Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Beleidsregels leerlingenvervoer Zaanstad 2019
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels leerlingenvervoer Zaanstad 2019

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad

Gelezen het voorstel,

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht, gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, en gelet op het gestelde in de Verordening leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2019:

Overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de bekostiging van vervoersvoorzieningen voor leerlingen;

Overwegende dat deze beleidsregels zijn opgesteld om aanvragen voor leerlingenvervoer op een eenduidige manier te kunnen beoordelen.

Besluit:

vast te stellen de volgende regeling:

Beleidsregels leerlingenvervoer Zaanstad 2019

Inleiding

Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. De gemeente heeft de ambitie dat iedere leerling een passende plek in het onderwijs wordt geboden. De zelfredzaamheid wordt gestimuleerd, zowel van de jongere als van ouders. Met passend onderwijs streven we ernaar de mogelijkheden van het kind te benutten. Dat betekent dat ook met het leerlingenvervoer wordt gekeken naar wat kinderen wel zelf kunnen in plaats van wat ze niet kunnen. Het streven is zoveel mogelijk leerlingen thuisnabij onderwijs te bieden. Het schoolondersteuningsprofiel geeft aan wat een school kan bieden aan basisondersteuning en extra ondersteuning.

Het basis en voortgezet onderwijs heeft als doel leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij en op termijn zo mogelijk een zelfstandig inkomen te kunnen verwerven. Scholen brengen leerlingen kennis en vaardigheden bij om de zelfredzaamheid te vergroten, ook op vervoersgebied. Op veel basisscholen worden verkeerslessen gegeven en ook een praktisch verkeersexamen afgenomen. Het is mooi om jezelf te kunnen verplaatsen ook al heb je een beperking. In sommige gevallen kunnen kinderen echter niet zelfstandig naar school. Als er aan bepaalde criteria is voldaan, kunnen ouders een beroep doen op de Verordening Leerlingenvervoer Zaanstad 2019 (hierna te noemen: de Verordening). Daarin staat wanneer iemand in aanmerking komt voor een vergoeding van de vervoerskosten van en naar school.

Op weg naar meer zelfstandig reizen

Centraal in de beoordeling van een aanvraag voor vergoeding van de vervoerskosten voor de leerling en eventueel zijn of haar begeleider, staan de mogelijkheden en behoeften van het kind. Hierin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de verkeerservaring.

Bij het bepalen van de vervoersondersteuning wordt het maatwerkprincipe gehanteerd. Dit houdt in dat er naar de situatie van de individuele leerling wordt gekeken. De vraag daarbij is wat voor deze leerling de meest geschikte en maximaal haalbare oplossing is. Het uitgangspunt is dat de leerling zo zelfstandig mogelijk naar school reist. Om dat maatwerk te kunnen leveren is het belangrijk ook kennis te hebben van de thuissituatie van de leerling. De betrokkenheid van de ouders is van belang om te komen tot een goed plan en eventueel maatwerk ten gunste van het welbevinden en de ontwikkeling van hun eigen kind. Ouders hebben vanuit de gezinssituatie een goed totaalbeeld van de mogelijkheden en onmogelijkheden en kunnen aangeven welke vervoersvoorziening naar hun mening de juiste is voor hun kind. Deskundigen vanuit het onderwijs en het jeugdteam hebben daarbij een ondersteunende rol. Verder is het van belang om te realiseren dat kinderen niet stil staan in hun ontwikkeling. De oplossing van vandaag is niet de oplossing van morgen.

De toepassing van de Verordening kent twee centrale uitgangspunten.

1. Zelfstandigheid van de leerling:

Wij willen dat kinderen waar mogelijk opgroeien tot zelfstandige burgers die kunnen participeren in de samenleving. De Verordening stimuleert het zelfstandig leren reizen van kinderen die daarvoor de potentie hebben.

2. Ouders regelen de begeleiding waar mogelijk zelf:

Het reizen te voet, met de fiets of met het openbaar vervoer, indien nodig onder begeleiding van een volwassene, heeft de voorkeur boven aangepast vervoer (taxi(busje)). Het doel is dat de leerling waar mogelijk zelfstandig leert deelnemen aan de samenleving. Het begeleiden van het kind in de weg daar naartoe maakt deel uit van het ouderschap. De mogelijkheden die ouders al dan niet hebben om de begeleiding van hun kind in redelijkheid zelf te regelen, worden meegewogen.

Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid. Zij bedenken zelf oplossingen, mogelijkheden, welke inspanningen zij daarbij kunnen leveren, welke oplossingen binnen het eigen netwerk kunnen worden gevonden en welke altijd beschikbaar zijn. Medische problemen, studie, werk van ouders en gezinssamenstelling maakt ouders niet minder verantwoordelijk.

Werkwijze

Bij de werkwijze rond het leerlingenvervoer benutten we advies van deskundigen binnen jeugdteams en binnen het onderwijs. Een dergelijk advies geeft recht aan de uitgangspunten van maatwerk, het bevorderen van zelfredzaamheid en meer verantwoordelijkheid bij en redelijkerwijs te vragen inzet van ouders.

Het is belangrijk om met ouders (en leerling) in gesprek te gaan om:

  • -

    de meest passende manier van vervoer voor de leerling te kunnen vaststellen (met als uitgangspunt zelfredzaamheid en ontwikkelkansen bieden), en

  • -

    invulling te geven aan de verantwoordelijkheid van ouders voor het leerlingenvervoer van hun kind(eren).

 

In dit proces worden aanvragen beoordeeld aan de hand van de Verordening met als uitgangspunt dat kinderen zo zelfstandig mogelijk (eventueel met begeleiding) van en naar school reizen:

  • -

    eerst wordt gekeken of een kind met gebruik van eigen vervoer (fiets of bromfiets) kan reizen, al dan niet met begeleiding. Ook het kind met eigen auto brengen en halen is een mogelijkheid van eigen vervoer;

  • -

    als dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar de mogelijkheden om met het openbaar vervoer te reizen, al dan niet met begeleiding;

  • -

    pas als eigen vervoer en openbaar vervoer niet mogelijk blijken, komt een kind in aanmerking voor aangepast vervoer.

A. Afstand en reistijd

1. Vaststellen van de afstand

Voor het bepalen van de afstand tussen het woonadres en het schooladres, dan wel opvangadres of stagelocatie maakt het college gebruik van de door het college aangewezen routeplanner. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de optie ‘kortste route’ met de auto vanaf de woning dan wel opstapplaats naar de school. Op basis daarvan wordt de kilometerafstand vastgesteld. Het door deze routeplanner uitgerekende aantal kilometers is voor het college altijd uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag en voor bekostiging van leerlingenvervoer.

Tot en met 15 km wordt uitgegaan van de fietsafstand indien de leerling niet vanwege handicap of beperking is aangewezen op aangepast vervoer of auto. Vanaf 15 km wordt ook bij de fietsroute uitgegaan van de autoafstand, of van de autoafstand indien leerling aangewezen is op aangepast vervoer of auto.

2. Vaststellen van de reistijd en kosten per openbaar vervoer

Het vaststellen van de reistijd en de kosten per openbaar vervoer vindt plaats op basis van de

Reisinformatiegroep, via 0900-9292 of www.9292ov.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer wordt de vervoerder geraadpleegd.

B. Beoordeling aanvraag

3. Co-ouderschap

Indien er sprake is van co-ouderschap dienen beide ouders een aanvraag in te dienen in hun eigen gemeente. Beide aanvragen worden getoetst aan de daar geldende verordening leerlingenvervoer en worden alleen gehonoreerd als er sprake is van regelmaat en structuur in het verblijf op beide adressen.

4. Aangepast vervoer

4.1 Aangepast vervoer omdat begeleiding niet kan worden verlangd

In de verordening is de mogelijkheid opgenomen om niet alleen de vervoerskosten van de leerling maar ook die van een begeleider te vergoeden. Hierbij kan het gaan om de kosten van het openbaar vervoer of om het beschikbaar stellen van een zitplaats in een taxi(busje) voor de begeleider. De ouders zijn verantwoordelijk voor het organiseren van de begeleiding. Wanneer zij door ziekte of anderszins tijdelijk de begeleiding niet op zich kunnen nemen, dienen zij zelf alternatieve begeleiding te organiseren. Dat geldt ook als ouders geheel of gedeeltelijk hun kind zelf naar school brengen met de auto, fiets of bromfiets. Uitgangspunt is dat leerlingen tot en met 10 jaar gebruik maken van de fiets of het OV met begeleiding en ouder dan 10 jaar met het OV reizen zonder begeleiding.

Het college zal de persoonlijke omstandigheden van de gezinnen bij de beoordeling meewegen. Hiervoor zijn een aantal omstandigheden geformuleerd waarin ouders vrijgesteld worden van het begeleiden van hun kind naar school. Door ouders worden verschillende omstandigheden aangevoerd waardoor zij hun kind niet kunnen begeleiden naar school. Een reden kan zijn de (betaalde) werkzaamheden van de ouders. Deze werkzaamheden van ouders zijn op zichzelf geen reden om tot bekostiging van aangepast vervoer over te gaan.

Om te kunnen beoordelen of begeleiden onmogelijk is of dat een gezin ernstig wordt benadeeld als ze moet zorgen voor de begeleiding van een kind naar (speciale scholen voor) basisonderwijs of het speciaal onderwijs, zijn de onderstaande criteria opgesteld. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat wordt voldaan aan het voor de onderwijssoort geldende afstandscriterium.

Van ouders wordt geen begeleiding verlangd, indien:

  • -

    Een alleenstaande ouder kan aantonen dat hij/ zij moet werken op haal- en brengtijden. Hiervoor dient een ‘werkgeversverklaring’ te worden overlegd waaruit per werkdag blijkt, dat het vanwege de werktijden niet mogelijk is om in de begeleiding te voorzien;

  • -

    Een alleenstaande ouder kan aantonen dat begeleiding niet mogelijk is omdat er sprake is van begeleiding van meerdere kinderen van 10 jaar of jonger naar en van school op of omstreeks dezelfde tijd;

  • -

    Een alleenstaande ouder kan aantonen dat er in verband met twee of meer andere niet schoolgaande kinderen er geen beroep kan worden gedaan op een ander voor de begeleiding van het schoolgaande kind of verzorging van de niet-schoolgaande kinderen;

  • -

    Er is sprake van structurele medische redenen die belemmeren om te begeleiden;

  • -

    Een alleenstaande moeder een schoolgaand kind niet kan begeleiden omdat ze zwanger is of recentelijk is bevallen.In dit geval wordt de vervoersvoorziening op basis van aangepast vervoer slechts toegekend gedurende de periode vanaf de datum waarop blijkens een verklaring van een arts of een verloskundige de vermoedelijke bevalling binnen zes weken is te verwachten tot en met tien weken na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden;

  • -

    Begeleiding tot een ernstige benadeling van het gezin zou leiden en een andere oplossing onmogelijk is.

Van ernstige benadeling van het gezin als gevolg van begeleiding van de leerling bij gebruikmaking van openbaar vervoer of fiets, als bedoeld in artikel 21, eerste lid aanhef onder c, dan wel artikel 27, eerste lid, aanhef onder c, van de verordening, is in ieder geval sprake, indien de leerling een speciale school voor basisonderwijs dan wel een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt en:

  • -

    van het gezin daarnaast ten minste één kind deel uitmaakt dat een andere school bezoekt en dat naar het oordeel van het college, mede op grond van een advies van deskundigen dat naar het oordeel van het college voor de aanvraag relevant is, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken, mits de ouders aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet in staat zijn hun kinderen naar verschillende scholen te begeleiden en dat géén beroep kan worden gedaan op een ander om de begeleiding van de leerling of het andere kind dan wel de andere kinderen van het gezin op zich te nemen;

  • -

    van het gezin daarnaast ten minste twee nog niet-schoolgaande kinderen deel uitmaken, mits de ouders aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet in staat zijn de leerling naar de school te begeleiden en dat géén beroep kan worden gedaan op een ander om de begeleiding van de leerling dan wel de verzorging van de niet-schoolgaande kinderen op zich te nemen.

Als het gaat om de reistijd, wordt geen begeleiding van ouders verwacht indien:

  • -

    de begeleiding van een kind naar speciale scholen voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer dan twee uur per dag kost. Dit betekent dus meer dan een half uur per enkele reis afstand;

  • -

    de begeleiding van een leerling naar scholen voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs meer dan vier uur per dag kosten. Dit betekent dus meer dan een uur per enkele reis afstand.

Van de ouders wordt gevraagd om door middel van een verklaring aannemelijk te maken wat de ouders hebben ondernomen om de begeleiding van hun kind te organiseren en waarom dit niet lukt. Daarbij wordt ook gekeken naar begeleidingsmogelijkheden van mensen uit het sociale netwerk van de ouders.

4.2 Aangepast vervoer op basis van handicap

In dit geval gaat het om leerlingen die, gelet op hun lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke handicap, niet in staat zijn – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Ouders die aanspraak willen maken op aangepast vervoer, dienen bij de aanvraag een verklaring met bewijsstukken mee te zenden, waarin wordt onderbouwd waarom voor de leerling aangepast vervoer noodzakelijk is.

Het gaat om de volgende bewijsstukken:

  • -

    een verklaring van een behandelend arts, specialist of andere deskundige over de aard van de handicap van de leerling en waarin de (on)mogelijkheid van de leerling is beschreven met betrekking tot het reizen per fiets en openbaar vervoer met of zonder begeleiding. Deze verklaring is vereist bij de aanvraag. Daarnaast zal bij de overstap naar een ander schooltype of bij de overgang van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs een dergelijke verklaring moeten worden overlegd; en

  • -

    een verklaring van de directeur van de school, waaruit blijkt welke vorm van vervoer voor de leerling wenselijk is. Hiervoor dient het formulier ‘schoolverklaring’ te worden gebruikt van het desbetreffende schooljaar.

Zonder deze bewijsstukken kan een aanvraag niet in behandeling worden genomen.

Wij behouden ons het recht voor om nader medisch advies op te vragen als wij van mening zijn dat het vervoersadvies onvoldoende is onderbouwd. Er kan ook een advies worden gevraagd over de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Het is mogelijk een proefperiode in te stellen waarin de leerling zelfstandig reizen uitprobeert. De kosten van dit medische advies zijn voor rekening van de gemeente. Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening dienen betrokkenen medewerking te verlenen aan dit onderzoek.

4.3. Bekostiging

Bekostiging van het aangepast vervoer begint op de datum waarop het aangepaste vervoer daadwerkelijk start. Indien op basis van de beoordeling aangepast vervoer wordt toegekend, wordt de vervoerder hier direct van op de hoogte gesteld. De vervoerder is verplicht om binnen 5 werkdagen de nieuwe aanvraag in een route op te nemen en de leerling te vervoeren.In verband met de start van het nieuwe schooljaar is de vervoerder in de eerste twee weken bij aanvang van het nieuwe schooljaar verplicht om binnen 10 werkdagen de nieuwe aanvraag in een route op te nemen en de leerling te vervoeren. Voor andere vormen van leerlingenvervoer (openbaar vervoer, eigen vervoer of fietsvervoer) kan de bekostiging met terugwerkende kracht worden uitgekeerd, met dien verstande dat de datum waarop de bekostiging wordt verstrekt niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag bij het college.

C. Overige bepalingen

5. Vervoer bij landelijke examens en schoolexamens

Indien de afwijkende tijden van landelijke examens en schoolexamens bij aanvang van het schooljaar in de (online) schoolgids zijn opgenomen, kan de leerling aanspraak maken op vervoer, zonder dat er meerkosten in rekening worden gebracht. Hierbij hanteren we een maximale wachttijd voor de leerling van twee uur voorafgaand en aansluitend op het betreffende examenrooster.

6. Drempelbedrag

Om te kunnen bepalen of het drempelbedrag als bedoeld in de verordening moet worden geheven, is het noodzakelijk dat door de aanvrager bij de aanvraag inkomensgegevens worden overlegd. Indien deze gegevens ontbreken of om een andere reden niet (volledig) kunnen worden beoordeeld, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om binnen een bepaalde termijn alsnog deze gegevens aan te leveren. Indien na afloop van deze termijn de gegevens nog niet ontvangen zijn, of dermate van aard zijn dat deze niet op een juiste wijze inhoudelijk kunnen worden beoordeeld, gaat het college er van uit dat het inkomen van de aanvrager van dien aard is dat het drempelbedrag door het college kan worden geheven. De eigen bijdrage zal dan worden verrekend of worden gefactureerd.

Om het vervoer per fiets te stimuleren wordt bij toekenning van de fietsvergoeding een bedrag per kilometer vergoed (op basis van reisregeling binnenland), zonder aftrek van het eventuele drempelbedrag. Het drempelbedrag wordt aan deze groep leerlingen derhalve niet in rekening gebracht.

D. Slotbepalingen

9. Afwijken van bepalingen en gevallen waarin de regeling niet voorziet

Toepassing van de hardheidsclausule wordt altijd voorgelegd aan het college en wordt dus niet gemandateerd.

10. Intrekking oude beleidsregels

De thans geldende beleidsregels, behorende bij de Verordening leerlingenvervoer gemeente Zaanstad 2017, worden ingetrokken op de datum waarop de Verordening leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2019 in werking treedt.

11. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de datum waarop de Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2019 in werking treedt.

12. Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels leerlingenvervoer Zaanstad 2019.

Ondertekening

Vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders van Zaanstad, op 12-02-2019.drs. J. Hamming, burgemeesterdrs. F.H.M. Apeldoorn, gemeentesecretaris