Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Regeling bijdrage excessieve opgravingskosten archeologische monumentenzorg gemeente Zaanstad
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling bijdrage excessieve opgravingskosten archeologische monumentenzorg gemeente Zaanstad

Regeling bijdrage excessieve opgravingkosten archeologische monumentenzorg gemeente Zaanstad

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvrager: indiener van een aanvraag bij de Gemeente Zaanstad voor een bijdrage aan excessieve opgravingskosten in de zin van artikel 42 Monumentenwet 1988.

  • b.

    College: het college van burgemeester en wethouders

  • c.

    Gemeente: gemeente Zaanstad

  • d.

    Opgraving:

    • 1.

      Het verrichten van werkzaamheden in de bodem met als doel het onderzoeken van monumenten, waarbij verstoring van de bodem optreedt met uitzondering van het uitvoeren van boringen of proefsleuven in het kader van een inventariserend veldonderzoek.

    • 2.

      Het conserveren en deponeren van de vondsten van de desbetreffende opgravingen; en

    • 3.

      Het maken van een rapportage over de desbetreffende opgravingen.

  • e.

    Opgravingskosten: de totale kosten van een opgraving zoals genoemd onder artikel 1 sub d.

Artikel 2: Het recht op bijdrage excessieve opgravingskosten

Een aanvrager heeft recht op een bijdrage voor excessieve opgravingskosten wanneer:

  • a.

    Hij een natuurlijk persoon is;

  • b.

    Hij een aanvraag heeft ingediend bij de gemeente voor een sloopvergunning ex artikel 37 eerste lid, Monumentenwet 1988, een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van die wet of een project besluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet of van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet;

  • c.

    Hij niet wist of niet had kunnen weten dat zijn bouwplan ligt in een gebied van archeologische waarde;

  • d.

    Hij geen mogelijkheid heeft om naar een andere bouwlocatie om te zien, zijn bouwplan aan te passen of geen maatregelen kan treffen om de archeologie in de bodem te beschermen;

  • e.

    De opgravingskosten meer bedragen dan 5% van de totale bouwkosten;

  • f.

    De totale oppervlakte van het bouwplan kleiner is dan 120 vierkante meter;

  • g.

    Door de gemeente wordt verplicht om archeologisch onderzoek te doen.

Artikel 3: Aanvraag bijdrage excessieve opgravingskosten

  • 1.

    De aanvraag ‘bijdrage excessieve opgravingskosten’ wordt schriftelijk ingediend bij het college.

  • 2.

    Het verzoek wordt ondertekend en bevat tenminste:

    • a.

      De naam en het adres van de aanvrager;

    • b.

      Een aanduiding van de regeling en een motivatie waarom de aanvrager naar oordeel in aanmerking komt voor een bijdrage excessieve opgravingskosten.

    • c.

      Een eindafrekening van de opgravingskosten en de totale bouwkosten.

  • 3.

    De aanvrager verschaft de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4: Aanvullen gegevens

  • 1.

    Indien er niet of niet voldoende is voldaan aan het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 3 dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen.

  • 2.

    De aanvrager heeft een termijn van vier weken, na verzending van de brief waarin hem op het verzuim is gewezen, om het verzuim te herstellen

Artikel 5: Weigering

De vergoeding van de excessieve opgravingskosten wordt geweigerd:

  • a.

    Indien er niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 2;

  • b.

    De op te graven monumenten naar het oordeel van de gemeente uit een oogpunt van cultuurbehoud van onvoldoende cultuurhistorische waarden zijn;

  • c.

    De op te graven monumenten niet fysiek worden bedreigd;

  • d.

    Wanneer het financiële belang en de - draagkracht van de aanvrager zodanig groot is dat het uitkeren van een schadebedrag onevenredig is.

Artikel 6: Hoogte bijdrage

Op basis van een aanvraag stelt het college gelet op het bepaalde in deze regeling een ‘bijdrage excessieve opgravingskosten’ vast.

Artikel 7: Eigen bijdrage opgravingskosten

De aanvrager is een eigen bijdrage voor archeologie verschuldigd ter hoogte van 5% van de totale bouwkosten.

Artikel 8: Uitbetaling

Indien het college de bijdrage voor de excessieve opgravingskosten vaststelt, vindt uitbetaling plaats op een door de aanvrager aangegeven rekening direct na het onherroepelijk worden van deze beschikking.

Artikel 9: Hardheidclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 10: Slotbepalingen

Deze regeling treedt in werking op de dag na de bekendmaking

Artikel 11: Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als “Regeling bijdrage excessieve opgravingskosten”

Artikel 12: Bekendmaking

Deze regeling zal worden bekendgemaakt door het plaatsen van de regeling in het Gemeenteblad. Tevens zal de tekst van de regeling worden geplaatst op de website van de gemeente.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van:

Bekendgemaakt op 5 oktober 2010 door plaatsing van de regeling in het Gemeenteblad nr. 39.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad

Mr. G.H. Faber, burgemeester

Drs. A.J. van den Berg, secretaris

Toelichting

Algemeen.

Artikel 42 van de Monumentenwet 1988 luidt als volgt:

“Voor zover blijkt dat de aanvrager van een sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 eerste lid, Monumentenwet 1988, een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van die wet of een project besluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet of van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet ten gevolge van de weigering daarvan in het belang van de archeologische monumentenzorg of ten gevolge van voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende besluit zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.”

In de gemeente Zaanstad worden in principe geen vergunningen geweigerd vanwege de aanwezigheid van archeologie in de bodem. Er zullen dus ook geen verzoeken tot schadevergoeding vanwege het weigeren van een vergunning worden ingediend. Deze regeling handelt daarom alleen over die gevallen waarin een aanvrager ten gevolge van voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een (bouw/aanleg e.d.)vergunning zijn verbonden schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven.

Een vergoeding zal niet in alle gevallen worden verleend. Blijkens de parlementaire geschiedenis dient er sprake te zijn van bijzondere omstandigheden, alvorens een verzoek om schadevergoeding op grond van dit artikel wordt gehonoreerd. De minister denkt met name aan de excessieve kosten van opgravingen, indien blijkt dat het treffen van maatregelen om de bodemschatten in de bodem te houden niet volstaat. Of kosten als excessief kunnen worden aangemerkt zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. De minister heeft in dit kader opgemerkt dat zulks sterk afhankelijk is van – onder meer – het (financiële) belang van de aanvrager, diens draagkracht, en de mogelijkheden om naar een andere locatie om te zien. Het ligt voor de hand dat beleid wordt ontwikkeld, zoals ook door de minister is opgemerkt.

Ter uitwerking van artikel 42 Monumentenwet 1988 is door het college de “Regeling bijdrage excessieve opgravingskosten archeologische monumentenzorg gemeente Zaanstad” opgesteld. Deze (nadeelcompensatie) regeling maakt onderdeel uit van de vastgesteld Archeologienota Zaanstad 2009.

Artikelsgewijs.

Artikel 1.

De voor deze regeling meest relevante specifieke begrippen zijn gedefinieerd. Onder d. en e. wordt beschreven wat wordt verstaan onder een opgraving en opgravingskosten.

Artikel 2.

  • a.

    Alleen natuurlijke personen komen in aanmerking voor een bijdrage voor excessieve opgravingskosten. Voor de meeste rechtspersonen en ontwikkelaars zijn er andere mogelijkheden om de kosten van archeologie te verhalen (bijvoorbeeld via grondexploitatie).

  • b.

    Een bijdrage is gekoppeld aan het aanvragen van een aantal vergunningen/ontheffingen.

  • c.

    Wanneer een aanvrager van een (bouw)vergunning doelbewust een perceel koopt waarvan wordt verwacht dat er een archeologische vindplaats in de bodem zit (kan bijvoorbeeld blijken uit het bestemmingsplan), neemt hij doelbewust het risico dat er een archeologische vindplaats moet worden beschermd of opgegraven. Vanwege deze voorzienbaarheid is er geen recht op een bijdrage.

  • d.

    Alleen in die gevallen dat een aanvrager van een (bouw)vergunning geen keus heeft en wel moet bouwen in een gebied van archeologische waarde en wanneer hij geen maatregelen kan treffen om archeologische vindplaatsen in de bodem te ontzien komt hij in aanmerking voor een bijdrage voor excessieve opgravingskosten.

  • e.

    De regeling bevat een drempelbedrag. Pas wanneer de opgravingskosten meer bedragen dan 5% van de totale bouwkosten komt de aanvrager in aanmerking voor een bijdrage voor excessieve opgravingskosten. Zie ook artikel 7 waarin wordt bepaald dat de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd is van 5% van de totale bouwkosten.

  • f.

    Om grote bouwplannen, waarbij verhaal op een andere manier mogelijk is, uit te sluiten is er een grens gesteld van 120 vierkante meter. Bouwplannen gelijk of groter dan 120 vierkante meter komen niet in aanmerking voor een bijdrage voor excessieve opgravingskosten.

  • g.

    Alleen indien de gemeente de aanvrager van een (bouw)vergunning verplicht om archeologisch onderzoek te doen, kan er een recht ontstaan op een bijdrage voor excessieve opgravingskosten.

Artikel 3.

De bijdrage wordt schriftelijk aangevraagd. In artikel 3 staan de gegevens en bescheiden genoemd die bij de aanvraag moeten worden overlegd.

Uit lid 2 van dit artikel blijkt dat er een eindafrekening van de kosten van de opgraving en de totale bouwkosten moet worden overlegd. Dit betekent dat er pas na de voltooiing van het bouwplan kan worden beschikt op de aanvraag voor een bijdrage in de excessieve opgravingskosten op basis van deze regeling. De opgravingskosten zullen derhalve door de aanvrager zelf vooraf moeten worden betaald.

Artikel 4.

Dit artikel is een nadere uitwerking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Een aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om een verzuim bij de aanvraag (zie artikel 3) binnen vier weken, na melding hiervan door de gemeente, aan te vullen.

Artikel 5.

Dit artikel noemt de weigeringsgronden en vormt samen met artikel 2 de basis van deze regeling.

  • a.

    Er moet zijn voldaan aan artikel 2 om in aanmerking te komen voor een bijdrage voor excessieve opgravingskosten.

  • b.

    De op te graven monumenten moeten van voldoende cultuurhistorische waarde zijn voor de gemeente.

  • c.

    Wanneer een op te graven monument niet fysiek wordt bedreigd is er geen aanleiding voor een bijdrage in de kosten.

  • d.

    Er kunnen zich situaties voordoen dat het disproportioneel is, gelet op het grote financiële belang en de grote draagkracht van de aanvrager, om een bijdrage te verlenen voor excessieve opgravingskosten.

Artikel 6.

Het college stelt per aanvraag de bijdrage excessieve opgravingskosten vast. Gelet op artikel 3, kan de aanvraag pas worden ingediend indien het bouwplan is uitgevoerd en er inzicht is in de totale bouwkosten en de opgravingskosten.

Artikel 7.

De aanvrager is een eigen bijdrage verschuldigd bij de opgravingskosten. Deze eigen bijdrage bedraagt 5% van de totale bouwkosten. Deze regeling is opgenomen om nog enigszins recht te doen aan het uitgangspunt dat de verstoorder van de grond een eigen verantwoordelijkheid heeft (de verstoorder betaalt).

Artikel 8.

De uitbetaling vindt plaats nadat de beschikking bijdrage excessieve opgravingskosten onherroepelijk is geworden. De aanvrager zal de opgravingskosten dus vooraf moeten betalen.

Artikel 9.

Het is denkbaar dat in uitzonderlijke situaties de toepassing van deze regeling tot onbillijke situaties leidt. In dergelijke gevallen kan het college afwijken van deze regeling.