Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houdende hogere waarden geluid
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleid hogere waarden Vlaardingen 2016

Wet geluidhinder – beleidsregel

gemeente Vlaardingen

Beleid hogere waarden

1 INLEIDING

Aanleiding

De Wet geluidhinder heeft tot doel het voorkomen en beperken van geluidhinder. Het gaat hierbij niet alleen om een betere leefomgeving maar ook om het verminderen of voorkomen van negatieve gezondheidseffecten door geluid.

De Wet geluidhinder heeft daarom ook een sterke invloed op ruimtelijke ontwikkelingen: bij het bouwen van geluidgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, maar ook verzorgingshuizen en kinderdagverblijven) moet rekening gehouden worden met geluid. Voor verschillende typen geluidbelastingen worden in de Wet geluidhinder grenswaarden aangegeven waarbij een ondergrens (de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting of nog steeds de voorkeurswaarde genoemd) en een bovengrens (de maximale hogere waarde of nog steeds de maximale grenswaarde genoemd) gelden. In principe moet er altijd naar worden gestreefd de voorkeurswaarde aan te houden. Er zijn uitzonderingen mogelijk, zolang de wettelijke maximale hogere waarden niet worden overschreden.

Vanaf januari 2007 kan de gemeente de zogenoemde ‘hogere waardenbesluiten’ nemen. Voorheen was dit een taak van de provincie. Hogere waardenbesluiten maken het mogelijk om te bouwen boven de voorkeursgrenswaarde. Bij het vaststellen van hogere waarden heeft B&W een zekere beleidsruimte. Om er voor te zorgen dat besluiten over hogere waarden goed geborgd zijn en de voorwaarden transparant zijn, ontwikkelen gemeenten hiervoor een beleidsregel.

Beleidsregel

In deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan die beleidsruimte bij het vaststellen van hogere waardenbesluiten. Het gaat daarbij om de afweging in welke gevallen en onder welke voorwaarden het vaststellen van hogere waardenbesluiten volgens B&W acceptabel en gewenst is (de motivering, de onderbouwing van het besluit).

Bij de ontwikkeling van dit beleid is aangesloten bij de ambities uit het gebiedsgericht milieubeleid van Vlaardingen en de in het verleden geldende voorwaarden voor ontheffingen van de provincie. Ook is gekeken naar het beleid van gemeenten in de regio en hun ervaringen met het hogere waardenbeleid. De voorwaarden die uiteindelijk zijn opgenomen in deze beleidsregel worden ook grotendeels toegepast in omliggende gemeenten.

Daarnaast is gekeken naar de mogelijke effecten van het beleid op toekomstige ontwikkelingen. Naar verwachting kan bij een groot deel van de ontwikkelingen het beleid toegepast worden. In specifieke gevallen is het mogelijk om te besluiten af te wijken van de voorwaarden van de beleidsregel. In de motivering wordt dan aangegeven waarom het niet mogelijk is om te voldoen aan de voorwaarden en welke andere belangen er spelen die maken dat de plannen toch een vervolg moeten krijgen. Ervaring van omliggende gemeenten laat zien dat dit veelal niet nodig is omdat binnen plannen creatief gezocht wordt naar een betere inrichting van het plangebied.

De beleidsregel richt zich uitdrukkelijk niet op industrielawaai. Deze voorwaarden gelden alleen voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai omdat deze te realiseren zijn bij de eerstelijns bebouwing (direct naast het spoor of de weg). Bij industrielawaai gaat het vaker om een ‘deken’ van geluid.

 Ambities

De gemeente Vlaardingen heeft in maart / april 2013 het ambitiedocument Gebiedsgericht milieubeleid Vlaardingen vastgesteld. Dit document biedt de basis voor duurzame gebiedsontwikkeling in

de gemeente Vlaardingen. Beschreven is welke milieu- en duurzaamheidsambities Vlaardingen heeft voor de verschillende deelgebieden in de gemeente. Hiermee zijn milieuvoorwaarden en -ambities voor de ontwikkeling van specifieke gebieden geformuleerd; de milieuvoorwaarden en -ambities kunnen hierdoor gestructureerd en in een vroeg stadium worden ingebracht bij ruimtelijke planvorming in die gebieden. De voor de gemeente kenmerkende gebiedstypen zijn opgenomen in een gebiedstypenkaart. Ook voor geluid zijn de ambities afgestemd op de ruimtelijk-functionele kenmerken van de verschillende gebieden. Voor geluid zijn voor ieder gebiedstype voor de gecumuleerde geluidbelasting een bandbreedte en een streefwaarde (geen norm) gegeven. Het maximum van de bandbreedte is vaak lager dan de wettelijk vast te stellen maximale hogere waarde. Door voorwaarden te stellen aan het vaststellen van hogere waarden, wordt de ervaren hinder wel verminderd.

Bij deze waarden geldt de volgende perceptie:

Kwantitatief Perceptie

40 dB stil

43 dB rustig

48 dB hoorbaar

53-58 dB druk

58-63 dB lawaaiig

63-73 dB zeer lawaaiig

Dit hogere waardenbeleid vormt een kader voor partijen, die betrokken zijn bij de ontwikkeling van visies en plannen, zoals gemeentelijke dienstonderdelen, projectontwikkelaars, stedenbouwkundigen, architecten en hun (akoestische) adviseurs. Door toepassing van deze beleidsregel wordt de ervaren geluidhinder beperkt en wordt zo bijgedragen aan de ambities van het Vlaardingse milieubeleid.

Toekomstige ontwikkelingen

Met de totstandkoming van Swung-2, fase 2 van de herziening van de geluidwetgeving, komen de hogere waarden te vervallen. Deze aanpassingen worden opgenomen in de Omgevingswet die op zijn vroegst in werking treedt in 2018. In plaats van te kijken naar ofwel de geluideffecten van infrastructuur of industrieterrein, ofwel naar de geluidbelasting daarvan op geluidgevoelige objecten in de omgeving, zal in de ruimtelijke besluitvorming geluid vroeg worden geïntegreerd. Vroege integratie van geluid levert in de ruimtelijke besluitvorming kansen voor een, mede vanuit het perspectief van leefomgevingskwaliteit en gezondheid, optimale indeling van het ruimtelijke plan en de woningen. Overigens blijft het nieuwe normenhuis bestaan uit een stelsel van voorkeurswaarden en maximale hogere waarden.

Naar het zich laat aanzien biedt de Omgevingswet straks de mogelijkheid af te wijken van de normen, mits daarvoor een goede motivering wordt gegeven. Het kan zijn dat Vlaardingen deze mogelijkheid nodig heeft om bepaalde gebieden, zoals Rivieroevers te kunnen ontwikkelen. Dit beleid kan de basis voor een dergelijke motivering geven.

2 WETGEVING EN BELEID

2.1 Wetgeving

Bij een procedure in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan en bij toepassing van een procedure als bedoeld in artikel 3.6 (wijziging of uitwerking) van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zullen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan of het bouwplan toetsen aan de Wet geluidhinder en het hogere waardenbeleid.

In de Wet geluidhinder wordt bij de bescherming tegen geluid uitgegaan van het beschermen van gebouwen (woningen en andere geluidgevoelige gebouwen) én geluidgevoelige terreinen. De limitatieve lijst geluidgevoelige gebouwen bestaat uit:

  • woningen

  • onderwijsgebouwen

  • kinderdagverblijven.

  • ziekenhuizen en verpleeghuizen

  • verzorgingstehuizen

  • psychiatrische inrichtingen

De geluidgevoelige terreinen:

  • woonwagenstandplaatsen

  • ligplaatsen voor woonschepen.

De hierboven genoemde gebouwen en terreinen worden in het bestemmingsplan weergegeven als de bestemmingen woningen, maatschappelijke voorzieningen, en dergelijke (met de bijbehorende doeleindenomschrijvingen). De grens van de bestemming is maatgevend, niet het gebouw of object.

In bijlage 1 is een overzicht van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (nog vaak de voorkeurswaarde genoemd) en de maximale hogere waarden (nog vaak de maximale grenswaarden genoemd) opgenomen. 

Aan de uitoefening van de bevoegdheid om een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast te stellen, zijn grenzen verbonden. In de Wgh en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten zijn voorwaarden verbonden aan het vaststellen van een hogere waarde.

Zo moet de hogere waarde liggen binnen de marge van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (voorkeurswaarde) en de maximale hogere waarde. Bovendien kan alleen een hogere waarde worden vastgesteld na afweging van belangen en als geluidbeperkende maatregelen zijn overwogen.

Er zijn verschillende geluidbeperkende maatregelen. Deze kunnen worden verdeeld in bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger.

In het akoestisch onderzoek moet worden onderzocht of geluidbeperkende maatregelen akoestisch doeltreffend kunnen zijn (artikel 77 Wgh). Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk dient te worden voldaan aan de voorkeurswaarde. Als dat niet mogelijk is, kan worden overwogen om hogere waarden vast te stellen.

2.2 Beleid

Uitgangspunt

Het hogere waardenbeleid heeft als uitgangspunt dat wonen op geluidbelaste locaties niet hoeft te leiden tot een toename van de geluidhinder. Het uiteindelijke doel is het zoveel mogelijk voorkomen of verminderen van (nieuwe) geluidhindersituaties in de gemeente. In algemene zin wordt bij het ontwerp van een plangebied gestreefd naar een goede afscherming van geluid door vorm en situering van de bebouwing.

Bij het vaststellen van een hogere waardenbesluit worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • a.

    minimaal één geluidluwe zijde of loggia;

  • b.

    een geluidluwe buitenruimte (tuin/balkon);

  • c.

    de meeste slaapkamers gesitueerd aan de geluidluwe zijde.

Voor alle voorwaarden geldt dat een gelijkwaardig of beter alternatief (minimaal dezelfde effecten) ook mogelijk is.

Indien het ontwerp van de aanvrager aan een of meerdere voorwaarden niet voldoet of hiervoor gelijkwaardige alternatieven aandraagt ,, dan wordt er geen hogere waardenbesluit vastgesteld. Met betrekking tot deze voorwaarden is wel sprake van een inspanningsverplichting. De aanvrager kan in zijn ontwerp gemotiveerd afwijken, indien er andere gronden zijn om toch een hogere waardenbesluit vast te stellen. Denk aan grote economische of maatschappelijke belangen. Het College kan daarop bij de vaststelling van de hogere waarde besluiten om bij uitzondering gemotiveerd af te wijken van de aanvullende voorwaarden uit het Beleid hogere waarden. Op deze manier wordt voorkomen dat de beleidslijn leidt tot onvoorziene en ongewenste gevolgen.

Vorm en situatie ontwerp

  • Om toename van geluidhinder te voorkomen, moet zowel tijdens de planvorming als bij de verdere uitwerking van ruimtelijke plannen mede rekening worden gehouden met het geluidaspect. Het beleid kan namelijk alleen succesvol zijn als vroegtijdig in de ruimtelijke planfase rekening wordt gehouden met het hogere waardenbeleid. Op de site van de DCMR is de Handreiking bouwen op geluidbelaste locaties te vinden. Deze handreiking bevat tal van geluidbeperkende maatregelen, die in de verschillende fasen van planontwikkeling (visie, masterplan, stedenbouwkundig en bouwkundig) kunnen worden overwogen. Op stedenbouwkundig niveau kunnen de ontwerprichtlijnen voor een optimaal akoestische richting worden gehanteerd. De voornaamste ontwerprichtlijnen zijn in de Handreiking opgenomen. Enkele voorbeelden hiervan zijn een aaneengesloten bebouwing aan de geluidbelaste kant, gesloten bouwblokken voor een rustig binnenterrein, afscherming door niet geluidgevoelige objecten (zoals kantoren), het voorkomen van geluidweerkaatsing, terrasgevelstructuur, zaagtandgevel, afschermende galerij, voorzetgevel en loggia. Hieronder is een combinatie van voorbeelden uit de Handreiking overgenomen van ‘slim inrichten’ van een plangebied met woningen/woongebouwen.

i281062ieda96ed9-a205-4f11-a79b-b9ba2d15ba22.png

afbeelding 1. voorbeelden slechte en goede afscherming door vorm en situering van een gebouw

Geluidluwe gevel en buitenruimte en indeling

In de praktijk blijkt beperking van de geluidbelasting op de gevel niet of slechts in beperkte mate mogelijk. Bron- of overdrachtsmaatregelen zijn niet altijd doeltreffend of stuiten op andere bezwaren.

In een stedelijk gebied zullen nu en in de toekomst nieuwe woningen worden gebouwd op geluidbelaste locaties. Het is met dit gegeven vooral belangrijk om het aantal nieuwe mensen dat ernstig door geluid wordt gehinderd en tijdens het slapen wordt gestoord, te minimaliseren. In situaties, waarin de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (voorkeurswaarde) dreigt te worden overschreden en bron- of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, is maatwerk noodzakelijk.

Een van de belangrijkste voorwaarden bij het vaststellen van hogere waarden is derhalve dat een woning moet beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Een woning of appartement met een geluidluwe buitenruimte (tuin, loggia of balkon) geeft de bewoner(s) de kans om op een rustige plek bij het huis te verblijven.

De meest voor de hand liggende aanpak om een geluidluwe zijde tot stand te brengen, is de bebouwingsblokken parallel aan de bron te situeren; de bouwblokken schermen dan hun eigen achterzijde af (en het eventueel erachter gelegen woongebied).

Indien geen geluidluwe buitenruimte mogelijk is, worden bij voorkeur serres of afsluitbare balkons (loggia’s) toegepast.

i281063ica8f1f85-1e3b-401a-bbf1-ab585669cc16.png

Waaraan moet een geluidluwe zijde voldoen?

De grenswaarde voor een geluidluwe gevel of buitenruimte is 53 dB (exclusief aftrek) voor wegverkeerslawaai, 55 dB voor spoorwegverkeerslawaai. Voor wegverkeerslawaai betekent dit dat de geluidbelasting van alle wegen tezamen (ook de 30 km/uur-wegen) op de gevel maximaal 53 dB mag zijn, wil er sprake zijn van een geluidluwe gevel

Bij het vaststellen van hogere waarden is het belangrijk dat de geluidsituatie bij de geluidluwe zijde niet wordt verstoord door ander geluid, zoals parkeren op binnenterreinen of een speelplaats van een school.

Naast de geluidluwe gevel en buitenruimte worden voorwaarden gesteld aan de indeling van de geluidgevoelige ruimten in een woning. De voorwaarde is dat de meeste slaapkamers aan de geluidluwe zijde of het geluidluwe balkon of de geluidluwe loggia zijn gelegen. Het voldoen aan de wettelijke binnenwaarden is vaak niet voldoende voor het voorkomen van geluidhinder en slaapverstoring, met name bij geopende ramen in geluidgevoelige ruimten.

Onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting

De Wet geluidhinder stelt dat burgemeester en wethouders alleen hogere waarden kunnen toekennen indien de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Voor het hogere waardenbeleid is er daarom gekozen hierbij aan te sluiten en het beleid voor het vaststellen van hogere waarden af te stemmen op de hoogte van de optredende gecumuleerde hindergewogen geluidbelasting van alle bronnen tezamen.

De grenswaarde voor een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is bepaald op 70 dB.

In artikel 1.4 en bijlage I, behorende bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 is aangegeven hoe de cumulatie moet worden berekend.

Leefomgevingskwaliteit

De gecumuleerde geluidbelasting Lcum, berekend volgens de methode van de Wgh, kan een vertekend beeld geven van de werkelijk ervaren geluidbelasting. Dit komt doordat de niet-gezoneerde geluidbronnen en de geluidbronnen, die niet zorgen voor een overschrijding van de voorkeurswaarde, buiten beschouwing worden gelaten. Voorbeelden van niet-gezoneerde geluidbronnen zijn wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur, solitaire inrichtingen en vaarwegen. Hoewel deze bronnen wettelijk niet meetellen, kunnen ze wel een relevante bijdrage aan de totale geluidbelasting leveren.

Voor een goede ruimtelijke onderbouwing is het van belang om, behalve de Lcum, ook de totale geluidbelasting Ltotaal te presenteren. Dit betreft de geluidbelasting van alle geluidbronnen, hindergewogen en gecumuleerd. De L totaal is informatie die gebruikt wordt bij het zoeken naar goede ruimtelijke oplossingen. Dit is dus geen toetsnorm.

Dove gevel

Indien de geluidbelasting de maximale hogere waarde (in de spreektaal nog steeds maximale grenswaarde genoemd) overschrijdt, zou nieuwbouw doorgang kunnen vinden door de woningen te voorzien van een zogenaamde dove gevel. De Wgh is namelijk niet van toepassing op dove gevels.

Het zoeken naar oplossingen, zeker bij grote omvangrijke bouwprojecten, heeft echter de voorkeur boven het gebruik van dove gevels. In de ‘oude’ Wet geluidhinder werd onder een ‘dove gevel’ verstaan een bouwkundige constructie zonder te openen delen en met een zekere geluidwering. In de gewijzigde Wet geluidhinder is dit verruimd. Een dove gevel mag ook te openen delen hebben, mits die delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. De consequentie van een dove gevel is dat de ruimte aan de buitenzijde van een dergelijke gevel niet als ‘buitenruimte’ (tuin, terras, balkon) kan worden aangemerkt. Bijvoorbeeld een loggia met een schuifraam valt binnen deze definitie. De loggia zelf is een niet geluidgevoelige buitenruimte. De geluidgevoelige ruimte is daarachter gesitueerd. Ventilatieopeningen zijn niet toegestaan. De ventilatie zal op een andere wijze moeten worden gerealiseerd. In de Handreiking bouwen op geluidbelaste locaties zijn voorbeelden opgenomen wat kan worden beschouwd als een dove gevel.

Beperkte onderzoeksplicht

In de Wet geluidhinder is een verzwaarde onderzoeksplicht opgenomen naar maatregelen die kunnen leiden tot een geluidbelasting dat onder de voorkeurswaarde blijft. De gemeente Vlaardingen wil de effectiviteit van de zwaardere onderzoeksplicht en de inzet op de voorkeursvolgorde aan de realiteit van Vlaardingen aanpassen. Hierdoor worden situaties uitgesloten die nu al niet-realistische of onhaalbare maatregelen opleveren. De ruimtelijke planvorming en het wegbeheer worden daardoor niet onnodig belast.

Volgens de Wet geluidhinder dient de initiatiefnemer nadrukkelijk de mogelijkheden voor bronmaatregelen te onderzoeken en af te wegen. Tot bronmaatregelen behoort ook de aanleg van geluidreducerend wegdek. De aanleg van geluidreducerend asfalt is vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) en akoestisch oogpunt niet realistisch binnen 50 meter vanuit het hart van een kruispunt of rotonde. Er treedt dan groot en snel kwaliteitsverlies op van het wegdek door het afremmende en optrekkende verkeer. Bovendien is de snelheid van voertuigen lager waardoor het bandengeluid niet bepalend is. Het effect van geluidreducerend asfalt zal dus ook veel lager zijn.

De gemeente Vlaardingen sluit geluidreducerend wegdek uit van de onderzoeksplicht indien een project wordt gerealiseerd binnen 50 meter van het hart van een kruispunt of rotonde.

Naast bronmaatregelen moeten ook overdrachtsmaatregelen worden onderzocht. Geluidschermen zijn vaak alleen mogelijk als er voldoende ruimte tussen de bron en de woningen is. Veelal is hiervan sprake indien woningen langs een rijksweg of een spoorbaan worden gebouwd. Schermen kunnen bij de overige wegen vaak een ongewenste verkeerskundige of stedenbouwkundige barrière vormen.

In de gemeente Vlaardingen worden de overdrachtsmaatregelen daarom alleen onderzocht en afgewogen bij:

  • de aanleg of reconstructie van hoofdverkeerswegen;

  • de bouw van geluidgevoelige gebouwen langs de doorgaande rijkswegen of spoorwegen.

2.3 Ontheffingsmogelijkheid

2.3.1 Wegverkeerslawaai

Verreweg de meeste hogere waardenprocedures hebben betrekking op nieuw te bouwen woningen in bestaande woonwijken langs bestaande wegen en soms in geval van reconstructie van wegen. Hogere waarden kunnen worden vastgesteld vanaf 49 dB tot de maximale hogere waarde.

De maximale hogere waarde is afhankelijk van de situatie (stedelijk of buitenstedelijk gebied, vervangende nieuwbouw, agrarische woning, vervangende nieuwbouw). Zie ook bijlage 2.

i281069icaf4d6aa-841d-4c72-abd8-5763ee262293.png

2.3.2 Industrielawaai

De gemeente Vlaardingen kent naast bedrijventerreinen ook gezoneerde industrieterreinen. Een groot deel van Vlaardingen ligt in een dergelijke zone. De zonegrens is een scheidslijn en geeft naar de bedrijven toe de geluidruimte weer die zij tot hun beschikking hebben en voor de omliggende woningen is de borg dat alle bedrijven tezamen op het gehele industrieterrein nooit meer geluid zal maken dan 50 dB(A). Het bouwen binnen een geluidzone kan gevolgen hebben voor de afzonderlijke bedrijven en het industrieterrein als geheel en vindt daarom plaats na zorgvuldige afweging van de belangen.

i281070ib2bea5c0-1c4e-42da-bf3e-1bbc80ce8af1.png

De gemeente Vlaardingen sluit het treffen van bronmaatregelen uit van de onderzoeks- en motiveringsplicht. Voor de bedrijven op de Vulcaanhaven, Koningin Wilhelminahaven en Klein Vettenoord (huidige Zevenmanshaven) is een saneringsplan opgesteld. Inmiddels zijn nagenoeg alle saneringmaatregelen (bronmaatregelen) uitgevoerd bij de bedrijven.

De ‘voorkeurswaarde’ voor industrielawaai is 50 dB(A) en de maximale hogere waarde is 55 dB(A).

Het hogere waardenbeleid heeft geen betrekking op industrielawaai. Dit betekent dat de voorwaarden genoemd onder 2.2 niet gelden voor de bron industrie.

Interimwet stad-en-milieubenadering

De gemeente Vlaardingen ziet af van het toepassen van de zeehavennorm en gaat bij een hogere geluidbelasting dan 55 dB(A) direct over op de Interimwet stad-en-milieubenadering. Met deze wet kan, onder bepaalde voorwaarden, worden afgeweken van de maximale hogere waarden uit de Wet geluidhinder.

2.3.3 Railverkeerslawaai

In tegenstelling tot wegverkeerslawaai is het bij railverkeerslawaai bijna altijd zinvol om een afweging te maken of schermen direct langs het spoor mogelijk zijn. De schermvariant valt veelal af aangezien de kosten niet in verhouding staan tot het aantal geluidbelaste woningen. Indien schermen geplaatst worden heeft dit echter niet alleen een positief effect op de nieuw te bouwen woningen maar ook op de bestaande.

i281071iba584659-1cb7-4580-85b8-416a5b8493de.png

Eind jaren negentig is langs de noordkant van de spoorlijn tussen station Vlaardingen-Oost en het Sluisplein een spoorscherm van 1 meter hoog geplaatst. De bouw van het spoorscherm is een wettelijke verplichting, omdat het railtraject verschoven is in de richting van de woningen langs de Spoorsingel. Er was sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.

De voorkeurswaarde voor railverkeerslawaai is overigens 55 dB en de maximale hogere waarde 68 dB.

2.3.4 Voorwaarden bij hogere waarden naar geluidsoort

Het vaststellen van een hogere waarde kan alleen als toepassing van geluidbeperkende maatregelen tot de voorkeurswaarde onvoldoende doeltreffend is, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (artikel 110a, lid 5 van de Wgh). In de Wgh en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten is niet aangegeven wat inhoudelijk wordt verstaan onder deze bezwaren.

Bij het vaststellen van een hogere waarde kunnen, afhankelijk van de geluidbron en de geluidbelasting, voorwaarden worden gesteld.

In de hieronder staande tabel zijn de voorwaarden weergegeven per geluidsoort (niet cumulatief) en range geluidbelasting. De geluidbelasting is aangegeven inclusief de aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder.

In algemene zin wordt bij het ontwerp van een plangebied gestreefd naar een goede afscherming van geluid door vorm en situering van de bebouwing.

Tabel 1.

Wegverkeerslawaai

Geluidbelasting (Lden) Voorwaarden
49 - maximale hogere waarde (afhankelijk van de situatie) ● minimaal één geluidluwe zijde of loggia ;
  ● een geluidluwe buitenruimte (tuin/ balkon);
  ● de meeste slaapkamers gesitueerd aan de geluidluwe zijde.
  Of gelijkwaardig of beter alternatief.

  

Railverkeerslawaai

Geluidbelasting (Lden) Voorwaarden
56 - 68 dB ● minimaal één geluidluwe zijde of loggia ;
  ● een geluidluwe buitenruimte (tuin/ balkon);
  ● de meeste slaapkamers gesitueerd aan de geluidluwe zijde.
  Of gelijkwaardig of beter alternatief.

  

Industrielawaai

Geluidbelasting (etmaalwaarde) Voorwaarden
51 - 55 dB (A) geen voorwaarden
55 - hoger geen hogere waardenbesluit mogelijk, toepassing andere wetgeving (bijvoorbeeld Interimwet stad-en-milieubenadering)

 

BIJLAGE 1: PROCEDURE

Het vaststellen van een hogere waarde is altijd gekoppeld aan een ruimtelijke ontwikkeling. De -ju-ridische - aanleiding voor het vaststellen van een hogere waarde is dan ook altijd een procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), een procedure op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), dan wel een besluit van het College van burgemeester en wethouders op grond van artikel 81 van de Wgh of artikel 4.6 van het Besluit geluidhinder (hierna: Bgh).

In de volgende situaties kan sprake zijn van het vaststellen van een hogere waarde:

- bij de vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro);
- bij de vaststelling van een wijzigingsplan (artikel 3.6, lid 1, onder a Wro);
- bij de vaststelling van een uitwerkingsplan (artikel 3.6, lid 1, onder b Wro);
- bij reconstructie of aanleg van een weg anders dan in het kader van een vaststelling van een bestemmingsplan; 
- bij ruime afwijking van het bestemmingsplan (artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo).

 

Het beleid kan alleen succesvol zijn als vroegtijdig in de ruimtelijke planfase, rekening wordt gehouden met het hogere waardenbeleid. Het is daarbij belangrijk dat het geluidaspect in een vroeg stadium wordt betrokken bij de te plannen ruimtelijke ontwikkelingen.

B1.1 Afstemming  

Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag tot het vaststellen van een hogere waarde niet tevens de beheerder van de weg, spoorweg of het industrieterrein is. De beheerder is de rechtspersoon die of het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor het beheer van de weg, spoorweg of het industrieterrein.

Dit zijn:

- B&W van een andere gemeente, indien geluidgevoelige bestemmingen worden gebouwd in een zone van een weg, waarvan B&W van een andere gemeente beheerder is; 
- B&W van een andere gemeente, indien geluidgevoelige bestemmingen worden gebouwd in een zone rondom een industrieterrein, waarvoor B&W van een andere gemeente beheerder is;
- Het Waterschap, indien geluidgevoelige bestemmingen worden gebouwd in een zone langs een weg in beheer van het Waterschap;
- Gedeputeerde Staten van de provincie, indien geluidgevoelige bestemmingen worden gebouwd in een zone langs een provinciale weg;
- Rijkswaterstaat, indien geluidgevoelige bestemmingen worden gebouwd in de zone van een rijksweg;
- ProRail, indien geluidgevoelige bestemmingen worden gebouwd in de zone van een hoofdspoorweg.

 

Wanneer de gemeente woningen wil realiseren binnen haar gemeentegrenzen en zij niet bevoegd gezag is voor de weg, spoorweg of het industrieterrein, dan informeert de gemeente in een zo vroeg mogelijk stadium de bronbeheerder(s) over de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen of zal de gemeente de projectontwikkelaar verzoeken deze contacten te leggen.

B1.2 Bevoegd gezag  

Als eerste is B&W bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde binnen de grenzen van de gemeente (artikel 110a, lid 1 van de Wgh). Daarnaast is B&W bevoegd hogere waarden vast te stellen voor een activiteit, die wordt uitgevoerd binnen de grenzen van de gemeente, maar waarvoor in een andere gemeente hogere waarden moeten worden vastgesteld (artikel 110a, lid 2 van de Wgh). Bijvoorbeeld als binnen de gemeente een weg wordt aangelegd en de toekomstige zone van die weg zich uitstrekt binnen de grenzen van een buurgemeente en er tevens in die zone geluidgevoelige gebouwen of terreinen zijn gelegen, waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld, dan is B&W bevoegd tot het vaststellen van de hogere waarden voor die geluidgevoelige gebouwen of terreinen, die zijn gelegen in de buurgemeente. B&W kan alleen hiertoe overgaan na overleg met B&W van de buurgemeente (artikel 110b, lid 1 van de Wgh).

Er zijn situaties, waarin B&W niet bevoegd is tot het vaststellen van een hogere waarde.

B&W is niet bevoegd, indien een hogere waarde nodig is in verband met:

- de aanleg of wijziging van een hoofdspoorweg;
- de aanleg of reconstructie van een weg, in beheer bij het Rijk of een provincie;
- de vaststelling of wijziging van een zone rondom een industrieterrein, dat als industrieterrein van regionaal belang is aangewezen bij provinciale milieuverordening.

 

In deze gevallen is Gedeputeerde Staten van de provincie, waarbinnen de weg of hoofdspoorweg, dan wel het regionale industrieterrein is gelegen, bevoegd tot vaststelling van de hogere waarde (artikel 110a, lid 7 van de Wgh).

B&W is wel bevoegd gezag om een hogere waarde vast te stellen voor nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen in de zones van een weg, in beheer bij het Rijk, een hoofdspoorweg of een regionaal industrieterrein.

Een hogere waarde kan ambtshalve door B&W (of GS) worden vastgesteld (artikel 110a, lid 3 van de Wgh).

Een hogere waarde kan ook worden vastgesteld op verzoek van (artikel 110a, lid 3 van de Wgh):

- de wegaanlegger of wegbeheerder; 
- de spoorwegexploitant;
- de beheerder van het industrieterrein;
- het bestuur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken.

 

De gevallen, waarin dit kan, zijn opgenomen in de artikelen 5.1, 5.2 en 5.3 van het Besluit geluidhinder.

Betreft het een reconstructie van een rijksweg of provinciale weg dan blijft de provincie het bevoegd gezag.

B1.3 Voorfase

Bij aanvraag Omgevingsvergunning kan in een vroeg stadium worden bepaald of geluid een rol speelt in het ruimtelijk plan.

Een hogere waardenprocedure is alleen in het geding, indien de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone of een zone creëert als bedoeld in de artikelen 41 of 74 van de Wgh, of artikel 1.4 van het Bgh en indien binnen die zone geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen. Een zone kan worden gezien als een aandachtsgebied voor geluid langs of rond een geluidbron, waarbinnen moet worden gestreefd naar een akoestisch optimale situatie. Met de zonering wordt een koppeling gelegd tussen de geluidhinderbestrijding en de ruimtelijke ordening.

In de Handreiking Bouwen op geluidbelaste locaties zijn de liggingen van de zones van de rijkswegen en de industrieterreinen over het grondgebied van de gemeente inzichtelijk gemaakt. In de Handreiking is eveneens een overzicht opgenomen van de belangrijkste gezoneerde wegen op het grondgebied van de gemeente Vlaardingen.

Als op basis van het akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (nog steeds voorkeurswaarde genoemd) niet wordt overschreden, hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld. In geval van overschrijding van de voorkeurswaarde bepaalt de gemeente in hoeverre optimalisatie van de geluidsituatie in het ontwerpplan tot de mogelijkheden behoort.

Er wordt bekeken welke geluidbeperkende maatregelen in aanmerking zouden kunnen komen om de overschrijding vande voorkeurswaarde te voorkomen, dan wel te beperken. In de handreiking wordt nader ingegaan op de verschillende fasen van planontwikkeling en de mogelijk te treffen maatregelen.

Als optimalisatie van het plan mogelijk is, dan wordt het plan aangevuld of aangepast. Voor het overwegen van bronmaatregelen is het noodzakelijk, dat de bronbeheer in deze fase nauw betrokken is.

Als vervolgens uit het akoestisch onderzoek blijkt dat met behulp van geluidbeperkende maatregelen de voorkeurswaarde niet wordt overschreden, is geen hogere waarde nodig.

Als het ruimtelijk plan conform het hogere waardenbeleid en de wet- en regelgeving is opgesteld, wordt de hogere waardenprocedure gestart, waarna de hogere waarde wordt vastgesteld door B&W en vastgelegd in het Kadaster.

B1.4 Hogere waardenprocedure

De gemeente stelt een ontwerpbesluit op en verzamelt de daarop betrekking hebbende stukken.

Bij het ontwerpbesluit van de hogere waarde worden ten minste gevoegd (artikel 5.4 Bgh):

- de verzochte hogere waarde; 
- de redenen die aan hogere waardenbesluit ten grondslag liggen;
- de resultaten van het akoestisch onderzoek;
- een verklaring dat maatregelen zullen worden getroffen om de binnenwaarde te garanderen;
- een of meer kaarten met bijbehorende verklaringen en afstanden tot de bron.

 

Op de voorbereiding van een hogere waardenbesluit is de uniforme voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing (artikel 110c, eerste lid, Wgh).

Kennisgeving ontwerpbesluit hogere waarden

B&W begint met de publicatie van een kennisgeving van het ontwerpbesluit hogere waarden in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Indien het hogere waardenbesluit betrekking heeft op een of meer belanghebbenden, dan wordt een afschrift van het ontwerpbesluit tevens aan hen toegezonden. Er is geen limitatieve lijst van wie belanghebbend is. Doorgaans wordt aangenomen dat in de Wgh als belanghebbende wordt aangemerkt eenieder die een directe relatie heeft met de woningen, waarvoor de hogere waarde wordt vastgesteld, zoals (toekomstige) eigenaren en de bewoners van de woningen of diegene, die een optie hebben om de woning te kopen.

Een andere belanghebbende is de beheerder van de weg, de spoorweg of het industrieterrein. Als het ontwerpbesluit betrekking heeft op een geluidgevoelige bestemming binnen een zone rondom een industrieterrein, dan zijn bijvoorbeeld ook de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein belanghebbend.

Ter inzage legging

Vervolgens legt B&W het ontwerpbesluit hogere waarden, evenals de daarbij behorende stukken, gedurende 6 weken ter inzage. Het ontwerpbesluit hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. B&W houdt het ter inzage gelegde dossier actueel met eventuele nieuwe stukken.

In de Wgh is niet vastgelegd hoe de koppeling (in tijd) plaatsvindt tussen een ontwerpbesluit hogere waarden en een ontwerpwijzigings- of -uitwerkingsbesluit. Hoewel er formeel geen koppeling tussen beide procedures is, stelt B&W in deze beleidsregel dat beide ontwerpbesluiten tegelijkertijd ter inzage moeten worden gelegd. Immers om het ontwerpbesluit hogere waarden goed te begrijpen is de informatie behorende bij het ontwerpwijzigings- of -uitwerkingsbesluit nodig.

In de Wgh is niet vastgelegd hoe de koppeling (in tijd) plaatsvindt tussen een ontwerpbesluit hogere waarden en een ontwerp-omgevingsvergunning. Hoewel er formeel geen koppeling tussen beide procedures is, stelt B&W in deze beleidsregel dat het ontwerpbesluit hogere waarden en de ontwerp-omgevingsvergunning tegelijkertijd ter inzage moeten worden gelegd. Immers om het ontwerpbesluit hogere waarden goed te begrijpen is de informatie behorende bij de ontwerp-omgevingsvergunning nodig.

Zienswijzen

Vanaf het tijdstip, waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, kunnen gedurende 6 weken mondelinge - hiervan wordt een verslag gemaakt -, maar bij voorkeur schriftelijke zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren worden gebracht.

Beslistermijn

Bij een besluit op een aanvraag neemt B&W in normale situaties binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag een definitief besluit. Indien er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht bij een besluit op een aanvraag, geldt een beslistermijn van 4 weken na het verstrijken van de ter inzage termijn.

Kennisgeving hogere waardenbesluit

Het definitieve hogere waardenbesluit wordt bekend gemaakt door toezending aan de belanghebbenden en aan degenen, die hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Tot slot wordt ook van het besluit mededeling gedaan in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Het besluit en de daarop betrekking hebbende stukken kunnen worden ingezien gedurende de termijn, waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld, 6 weken. In de kennisgeving wordt duidelijk gemaakt dat beroep tegen het hogere waardenbesluit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk is en dat de beroepstermijn met betrekking tot het hogere waardenbesluit ingaat vanaf het moment van publicatie van het bestemmingsplan.

Voor hogere waardenbesluiten in het kader van de vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan dan wel een omgevingsvergunning geldt dat de beroepstermijn begint een dag nadat het hogere waardenbesluit ter inzage is gelegd (artikel 6:8, lid 4 van de Awb).

Beroep

Bij de beroepsprocedure is een koppeling aangebracht met de beroepsprocedure van een bestemmingsplan. In artikel 145 van de Wgh is bepaald dat, wanneer een hogere waardenbesluit gepaard gaat met de vaststelling van een bestemmingsplan, de termijn voor het instellen van beroep gelijk is met de beroepstermijn van het besluit tot vaststelling van het desbetreffende bestemmingsplan. Ditzelfde geldt voor een hogere waardenbesluit, dat wordt vastgesteld in relatie tot het besluit van de gemeenteraad om tot aanleg van een weg buiten een bestemmingsplan over te gaan (artikel 145, tweede lid, Wgh).

De Wet geluidhinder is opgenomen in Hoofdstuk 2 van Bijlage 2 van de Awb en op basis daarvan is er tegen een hogere waardenbesluit (in welk kader dan ook) rechtstreeks beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar alleen als diegene ook tijdens de voorbereidingsprocedure zijn zienswijzen naar voren heeft gebracht. Dit laatste tenzij hem niet kan worden verweten, dat hij geen zienswijzen heeft ingediend.

B1.5 Inschrijving in Kadaster

B&W laat een door haar genomen onherroepelijk geworden hogere waardenbesluit zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers van het Kadaster.

De gemeente stelt het Kadaster eveneens op de hoogte als een besluit tot vaststelling van een hogere waarde, door een uitspraak van de rechter, waarbij het besluit is ingetrokken of gewijzigd, of anderszins zijn waarde heeft verloren. De gegevens in het Kadaster moeten hierop worden aangepast of worden verwijderd (artikel 110i van de Wgh).

BIJLAGE 2: OVERZICHT TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING (VOORKEURSWAARDE) EN MAXIMALE HOGERE WAARDE

Wegverkeerslawaai, woningen

NIEUWE WONING / BESTAANDE WEG TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING (VOORKEURSWAARDE) MAXIMALE HOGERE WAARDE
nieuw te bouwen woningen 48 dB stedelijk 63 dB buitenstedelijk 53 dB
nieuw te bouwen agrarische bedrijfswoning 48 dB stedelijk n.v.t. buitenstedelijk 58 dB
Vervangende nieuwbouw 48 dB stedelijk 68 dB langs autosnelweg in bebouwde kom 63 dB buitenstedelijk 58 dB
bestaande woning / nieuwe wegaanleg 48 dB  
bestaande woningen 48 dB stedelijk 63 dB buitenstedelijk 58 dB
gelijktijdig met wegaanleg te bouwen woning 48 dB stedelijk 58 dB buitenstedelijk 53 dB

 

RECONSTRUCTIE TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING MAXIMALE HOGERE WAARDE
heersende geluidbelasting < = 48 dB   48 dB verhoging maximaal 5 dB
eerder is een hogere waarde vastgesteld en heersende geluidbelasting > 48 dB laagste van: heersende waarde vóór reconstructie of hogere vastgestelde waarde   stedelijk: 63 dB buitenstedelijk 58 dB
niet eerder is een hoger waarde vastgesteld en heersende geluidbelasting ligt tussen 48 en 53 dB   de heersende waarde vóór reconstructie   stedelijk: 63 dB buitenstedelijk 58 dB

  

Wegverkeer andere geluidgevoelige gebouwen en terreinen

ANDERE GELUIDGEVOELIGE GEBOUWEN TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING MAXIMALE HOGERE WAARDE
Andere geluidgevoelige gebouwen 48 dB   stedelijk: 63 dB buitenstedelijk : 58 dB
Geluidgevoelige terreinen 53 dB 53 dB

  

RECONSTRUCTIE ANDERE GELUIDGEVOELIGE GEBOUWEN TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING MAXIMALE HOGERE WAARDE
heersende waarde < = 48 dB 48 dB verhoging maximaal 5 dB
eerder een waarde vastgesteld en heersende waarde > 48 dB laagste van: heersende waarde of eerder vastgestelde waarde verhoging maximaal 5 dB (tot maximaal “nieuwe situatie”)
niet eerder is een waarde vastgesteld en heersende waarde > 48 dB de heersende waarde vóór reconstructie verhoging maximaal 5 dB (tot maximaal “nieuwe situatie” indien heersende waarde <53 dB en tot maximaal “nieuwe situatie + 5 dB” indien heersende waarde >53 dB)
RECONSTRUCTIE GELUIDGEVOELIGE TERREINEN TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING MAXIMALE HOGERE WAARDE
heersende waarde < 53 dB 53 dB verhoging maximaal 5 dB
eerder een waarde vastgesteld en heersende waarde > 53 dB laagste van: heersende waarde of eerder vastgestelde waarde verhoging maximaal 5 dB (tot maximaal 68 dB)
niet eerder is een waarde vastgesteld en heersende waarde > 53 dB de heersende waarde vóór reconstructie verhoging maximaal 5 dB (tot maximaal 68 dB)

 

Railverkeerslawaai

SITUATIE TEN HOOGSTE TOELAATBARE GELUIDBELASTING MAXIMALE HOGERE WAARDE
Woningen 55 dB 68 dB
Andere geluidgevoelige gebouwen 53 dB 68 dB
Geluidgevoelige terreinen 55 dB 63 dB