Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Beleidsregels bestuurlijke boete Wet Basisregistratie Personen Zaanstad
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels bestuurlijke boete Wet Basisregistratie Personen Zaanstad

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Zaanstad,

  • .

    gelet op het bepaalde in artikel 4.17 van de Wet Basisregistratie Personen en titel 5.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht,

  • .

    overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot het opleggen van een bestuurlijke boete in het kader van naleving van de Wet Basisregistratie Personen;

Besluit vast te stellen:

Beleidsregels bestuurlijke boete Wet Basisregistratie Personen

Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Zaanstad

Artikel 1: begrippen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    Wet: Wet basisregistratie personen (BRP);

  • 2.

    College: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Zaanstad;

  • 3.

    Boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 van de Wet;

  • 4.

    Overtreder: degene die verwijtbaar niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4.17 onder a van de Wet, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 4.17 onder b van de Wet;

  • 5.

    Valsheid in geschrifte: het misdrijf als bedoeld in artikel 225 van het wetboek van Strafrecht.

Artikel 2: hoogte van de boete
  • 1.

    Een boete van € 240, - wordt opgelegd aan de overtreder als niet voldaan is aan de aangifteverplichting bedoeld in artikel 2.38, 2.39 en 2.43 van de Wet;

  • 2.

    Een boete van € 240, - wordt opgelegd aan de overtreder als niet voldaan is aan de informatie- of zorgplicht bedoeld in artikelen 2.40 vijfde lid, 2.45 lid 2 tot en met 5, artikel 2.50 en 2.52 van de Wet;

  • 3.

    Een boete van € 325, - wordt opgelegd aan de overtreder wanneer niet voldaan is aan de verplichting zoals bedoeld in artikel 2.44 en 2.46 van de Wet;

  • 4.

    Een boete van € 325, - wordt opgelegd aan de overtreder wanneer de overtreder aan te merken is als gelegenheidsgever als bedoeld in artikel 4.17 onder b van de Wet;

  • 5.

    Een boete van € 325, - wordt opgelegd wanneer de overtreder eerder een overtreding heeft begaan, waarvoor eenzelfde boete kan worden opgelegd (recidive);

  • 6.

    Een boete van € 325, - wordt opgelegd wanneer een onjuiste aangifte is gedaan als bedoeld in artikel 2.38, 2.39 en 2.43 van de Wet doordat een tot aangifte verplicht persoon een valse, of vervalste aangifte doet, zich uitgeeft voor iemand anders dan wel valse of vervalste documenten heeft overgelegd.

Artikel 3: Bekendmaking en inwerkingtreding
  • 1.

    De beleidsregels worden bekend gemaakt door het plaatsen ervan in het Gemeenteblad. In een huis-aan-huisblad wordt meegedeeld dat de regeling voor een ieder kosteloos ter inzage ligt in het gemeentehuis. Daarnaast zal de tekst van de regeling worden geplaatst op de website van de gemeente;

  • 2.

    Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de dagtekening van het Gemeenteblad waarin zij wordt gepubliceerd met uitzondering van het bepaalde in artikel onder artikel 2 lid 1, 2, 4, 5 en 6 deze treden in werking bij nader te bepalen besluit.

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen.

Toelichting beleidsregels bestuurlijke boete wet basisregistratie personen

Algemeen

De gemeente moet alle inwoners registreren in de Basisregistratie Personen (BRP). De overheid kan die gegevens steeds opnieuw gebruiken voor haar dienstverlening, hulpverlening in noodsituaties, heffingen en handhaving. Dit maakt de overheid efficiënter, de dienstverlening beter en de aanpak van fraude doeltreffender. Voorwaarde is wel dat de basisregistratie actuele en betrouwbare gegevens bevat. Elke inwoner van Zaanstad is wettelijk verplicht om (bij wijzigingen zo snel mogelijk) de juiste gegevens door te geven aan de gemeente. Hierbij valt te denken aan de tijdige aangifte van vestiging; verhuizing; emigratie en het ter kennis brengen van alle akten over zijn/ haar burgerlijke staat en nationaliteit.

De Wet BRP heeft een nieuw instrument geïntroduceerd voor de handhaving van de plichten die burgers op grond van de Wet BRP hebben, namelijk een bestuurlijke boete.

Artikel 4.17 Wet BRP luidt:

Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste € 325 opleggen:

  • ·

    ter zake van overtreding van de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51en 2.52;

  • ·

    aan degene met een woonadres in de gemeente die bewust toelaat dat een andere persoon met datzelfde woonadres is ingeschreven, terwijl hij weet dat dit onjuist is.

Om uitvoering te geven aan het opleggen van de bestuurlijke boete is het wenselijk om beleidsregels vast te stellen waarin is opgenomen in welke gevallen een bestuurlijke boete zal worden opgelegd en wat de hoogte is van de bestuurlijke boete.

Schematisch overzicht soorten overtredingen die beboet worden en hoogte boete

Overtreding

Boete

Wetsartikelen

Het niet doen van aangifte van inschrijving, verhuizing of vertrek

€ 240

2.38, 2.39, 2.43

Niet geven van informatie, overleggen van geschriften, in persoon verschijnen

€ 240

2.44, 2.45 lid 1, 2.46 en 2.47

Niet voldoen aan informatie of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente als briefadresgever of hoofd van een instelling

€ 240

artikelen 2.40 vijfde lid, 2.45 leden 2 tot en met 5 en 2.50

Niet voldoen aan identiteitsplicht

€ 240

2.52

Het niet overleggen van een buitenlandse overlijdensakte

€ 325

2.51

Het niet overleggen van akten en andere brondocumenten

€ 325

2.44 en 2.46

Gelegenheidsgever

€ 325

4.17 sub b

Onjuiste aangifte met overlegging van valse documenten

€ 325

2.38, 2.39 en 2.43 juncto 2.45

Bij het daadwerkelijk opleggen van de boete houdt het college rekening met deomstandigheden in het concrete geval, voor zover bekend. Hierbij wordt gelet op de ernst van de overtreding en de verwijtbaarheid van de overtreder. Daarbij neemt het college de individuele omstandigheden waaronder de overtreding is begaan in aanmerking, voor zover deze bekend zijn. Op grond daarvan vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden. Het resultaat van de afweging zal leiden tot een boete die passend is bij de geconstateerde beboetbare gedraging. Op grond hiervan kan de boete in het concrete geval lager of hoger zijn dan de standaardboete die in de beleidsregels is vastgelegd (maar nooit hoger dan het wettelijk maximum van € 325, -).

De stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren rust op de belanghebbende. Het college hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of er van strafverminderde factoren sprake is.

Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of overtreding te voorkomen. Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven om de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren ook de financiële omstandigheden van de belanghebbende. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden. Het college zal bij het hanteren van deze matigingsgrond kritisch zijn.

Bestuurlijke boete en Algemene Wet Bestuursrecht

In titel 5.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) staan de algemene regels die van toepassing zijn op een bestuurlijke boete.

Horen

Bij het opleggen van de boete wordt de eenvoudige procedure gevolgd zoals die in de AWB is neergelegd, gelet op de omstandigheid dat het om een lichte boete gaat met als maximum bedrag € 325, -. Er zal in beginsel van de overtreding daarom geen boeterapport worden opgesteld. Omdat de bestuurlijke boete een financiële beschikking is in de zin van artikel 4:12 AWB, vloeit uit dat artikel voort dat in de eenvoudige procedure geen hoorplicht geldt.

Bezwaar en beroep

Tegen het opleggen van de bestuurlijke boete staat bezwaar en beroep open. De boetebeschikking dient daarom een bezwaarclausule te bevatten.

Overlijden overtreder

Een bestuurlijke boete kan niet worden opgelegd aan een overtreder die reeds is overleden. In artikel 5:42 van de AWB is bepaald, dat de opgelegde boete vervalt als deze bij leven van de overtreder is opgelegd, maar voor inning van het opgelegde boetebedrag komt te overlijden.

Verjaring

De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaar nadat de overtreding is begaan (artikel 5:45 AWB). Het is dus van belang te bepalen op welke datum de overtreding van een verplichting op grond van de Wet BRP is begaan. Uitgangspunt is, dat de overtreding wordt begaan op het moment dat het college constateert dat niet aan de wettelijke verplichtingen is voldaan. Elke dag, dat de burger in gebreke blijft, overtreedt hij de wet. De termijn schuift daarmee dus op.

Ne bis idem

Op grond van het bepaalde in artikel 5:43 van de AWB kan één overtreding slechts één maal worden beboet. Dit vloeit voort uit het beginsel van ne bis in idem. Het gaat hierbij om een sanctionering van hetzelfde feit. Als een persoon eerder beboet is in verband met eenzelfde verplichting, maar later weer niet voldoet aan een deze verplichting, dan is het niet hetzelfde feit.

Inherente afwijkingsbevoegdheid

Het college heeft ingevolge artikel 3:4, tweede lid, juncto 4:84 AWB de mogelijkheid om af te wijken van de beleidsregels inzake het opleggen van de boete. Dit gebeurt als er individuele omstandigheden zijn met een uitzonderlijk karakter die het naar oordeel van het college noodzakelijk maken dat er geen boete wordt opgelegd.

Artikelsgewijze toelichting

Toelichting artikel 1

Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als er sprake is van verwijtbaar gedrag. De mate van verwijtbaarheid wordt volgens vaste jurisprudentie bepaald op grond van objectieve- en subjectieve verwijtbaarheid. Bij objectieve verwijtbaarheid gaat het om het handelen of nalaten van de burger: heeft hij feitelijk een wettelijke regel overtreden? Bepalend daarbij is of er op hem een verplichting rustte op grond van de Wet BRP. Als uit een geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat op hem geen verplichting rustte, is er geen reden tot opleggen van de boete. Of er sprake is van objectief verwijtbaar gedrag blijkt uit het dossier op grond waarvan uiteindelijk een boete wordt opgelegd. Als kan worden vastgesteld dat de burger niet voldaan heeft aan zijn verplichting, wordt de verwijtbaarheid van de gedraging in beginsel aangenomen.

Bij subjectieve verwijtbaarheid gaat het om de persoon zelf: wist, of kon hij redelijkerwijs weten, dat hij een verplichting had moeten nakomen? Afhankelijk van de feiten en omstandigheden waarin de burger zich ten tijde van de verplichting bevond, bepaalt het college en eventueel de rechter of er sprake is van een overmachtssituatie, waardoor het de burger op subjectieve gronden niet verweten kan worden dat hij niet aan zijn verplichting voldoet. Een voorbeeld daarvan kan zijn een spoedopname in een ziekenhuis, waardoor iemand niet tijdig aan zijn verplichting kan voldoen. Hierbij is het wel van belang dat de overtreder zo snel mogelijk nadat hij ontslagen is uit het ziekenhuis alsnog aan zijn verplichting voldoet. Blijft hij nalatig in het voldoen aan deze verplichting, dan is hij immers nog steeds in overtreding, terwijl de subjectieve omstandigheden waardoor het nalaten niet verwijtbaar was, niet meer aanwezig zijn.

Toelichting artikel 2

In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen lage- en hoge bestuurlijke boeten. Voor lage bestuurlijke boeten gelden minder voorschriften en administratieve regels dan voor hogere boetes. De grens ligt op € 340, -. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, heeft de wetgever voor het opleggen van boeten in de Wet BRP gekozen voor een maximumboetebedrag van € 325, -. De maximalisering geeft de mogelijkheid te variëren in hoogten van boetes. Uit oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid stelt het college

twee boetes vast, namelijk een standaardboete van € 240, - en een hogere boete van € 325, -.

Een boete als deze kan alleen worden opgelegd, als betrokkene er van tevoren op gewezen is dat bij niet voldoen aan de verplichting mogelijk een boete zal worden opgelegd. Communicatie over dit onderwerp is dus van groot belang, temeer daar van dit handhavingsinstrument ook een preventievewerking dient uit te gaan. Daarom zal de mogelijkheid tot het opleggen van een boete worden vermeld in alle relevante correspondentie, er komt een aanduiding op de aangifteformulieren en ook op de gemeentelijke website wordt hieraan aandacht besteed.

Bij het doen van een valse aangifte zoals bedoeld onder 6 kan een bestuurlijke boete worden opgelegd, vanwege overtreding van de aangifteplicht. Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 5.44 van de AWB (ne bis in idem). Als er naast het overtreden van de aangifteplicht tevens sprake is van mogelijke valsheid in geschrifte, dient de zaak eerst aan het Openbaar Ministerie (OM) te worden voorgelegd. Besluit het OM niet strafrechtelijk te vervolgen, dan kan alsnog een bestuurlijke boete worden opgelegd. Er dient in een dergelijk geval dus aangifte van valsheid in geschrifte bij de politie te worden gedaan. Daarna moet er met het OM worden overlegd: of strafvervolging, of een gemeentelijke bestuurlijke boete. Op grond van genoemd artikel 5:44 mag voor hetzelfde feit niet beide sancties worden opgelegd.