Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) 2016
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,

Overwegende dat

het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2009 in een package deal afspraken hebben gemaakt over de uitvoering van een basistakenpakket door verscheidene omgevingsdiensten;

Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer en Zaanstad in december 2011 een bestuursopdracht hebben vastgesteld om te komen tot een voorstel voor de oprichting van een Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied;

het Rijk en het Interprovinciaal Overleg in maart en april 2012 afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop de taken voortvloeiend uit het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 door zogeheten landsdelige omgevingsdiensten worden uitgevoerd;

de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 januari 2015 is gewijzigd en dat de hieruit volgende wijzigingen in de regeling dienen te worden verwerkt;

Gelet op

de Wet gemeenschappelijke regelingen;

de toestemming van provinciale staten van Noord-Holland en de toestemmingen van de raden van Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad ex artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluiten

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied(OD NZKG)2016

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 4;
b. ambtenaren: ambtenaren, als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet. alsmede degenen die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn;
c. Amstelland-gemeenten: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn;
d. basistakenpakket het basistakenpakket voor omgevingsdiensten, versie 2.3 van 25 mei 2011, behorende bij de “package deal” gesloten door het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2009;
e. BRZO-taken de taken waarover het Rijk en het Interprovinciaal Overleg in maart en april 2012 afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop de taken voortvloeiend uit het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 door zogeheten landsdelige omgevingsdiensten worden uitgevoerd;
f. colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van Noord-Holland;
g. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 4;
h. directeur: de secretaris van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 26;
i. gemeenten: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad;
j. Omgevingsdienst: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 3;
k. provincie: de provincie Noord-Holland;
l. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2016;
m. vertegenwoordigende organen: de raden van de gemeenten en provinciale staten van Noord-Holland.
Artikel 2: Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten. Voorts wordt de regeling getroffen ter behartiging van de taken voortvloeiend uit het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.

Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Afdeling 1: Instelling en taken
Artikel 3: Instelling
  • 1. Er wordt een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld genaamd Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

  • 2. De Omgevingsdienst is gevestigd te Zaandam.

Artikel 4: Bestuur

Het bestuur van de Omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Afdeling 2: Algemeen bestuur
Artikel 5: Hoofdschap

Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de Omgevingsdienst.

Artikel 6: Samenstelling
  • 1. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan, met dien verstande dat de colleges van Amsterdam, Haarlemmermeer en Noord-Holland ieder twee leden van het algemeen bestuur uit hun midden aanwijzen.

  • 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt wethouder of burgemeester respectievelijk gedeputeerde of commissaris van de Koning te zijn.

  • 3. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid blijft aan tot het college dat hem heeft aangewezen in zijn opvolging heeft voorzien.

  • 4. De colleges wijzen uit hun midden ieder één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in het eerste lid, bij afwezigheid. Hetgeen in deze regeling bepaald is omtrent het lid van een algemeen bestuur, is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid.

  • 5. Het dagelijks bestuur van de Milieudienst IJmond onderscheidenlijk de Regionale uitvoeringsdienst IJmond kan uit zijn midden een vertegenwoordiger aanwijzen die een adviserende stem heeft in het algemeen bestuur.

Artikel 7: Meervoudig stemrecht
  • 1. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland hebben ieder tien stemmen.

  • 2. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hebben ieder vijftien stemmen.

  • 3. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hebben ieder acht stemmen.

  • 4. Het lid van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad heeft negen stemmen.

  • 5. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de Amstellandgemeenten ieder vijf stemmen hebben.

Artikel 8: Reglement van orde.

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

Artikel 9: Vergaderingen
  • 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe besloten heeft.

  • 2. Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgaaf van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 10: Oproeping
  • 1. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 23, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

Artikel 11: Quorum
  • 1. De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

  • 3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Artikel 12: Immuniteit

De leden van het bestuur van het openbaar lichaam en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overlegd.

Artikel 13: Vergaderorde
  • 1. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

  • 2. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

  • 3. Hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

Artikel 14: Belangenverstrengeling
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel aan een stemming over:

    • a.

      een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.

  • 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

  • 3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

Artikel 15: Stemming
  • 1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

    • b.

      in een vergadering als bedoeld in artikel 11, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 11, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.

Artikel 16: Besluitvorming
  • 1. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, met inachtneming van artikel 7.

  • 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Artikel 17: Stemwijze
  • 1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.

  • 2. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.

  • 3. Staken bij de stemming, bedoeld in het tweede lid, de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.

  • 4. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling.

  • 5. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.

  • 6. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

  • 7. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen, behoudens bij stemming over personen, het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.

  • 8. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het zevende lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.

  • 9. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, of hun plaatsvervangers, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

Artikel 18: Ambtelijke bijstand

Het algemeen bestuur regelt op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van het algemeen bestuur.

Artikel 19: Openbaarheid vergaderingen
  • 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 2. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het algemeen bestuur anders beslist.

Artikel 20: Besluitvorming in besloten vergadering
  • 1. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening.

  • 2. In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 3. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekening-courantovereenkomsten;

    • b.

      het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen;

    • c.

      het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.

Artikel 21: Ontslag

De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Afdeling 3: Dagelijks bestuur
Artikel 22: Samenstelling
  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden, waarbij de leden aangewezen door de colleges van Amsterdam, Haarlemmermeer, Zaanstad en een vertegenwoordiger namens de Amstellandgemeenten, alsmede het lid aangewezen door gedeputeerde staten van Noord-Holland in elk geval zitting hebben.

  • 2. Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 3. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

Artikel 23: Vergaderingen
  • 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste één lid daar de voorzitter om verzoekt.

  • 2. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

  • 3. Ieder lid heeft één stem.

  • 4. Het dagelijks bestuur besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen.

  • 5. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Artikel 24: Ontslag

Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten.

Afdeling 4: Voorzitter
Artikel 25: Aanwijzing
  • 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 3. Uit de andere leden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. Het tweede lid is niet van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter.

Afdeling 5: Secretaris
Artikel 26: Benoeming, schorsing en ontslag
  • 1. De secretaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd.

  • 2. De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het dagelijks bestuur.

Artikel 27: Taak
  • 1. De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. Hij ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, mede.

  • 2. De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst.

  • 3. Het dagelijks bestuur stelt in een instructie of bestuursreglement nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris.

Artikel 28: Vervanging
  • 1. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

  • 2. Artikel 26, tweede lid, en artikel 27 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.

Afdeling 6: Ombudsfunctie
Artikel 29: Ombudsfunctie

Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen.

Afdeling 7: Bestuurscommissies
Artikel 30: Instellen

Het algemeen bestuur is bevoegd een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen.

Hoofdstuk 3: Bevoegdheden van de Omgevingsdienst

Afdeling 1: Bevoegdheden van het bestuur
Artikel 31: Overdracht bevoegdheden

Aan het bestuur van de Omgevingsdienst worden geen bevoegdheden overgedragen.

Artikel 32: Mandaatverlening
  • 1. De colleges kunnen aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de secretaris mandaat verlenen ter uitvoering van de bevoegdheden van het betreffende college, voor zover deze binnen het belang van deze regeling vallen. Onverminderd het bepaalde in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht moet het dagelijks bestuur instemmen met de mandaatverlening door het betreffende college.

  • 2. Gedeputeerde staten van de provincie en de colleges van de gemeenten verplichten zich er voor zorg te dragen dat namens hun bestuur ten minste de bevoegdheden noodzakelijk voor de uitvoering van het basistakenpakket en de VTH-taken voor BRZO- en RIE4-bedrijven aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de secretaris in mandaat worden opgedragen.

  • 3. De krachtens dit artikel genomen mandaatbesluiten worden overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bekendgemaakt, onverminderd het bepaalde in artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts worden de mandaatbesluiten opgenomen in een register.

Artikel 33: Privaatrechtelijke bevoegdheden
  • 1. De privaatrechtelijke bevoegdheden van de Omgevingsdienst worden ingekaderd door de begroting, en nader ingevuld in onder meer het directiereglement en het treasurystatuut. Bij de ter inzagelegging van de ontwerpbegroting wordt melding gemaakt van voorgenomen rechtshandelingen die een bedrag van € 2,5 miljoen te boven gaan.

  • 2. Het algemeen bestuur kan slechts bij vijf zesde meerderheid besluiten tot de oprichting van en de  deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.

Artikel 34: Treffen gemeenschappelijke regeling
  • 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter zijn bevoegd een gemeenschappelijke regeling te treffen met het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter van een ander openbaar lichaam in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor zover dit binnen het belang van de regeling valt, als bedoeld in artikel 2.

  • 2. Het dagelijks bestuur of de voorzitter gaat niet over tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling dan na verkregen toestemming van het algemeen bestuur. De toestemming kan slechts onthouden worden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  • 3. Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling.

  • 4. Het algemeen bestuur neemt de besluiten als bedoeld in dit artikel in afwijking van artikel 16, eerste lid, met een vijf zesde meerderheid.

Artikel 35: Dienstverleningshandvest
  • 1. Het dagelijks bestuur stelt een dienstverleningshandvest vast, dat geldt als algemene voorwaarden voor de dienstverlening aan deelnemers en derden. In het dienstverleningshandvest worden in elk geval opgenomen:

    • a.

      de basistaken die voor elke deelnemer structureel door de Omgevingsdienst moeten worden uitgevoerd;

    • b.

      de voorwaarden voor wijziging van het onder a bedoelde takenpakket, alsmede voor uitoefening van andere incidentele taken;

    • c.

      de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitoefening;

    • d.

      de jaarlijkse vaststelling van de productcatalogus, welke de kwaliteit van de op te leveren producten bevat, en

    • e.

      een voorziening in geval van niet voldoen aan de door de deelnemers gestelde eisen.

  • 2. Het dagelijks bestuur stelt het dienstverleningshandvest, bedoeld in het eerste lid, niet vast dan nadat het algemeen bestuur de gelegenheid heeft gekregen zijn wensen en bedenkingen inzake het dienstverleningshandvest aan het dagelijks bestuur kenbaar te maken.

Artikel 36: Dienstverleningsovereenkomst

De Omgevingsdienst zal meerjarige, jaarlijks te actualiseren, dienstverleningsovereenkomsten sluiten met de provincie en de gemeenten met betrekking tot de uit te voeren taken, zowel structurele als incidentele taken, de financiële vergoeding daarvoor en eventuele aanvullende afspraken daaromtrent. Bij de dienstverleningsovereenkomst kan niet worden afgeweken van het in artikel 35 bedoelde dienstverleningshandvest, tenzij het dagelijks bestuur hier met vijf zesde meerderheid mee instemt.

Afdeling 2: Bevoegdheden algemeen bestuur
Artikel 37: Algemene bevoegdheden
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de Wet gemeenschappelijke regelingen berusten alle bevoegdheden tot regeling en bestuur van de Omgevingsdienst bij het algemeen bestuur, voor zover deze niet bij of krachtens de wet, algemene maatregel van bestuur of deze regeling zijn toegekend aan het dagelijks bestuur of de voorzitter.

  • 2. Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van verordeningen binnen de bevoegdheden van de Omgevingsdienst.

Artikel 38: Overdracht van bevoegdheden
  • 1. Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur of aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 30 bevoegdheden van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen deze overdracht verzet.

  • 2. Het algemeen bestuur kan in elk geval niet overdragen de bevoegdheid tot:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de Omgevingsdienst;

    • d.

      het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de Omgevingsdienst; en

    • e.

      de bevoegdheden, bedoeld in artikel 30 en 33, tweede lid.

Artikel 39: Inlichtingen en verantwoording
  • 1. Een lid van het algemeen bestuur geeft het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door één of meer leden van dat college worden gevraagd.

  • 2. Een lid van het algemeen bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 3. Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd zal zijn met de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

  • 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen.

  • 5. Het algemeen bestuur geeft de vertegenwoordigende organen mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

Afdeling 3: Bevoegdheden van het dagelijks bestuur
Artikel 40: Bevoegdheid
  • 1. Het dagelijks bestuur is bevoegd:

    • a.

      het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast;

    • b.

      beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren;

    • c.

      regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst;

    • d.

      ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan;

    • e.

      tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Omgevingsdienst te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 33, tweede lid;

    • f.

      de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de Omgevingsdienst te beheren, en

    • g.

      te besluiten namens de Omgevingsdienst, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

  • 2. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

Artikel 41: Mandaat en overdracht
  • 1. Het dagelijks bestuur kan mandaat verlenen aan een of meer leden van het dagelijks bestuur.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan tevens mandaat verlenen aan de directeur, voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet tegen mandatering verzet. Het dagelijks bestuur kan de directeur toestaan ondermandaat te verlenen.

  • 3. Het algemeen bestuur kan, op voordracht van het dagelijks bestuur, bevoegdheden van het dagelijks bestuur overdragen aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 30.

Artikel 42: Inlichtingen en verantwoording
  • 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

  • 2. Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3. Het dagelijks bestuur geeft de vertegenwoordigende organen mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

  • 4. In aanvulling op het tweede en derde lid geeft het dagelijks bestuur het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Afdeling 4: De taken en bevoegdheden van de voorzitter
Artikel 43: Taken
  • 1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de Omgevingsdienst.

  • 2. Hij heeft de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 3. Hij ondertekent alle stukken welke van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

Artikel 44: Vertegenwoordigingsbevoegdheid

De voorzitter vertegenwoordigt de Omgevingsdienst in en buiten rechte. Indien de voorzitter aan een ander machtiging verleent tot vertegenwoordiging, behoeft deze machtiging de instemming van het dagelijks bestuur.

Artikel 45: Inlichtingen en verantwoording
  • 1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3. De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk 4: Financiën van de Omgevingsdienst

Afdeling 1: Inleidende bepalingen
Artikel 46: Kostentoerekening

De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de gemeenten onderscheidenlijk de provincies in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur voor het betreffende jaar, bij de begroting, vastgestelde uitgangspunten.

Artikel 47: Inrichting
  • 1. De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig artikel 190 van de Provinciewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2. Op de administratie en controle is hoofdstuk XIV van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48: Garantstelling

De gemeenten en de provincie zullen er steeds zorg voor dragen, overeenkomstig de systematiek voor kostentoedeling, dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, onverminderd het bepaalde in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Afdeling 2: De begroting
Artikel 49: Begroting
  • 1. Voor alle aan de Omgevingsdienst opgedragen taken brengt het algemeen bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die het daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de van de gemeenten of de provincies te ontvangen bijdragen en andere financiële middelen die naar verwachting kunnen worden aangewend.

  • 2. De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.

  • 3. De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn gebracht.

  • 4. Ten laste van de Omgevingsdienst kunnen slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.

  • 5. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.

Artikel 49a: Kadernota

Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders ter informatie aan de vertegenwoordigende organen.

Artikel 50: Ontwerpbegroting
  • 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de vertegenwoordigende organen.

  • 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

  • 3. De vertegenwoordigende organen kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze tijdig aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4. Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten onderscheidenlijk de provincie of waarbij de wijziging uitsluitend is gebaseerd op wijziging van een dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 36.

Artikel 51: Vaststelling begroting
  • 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 16, eerste lid, wordt de begroting met vijf zesde meerderheid vastgesteld.

  • 2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3. Het algemeen bestuur zendt, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen, die ter zake bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijzen naar voren kunnen brengen.

  • 4. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.

  • 5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met inachtneming van het vierde lid. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten onderscheidenlijk de provincie of waarbij de wijziging uitsluitend is gebaseerd op wijziging van een dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 36.

Afdeling 3: Jaarrekening
Artikel 51a: Voorlopige jaarrekening

Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar na afloop aan dat waarvoor de jaarrekening dient, de voorlopige jaarrekening ter informatie aan de vertegenwoordigende organen.

Artikel 52: Jaarrekening en jaarverslag
  • 1. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het algemeen bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.

  • 3. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de Omgevingsdienst.

  • 4. Indien het algemeen bestuur tot het standpunt komt dat onrechtmatige totstandkoming van in de jaarrekening opgenomen baten, lasten of balansmutaties aan de vaststelling van de jaarrekening in de weg staat, brengt hij dit terstond ter kennis van het dagelijks bestuur met vermelding van de gerezen bedenkingen.

  • 5. Het dagelijks bestuur zendt het algemeen bestuur binnen twee maanden na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het vierde lid, een voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij het algemeen bestuur gerezen bedenkingen.

  • 6. Indien het dagelijks bestuur een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft gedaan, stelt het algemeen bestuur de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft besloten over het voorstel.

  • 7. De leden van het dagelijks bestuur nemen niet deel aan stemmingen over besluiten als bedoeld in het derde, vierde en zesde lid. Hun plaatsvervangers zijn wel stemgerechtigd.

  • 8. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

  • 9. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 5: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 53: Toetreding
  • 1. Een bestuursorgaan kan een verzoek tot toetreding ter kennis brengen van het algemeen bestuur.

  • 2. Toetreding kan geschieden nadat ten minste vijf zesde van de colleges, alsmede het bestuursorgaan dat wenst toe te treden hiertoe hebben besloten.

  • 3. Een college kan pas instemming verlenen na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 4. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt. Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 54: Uittreding
  • 1. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk.

  • 2. Artikel 53 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding, waarbij de kosten van de uittreding worden doorbelast naar de uittredende partij. Het besluit wordt met vijf zesde meerderheid vastgesteld.

Artikel 55: Wijziging
  • 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.

  • 2. Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges.

  • 3. Artikel 53 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56: Opheffing en liquidatie
  • 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot opheffing van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.

  • 2. Het algemeen bestuur zendt het voorstel aan de colleges.

  • 3. Artikel 53 en artikel 54, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6: Archief

Artikel 57: Archief
  • 1. Het bestuur van de Omgevingsdienst is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.

  • 2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst.

  • 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de Omgevingsdienst.

  • 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de gemeenten of de provincie aan.

  • 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast.

  • 6. De archivaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 7. In afwijking van het vorige lid kan het dagelijks bestuur ook de archivaris van de gemeente onderscheidenlijk de provincie als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de Omgevingsdienst.

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

Artikel 58: Duur van de regeling

De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 59: Inzending regeling

Het college van de gemeente Zaanstad wordt belast met de inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten van Noord-Holland.

Artikel 60: Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop deze regeling overeenkomstig de Wet gemeenschappelijke regelingen is bekendgemaakt.

Artikel 61: Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2016.

Artikel 62: Overgangsbepaling
  • 1. De volgende voor 1 januari 2016 door het algemeen bestuur genomen besluiten worden vanaf 1 januari 2016 geacht te zijn genomen door het dagelijks bestuur, overeenkomstig de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen:

    • a.

      benoeming van de secretaris, bedoeld in artikel 26, eerste lid;

    • b.

      instructie of bestuursreglement, bedoeld in artikel 27, derde lid;

    • c.

      de vervanging van de secretaris, bedoeld in artikel 28, eerste lid;

    • d.

      het dienstverleningshandvest, bedoeld in artikel 35;

    • e.

      de rechtspositionele regelingen en besluiten, bedoeld in artikel 37, tweede lid, en

    • f.

      de verordening omtrent de ambtelijke organisatie, bedoeld in artikel 37, derde lid.

  • 2. De artikelen waarnaar in het eerste lid wordt verwezen, zijn de artikelen zoals deze luidden voor de wijziging van de gemeenschappelijke regeling op 1 januari 2016.