Rijksoverheid

Regelingenpocket Zaanstad

Titel regeling
Beleidsregels Uitwegen gemeente Zaanstad 2008
Uitgever
Zaanstad

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Uitwegen Gemeente Zaanstad 2008

1. AANVRAAG UITWEGVERGUNNING

1.1 Inleiding

Voorliggende notitie behandelt een uitwerking van criteria voor vergunningverlening van uitwegvergunningen. Deze notitie heeft als doel een eenduidig beleidskader te hebben bij het beoordelen van aanvragen voor vergunningen.

Onder de ‘uitweg’, wordt in deze beleidsnotitie ‘uitritten’, ‘inritten’ en ‘opritten’ verstaan. Daarnaast wordt in deze notitie enkel een uitweg behandeld naar ‘bestemmingen’ (bijvoorbeeld woningen en bedrijven). Inritconstructies op kruispunten van wegen, bijvoorbeeld in 30 km zones, vallen niet onder deze notitie. Bij de breedte van een uitweg is voor de vergunningverlening van belang de breedte van het gedeelte dat grenst aan de openbare weg.

1.2 Relatie van de uitwegvergunning met andere vergunningen

Opgemerkt wordt dat in nieuw- of verbouwsituaties bij de bouwvergunning bekeken dient te worden of een uitwegvergunning volgens de regels mogelijk is. Er dient voorkomen te worden dat de gemeente Zaanstad ‘moreel’ verplicht is tot het verlenen van een uitwegvergunning welke niet aan de beleidsregels voldoet, omdat ze immers een bouwvergunning heeft afgegeven.

1.3 Wettelijke grondslag uitwegvergunning

Op grond van artikel 14 van de Wegenwet moet de eigenaar van een weg het uitwegen hierop in beginsel gedogen. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te regelen. Deze regeling is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zaanstad (APV).

Artikel 2.1.5.3 van de APV Maken, veranderen van een uitweg.

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
  a. een uitweg te maken naar de weg;
  b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
  c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat;
3. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:
  a. de bruikbaarheid van de weg;
  b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
  c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
  d. de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente.
4. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement van toepassing is.

2. BEGRIPSBEPALINGEN

Wegcategorisering kent een beperkt aantal wegtypen om duidelijkheid voor de weggebruiker te creëren. Doel is dat de weggebruiker weet op welk type hij / zij zich bevindt (door de essentiële herkenbaarheidkenmerken) en welk gedrag hier van hem / haar verwacht wordt.

2.1 Stroomwegen (alleen Buiten de Bebouwde Kom)

De primaire functie van een stroomweg is het verkeer zo snel mogelijk van streek A naar streek B te brengen. Het betreft met name lange afstandsverkeer, maar ook regionaal verkeer kan via een stroomweg worden afgewikkeld. Kenmerken van een stroomweg zijn onder andere de hoge intensiteiten en een hoge maximumsnelheid. In de praktijk betreft het autosnelwegen en autowegen. Het snelheidsregime is 100 of 120 km/u. Langzaam verkeer mag geen gebruik maken van dit type weg. Dit type weg kent geen erfaansluitingen. Slechts voor functies als benzinestation en rustplaats worden middels uit- en invoegwegen aansluitingen toegestaan.

2.2 Gebiedsontsluitingswegen (G.O.W)

Dit type weg is bedoeld om verkeersstromen vanuit de diverse gebieden te bundelen en verbindingen te bieden naar kerngebieden, naburige kernen of stroomwegen. In de praktijk betreffen stroomwegen vooral provinciale wegen en gemeentelijke hoofdwegen. In de Zaanse Categorisering worden 4 typen ontsluitingsweg onderscheiden:

2.1.1 Gebiedsontsluitingsweg Buiten de Bebouwde Kom (GOW Bubeko)

Dit zijn voor het merendeel provinciale wegen, rijsnelheid op hoofdrijbaan 80 km /u. Fietsen en bromfietsen niet op de hoofdrijbaan, dus op parallelweg c.q. fietspad. Bij uitzondering zijn erfaansluitingen toegestaan. Hierbij hoort dan een specifieke verkeersveilige vormgeving.

2.1.2 Gebiedontsluiting A Binnen de Bebouwde Kom (GOW A Bibeko)

Doorgaande wegen van het gemeentelijk hoofdwegennet. Rijsnelheid 70 km/u of 50 km/u, rijbaan 2x 1 rijstrook of 2x 2 rijstroken. Langzaam verkeer niet op de hoofdrijbaan, dus op parallelweg c.q. fietspad. Géén erfontsluitingen toegestaan.

2.1.3 Gebiedsontsluiting B Binnen de Bebouwde Kom (GOW B Bibeko)

Wegen van het gemeentelijk hoofdwegennet. Rijsnelheid 50 km/u. Langzaam verkeer niet op de hoofdrijbaan, dus op de parallelweg c.q. fietspad. Slechts incidenteel erfontsluitingen toe te staan.

2.1.4 Gebiedsontsluiting C Binnen de Bebouwde Kom (GOW C Bibeko)

Verzamelwegen binnen een wijk dan wel naar een wijk voerend. Rijsnelheid < 50 km/u. Langzaam verkeer maakt van dezelfde rijbaan gebruik als het gemotoriseerd verkeer. In het algemeen veel aanliggende bebouwing. Als enige van de Gebieds- ontsluitingswegen worden aan GOW C erfontsluitingen toegestaan.

2.3 Erftoegangsweg

Dit type weg is vooral bedoeld voor het ontsluiten van erven, woningen, bedrijven en andere bestemmingen. Hier staat de verblijfsfunctie voorop. Een samenhangend netwerk van erftoegangswegen vormt een verblijfsgebied. Binnen de bebouwde kom geldt op deze wegen een snelheidsregime van bij voorkeur 30 km/u, eventueel ondersteund met fysieke maatregelen. In sommige gevallen is ook 50 km/u mogelijk. Er is over het algemeen sprake van menging van auto’s en fietsen.

Buiten de bebouwde kom geldt op dit type wegen een snelheidsregime van 60 km/u.

2.4 Parkeerplaats

Een parkeerplaats is een ruimte geschikt om te parkeren, hetzij in een aangegeven parkeervak hetzij op een legale ruimte op de openbare weg.

3. CRITERIA VERLENEN OF WEIGEREN UITWEGVERGUNNING

Onderstaand wordt per weigeringsgrond uit de APV aangegeven welke criteria gehanteerd worden. De weigeringsgronden gelden voor alle uitwegen, tenzij anders vermeld.

De weigeringsgronden opgenomen in deze paragraaf gelden voor zowel uitwegen van woningen als voor uitwegen van bedrijven.

3.1 De bruikbaarheid van de weg

1. Op wegen welke in de wegcategorisering aangewezen zijn als erftoegangsweg is een uitweg mogelijk, indien er geen weigeringsgrond aanwezig is.
   
2. Op gebiedsontsluitingswegen is het vanuit Duurzaam Veilig niet wenselijk aansluitingen te hebben. Bij type Gebiedsontsluitingsweg C Binnen de Bebouwde kan en mag dat wel.
   
3. Uitwegen op gebiedsontsluitingswegen kunnen waar mogelijk wel op parallelwegen aangesloten worden. Als de bestaande wegenstructuur geen andere ontsluitingsmogelijkheid mogelijk maakt kan een uitzondering gemaakt worden.
   
4. Naast de onder lid 2 genoemde weigeringsgrond wordt een uitweg in ieder geval geweigerd, als er een of meerdere parkeerplaatsen moeten vervallen, terwijl er beperkt parkeerruimte in de straat of de omgeving aanwezig is.

3.2 Het veilig en doelmatig gebruik van de weg

3.2.1 Uitwegen naar bedrijven en woningen

1. Vanuit een uitweg moet men voldoende zicht hebben op het te betreden wegvak, aangezien een veilige toetreding tot de openbare weg mogelijk moet zijn. Daarom zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten gekozen:
  x In aansluitbochten van kruispunten kan geen uitweg worden toegestaan.
  x Op 5 meter afstand vanaf de openbare weg (rijbaan, fietspad, trottoir of andere wegvoorziening) moet het verkeer (auto, fiets, voetganger en ander verkeer) op deze weg vanaf de oprit voldoende zichtbaar zijn.
  Per geval wordt de zichtbaarheid gecontroleerd door de gemeente.
2. Vanuit de weg moet duidelijk herkenbaar zijn dat de uitweg leidt naar een privé-terrein.
  De vormgeving van de aansluiting op het openbaar gebied en op de openbare weg wordt door de gemeente bepaald. Indien er twijfel bestaat over de herkenbaarheid van het private karakter van de uitweg geeft de gemeente ook bindende aanwijzingen mee voor de inrichting op het eigen terrein.
3. Uitwegen, waar ook vrachtverkeer van gebruik gaat maken, dienen slechts in voorwaartse richting bereden te worden. Als gevolg van deze voorwaarde stelt de gemeente nadere eisen ten aanzien van de inrichting van het eigen terrein om het keren op eigen terrein te kunnen garanderen.

3.2.2 Uitwegen van woningen

1. Indien het gebruik van de openbare ruimte dat vereist en ook toelaat is bij woningen een uitweg toegestaan van maximaal 4.50 meter breed.
     
2. Indien het gebruik van de openbare ruimte dat vereist en ook toelaat is bij een gecombineerde uitweg van twee woningen een maximale breedte van 7.00 meter toegestaan.
     
3. Er is één uitweg per woning toegestaan.
     
  1. Het realiseren van een uitweg kan tot gevolg hebben dat de parkeermogelijkheden op de openbare weg worden beperkt. Daarom worden alleen in die gevallen de uitwegvergunningen verleend, indien de uitweg gebruikt wordt om het parkeren van twee of meerdere gemotoriseerde voertuigen op eigen terrein mogelijk te maken, maar niet in de voortuin (zie paragraaf 3.3 lid 1) en er maximaal één openbare parkeerplaats komt te vervallen.
     
  2. De lengte van de parkeerplek dient op eigen terrein minimaal 5 m1 te zijn en het geparkeerde voertuig mag in geen geval uitsteken over de openbare weg (trottoir, fietspad, rijbaan of andere wegvoorziening) .

3.2.3 Uitwegen van bedrijven

1. Bij bedrijven heeft een uitweg een breedte van 6 meter (personenverkeer) dan wel 8 meter (vrachtverkeer) met mogelijkheid van een maximale breedte van 12 meter bij vrachtverkeer met oplegger en / of aanhanger.
     
2. De breedte is afhankelijk van het gebruik van de uitweg en de draaicirkel van een maatgevend voertuig.
     
3. Het keren en manoeuvreren van de voertuigen dient op eigen terrein te kunnen plaatsvinden.
     
4. Bij grote bedrijfspercelen met een frontbreedte van meer dan 50 meter kunnen meerdere uitwegen toegestaan worden, waarbij het in lid 5 bepaalde geldt.
     
5. Er kan echter per perceel maar maximaal één 12 meter brede uitweg toegestaan worden per 50 meter frontbreedte van het bedrijfsperceel en de onderlinge afstand tussen de diverse uitwegen dient tenminste 25 meter te bedragen.
     
6. Bedrijven die een frontbreedte hebben van maximaal 50 meter kunnen volgens het onder lid 5 bepaalde maximaal één uitweg hebben. Echter 2 uitwegen kunnen worden toegestaan, mits:
  x er minimaal 20 meter tussen beide uitwegen aanwezig is;
  x de frontbreedte van het perceel minstens 30 meter bedraagt en
  x beide aparte uitwegen in de uitvoering slechts éénrichtingsverkeer kennen.
     
7. Wanneer door aanleg van een uitweg openbare parkeerplaats(en) komen te vervallen, moet het mogelijk zijn binnen een straal van 200 meter andere openbare parkeerplaats(en) te creëren, waarvan de kosten voor de aanleg van deze nieuwe parkeerplaats(en) door de aanvrager dienen te worden betaald.

3.3 De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving

1. Het uitgangspunt is, dat een uitweg van een zogenaamde tuinparkeerplaats (parkeren in de voortuin) niet is toegestaan. In de praktijk betekent dit dat een uitweg alleen toegestaan wordt, als de parkeerplaats zelf naast of achter de woning is gelegen.
2. Van lid 1 kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken, indien:
  x dit niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan en
  x er al voor meerdere gemotoriseerde voertuigen in de straat een uitwegvergunning is afgegeven, die niet voldoet aan lid 1 en
  x onvoldoende parkeergelegenheid bestaat in de straat en de directe omgeving en
  x dit niet in strijd is met de overige beleidsregels en
  x er voldoende ruimte overblijft om via de voortuin in en uit de woning te komen.
3. De gemeente schrijft voor welke materialen moeten worden gebruikt voor de verharding van de uitweg tot aan de erfgrens of tot 2 meter buiten de wegverharding in geval de erfgrens gelijk valt met de kant van de rijweg. De kosten voor de aanleg van de uitweg zijn geheel voor rekening van de aanvrager.

3.4 De bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente

1. Het is niet gewenst, dat openbare groenvoorzieningen, in het bijzonder bomen, verwijderd moeten worden voor een uitweg. Er wordt tevens vanuit gegaan, dat in geen geval reststukken groen van minder dan 5 m2 en voor hagen en dergelijke minder dan 5 m1 over mogen blijven.
2. Wanneer voor de aanleg van een uitweg bomen verwijderd moeten worden, dan is eerst een kapvergunning vereist alvorens een uitwegvergunning wordt afgegeven.
3. Indien het in verband met het vergunnen van een te realiseren uitweg noodzakelijk is, dat een kapvergunning aan de gemeente zelf moet worden verstrekt voor het kappen van een boom of bomen, welke in eigendom aan de gemeente toebehoren, zal respectievelijk zullen op kosten van de aanvrager van de betreffende uitwegvergunning de boom of bomen in kwestie worden gekapt, een en ander slechts voor zover daarvoor een onherroepelijke kapvergunning is verleend. Voorts dient aanvrager aan de gemeente de kosten te vergoeden, die zijn gemoeid met de herplant van de te kappen boom of bomen. Herplant vindt in beginsel plaats in de nabijheid van de betreffende uitweg. Indien dat niet mogelijk is vindt herplant elders binnen de gemeente plaats op een door of namens het college te bepalen locatie.

4. Uitzonderingen

De voorwaarden opgenomen in hoofdstuk 3 van deze beleidsnota zijn toetsingscriteria. Indien een uitwegvergunning volgens deze toetsingscriteria afgewezen dient te worden, is het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd om in uitzonderingsgevallen van deze regels af te wijken. De juridische grondslag voor deze afwijking op de beleidsregels is te vinden in artikel 4.84 van de Algemene Wet Bestuursrecht:

“Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.”