Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Nota Investeringen gemeente Zaanstad 2019
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Nota Investeringen gemeente Zaanstad 2019

Inleiding

In de Financiële Verordening van de gemeente Zaanstad zijn regels vastgelegd die de gemeente hanteert ten aanzien van investeringen. Tevens bevat de Financiële Verordening het volgende artikel:

Artikel 6. Investeringen

Het college biedt de raad periodiek een nota Investeringen aan. De nota Investeringen bevat regels voor vervangings- en uitbreidingsinvesteringen. De nota wordt geactualiseerd wanneer materiële wijzigingen daartoe aanleiding geven.

De voorliggende nota Investeringen is de nadere uitwerking van dit artikel 6. Het bevat nadere regels voor vervangings- en uitbreidingsinvesteringen en aanvullende afspraken over het besluitvormingsproces. De nota bevat vier artikelen en een toelichting op deze artikelen.

De nota investeringen wordt gelijktijdig met de Financiële Verordening aan de raad aangeboden ter vaststelling.

Nota Investeringen Zaanstad 2019

Artikel 1 Soorten investeringen

Investeringen worden onderscheiden in vervangingsinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen.

Artikel 2 Vervangingsinvesteringen

Voor een vervangingsinvestering geldt:

  • 1.

    Een vervangingsinvestering betreft het vervangen van een bestaand actief als gevolg van economische veroudering of slijtage en indien van toepassing het aanpassen ervan aan de huidige normen en standaarden en laatst vastgestelde beleidsmatige uitgangspunten.

  • 2.

    Investeringen in onderwijshuisvesting worden altijd als vervangingsinvestering aangemerkt.

  • 3.

    Een vervangingsinvestering die voor minder dan 30% van de totale oorspronkelijke investeringssom uitbreiding betreft, wordt volledig als vervangingsinvestering aangemerkt. Boven de 30% wordt de investering gesplitst in een deel vervangingsinvestering en een deel uitbreidingsinvestering.

  • 4.

    Vervanging van investeringen vindt plaats op basis van bedrijfseconomische afwegingen en vindt in de regel niet eerder plaats dan nadat het actief volledig is afgeschreven.

Artikel 3 Uitbreidingsinvesteringen

Voor een uitbreidingsinvestering geldt:

  • 1.

    Een uitbreidingsinvestering is een investering ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten of expansie van huidige activiteiten op het gebied van

    • -

      gebiedsgerichte investeringen (ontwikkellocaties en stedelijke vernieuwingslocaties);

    • -

      infrastructurele projecten;

    • -

      maatschappelijke voorzieningen (met uitzondering van schoolgebouwen)

  • 2.

    Directe lasten en afschrijvingslasten van de uitbreidingsinvesteringen worden gedekt uit de bestemmingsreserve Investeringsfonds. Rentelasten zijn onderdeel van de totale gemeentelijke financiering en komen ten laste van de algemene middelen.

  • 3.

    Besluitvorming over uitbreidingen ten laste van het Investeringsfonds vindt in 3 stappen plaats:

  • Stap 1: plaatsing van een investering op de wensenlijst

  • Stap 2: reservering van een bedrag om de investering mogelijk te maken

  • Stap 3: besluitvorming over de kredietaanvraag voor de investering

  • 4.

    Elke bovenstaande stap vereist een besluit van de raad.

  • Stap 1 en stap 2 zijn onderdeel van de besluitvorming over de kadernota of begroting.

  • Stap 2 kan alleen genomen worden als stap 1 op een eerder moment genomen is.

  • Stap 3 kan op elk moment ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd, maar alleen nadat stap 2 op een eerder moment genomen is.

  • 5.

    Het Investeringsfonds bevat een risicobuffer van € 5 miljoen, waarvoor geldt:

    • a)

      de risicobuffer geeft alleen dekking voor financiële tegenvallers bij een uitbreidingsinvestering waarvan de raad het investeringskrediet (stap 3) al heeft geautoriseerd.

    • b)

      Indien de risicobuffer is aangesproken wordt deze op het eerstvolgende bijstellingsmoment (kadenota / begroting) weer tot € 5 miljoen aangevuld. Het aanvullen van de risicobuffer gaat in volgordelijkheid altijd vóór op overige bijstellingen.

  • 6.

    Een ‘uitbreidingsinvestering’ kan ook een incidentele bijdrage betreffen. Besluitvorming over incidentele bijdragen vindt op dezelfde manier plaats als over de uitbreidingsinvesteringen waarover afgeschreven wordt.

Artikel 4 Rapportage
  • 1.

    Twee keer per jaar, bij de kadernota en bij de begroting, worden alle investeringsuitgaven voor een periode van tien jaar (lopend jaar + negen jaar) geactualiseerd. Dit geldt zowel voor de vervangings- als uitbreidingsinvesteringen.

  • 2.

    In de kadernota, begroting en bestuursrapportages en jaarstukken neemt het college een paragraaf Investeringen op, waarin het verloop van de vervangings- en uitbreidingsinvesteringen wordt toegelicht.

  • 3.

    In de kadernota neemt het college in de paragraaf Investeringen een geactualiseerde raming van de investeringsuitgaven voor de komende tien jaren op. Daarbij worden de wijzigingen ten opzichte van de raming in de laatst vastgestelde begroting per begrotingsprogramma toegelicht en onderscheiden in:

    • -

      Opname van nieuwe investeringen

    • -

      Bijstellingen van investeringsuitgaven en uitgavenplanningen

    • -

      Bijstellingen als gevolg van loon- prijsindexering

    • -

      Bijstellingen in de bijdragen van derden

  • 4.

    De wijzigingen van investeringsuitgaven in het lopend jaar naar aanleiding van de actualisatie bij de kadernota worden in de burap ter besluitvorming voorgelegd.

  • 5.

    De investeringsbedragen worden reëel geraamd op basis van het benodigd bedrag voor het komend jaar.

  • 6.

    De investeringsbedragen in de meerjarenraming kennen geen apart geoormerkte post onvoorzien.

  • 7.

    Bij de begroting vindt een tweede actualisatie van de investeringen voor het lopend jaar en de komende tien jaar plaats. Daarbij is het financieel kader bepaald door de raming die bij de kadernota is gepresenteerd en gaat het bij de begroting voornamelijk om eventuele bijstellingen in tijd en onvoorziene nieuwe ontwikkelingen.

  • 8.

    In de begroting neemt het college in de paragraaf Investeringen een geactualiseerde raming van de investeringsuitgaven voor de komende tien jaren op. Daarbij wordt eenzelfde indeling als bij de kadernota gehanteerd. Daarbij worden de verschillen met de raming bij de kadernota toegelicht.

  • 9.

    De investeringsuitgaven in het eerstkomende begrotingsjaar worden bij de begroting ter besluitvorming voorgelegd.

  • 10.

    De wijzigingen van investeringsuitgaven in het lopend jaar naar aanleiding van de actualisatie bij de begroting worden in de narap ter besluitvorming voorgelegd.

Artikel 5 Overgangsbepalingen

Deze Nota treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2019.

Artikel 6 Citeertitel

Deze nota kan worden aangehaald als "Nota investeringen gemeente Zaanstad 2019".

Memorie van toelichting

Artikel 2

Alle vervangingsinvesteringen worden opgenomen in het MeerjarenInvesteringsPlan (MIP). Het MIP bevat een planningshorizon van tien jaar en wordt twee keer per jaar geactualiseerd.

Vanaf de begroting 2019 worden alle (nieuwe) investeringen in onderwijshuisvesting als vervangingsinvestering aangemerkt, ongeacht of het een vervanging, uitbreiding of nieuwe school betreft. Door de zorgplicht die de gemeente op dit gebied heeft, geldt immers geen ‘vrije’ afweging zoals dat voor andere uitbreidingsinvesteringen binnen het Investeringsfonds wel geldt. Het gaat bij onderhuisvesting om een min of meer autonome ontwikkeling, waardoor het MIP een passender kader is voor deze investeringen.

Een vervanging kan gepaard gaan met een uitbreiding. In dat geval moeten de totale investeringskosten vergeleken worden met de kosten van enkel de vervanging van het activum. Indien het verschil, en daarmee het aandeel van de uitbreiding, meer dan 30% van de totale investeringssom bedraagt, moet de investering gesplitst worden in het vervangings- en uitbreidingsdeel. In dat geval wordt het vervangingsdeel in het MIP opgenomen en het uitbreidingsdeel in het Investeringsfonds.

Artikel 3

Plaatsing van een investering op de wensenlijst (stap 1) wil zeggen dat de investering meegenomen wordt in de afwegingen voor de bestemming van de beschikbare middelen in het Investeringsfonds. Er is dan nog geen garantie dat de middelen in het fonds toereikend zijn of dat het project uiteindelijk daadwerkelijk gerealiseerd kan of gaat worden. De wensenlijst kent geen prioritering.

Voor het reserveren van een investeringsbedrag in het Investeringsfonds (stap 2) is het noodzakelijk dat de middelen in het fonds toereikend zijn. Indien de middelen in het Investeringsfonds niet voldoende zijn om een nieuwe reservering op te nemen, moet herprioritering plaatsvinden of extra middelen aan het fonds toegevoegd worden. Hier speelt het belang van integrale afweging. De middelen in het Investeringsfonds zijn onvoldoende als het verschil tussen het totale Investeringsfonds en het totaal aan gereserveerde bedragen kleiner is dan € 5 miljoen. Deze € 5 miljoen is de risicobuffer van het Investeringsfonds. Het reserveren van het bedrag (stap 2) geeft toestemming aan het college om een kredietbesluit voor de betreffende investering uit te werken en aan de raad voor te leggen.

Autorisatie van een project (kredietvoorstel) kan op elk moment aan de raad worden voorgelegd. Met het akkoord op de kredietaanvraag (stap 3), autoriseert de raad het investeringsbedrag en kan het project daadwerkelijk uitgevoerd worden.

Kredietautorisatie voor vervangingsinvesteringen voor het eerstkomende begrotingsjaar doet de raad tegelijkertijd met het vaststellen van de begroting. Het college is daarmee geautoriseerd om uitgaven te doen binnen het gevoteerde volume.

Artikel 4

Voor het plannen van investeringen wordt uitgegaan van een planningshorizon van 10 jaar. Dit verschaft meer inzicht in de investeringen op middellange en lange termijn en heeft als doel beter grip te hebben op de verwachte investeringen en het effect van de kapitaallasten op de gemeentelijke exploitatie. Daarbij geldt dat de ramingen op langere termijn vanzelfsprekend minder nauwkeurig zijn dan op kortere termijn vanwege onzekerheid van de ontwikkeling van het toekomstige prijspeil.

Voor een aantal investeringen zijn of worden aparte beleidskaders vastgesteld, zoals het Integraal huisvestingsplan primair onderwijs (IHP), de nota kapitaalgoederen voor de investeringen in de openbare ruimte en het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De actualisaties van investeringsuitgaven die bij kadernota en begroting worden uitgevoerd, moeten voldoen aan de vastgestelde uitgangspunten in deze beleidskaders.

Bij de kadernota wordt apart zichtbaar gemaakt met welke indexeringslasten de investeringsuitgaven voor het komende begrotingsjaar worden bijgesteld. Het toegepaste indexeringspercentage kan per soort investering verschillen, maar moet te allen tijde onderbouwd en toegelicht worden. De investeringsvolumes in de jaren na het eerstkomende begrotingsjaar worden begroot op prijspeil van het eerste begrotingsjaar.

Bij de begroting is het financieel kader voor investeringen zoals dat bij de kadernota is vastgesteld nader uitgewerkt en onderbouwd met concrete investeringsvoorstellen (in geval dit bij de kadernota nog niet gebeurd was). Daarbij wordt ook gekeken naar de uitvoering in het lopende jaar en getoetst of dit nog aanleiding geeft tot aanpassingen in de begrote investeringsvolumes. Uitgangspunt is dat het financieel meerjarenkader zoals vastgesteld bij de kadernota niet meer substantieel wijzigt. Dat betekent ook dat het niet is toegestaan geheel nieuwe investeringen, die niet in het bij kadernota vastgestelde financieel kader passen, op te voeren.

Ondertekening