Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Regeling voor het opleggen van bestuurlijke boete in de gemeentelijke belastingen Zaanstad
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling bestuurlijke boete Zaanstad

Artikel 1 Reikwijdte

  • 1. De regeling voor het opleggen van bestuurlijke boete in de gemeentelijke belastingen bevat beleidsregels voor het opleggen van boete bij de heffing van gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing is.

  • 2. Het bepaalde in deze regeling is van toepassing met betrekking tot aangiftebelastingen, die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na 1 januari 2013.

Artikel 2 Aangifteplicht

Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, kan de heffingsambtenaar degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is, uitnodigen tot het doen van aangifte. Worden door de belastingwet aangelegenheden van een derde aangemerkt als aangelegenheden van hem die vermoedelijk belastingplichtig is, dan kan de heffingsambtenaar ook die derde uitnodigen tot het doen van aangifte (Hoofdstuk II AWR).

Artikel 3 Gelijktijdigheid

Als een bestuurlijke boete gelijktijdig met een belastingaanslag wordt opgelegd dan worden belastingaanslag en bestuurlijke boete afzonderlijk op één aanslagbiljet vermeld.

Artikel 4 Verzuimboete

De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Bij afwezigheid van alle schuld legt de heffingsambtenaar geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, vernietigt de heffingsambtenaar de boetebeschikking. Op belanghebbende rust de bewijslast om afwezigheid van alle schuld aan te tonen. De heffingsambtenaar zal op verzoek of – indien daartoe aanleiding is - ambtshalve degene aan wie de boete is opgelegd, horen.

Artikel 5 Inhoud verzuim

  • 1. Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven, wordt geen onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde en volgend verzuim.

  • 2. In geval van een verzuim wordt een boete van 25% van het bedrag van aanslag opgelegd.

  • 3. De verzuimboete zal minimaal € 25,00 bedragen en maximaal € 4.920,- (artikel 67a AWR).

Artikel 6 Bekendmaking en citeertitel

  • 1. De "Regeling voor het opleggen van bestuurlijke boete in de gemeentelijke belastingen" van 18 december 2007 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van inwerkingtreding, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan;

  • 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking;

  • 3. Deze regeling wordt aangehaald als: "Regeling bestuurlijke boete Zaanstad".

Artikel 7 Bekendmaking

De "Regeling voor het opleggen van bestuurlijke boete in de gemeentelijke belastingen Zaanstad" zal worden bekendgemaakt door het plaatsen van deze regeling in het Gemeenteblad. Daarnaast zal de tekst van deze regeling worden geplaatst op de website van de gemeente.

Toelichting

1. Algemeen

Het opleggen van boeten is met name mogelijk bij gemeentelijke heffingen die op basis van door de belastingplichtige verstrekte gegevens of aangiften worden geheven, zoals binnenhavengeld, hondenbelasting, toeristenbelasting en de rioolheffing grootverbruik.

Een uitzondering geldt voor de parkeerbelastingen. Deze heffing wordt weliswaar bij wege van voldoening op aangifte geheven, maar in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is de mogelijkheid tot het opleggen van boeten uitgesloten.

Een andere uitzondering betreft de waardebeschikking. De boetebepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zijn buiten toepassing gelaten in de Wet waardering onroerende zaken. Het is dus bijvoorbeeld niet mogelijk een boete op te leggen als een WOZ-beschikking

wordt herzien.

Bij de andere gemeentelijke heffingen kan het instrument functioneren als stok achter de deur, ook als een gemeente in de praktijk nooit een boete oplegt.

Het volgende voorbeeld geeft een indruk van het opleggen van bestuurlijke boeten.

Een gemeente heft hondenbelasting bij wege van aanslag en maakt daarbij gebruik van aangiftebiljetten. Een burger doet niet, ook niet na een aanmaning daartoe, binnen de gestelde termijn aangifte, terwijl hij twee honden heeft. In deze situatie kan een heffingsambtenaar gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag een verzuimboete opleggen wegens het niet tijdig doen van aangifte (artikel 67a, eerste lid van de AWR).

Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de hoogte van de boete te matigen of de al opgelegde boete te verminderen. Tot verzachtende omstandigheden behoren een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op te leggen of opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit, maar buiten de directe invloedssfeer

van de belanghebbende liggen.

Zo is het niet redelijk om bij het bovengenoemde voorbeeld van hondenbelasting de maximale verzuimboete van € 4.920,00 (art. 67a AWR) op te leggen, terwijl het aanslagbedrag per hond per jaar rond de € 70,00 bedraagt. Er dient sprake te zijn van proportionaliteit, dat wil zeggen

evenredigheid tussen normschending en boete. De hondenbezitter heeft weinig invloed op de informatieverstrekking door de gemeenteambtenaar. Een onjuist adres op het aangiftebiljet kan niet aan de hondenbezitter

worden toegerekend.

2. Het boetestelsel

In de wettelijke regeling (artikel 67a tot en met artikel 67q van de AWR) wordt onderscheid gemaakt tussen lichte boeten (verzuimboeten) en zwaardere boeten (vergrijpboeten).

De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Het gaat daarbij in het algemeen om eenvoudig te constateren feiten, zoals geen aangifte doen of het niet betalen van de verschuldigde belasting. Voor het opleggen van een verzuimboete is het voldoende dat aan één of meer van de fiscale verplichtingen niet is voldaan.

Een uitzondering geldt bij afwezigheid van alle schuld. Indien bij bezwaar blijkt dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld, vernietigt de heffingsambtenaar de boete. De belanghebbende dient afwezigheid van alle schuld te stellen en te bewijzen.

Voor verzuimboeten gelden bepaalde maximumbedragen. Een verzuimboete bedraagt ten hoogste € 4.920,- (artikel 67a AWR).

Vergrijpboeten worden opgelegd bij meer ernstige handelingen of nalatigheden, waarbij sprake is van opzet en grove schuld.

Onder opzet wordt mede verstaan voonwaardelijke opzet, dat wil zeggen, het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of geheven kan worden dan wel niet of niet tijdig betaald is.

Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, zoals laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had de belastingplichtige redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag kan leiden tot het heffen of betalen van

te weinig belasting.

De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handeling of nalatigheid waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De heffingsambtenaar dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. Vergrijpboeten kunnen oplopen tot 100% van de te weinig geheven belasting.

Als de heffingsambtenaar een keuze heeft tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete, sluit een eenmaal gemaakte keuze het opleggen nadien van een andere boete voor hetzelfde feit uit. Andersom sluit een eenmaal opgelegde verzuimboete het opleggen van

een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit.

Een vergrijpboete wordt aangemerkt als een daad van strafvervolging en dient te voldoen aan de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Om te voldoen aan dit internationale mensenrechtenverdrag is in de wet een aantal waarborgen opgenomen voor de rechtsbescherming van belastingplichtigen.

Voor de rechtsbescherming van belastingplichtigen zijn de volgende waarborgen in de wet opgenomen:

1. In elk individueel geval waarin tot het opleggen van een boete wordt overgegaan, moet uiterlijk bij het opleggen van de boete mededeling aan de betrokken belastingplichtige worden gedaan van de gronden waarop in dat specifieke geval de oplegging van de boete berust. Volgens de Hoge Raad der Nederlanden is een publicatie van het door het college vastgestelde beleid inzake het opleggen van bestuurlijke boeten niet voldoende.

2. Een belastingplichtige heeft het recht om te zwijgen, indien de heffingsambtenaar jegens hem een handeling verricht waaraan de belastingplichtige de conclusie kan verbinden dat hem een boete zal worden opgelegd (artikel 67j van de AWR). Als sprake is van een mondeling verhoor zal de heffingsambtenaar de belastingplichtige expliciet moeten

wijzen op zijn zwijgrecht (de zogenaamde cautieplicht, geregeld in artikel 671, tweede lid, van de AWR).

3. De heffingsambtenaar is gehouden de gegevens waarop de boete is gebaseerd ter inzage te geven. Ook het maken van bijvoorbeeld kopieën van deze gegevens moet worden toegestaan (artikel 67m van de AWR).

4. Op verzoek van de belastingplichtige kan een tolk worden benoemd die de belastingplichtige tijdens het verhoor bijstaat (artikel 671, derde lid, van de AWR).

5. In het algemeen kan men slechts één (soort) boete opleggen voor hetzelfde feit. In sommige gevallen is het echter wel mogelijk een verzuimboete op te leggen wegens het niet tijdig doen van aangifte en vervolgens een vergrijpboete voor het niet volledig doen van de alsnog gedane aangifte. Er zijn dan twee afzonderlijk omschreven beboetbaar

gestelde gedragingen geconstateerd.

Een voorbeeld bij de heffing van het rioolrecht.

Een bedrijf doet niet binnen de gestelde termijn aangifte en krijgt tegelijk met de aanslag een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Als het bedrijf alsnog aangifte doet, maar daarin onjuiste informatie verstrekt, kan de gemeente daarvoor ook nog een vergrijpboete opleggen.

6. Na overlijden van de belastingplichtige wordt geen boete opgelegd (artikel 67i van de AWR). Een op het tijdstip van overlijden nog niet onherroepelijk vaststaande boete wordt op verzoek van de belanghebbende vernietigd. Indien een boete op het tijdstip van overlijden nog niet volledig is betaald, verlaagt de heffingsambtenaar op verzoek of ambtshalve de boete tot het op dat tijdstip betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare

beschikking.

3. Bezwaar en beroep

Een bestuurlijke boete wordt door de heffingsambtenaar opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. Indien de boete gelijktijdig wordt opgelegd met de aanslag - dat is de hoofdregel- dan moet de boete met de belastingaanslag op het aanslagbiljet worden vermeld. Omdat de

boetebeschikking in beginsel samen met de belastingaanslag wordt opgelegd, wordt een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag geacht mede gericht te zijn tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. De heffingsambtenaar doet ook uitspraak op het bezwaar tegen de boete.

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1 Reikwijdte

De Regeling bestuurlijke boeten gemeentebelastingen Zaanstad 2008 bevat beleidsregels voor het opleggen van bestuurlijke boete bij de heffing van gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten, waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is.

De heffingsambtenaar dient zich bij het opleggen van verzuimboete te houden aan het door het college vastgestelde beleid. De toepassing van de beleidsregels is beperkt tot de gemeentelijke belastingen binnenhavengeld en hondenbelasting, die bij wege van aanslag worden geheven.

Artikel 2 Aangifteplicht

Gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze (artikel 233 Gemeentewet).

Heffing bij wege van aanslag wordt het meest gebruikt bij gemeentelijke belastingen.

De hoogte van de belastingschuld wordt formeel vastgesteld door de gemeenteambtenaar door het vaststellen van een aanslag. Om de belastingschuld correct te kunnen vaststellen, staan de gemeenteambtenaar verschillende hulpmiddelen ter beschikking. Een belangrijk hulpmiddel wordt gevormd door de aangifte. De aangifte is een middel om gegevens en inlichtingen in te winnen. Indien wordt gekozen door het gebruikmaken van de aangifte als hulpmiddel, nodigt de aangewezen gemeenteambtenaar degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is uit tot het doen van aangifte. Ieder die is uitgenodigd aangifte te doen is gehouden dit te doen door de gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te dienen. De aangifte moet in beginsel worden gedaan binnen een termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte, zoals is bedoeld in artikel 9 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Voor deze termijn kan een kortere termijn in de plaats worden gesteld. De gemeenteambtenaar kan eventueel vorderen dat mondeling aangifte wordt gedaan.

Artikel 3 Gelijktijdigheid

Een bestuurlijke boete wordt door de heffingsambtenaar opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. Indien de boete gelijktijdig wordt opgelegd met de aanslag – dat is de hoofdregel – dan moet de boete met de belastingaanslag op het aanslagbiljet worden vermeld. Omdat de boetebeschikking in beginsel tezamen met de belastingaanslag wordt opgelegd, wordt een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag geacht mede gericht te zijn tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. De heffingsambtenaar doet ook uitspraak op het bezwaar tegen de boete. In daartoe aanleiding gevende gevallen kunnen belastingplichtigen met de heffingsambtenaar een compromis (vaststellingsovereenkomst) sluiten.

Artikel 4 Verzuimboete

Bij verzuimboeten gaat het in het algemeen om eenvoudig te constateren feiten. Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving/hoorplicht vooraf. Het ontbreken van de kennisgeving/hoorplicht vooraf bij het opleggen van verzuimboeten is niet in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het EVRM verplicht tot het mededelen van de gronden waarop de boete berust, uiterlijk bij het opleggen van de boete. Aan deze eis wordt bij het opleggen van verzuimboeten voldaan.

Artikel 5 Inhoud verzuim

Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de aanslagbelastingen kan slechts sprake zijn van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een gedane aangifte; de bij de aanslag opgelegde boete blijft een verzuimboete voor het niet doen van aangifte.

Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de belastingheffing bij wege van aanslag, wordt geen onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde en volgend verzuim. Bij recidive wordt geen hogere verzuimboete opgelegd.

Bij aangifteverzuim wordt een boete opgelegd van 25% van het aanslagbedrag.

De verzuimboete zal minimaal € 25,00 bedragen en maximaal € 4.920,00.

Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel

Behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 7 Bekendmaking

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting

Artikel 8 Bekendmaken

Behoeft geen nadere toelichting.