Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Beleidsregel aanpak overlast
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel aanpak overlast

De burgemeester van Vlaardingen; gehoord de beraadslaging in de driehoek van 17 augustus 2010; overwegende dat voor de toepassing van artikel 172a en artikel 172b Gemeentewet een beleidsregel noodzakelijk is wat betreft de bevoegdheden bij herhaaldelijke groepsgerelateerde en/ of individuele overlast; gelet op de artikelen 172a en 172b van de Gemeentewet; overwegende: Op 6 juli 2010 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast (WMBVEO). Deze beleidsregel ziet toe op het toepassen van de burgemeestersbevoegdheden bij herhaaldelijk ordeverstorend gedrag op grond van deze wet. De aanvullende bevoegdheden richten zich op het vroegtijdig kunnen stoppen, het preventief ingrijpen en het doorbreken van het ordeverstorend gedrag van een individu of van een groep. Het gaat om nieuwe bevoegdheden uit de Gemeentewet, artikelen 172a en 172b, op basis waarvan de burgemeester (preventief) kan ingrijpen bij ordeverstorend gedrag in bepaalde wijken of gebieden waar de openbare orde onder druk staat, of ten behoeve van het ordelijk verloop van evenementen, waaronder voetbalwedstrijden. Voor zover het jeugdoverlast betreft vergt de toepassing van deze bevoegdheden een andere afweging. In deze beleidsregel wordt daar waar nodig afzonderlijk op ingegaan, gelet op het specifieke karakter van deze problematiek. Naast deze nieuwe bevoegdheden blijft het mogelijk gebiedsontzeggingen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2009 (hierna: APV) op te leggen voor eenmalige ordeverstorende gedragingen. Aanleiding aanpassing Gemeentewet

Aanleiding voor de uitbreiding van de Gemeentewet is de toenemende mate van herhaaldelijke vormen van ordeverstorend gedrag, waarbij de huidige bestuurlijke en strafrechtelijke instrumenten onvoldoende toereikend zijn gebleken om de overlastgevende situatie of het geweld te beëindigen. De gevolgen van de overlast zijn voor de omgeving ingrijpend. Mensen voelen zich bedreigd en onveilig, wat bepalend is voor hun veiligheidsbeleving. Maatschappelijk is het onaanvaardbaar dat niet vroegtijdig en direct kan worden opgetreden tegen dit soort ordeverstorend gedrag.

Met de toevoeging van artikel 172a in de Gemeentewet kan de burgemeester een gebiedsverbod, een groepsverbod en/ of een meldingsplicht opleggen aan de personen die herhaaldelijk de orde verstoren. Op grond van artikel 172b Gemeentewet kan de burgemeester ook een soortgelijk bevel geven aan de ouders of voogd van een persoon die de leeftijd van 12 jaren nog niet heeft bereikt. Overtreding van de verboden is strafbaar gesteld op grond van artikel 184 Wetboek van Strafrecht en wordt door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in beginsel vervolgd overeenkomstig de richtlijnen van het OM. Het OM toetst of een maatregel genomen door de burgemeester gelet op de proportionaliteit en subsidiariteit in dat stadium mogelijk was. Met deze bevoegdheden kan de burgemeester preventief ingrijpen als personen zich herhaaldelijk ordeverstorend gedragen, zowel individueel als groepsgewijs. De toepassing van deze bevoegdheden is mede afhankelijk van de context waarin de ordeverstorende handelingen worden gepleegd gelet op het beoogde effect van de maatregel. Samenhang overige bevoegdheden uit de Algemene Plaatselijke Verordening

Artikel 172a Gemeentewet doorkruist niet wat bij gemeentelijke verordening is bepaald. Dit betekent dat de huidige instrumenten tegen overlast en baldadigheid uit de APV blijven bestaan, zoals de gebiedsontzeggingen. Ook de inzet op grond van samenscholing en ongeregeldheden (artikel 2.1 APV) en de maatregelen tegen overlast en baldadigheid waaronder openlijk drankgebruik (artikel 2.64 lid 1 APV) blijven onverminderd van kracht. De toepassing van artikel 172a Gemeentewet en 2.91 APV is verschillend. Op grond van artikel 172a Gemeentewet kan een gebiedsverbod worden opgelegd voor de duur van drie maanden. Het huidige instrument op grond van de APV maakt het mogelijk na ordeverstorende gedragingen direct een gebiedsontzegging voor maximaal 16 dagen op te leggen. Op grond van de APV kan derhalve direct worden opgetreden op het moment dat een maatregel op dat moment, in dat gebied noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de openbare orde. Een gebiedsontzegging is daarom mogelijk bij een op dat moment manifesterend probleem. De bevoegdheden op grond van artikel 172a en 172b uit de Gemeentewet kunnen alleen worden ingezet als de overtredingen een herhaaldelijk karakter hebben, waarbij tevens sprake moet zijn van een ernstige vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde. Het mandateren van deze aanvullende bevoegdheden is niet toegestaan. De bevoegdheden zijn daardoor feitelijk niet geschikt om in een acuut zich manifesterend openbare orde probleem in te zetten. Hiervoor blijven de APV, bestuurlijk ophouden en het noodrecht (artikelen 172, 175-176a Gemeentewet) de meest geëigende instrumenten. De bevoegdheden op grond van de Gemeentewet worden dan ingezet op het moment dat de maatregelen op grond van de APV geen effect sorteren of niet toereikend worden geacht, gelet op de ervaringen of het karakter van de problematiek en er ernstige vrees bestaat voor een verdere verstoring van de openbare orde. De bevoegdheden op grond van 172a Gemeentewet

Op grond van artikel 172a eerste lid Gemeentewet kan de burgemeester aan een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord óf bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde de volgende maatregelen opleggen:

1. gebiedsverbod;

2. groepsverbod;

3. meldingsplicht; Ingevolge artikel 172b Gemeentewet is de burgemeester bevoegd om aan een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige die de leeftijd van 12 jaren nog niet heeft bereikt en herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde verstoort en bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zorg te dragen dat de minderjarige

1. zich in bepaalde delen van de gemeenten niet ophoudt, zonder begeleiding van die persoon die gezag over hem of haar uitoefent;

2. zich tussen 20.00 uur ’s avonds en 06.00 uur ’s ochtends niet bevindt op voor het publiek toegankelijke plaatsen, tenzij de minderjarige wordt begeleid door de persoon die het gezag over hem of haar uitoefent. Voorwaarden bevoegdheden op grond van 172a en 172b Gemeentewet

De burgemeester kan gebruik maken van zijn bevoegdheden indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

het gaat om een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde;

er is een ernstige vrees voor verdere verstoringen van de openbare orde;

de overlast is gepleegd door het individu of door een groep. en bij 12 minners

groepsgewijze orde verstorende gedragingen Ordeverstorende gedragingen

Een wettelijke definitie van het begrip ‘verstoring van de openbare orde’ is niet te geven. Of sprake is van een verstoring van de openbare orde en daarmee ordeverstorend gedrag hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval en de intensiteit van de gedragingen.

Het gaat om een afwijking van de normale gang van zaken in de publieke ruimte. Ordeverstorende gedragingen zijn in ieder geval strafbare gedragingen en overtredingen van de APV. De ordeverstoorder krijgt een procesverbaal voor deze gedragingen. Daarnaast kunnen ook structurele ordeverstorende gedragingen die niet direct strafbaar zijn gesteld, onder deze begripsbeschrijving vallen. Dit moet blijken uit een registratie van toezichthouders in de publieke ruimte. Voorbeelden van ordeverstorende gedragingen zijn:

- het hinderlijk en zonder redelijk doel rondhangen;

- joelen;

- naroepen;

- bespugen;

- intimiderend overkomen;

- wildplassen;

- plakken en kladden;

- hinderlijk drankgebruik;

- vernieling van goederen;

- ingooien van ruiten;

- graffiti;

- openbare dronkenschap;

- schelden;

- vernielingen.

- wet Mulder feiten Hierbij wordt opgemerkt dat voor jeugdoverlast en de groep 12 minners in het bijzonder bij een groepsgewijze verstoring van de openbare orde een zwaardere afweging dient te worden gemaakt bij de beoordeling of het kindgedrag als overlastgevend kan worden aangemerkt. Joelen, stoeien en belletje trekken worden in beginsel niet als overlastgevend aangemerkt. Daarnaast dienen jongeren ( tot 24 jaar) zich ten minste twee maal schuldig te hebben gemaakt aan overlast gerelateerde (strafbare) feiten wil er sprake zijn van een “overlastgevende” jongeren. De wet Mulder feiten, worden alleen dan meegenomen indien deze overtredingen een onevenredige druk leggen op de openbare orde in een bepaald gebied, denk hierbij aan het op de stoep rijden met een scooter. Herhaaldelijk

Volgens de Van Dale wordt onder herhaaldelijk “meer dan eens” verstaan. Dit betekent dat sprake kan zijn van herhaaldelijk als een persoon meer dan één keer de openbare orde heeft verstoord. Herhaaldelijk houdt ook verband met de periode waarin de gedragingen hebben plaatsgehad. Om te kunnen spreken van herhaaldelijk moeten de gedragingen binnen een afzienbare tijd plaatsvinden. Of sprake is van een afzienbare tijd is weer afhankelijk van de context waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden. Bij evenementen die op jaarlijkse basis plaatsvinden, is een afzienbare tijd van 13 maanden redelijk, terwijl bij overlast door 12 minners in een bepaalde wijk een afzienbare tijd van 6 maanden redelijk is. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld. In ieder geval zijn ordeverstorende gedragingen van langer dan 13 maanden geleden niet te kwalificeren als herhaaldelijk en blijft handhaving op grond van de APV mogelijk, zoals het inzetten van de gebiedsontzeggingen.   Ernstige vrees

Ordeverstorend gedrag wat herhaaldelijk wordt gepleegd door het individu of door groepen, binnen een afzienbare tijd, is ernstig gelet op het effect op de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De ernstige vrees kan daarnaast worden afgeleid uit concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld het feit dat een persoon reeds in het verleden betrokken is geweest bij ernstige ordeverstoringen, door verklaringen van betrokkenen, signalen of verwachtingen en overige voorzienbare omstandigheden. Groepsgerelateerde gedragingen en leidende rol

Er is sprake van een groep bij drie of meer personen, waar de overlastgever onderdeel vanuit maakt. Als een persoon bij groepsgerelateerde overlast een leidende rol heeft gehad, kan direct - na de eerste overtreding - een bestuurlijke maatregel worden opgelegd. Het is moeilijk een leidende rol te typeren. Aansluiting kan worden gezocht bij rechterlijke uitspraken over openlijke geweldpleging in vereniging waar de leider niet zelf ordeverstorende gedragingen pleegt, maar ‘actief’, medestanders mobiliseert, voorop loopt, faciliteert, oproept (via sms, internet of anderszins) of op intimiderende wijze een bijdrage levert aan in groepsverband plegen van ordeverstoring. Van een leidende rol kan dus sprake zijn indien de persoon anderen aanzet tot ongewenst gedrag die de openbare orde verstoort. Dit kan zich uiten in concrete gedragingen zoals het benaderen van anderen, het leggen van contact tussen leden van de groep, het initiatief nemen, een vertrouwensrelatie en/ of gezag hebben. Ook kan de leidinggevende rol worden afgeleid uit verklaringen van getuigen of leden van de groep. Aantonen van een leidende rol is afhankelijk van de concrete casus. Naast de te treffen maatregelen van de burgemeester kan de ordeverstorende leider worden vervolgd. Context van de gedragingen

Bij de juiste toepassing van de bevoegdheden is de context waarin de gedragingen hebben plaatsgehad zeer relevant. De context is tevens bepalend voor de subsidiariteit en proportionaliteit van de maatregel. De volgende toepassingsgebieden worden onderscheiden. 1. Overlast in bepaalde wijken

Gelet op de reikwijdte van de bevoegdheden, zoals groepsgerelateerde en individuele overlast, zijn de maatregelen goed toepasbaar bij de bestrijding van onder andere straatdealers/drugsrunners, drugsverslaafden en veelplegers, die in bepaalde gebieden in de gemeente een onaanvaardbare druk leggen op de openbare orde en veiligheid. Indien sprake is van overlast veroorzaakt door jeugd(groepen) wordt een andere afweging gemaakt. Drugsrunners of straatdealers hebben door hun (dealers)activiteiten een aanzuigende werking op allerlei vormen van criminaliteit in de openbare ruimte. Vaak gaat het om een bepaald gebied, waarbij door de aanzuigende werking in dat gebied een onaanvaardbaar openbaar orde probleem ontstaat. Deze personen zijn veelvuldig op de openbare weg aanwezig om, ofwel te handelen, ofwel klanten door te geleiden naar een drugshandelaar. Het alleen aanwezig zijn op de openbare weg, levert in veel gevallen geen strafbaar feit op, maar veroorzaakt veel overlast en levert bij buurtbewoners of aldaar aanwezigen gevoelens van onveiligheid op. Het veiligheidsgevoel wordt vergroot, als deze personen uit het straatbeeld verdwijnen.

Wat betreft zwervers en alcoholisten is het feit dat een groepje zich verzamelt -om al dan niet met elkaar alcoholische versnaperingen te nuttigen- in beginsel niet overlastgevend. De groep als geheel of het individu moet zich overlastgevend gedragen, en dat gebeurt bij deze ordeverstoorders, vaak door een combinatie van ordeverstorende gedragingen, zoals het intimideren van voorbijgangers, geluidsoverlast, vervuiling en wildplassen.

Bij de groep veelplegers gaat het om het feit dat zij veelvuldig actief zijn al dan niet in eenzelfde gebied en (gedrags)interventies niet hebben geleid tot het stopzetten van hun overlastgevende gedragingen. 2. Overlast rond evenementen

In deze beleidsregel wordt van een evenement gesproken overeenkomstig de definitie van artikel 2.26 van de APV. Dit betekent dat deze beleidsregel ook van toepassing is op voetbalwedstrijden. Deze beleidsregel is daarnaast van toepassing op betogingen en vergaderingen ingevolge de Wet openbare manifestaties en samenkomsten en demonstraties die gelet op hun aard een aantrekkende werking hebben op overlastgevende personen. Vlaardingen kent een behoorlijk aanbod van evenementen die in bepaalde gevallen duizenden bezoekers trekken, zoals het Loggerfestival en het Vlaardingen Festival.

Evenementen in de stad zorgen voor een feestelijke sfeer. Om dit beeld zo te houden is het belangrijk dat preventief kan worden opgetreden tegen eventuele relschoppers die het voor een grote groep welwillende bezoekers bederven. De incidenten in Rotterdam rondom voetbalwedstrijden, het Bevrijdingsfestival van mei 2009 en bij het evenement op het strand van Hoek van Holland op 22 augustus 2009 leren dat steeds vaker bepaalde groepen personen evenementen bezoeken met het kennelijke doel de openbare orde te verstoren of te bedreigen. Evenementen waarbij tegelijkertijd grote groepen personen in de stad bijeenkomen, rechtvaardigen extra maatregelen ter voorkoming van wanordelijkheden. Dit betekent dat, naast een goede voorbereiding, het mede van belang is dat gerichte inzet plaatsvindt op bepaalde groepen/ personen ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De bevoegdheden op grond van artikel 172a Gemeentewet kunnen aanvullende maatregelen bij evenementen inhouden. 3. Voetbalgerelateerde overlast

Rotterdam kent drie Betaald Voetbal Organisaties (BVO) en is daarmee de grootste betaald voetbal gemeente van Nederland. Verreweg de meeste voetbalsupporters veroorzaken geen problemen op het gebied van de openbare orde en veiligheid en dragen bij aan een goed imago van hun club. Tot het begin van de jaren negentig vonden de meeste incidenten plaats in en rondom de voetbalstadions. Mede door de toegenomen veiligheidsmaatregelen in en rondom de stadions heeft het voetbalvandalisme en –criminaliteit zich niet alleen geleidelijk verplaatst naar de omgeving buiten het stadion, maar ook naar tijdstippen buiten de wedstrijddagen. De rellen op het strand van Hoek van Holland tijdens het evenement Sunset Grooves zijn hier het meest recente voorbeeld van. Ook in Vlaardingen zijn de afgelopen jaren meerdere incidenten geweest met voetbalhooligans (Zomerterras; uitgaansgebied). Dit maakt dat het fenomeen “voetbalvandalisme” moeilijker voorspel- en grijpbaar is geworden.

In de afgelopen periode heeft dit in de gemeente Rotterdam naast een toenemend aantal civiele stadionverboden ook geleid tot een toename van het aantal bestuurlijke maatregelen, zoals de gebiedsontzeggingen.

Bij de jongere generaties valt op dat, in vergelijking met de oudere generaties, het gedrag is verhard, zij minder benaderbaar zijn en de tolerantie tegenover de autoriteiten, maar ook andere (supporters)groepen is verminderd. De combinatie van overmatig alcohol- en drugsgebruik kan daarbij een negatieve rol spelen. Bij de groep voetbalsupporters gaat het derhalve om die personen die veelal in een groep in en rond een voetbalstadion en/of bij evenementen de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren. Het gaat om die gevallen waarbij aannemelijk is, gelet op de reeds ervaren overlast, dat het ordeverstorende gedrag aanhoudt. 4. Jeugdoverlast

Jongeren verdienen een tweede kans. Van jongeren is in ieder geval sprake indien de persoon of de personen de leeftijd van 24 jaar nog niet hebben bereikt. Wat betreft de aanpak van jeugd of jeugdgroepen is het noodzakelijk dat het inzetten van een maatregel een onderdeel moet vormen van een geïntegreerde, persoonsgebonden aanpak. Bevoegdheden specifiek bij jeugdoverlast zullen pas worden ingezet indien deze geïntegreerde persoongerichte aanpak van minder vergaande middelen én de hulpverlening zijn ingezet. Pas als jongeren deze kansen niet hebben aangegrepen om hun gedrag te verbeteren is een harde aanpak wat nog rest. Om die reden is voor jeugdigen een apart handhavingsarrangement opgenomen. Toepassing van de bevoegdheden bij overlast

De bevoegdheden van de WMBVEO houden een beperking in van de bewegingsvrijheid van het individu, hetgeen betekent het recht om zich zonder inmenging van de overheid te verplaatsen (vrijheidsbeperking). Een juiste toepassing van de bevoegdheden moet daarom zijn gewaarborgd. Dit betekent dat de maatregel een legitiem doel moet dienen, waarbij tevens wordt voldaan aan de proportionaliteit en subsidiariteit. In deze beleidsregel geeft de burgemeester aan op welke wijze hij van de aanvullende bevoegdheden gebruik zal maken. Dit laat onverlet dat de burgemeester een afwijkingsbevoegdheid heeft indien dit door de bijzondere omstandigheden gelet op de openbare orde noodzakelijk is. 1. Ordeverstorende gedragingen bij evenementen

Indien een persoon binnen 13 maanden herhaaldelijk orderverstorend gedrag vertoont tijdens evenementen kan een gebiedsverbod worden opgelegd voor de duur van drie maanden, waarbinnen het verboden is om zich op een nader te bepalen plaats te begeven.

De plaats waar het ordeverstorende gedrag heeft plaatsgevonden, is niet bepalend voor het gebied waarvoor het verbod wordt opgelegd. Zo kan het verbod, gelet op de evenementenkalender, voor meerdere gebieden tegelijkertijd in de stad gelden. Bij B en C evenementen, waaronder grootschalige samenkomsten niet zijnde evenementen die gelet op hun aard een aantrekkende werking hebben op ordeverstorende personen, kan naast een gebiedsverbod ook direct een meldingsplicht worden opgelegd voor de duur van het evenement, dan wel maximaal voor de duur van drie maanden. Daarnaast kan de burgemeester, indien de feiten en omstandigheden dat noodzakelijke maken, bij evenementen een groepsverbod opleggen voor de duur van een evenement, dan wel maximaal drie maanden. 2. Ordeverstorende gedragingen in groepsverband

Indien een persoon herhaaldelijk orderverstorend gedrag vertoont en het merendeel van de gedragingen in groepsverband heeft plaatsgevonden zal aan de persoon een groepsverbod worden opgelegd. Als een persoon bij groepsgerelateerde overlast een leidende rol heeft gehad, kan direct -na een eerste ordeverstorende gedraging- een groepsverbod worden opgelegd. Indien bijzondere omstandigheden van het geval dat noodzakelijk maken, zoals de geografische ligging van het gebied, de bestaande druk op de openbare orde of de ernst van de gedragingen kan direct een gebiedsverbod worden opgelegd. 3. Ordeverstorende gedragingen door het individu

Indien een persoon herhaaldelijk individueel ordeverstorende gedragingen pleegt zal aan die persoon een gebiedsverbod worden opgelegd. Indien bijzondere omstandigheden van het geval dat noodzakelijk maken, zoals de handhaafbaarheid van het opgelegde verbod, kan direct een meldingsplicht worden opgelegd. Hierbij wordt gedacht aan B of C evenementen. 4. Overtreding opgelegd bevel

Bij een eerste overtreding van het groepsverbod:

• wordt het verbod verlengd met drie maanden indien de overtreding niet gepaard gaat met ordeverstorende gedragingen, of kan het gebied waarvoor het groepsverbod geldt ten nadele van betrokkene worden uitgebreid.

• kan een gebiedsverbod worden opgelegd indien de overtreding van het groepsverbod gepaard gaat met ordeverstorende gedragingen.

Bij een tweede overtreding van een groepsverbod zonder ordeverstorende gedragingen wordt er een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden.

Bij een tweede overtreding gaat de politie over tot aanhouding op grond van artikel 184 Sr en gaat het OM over tot vervolging mits de richtlijnen van het OM in bijlage 3 in acht zijn genomen. Bij een eerste overtreding van het gebiedsverbod:

• wordt het verbod:verlengd voor de duur van drie maanden indien geen sprake is van ordeverstorende handelingen, of kan het gebied worden uitgebreid;

• wordt een meldingsplicht opgelegd, indien naast de overtreding sprake is van ordeverstorende handelingen.

Bij een tweede overtreding gaat de politie over tot aanhouding op grond van artikel 184 Sr en gaat het OM over tot vervolging op deze grond mits de richtlijnen van het OM in bijlage 3 in acht zijn genomen. 5. Verlengingsmogelijkheden bij groepsgerelateerde en individuele overlast

De maatregelen worden voor de duur van drie maanden opgelegd. De maatregelen kunnen worden verlengd of ten nadelen van betrokkene worden uitgebreid, indien uit nieuwe feiten en omstandigheden blijkt dat er hernieuwde vrees is voor het verstoren van de openbare orde. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn onder andere het overtreden van de opgelegde maatregel. Deze ernstige (hernieuwde) vrees kan ook worden afgeleid uit ordeverstorende gedragingen in andere gebieden dan het gebied waar het verbod voor geldt. De plaats waar het ordeverstorende gedrag heeft plaatsgevonden, is niet bepalend voor het gebied waarvoor de maatregel wordt opgelegd. De maatregel kan gelet op de druk op de openbare orde op een bepaald gebied en gelet op de mobiliteit van (jeugd)groepen tegelijkertijd voor meerdere gebieden in de stad gelden. Indien de maatregel wordt verlengd terwijl de termijn van een eerder opgelegde maatregel nog niet is verstreken, gaat de nieuwe maatregel pas in na afloop van de termijn van de eerder opgelegde maatregel. Gedurende de looptijd van een maatregel kan slechts één keer een maatregel worden verlengd. Indien er sprake is van een ordeverstorende gedraging binnen drie jaar nadat een maatregel is verstreken kan direct een stap in het handhavingsarrangement (zie bijlage 1) worden overgeslagen. Wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten, kan de bestuurlijke maatregel worden opgeheven. 6. Ordeverstorend gedrag door jeugd

Indien een jongere tot 24 jaar binnen een afzienbare tijd herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord zal een groepsverbod, dan wel een gebiedsverbod worden opgelegd. Hiervoor gelden de zelfde uitgangspunten als bij 2, 3, 4 en 5, mits de minder vergaande middelen én de hulpverlening als integrale persoongebonden aanpak zijn ingezet.

Bij een overtreding van een bevel zal, indien dit niet gepaard gaat met ordeverstorende handelingen, de maatregel worden verlengd met drie maanden. Indien het bevel wordt overtreden en dit gepaard gaat met ordeverstorende handelingen, zal de duur van de maatregel worden verlengd, tenzij de maatregel het eventuele hulpverleningstraject in de wegstaat. 7. Ordeverstorend gedrag door 12 minners

Indien een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, binnen een termijn van zes maanden herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde verstoort is sprake van herhaaldelijke overlast en wordt aan het ouderlijk gezag van de minderjarige een bevel opgelegd, waarbij de minderjarige zich gedurende een periode van drie maanden niet tussen 20.00 uur een 06.00 uur mag begeven op voor het publiek toegankelijke plaatsen zonder begeleiding van het ouderlijk gezag. De maatregel wordt alleen dan opgelegd indien minder vergaande middelen én de hulpverlening als integrale persoongebonden aanpak zijn ingezet.

Indien het bevel wordt overtreden zal de maatregel voor de resterende duur worden uitgebreid met het bevel dat de minderjarige zich te allen tijde niet zonder het ouderlijke gezag in een nader te bepalen gebied mag begeven. Indien de minderjarige binnen zes maanden na het verstrijken van de maatregel opnieuw overlastgevend gedrag vertoont zal opnieuw een maatregel worden opgelegd. In dat geval zal aan de persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent:

• het bevel worden gegeven dat de minderjarige in een nader aan te wijzen gebied zich niet mag ophouden zonder begeleiding van de persoon die gezag over hem heeft, én

• het bevel worden gegeven dat de minderjarige tussen 20.00 uur en 06.00 uur niet zonder begeleiding mag komen op voor het publiek toegankelijke plaatsen. Indien de persoon inmiddels de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, kan bij een volgende overtreding binnen zes maanden na het aflopen van de maatregel direct een gebiedsverbod worden opgelegd voor de periode van drie maanden, dan wel de eerste stap uit het handhavingsarrangement worden overgeslagen. Wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten, kan de bestuurlijke maatregel worden opgeheven. Besluit vast te stellen: Beleidsregel aanpak overlast

Artikel Groepsverbod

1. Een overlastgever krijgt het bevel zich niet op te houden in of in de omgeving van één of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in één of meer bepaalde delen van de gemeente met meer dan drie personen.

2. Het groepsverbod wordt in beginsel opgelegd voor het gebied waar de overlast heeft plaatsgevonden. Indien het, gelet op de druk op openbare orde, in een bepaald gebied noodzakelijk wordt geacht, wordt ook dit gebied aangewezen.

3. Het groepsverbod wordt opgelegd voor de duur van drie maanden.

4. De maatregel wordt uitgebreid ten nadele van betrokkene of verlengd, indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. In beginsel wordt een groepsverbod verlengd, indien de maatregel voor de eerste keer wordt overtreden. De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe feiten en omstandigheden er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten.

5. Indien sprake is van een persoon onder de 24 jaar wordt een groepsverbod alleen opgelegd indien minder vergaande middelen én de hulpverlening als integrale persoongebonden aanpak zijn ingezet.

6. De termijn kan drie keer worden verlengd voor telkens drie maanden.

Artikel Gebiedsverbod

7. Een overlastgever krijgt het bevel zich niet te bevinden in of in de omgeving van één of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in één of meer bepaalde delen van de gemeente. Indien dit noodzakelijk is wordt een looproute aangegeven.

8. Het gebiedsverbod wordt in beginsel opgelegd voor het gebied waar de overlast heeft plaatsgevonden. Indien het, gelet op de druk op openbare orde, in een bepaald gebied noodzakelijk wordt geacht, kan ook dat gebied worden aangewezen.

9. Het gebiedsverbod wordt opgelegd voor de duur van drie maanden.

10. De maatregel kan worden uitgebreid ten nadele van betrokkene of verlengd, indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De maatregel kan worden ingetrokken, indien uit nieuwe feiten en omstandigheden er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten.

11. Indien sprake is van een persoon onder de 24 jaar, wordt een groepsverbod alleen opgelegd indien minder vergaande middelen én de hulpverlening als integrale persoongerichte aanpak zijn ingezet.

12. De termijn kan drie keer worden verlengd voor telkens drie maanden.

Artikel Meldingsplicht door de burgemeester Vlaardingen

13. Aan de persoon die voor de tweede maal een gebiedsverbod overtreedt, een persoon bij de eerste overtreding van het gebiedsverbod een leidende rol heeft gehad, of bij een B of en C evenement kan een meldingsplicht worden opgelegd. De tijdstippen en plaats worden nader, per individueel geval, bepaald.

14. De meldingsplicht wordt opgelegd voor drie maanden, dan wel de duur van het evenement.

15. De meldingsplicht wordt zoveel mogelijk opgelegd in de gemeente waar betrokkene woonachtig is, tenzij de aard van de omstandigheden zich hier tegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien de burgemeester van de plaats waar de persoon woonachtig is, geen toestemming heeft gegeven voor de melding. De nader te bepalen plaats van melding worden geregeld in de werkafspraken.

16. De burgemeester legt niet eerder een meldingsplicht op dan er vooraf afstemming heeft plaatsgevonden met de korpschef van de politie.

Artikel Intergemeentelijke meldingsplicht (verzoek andere gemeenten)

17. De burgemeester van Vlaardingen geeft niet eerder toestemming aan de burgemeester van de verzoekende gemeente, om een ordeverstoorder in de gemeente Vlaardingen zich te laten melden, voordat de politie over het ingediende een positief advies heeft gegeven. De toestemming kan mondeling worden gegeven.

Artikel Begeleidingsplicht minderjarige tot 12 jaar

18. Een persoon die gezag uitoefent over een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt en herhaaldelijk groepsgewijs overlast pleegt, krijgt een bevel opgelegd dat de minderjarige zich niet mag ophouden tussen 20.00 uur ’s avonds en 06:00 uur ’s ochtends zonder zijn begeleiding. De maatregel wordt slechts opgelegd indien de integrale persoongerichte aanpak is ingezet of deze is geweigerd.

19. De begeleidingsplicht wordt in beginsel opgelegd voor de avonduren. Indien dit noodzakelijk wordt geacht, kan het bevel worden uitgebreid met het bevel dat de minderjarige zich op een aangewezen gebied niet zonder begeleiding mag begeven.

20. De begeleidingsplicht wordt opgelegd voor de duur van drie maanden en kan niet worden verlengd.

Artikel Dossiervorming en verslaglegging

21. Voor het opleggen van een maatregel levert de politie een deeldossier aan bij de burgemeester van Vlaardingen. Dit dossier dient in ieder geval te bevatten:

• het verzoek tot het nemen van een bestuurlijke maatregel;

• de contactgegevens van de behandelend politieambtenaar;

• de contactgegevens van de ordeverstoorder, die ten minste de naam, leeftijd, woonplaats (adres) en telefoonnummer bevatten en, indien nodig, de gegevens van de persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent;

• de registraties van minimaal twee ordeverstorende gedragingen;

• de registraties (of sfeerrapportages) en eventuele informatie waaruit de vrees voor de verstoring van de openbare orde blijkt;

• een duidelijke omschrijving van het gebied waarvoor het verbod geldt en, indien van toepassing, de tijdstippen en plaats voor een meldingsplicht;

• indien sprake is van een verzoek tot verlening van de maatregel, de registraties waaruit de hernieuwde vrees voor de verstoring van de openbare orde aannemelijk blijkt. Indien sprake is van een jeugdige onder de 24 jaar en bij andere groepen, indien noodzakelijk, wordt het dossier voorzien van een gemeentelijke oplegnotitie. Door overige betrokken instanties, (zoals hulpverlening, GOSA regisseur, etc) wordt het dossier aangevuld met de volgende registraties:

• indien sprake is van groepsgerelateerde overlast, mutaties waaruit blijkt dat deze persoon onderdeel uitmaakt van de (BEKE) groep, sfeerrapportages;

• aanvullende informatie over de maatregelen die reeds zijn genomen en welke hulpverlening al dan niet is ingezet ten behoeve van deze persoon, zoals jeugdzorg, GOSA, etc.

Artikel Zienswijzen

22. De betrokkene aan wie mogelijk een maatregel wordt opgelegd, wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken binnen een week na ontvangst van het voornemen. Indien sprake is van een minderjarige worden ten minste de ouders of voogd van de minderjarige uitgenodigd voor een zienswijzengesprek.

Gelet op artikel 4:11 Algemene wet bestuursrecht wordt van de mogelijkheid tot het horen van belanghebbende afgeweken, indien de vereiste spoed zich hiertegen verzet en het beoogde doel niet wordt bereikt, indien de belanghebbende van tevoren in kennis is gesteld. Dit kan het geval zijn bij evenementen.

Artikel Bekendmaking besluit

23. Het besluit wordt aan de betrokkene aangetekend per post toegezonden. Omstandigheden kunnen met zich brengen dat het verstandig wordt geacht dat de maatregel in persoon wordt uitgereikt. Indien sprake is van een minderjarige wordt het besluit ten minste aan de ouders of voogd van de minderjarige uitgereikt.

Het verbod treedt in werking op het moment dat het besluit de betrokkene heeft bereikt. De gedragingen en aanwijzingen waarop de beschikking is gebaseerd, worden in het besluit opgenomen. Bij een meldingsplicht worden ook de tijden en de plaats waar de betrokkene zich moet melden vermeld. Bij de meldingsplicht wordt een kopie van het besluit afgegeven op de locatie waar de betrokkene zich moet melden.

Artikel Informatieplicht

24. De burgemeester informeert het Openbaar Ministerie als een maatregel wordt voorbereid en opgelegd. Het Openbaar Ministerie informeert de burgemeester als een gedragsaanwijzing wordt opgelegd.

In de driehoek wordt één keer per jaar gerapporteerd over het aantal opgelegde maatregelen door de burgemeester en de (hoofd) officier. Ook wordt gerapporteerd over de eventuele bezwaarschriften en de uitkomsten daarvan.

25. De burgemeester informeert de instantie die de bestuurlijke maatregel tegen een betrokkene heeft verzocht binnen 5 werkdagen over het voorgenomen besluit.

26. Indien een andere instantie dan de politie overweegt een maatregel te verzoeken tegen een persoon, dient de politie geconsulteerd te worden op haalbaarheid en handhaafbaarheid.

Artikel Relatie burgemeester en Officier van Justitie

27. Op grond van artikel 509hh Wetboek van Strafvordering is de Officier van Justitie (OvJ) bevoegd een gedragsaanwijzing te geven, indien tegen betrokkene tegen wie ernstige bezwaren bestaan, in geval van verdenking van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig wordt verstoord en waarbij grote vrees bestaat voor herhaling. Dit betekent dat indien sprake is van ordeverstorend gedrag, zijnde een strafbaar feit en vervolging is ingesteld, de OvJ als eerste bevoegd is een maatregel te treffen. Indien sprake is van ordeverstorend gedrag, niet zijnde een strafbaar feit, treedt de burgemeester op.

Indien de OvJ besluit geen gedragsaanwijzing te geven (zoals een meldingsplicht, gebiedsverbod of groepsverbod) of in zijn geheel geen maatregel treft, beoordeelt de burgemeester of hij, gelet op de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, een maatregel oplegt. Gedegen afstemming tussen beide is hiervoor noodzakelijk.

Artikel Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.

Artikel Citeertitel

De beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanpak overlast

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 18 januari 2011 De burgemeester van Vlaardingen,  
Mr. T.P.J. Bruinsma