Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Beleidsregels leerlingenvervoer 2016
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels leerlingenvervoer 2016

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;

overwegende dat;

  • -

    enkele bepalingen in de Verordening Leerlingenvervoer Vlaardingen 2014 nadere uitleg behoeven;

  • -

    het wenselijk is om ten behoeve van de uitvoering van het leerlingenvervoer beleidsregels vast te stellen;

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Leerlingenvervoer Vlaardingen 2014;

BESLUIT vast te stellen:

Artikel 1 Het vaststellen van de reistijd, de afstand en de vergoeding

  • 1. Het vaststellen van de reistijd met het openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep B.V. beschikbaar gestelde informatie, www.9292ov.nl. Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school.

  • 2. Het vaststellen van de vergoeding met het eigen vervoer vindt plaats op basis van de kortste route berekend op basis van de ANWB-routeplanner, www.anwb.nl. Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school.

  • 3. Het vaststellen van de afstand tussen de woning en de school vindt plaats op basis van de kortste route berekend op basis van de ANWB-routeplanner, www.anwb.nl. Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school.

Artikel 2 Maximale reistijd aangepast vervoer

  • 1. Bij het vervoer van leerlingen in een taxi(bus) of schoolbus bedraagt de reistijd maximaal 1,5 uur indien de afstand tussen de woning en de school minder dan 50 kilometer bedraagt.

  • 2. De in het vorige lid genoemde maximale reistijd geldt niet voor leerlingen die vanwege lichamelijke of geestelijke beperkingen aangewezen zijn op een kortere reistijd. De maximale reistijd is in die gevallen afhankelijke van de individuele mogelijkheden.

  • 3. De ouders dienen door middel van een verklaring van de school en zo nodig aanvullende (medische) verklaringen aan te tonen dat sprake is van een in het vorige lid bedoelde beperking.

Artikel 3 Goedkoopst adequate bekostiging van het vervoer

  • 1. Het college gaat bij de bekostiging uit van de goedkoopst adequate mogelijkheid van vervoer.

  • 2. Indien de goedkoopst adequate mogelijkheid van vervoer bestaat uit een combinatie van verschillende vormen van vervoer (bus en trein, fiets en trein, etc.) gaat het college bij de bekostiging daarvan uit.

  • 3. De ouders dienen door middel van een verklaring van de school en zo nodig aanvullende (medische) verklaringen aan te tonen dat een voor de gemeente goedkopere wijze van vervoer niet adequaat is.

Artikel 4 Berekening bekostiging openbaar vervoer

De bekostiging op basis van openbaar vervoer (met begeleiding) wordt berekend op basis van dekosten van een maandabonnement voor het vervoer met de bus, ook indien de leerling van eenandere openbaarvervoermiddel gebruik maakt.

Artikel 5 Uitbetaling van de vergoeding openbaar vervoer en eigen vervoer

  • 1. De uitbetaling van de vergoeding van de kosten voor openbaar vervoer van de leerling (en eventueel van een begeleider) en het eigen vervoer vindt, gerekend over een schooljaar, in drie termijnen plaats. De bedragen en termijnen worden in het besluit op de aanvraag leerlingenvervoer vermeld.

  • 2. De ingangsdatum voor een vergoeding ligt nooit voor de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

  • 3. Indien het vermoeden bestaat dat de vergoeding voor andere doeleinden dan het vervoer van de leerling wordt gebruikt, kan het college de bekostiging doen toekomen aan een ander dan de ouders (bijvoorbeeld de school of hulpverleningsinstantie).

  • 4. Als de ouders toestemming krijgen om de leerling zelf te vervoeren, dan wordt een vergoeding per kilometer die de leerling aflegt, verstrekt. De hoogte van deze kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling binnenland.

  • 5. Indien de leerling verwijtbaar verzuimt van school of geschorst is, wordt over de dagen dat sprake is van het verzuim of de schorsing, geen bekostiging verstrekt dan wel wordt de bekostiging over die dagen teruggevorderd of verrekend.

Artikel 6 Doorgeven wijzigingen

  • 1. In artikel 6 van de verordening is bepaald dat ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de verstrekte vervoersvoorziening. Hieronder vallen in ieder geval de volgende situaties:

    • -

      wijziging in het verblijfadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing;

    • -

      wijziging van het adres van de school;

    • -

      ziekte of andere omstandigheden waardoor de leerling tijdelijk of blijvend de school niet langer bezoekt;

    • -

      wijzigingen in de gezinssituatie of omstandigheden op grond waarvan bekostiging op basis van aangepast vervoer is verstrekt;

    • -

      verandering in de beperking van de leerling.

  • 2. Indien een ouder verzuimt een wijziging als bedoeld in het vorige lid tijdig te melden en hierdoor onnodige kosten worden gemaakt, dient de ouder de onnodig gemaakte kosten te vergoeden.

Artikel 7 Drempelbedrag

  • 1. Op aanvraag van de ouders wordt bij de toepassing van het drempelbedrag uitgegaan van het inkomen van een ander, recenter jaar, dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, indien:

    • a.

      sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld; of

    • b.

      sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld.

  • 2. Voor voogdijinstellingen die als ‘ouder’ kunnen worden aangemerkt en een aanvraag voor een leerling hebben ingediend, geldt geen drempelbedrag omdat zij geen natuurlijke persoon zijn en derhalve geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben.

Artikel 8 Tijdelijk verblijf

  • 1. Een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden gedaan bij het college van de gemeente waar de leerling verblijft.

  • 2. Als vooraf vaststaat dat een leerling, die een vervoersvoorziening ontvangt, gedurende een korte periode (niet meer dan zes weken) in een andere gemeente verblijft en de oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente.

Artikel 9 Handicap

  • 1. Indien in de verordening gesproken wordt over handicap, wordt een handicap van structurele aard bedoeld. Het college verstrekt geen vervoersvoorziening om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft.

  • 2. Bij een tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden beoordeelt het college of de leerling op grond van de verordening in aanmerking komt voor aangepast vervoer.

Artikel 10 Opstapplaatsen

  • 1. Het college kan gebruik maken van opstapplaatsen. Hiervan zal in ieder geval sprake zijn bij aangepast vervoer in de vorm van vervoer met een bus of een touringcar.

  • 2. Het vervoer tussen de woning en de opstapplaats is een verantwoordelijkheid van de ouders.

  • 3. De opstapplaats is maximaal 1 kilometer van de woning gelegen.

Artikel 11 Begin- en eindtijd van de school

  • 1. Het door de gemeente verzorgd vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Met afwijkende rooster wordt in beginsel geen rekening gehouden. Het kan daardoor voorkomen dat leerlingen een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.

  • 2. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De school en/of de ouders dienen in voorkomende gevallen zelf in de opvang en/of het vervoer te voorzien.

Artikel 12 Vervoer naar een opvangadres, anders dan het woonadres

  • 1. Leerlingenvervoer op basis van aangepast vervoer vindt plaats tussen de woning van de leerling (of opstapplaats) en de school die de leerling bezoekt. In bijzondere gevallen kan het college toestemming geven voor het vervoer naar een opvangadres, anders dan het woonadres. Er moet dan voldaan zijn aan het volgende:

    • -

      de ouders moeten hierom schriftelijk verzoeken; en

    • -

      de ouders ontvangen bekostiging op basis van aangepast vervoer; en

    • -

      het opvangadres ligt binnen de gemeentegrens van Vlaardingen; en

    • -

      er zijn geen meerkosten verbonden aan het vervoer naar het opvangadres; en

    • -

      er dient sprake te zijn van een vast patroon. Dat wil zeggen één vast adres alsook op vaste dagen per week

  • 2. Er kan slechts toestemming worden verleend voor vervoer naar één opvangadres, anders dan het woonadres.

  • 3. Het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere begin- en eindtijd van de school volgens de schoolgids. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien om medische redenen de leerling op andere breng- en ophaaltijden is aangewezen.

  • 4. Vervoer vanaf het opvangadres naar het thuisadres of andersom behoort in geen enkel geval tot de mogelijkheden.

  • 5. Indien het vervoer naar het opvangadres meerkosten met zich meebrengt, wordt het vervoer in beginsel niet toegestaan. Indien het college dit wel toestaat, dienen de ouders de meerkosten te vergoeden.

  • 6. Indien sprake is van co-ouderschap moeten beide ouders een aanvraag indienen bij het college van de gemeente waar de leerling feitelijk verblijft. Dit is de gemeente waar de woning staat vanwaar uit de leerling de school bezoekt.

Artikel 13 Incidentele wijzigingen

  • 1. Het door het college verzorgde vervoer vindt alleen plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag zoals aangegeven in de schoolgids.

  • 2. Het college is niet verantwoordelijk voor wijzigingen in het vervoer indien vanwege ziekte, vervallen lesuren, feestdagen, examens of om andere redenen afgeweken wordt van de in de schoolgids aangegeven lestijden. In voorkomende situaties dienen de ouders zelf zorg te dragen voor het vervoer.

  • 3. Uitsluitend indien de structurele handicap of aandoening van de leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, kan vervoer buiten de schooltijden plaatsvinden. De ouders moeten de noodzaak hiervan met een verklaring van de school of een medische verklaring aantonen.

Artikel 14 Gedragsregels ten behoeve van aangepast vervoer

  • 1. Het college stelt, in samenwerking met de vervoerder, gedragsregels op voor de ouders en leerlingen die gebruik maken van het aangepast vervoer. Deze regels zijn noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen tijdens het vervoer zoveel mogelijk te garanderen.

  • 2. De ouders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van hun kind tijdens het vervoer.

  • 3. De ouders van een leerling die zich niet houdt aan de gedragregels krijgen een schriftelijke waarschuwing. Bij herhaling van het gedrag kan de leerling van het vervoer worden geschorst voor maximaal tien vervoersdagen. Tijdens de schorsing dienen de ouders het kind zelf naar school te vervoeren.

  • 4. Indien na een schorsing de leerling zich binnen 6 maanden (vakantiemaanden niet meegerekend) niet aan de gedragsregels houdt, kan de leerling van het aangepast vervoer worden uitgesloten.

  • 5. Indien sprake is van een ernstige misdraging die tevens een strafbaar gesteld feit betreft, kan de leerling zonder waarschuwing direct van het aangepast vervoer worden geschorst of uitgesloten.

  • 6. Indien het gedrag terug te voeren is op de ernstige verstandelijke handicap van de leerling en derhalve niet aan de leerling of de ouders kan worden toegerekend, wordt met de vervoerder, ouders, en eventueel de school een passende oplossing gezocht (bijv. begeleiding in het aangepast vervoer, eigen vervoer).

Artikel 15 Stagevervoer

  • 1. Leerlingen komen slechts voor stagevervoer in aanmerking indien de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar school ontvangt én de stage onderdeel van het onderwijsprogramma is.

  • 2. Een verzoek om vervoer naar een stageplek moet vergezeld gaan van een stageovereenkomst.

  • 3. Vervoer naar stageplekken vindt zoveel mogelijk binnen de reguliere schooltijden plaats zodat de kosten beperkt zijn.

  • 4. Stagevervoer vindt niet plaats indien de leerling in staat is om de stageplek zelfstandig te bezoeken met openbaar vervoer, bromfiets of fiets.

Artikel 16 Gebruik hardheidsclausule

  • 1. Slechts wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden waarin de verordening niet voorziet en waarbij de toepassing van de bepalingen in de verordening tot een kennelijke onbillijke situatie zou leiden, kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule.

  • 2. De ouders dienen aan te tonen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

Artikel 17 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag nadat zij zijn bekend gemaakt onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels Leerlingenvervoer 2013.

Artikel 18 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: ‘Beleidsregels leerlingenvervoer 2016’.

Ondertekening

Aldus op 15 maart 2016 vastgesteld door burgemeester en wethouders van Vlaardingen,
De secretaris, De burgemeester,
mw. mr. A.G. Knol – Van Leeuwen A.B. Blase