager komt alle door de VVE-beleidsgroep gemaakte afspraken na over toeleiding, overdacht en doorverwijzing;

  • e.

    de uitvoerende kinderopvangaanbieder is vertegenwoordigd in of maakt deel uit van de VVE-beleidsgroep;

  • f.

    de uitvoerende kinderopvangaanbieder voldoet aan de meldcode kindermishandeling;

  • g.

    de uitvoerende kinderopvangaanbieder heeft een actieve rol bij de werving van doelgroepkinderen VVE en het voorkomen van wachtlijsten;

  • h.

    voor VVE-plaatsen voor kinderen van ouders die voldoen aan de criteria uit de Wet wordt maximaal voor 6 uur subsidie verleend;

  • i.

    de subsidieaanvrager heeft afspraken over de zorgstructuur jeugd met het Centrum Jong.

  • j.

    De kinderopvangaanbieders van de voorschoolse educatie treffen met de ouders de regeling dat:

    • -

      voor niet-werkende: de eigen bijdrage conform de ouderbijdragetabel voor twee van de vier dagdelen (6 uur) vervalt en wordt niet in rekening gebracht bij de ouders:

    • -

      voor werkende ouders: twee van de vier dagdelen VVE geen beroep hoeven te doen op de Wet, waardoor voor hen de wettelijke eigen bijdrage voor deze twee dagdelen (6 uren) komt te vervallen.

Artikel 10 Subsidiebedrag Peuterplaatsen

Bij het berekenen van het subsidiebedrag voor peuterplaatsen wordt uitgegaan van 2 dagdelen van 3 uur gedurende 40 weken per jaar, zijnde 240 uur per jaar.

Artikel 11 Subsidiebedrag VVE plaatsen

Bij het berekenen van het subsidiebedrag voor een VVE plaats wordt uitgegaan van 4 dagdelen van 3 uur (12 uur) per week, waarvan effectief minimaal 10 uur wordt besteed aan het VVE-programma gedurende 40 weken per jaar, zijnde 480 uur per jaar.

Artikel 12 Subsidiebedragen

  • 1. Het subsidiebedrag per peuterplaats en per VVE-plaats ingevuld door een kind van niet-werkende ouders bedraagt het in het Convenant Harmonisatie vastgestelde uurtarief minus de inkomensafhankelijke ouderbijdrage die jaarlijks door het college wordt vastgesteld.

  • 2. Het subsidiebedrag per peuterplaats en per VVE-plaats ingevuld door een kind van werkende ouders bedraagt het in het Convenant Harmonisatie vastgestelde uurtarief minus de inkomensafhankelijke ouderbijdrage die jaarlijks door het college wordt vastgesteld.

  • 3. De kosten voor de uitvoering van de VVE-programma’s betreffende VVE-materialen voor de inrichting van nieuwe locaties en VVE-scholing worden door de gemeente kostprijsdekkend vergoed aan de uitvoerende kinderopvangorganisatie.

  • 4. Het subsidiebedrag per peuterplaats (max. 2 dagdelen van 3 uur) en VVE plaats (max. 4 dagdelen van 3 uur bedraagt voor de duur van het Convenant Harmonisatie, van 2015 t/m 2018, € 8,37 per uur dat een kind deelneemt aan de voorschoolse educatie.

  • 5. Voor de jaren 2017 en 2018 wordt het subsidiebedrag voorafgaand aan het nieuwe jaar door een onafhankelijk bureau berekend.

Artikel 13 Weigeringsgronden

Naast de in artikel 9 van de Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 genoemde weigeringsgronden wordt de subsidie niet verleend indien:

  • a.

    Niet voldaan is aan de eisen en criteria genoemd in deze regeling;

  • b.

    Het subsidieplafond is bereikt.

  • c.

    De subsidie in strijd is met Europese regels in het kader van staatssteun.

Artikel 14 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger dient een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2. De aanvraag bevat naast de genoemde bepalingen in artikel 13, 14 en 15 van de Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 een registratie van het aantal gerealiseerde peuterplaatsen en/of VVE-plaatsen in de brede voorschoolse voorziening.

  • 3. De subsidieontvanger maakt in de verantwoording inzichtelijk dat er sprake is van een volledig gescheiden financiële administratie van publieke en private middelen.

Artikel 15 Subsidievaststelling

De vaststelling van de subsidie voor peuter- en/of VVE-plaatsen vindt plaats op grond van het aantal bezette kindplaatsen en het werkelijk gemiddelde gezinsinkomen van de ouder(s) wiens/wier kind een kindplaats heeft bezet.

Artikel 16 Verdeling van middelen

Indien gelijktijdig meerdere subsidieaanvragen worden ontvangen, en verstrekking vanmeerdere subsidies zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond, krijgenaanvragen van kinderopvangorganisaties met de meeste doelgroepkinderen voorrang.

Artikel 17 Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, afwijken van het bepaalde in deze regeling, indien een strikte toepassing daarvan zal leiden tot een onevenredige behandeling van de aanvrager of subsidieontvanger.

Artikel 18 Onvoorziene gevallen

In de gevallen waarin in deze regeling niet voorziet beslist het college.

Artikel 19 Slotbepalingen

  • 1.

    De subsidieregeling treedt in werking op 1 augustus 2015 en eindigt op 31 december 2018.

  • 2.

    De “Beleidsregels subsidie geharmoniseerde voorschoolse voorzieningen” vastgesteld op 15 mei 2012, wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze subsidieregeling ingetrokken.

  • 3.

    Deze regeling kan worden aangehaald als: “Subsidieregels subsidie geharmoniseerde voorschoolse voorzieningen”.

Algemene toelichting Subsidieregeling geharmoniseerde voorschoolsevoorzieningen Zaanstad 2015 – 2018

De gemeente Zaanstad heeft als beleid dat alle kinderen in haar stad de best mogelijke kansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen. De eerste vier levensjaren blijken cruciaal in de ontwikkeling van een kind. Vroeg erbij zijn is een vereiste bij het bieden van gelijke kansen voor ontwikkeling van talent.

VVE-programma’s sluiten goed aan op het stimuleren van een vroegtijdige ontwikkeling. Deze programma’s werken intensief met specifieke methodes gericht op het terugdringen van taalachterstand. De VVE-programma’s starten in de voorschoolse educatie en lopen door tot in de eerste twee groepen van de basisschool.

De gemeente Zaanstad werkt op het terrein van voorschoolse educatie nauw samen met schoolbesturen in het primair onderwijs en de kinderopvang-aanbieders, die partner zijn van deze schoolbesturen in de brede voorschoolse voorzieningen.

De doelen bij deze samenwerking zijn onder meer de verdere versterking van de kwaliteit van en het bereik met de voorschoolse educatie.

De samenwerking tussen deze partijen is op 1 mei vastgelegd in het convenant Harmonisatie voorschoolse educatie Deel I. Het convenant is het sluitstuk van het proces van harmonisatie van de voorschoolse educatie, nadat de gemeenteraad op 1 december 2010 instemde met de visie en koers.

Met de harmonisatie vervalt het onderscheid tussen kinderdagverblijven in en peuterspeelzalen. Deze gaan op in één voorziening die zo tevens meer doelgroepkinderen voor VVE kunnen bereiken, programmatisch beter aansluiten op het onderwijs en door de gemengde samenstelling segregatie tegengaan.

De schoolbesturen en kinderopvangaanbieders zijn verantwoordelijk voor de doorlopende leerlijn. De gemeente is regievoerder voor de voorschoolse educatie en verantwoordelijk voor de facilitering. De harmonisatie in Zaanstad moet bijdragen aan de volgende afspraken voortvloeiend uit het bestuursakkoord 2012-2015 tussen rijk, VNG en PO-raad over VVE.

  • 1.

    een dekkend aanbod van VVE in de stad;

  • 2.

    betere doorlopende leer- en ontwikkelingslijnen tussen voorschoolse educatie en het basisonderwijs door betere samenwerking in Integrale Kindcentra onder regie van het onderwijs;

  • 3.

    afspraken over meetbare resultaten van de harmonisatie met de schoolbesturen als inhoudelijke regievoerder voor doorlopende leerlijnen;

  • 4.

    het verbeteren van de kwaliteit van de voorschoolse educatie zodat deze volledig voldoet aan de voorwaarden van de Wet OKE.

De belangrijkste parameters voor het succes van de resultaatafspraken zijn de toename van het aantal VVE-doelgroepkinderen dat deelneemt aan een VVE-programma, de kwaliteit van de voorschoolse educatie en het aantal kinderen dat zonder achterstand begint aan de basisschool. Om meer doelgroep-kinderen aan VVE-programma’s te laten deelnemen worden de ouders van VVE-doelgroepkinderen financieel tegemoet gekomen als hun kind deelneemt aan een VVE-programma in een brede voorschoolse voorziening. De kosten voor deze extra VVE-uren worden door de gemeente gesubsidieerd aan de kinderopvangaanbieders en betaald uit de Rijksbijdrage voor onderwijsachterstandenbeleid / VVE.

De harmonisatie en afspraken uit het convenant moeten tevens leiden tot een verdere versterking van de sociale infrastructuur in wijken. Zo worden alle voorschoolse voorzieningen onderdeel van Integrale Kindcentra of Brede Kindcentra die per wijk meer maatwerk leveren. Verder wordt het partnerschap rondom de school versterkt door een gedeelde visie op de ontwikkeling van kinderen en gezinnen in de wijk. Het uitgangspunt blijft dat educatieve voorzieningen dichtbij huis, in de natuurlijke opgroeiomgeving van het kind, en dicht bij andere passende voorzieningen liggen.

Om de met de harmonisatie ingezette veranderingen mogelijk te maken en te waarborgen is het nodig de beleidsregels voor de subsidiering van de voorschoolse educatie aan te passen. In de nieuwe subsidieregeling zijn de gewijzigde gemeentelijke grondslagen voor de subsidiëring van peuterplaatsen en VVE-plaatsen beschreven en worden de gemeentelijke doelstellingen en kwaliteitscriteria voor de voorschoolse educatie gewaarborgd.