Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003

De raad van de gemeente Vlaardingen;

 

Gelezen het initiatief voorstel d.d. 01 september 2003;

 

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

vast te stellen de navolgende Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003.

Artikel 1 Definitie burgerinitiatiefvoorstel

In deze verordening wordt verstaan onder een burgerinitiatiefvoorstel: een voorstel van een initiatiefgerechtigde om een onderwerp als afzonderlijk punt op de agenda van de agenda van de vergadering van de raad te plaatsen.

Artikel 2 Geldig verzoek

De raad plaatst een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van zijn vergadering, indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend.

Ongeldig is een verzoek dat: 1. niet door ten minste 74 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund;

2. een onderwerp als bedoeld in artikel 4 bevat, of

3. niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 5.

Artikel 3 Initiatiefgerechtigde personen

1. Initiatiefgerechtigd zijn degenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad alsmede ingezetenen van de gemeente van zestien jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van de gemeenteraad.

2. Voor de beoordeling of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigheid is voldaan, is de toestand op de dag van indiening van het verzoek bepalend.

Artikel 4 Inhoud burgerinitiatiefvoorstel

Een burgerinitiatiefvoorstel is ongeldig indien het betreft: 1. een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van de raad;

2. een vraag over het gemeentelijk beleid;

3. een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over een gedraging van een bestuursorgaan;

4. een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van een bestuursorgaan, of

5. een onderwerp waarover tijdens een raadsperiode waarin indiening van het voorstel plaatsvindt door de raad een besluit is genomen. Met dien verstande dat tenminste twee jaar is gelegen tussen de datum van indienen van het burgerinitiatiefvoorstel en de datum waarop door de voorgaande raad een besluit is genomen.

Artikel 5 Inleidend verzoek

1. Voordat een verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt ingediend, moet eerst een inleidend verzoek worden ingediend bij de griffier.

2. Het inleidend verzoek bevat ten minste:

- een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel

- een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel

- de achternaam, de voornaam, het adres, het telefoonnummer, geboortedatum en handtekening van de verzoeker.

3. Een panel van raadsleden, ondersteund door de griffier beoordeelt of het inleidend verzoek zich leent voor een burgerinitiatiefvoorstel. Hierna kan een verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad worden ingediend.

4. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 van deze verordening opgenomen model.

Artikel 6 Formeel verzoek

1. Een verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt schriftelijk ingediend bij de burgemeester.

2. Het verzoek bevat ten minste: 1. een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel;

2. een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel;

3. de achternaam, de voornamen, adressen, geboortedata en handtekeningen van de verzoeker en zijn plaatsvervanger, en

4. een lijst met de voornamen, achternamen, adressen, geboortedata en handtekeningen van de initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen. 3. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van de in bijlage 2a en 2b van deze verordening opgenomen modellen.

Artikel 7 Procedure na indiening van het burgerinitiatiefvoorstel

1. De raad beslist in de eerstvolgende vergadering na de datum van indiening van het verzoek of het burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt geplaatst, met dien verstande dat ten minste twee weken is gelegen tussen de dag van indiening van het verzoek en de dag van de vergadering, waarin de raad over het verzoek beslist.

2. Indien de raad het verzoek afwijst wegens strijd met artikel 4, onder a, kan de raad het voorstel doorzenden aan burgemeester en wethouders.

3. Indien de raad het verzoek toewijst, dan agendeert hij het burgerinitiatiefvoorstel voor de eerstvolgende vergadering van de raad.

4. De burgemeester nodigt de verzoeker schriftelijk uit voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De verzoeker of zijn plaatsvervanger heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om zijn burgerinitiatiefvoorstel mondeling nader toe te lichten.

5. Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen, wordt dit besluit bekend gemaakt door kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan op de gemeentepagina van Groot Vlaardingen en op de internetsite dan wel op een andere geschikte wijze.

6. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan de verzoeker.

Artikel 8 Verslag en evaluatie

1. De burgemeester brengt over elk jaar als onderdeel van het burgerjaarverslag verslag uit over de werking van het recht van burgerinitiatief in de praktijk.

2. Een evaluatie van deze verordening vindt jaarlijks plaats door de commissie Bestuurlijke organisatie, Financiën en Veiligheid.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie ervan in het gemeenteblad.

Artikel 10 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de
gemeenteraad van Vlaardingen van 10 december 2003.
De griffier,                                           De voorzitter,
 
 
 
E.J. Nevens                                         mr. T.P.J. Bruinsma
 

Nota-toelichting Toelichting op de Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003

Artikel 1

Het betreffende onderwerp kan ten doel hebben de discussie op gang te brengen, maar kan ook een concreet voorstel inhouden. Naarmate sprake is van een minder concreet voorstel heeft de raad meer ruimte om de vorm van de discussie te bepalen.

 

Artikel 2

Uit dit artikel volgt dat de gemeenteraad een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van een raadsvergadering moet plaatsen indien er sprake is van een geldig verzoek, ingediend door een initiatiefgerechtigde. De gemeenteraad zal zich in dat geval dus in ieder geval moeten uitspreken over het initiatiefvoorstel. Van een geldig verzoek is sprake als (a) het verzoek door ten minste een bepaald aantal initiatiefgerechtigden wordt ondersteund, (b) het onderwerp van het burgerinitiatiefvoorstel niet in artikel 4 is uitgezonderd en (c) aan de in artikel 5 gestelde procedurele voorwaarden wordt voldaan. In artikel 3 (zie hierna) wordt naderomschreven wanneer een persoon initiatiefgerechtigd is.

 

Artikel 3

Voor de toetsing of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigheid is voldaan, lijkt het moment van indiening van het verzoek aangewezen. Het verzoek vindt immers formeel op dit moment plaats. Om te kunnen onderzoeken of op dat moment wordt voldaan aan de vereisten, zijn verschillende gegevens nodig. Welke dat zijn wordt geregeld in artikel 2.

 

Artikel 4

De beperkingen die dit artikel stelt aan de inhoud van een burgerinitiatiefvoorstel vloeien vooral voort uit doelmatigheidsoverwegingen. Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om de raad te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover de raad uiteindelijk geen beslissende bevoegdheid heeft. Een ander argument voor deze uitzondering is, dat de afstand tussen burger en bestuur alleen maar zou worden vergroot als de burger na het doorlopen van de burgerinitiatiefprocedure te horen krijgt dat de raad niets met het burgerinitiatiefvoorstel kan doen, omdat hij er niet over gaat.

Een vraag over gemeentelijk beleid kan ook geen onderwerp van een burgerinitiatief zijn. Voor dit soort vragen staan de burgers andere wegen open, zoals het spreekrecht in een commissie- of raadsvergadering of een spreekuur van een wethouder.

 

Artikel 5

Het inleidend verzoek is bedoeld om burgers te helpen bij het bewandelen van de juiste weg. Zo kunnen burgers worden doorverwezen als zij beter naar het spreekuur van de wethouder kunnen gaan of beter rechtstreeks een ambtenaar of wijkcoördinator kunnen benaderen. Ook kan advies gegeven worden over hoe het indienen van het burgerinitiatief aangepakt moet worden.

 

Artikel 6

Het verzoek wordt ingediend bij de burgemeester in diens hoedanigheid van voorzitter van de gemeenteraad.

 

Artikel 7

De burger moet erop kunnen vertrouwen dat de raad zijn voorstel spoedig toetst aan de vereisten en een besluit neemt over de behandeling. Hierin voorziet het eerste lid. Het gaat erom een termijn te kiezen die niet te lang is, maar ook niet zo kort dat ze onvoldoende is om het voorstel te controleren. Verzoeken waarover de raad niet bevoegd is, kan de raad doorzenden naar het college. Dat zal met name gebeuren als het college wel bevoegd is.

Met het vierde tot en met het zesde lid worden vooral waarborgen gecreëerd voor transparantie bij de afhandeling van een burgerinitiatiefvoorstel door de raad. Op grond van het zesde lid wordt de verzoeker altijd schriftelijk meegedeeld wat er met het ingediende voorstel gebeurt. Dat kan dus een mededeling dat het verzoek wordt afgewezen of een inhoudelijk besluit zijn. Wordt het verzoek tot plaatsing van het burgerinitiatiefvoorstel door de raad afgewezen, dan is er sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep op de rechter openstaat (artikel6:4 Awb). Besluit de raad het burgerinitiatiefvoorstel te agenderen, dan is er sprake van een voorbereidingsbeslissing die niet vatbaar is voor bezwaar en beroep (artikel 6:3 Awb). Afhankelijk van de inhoud van de beslissing op het initiatiefvoorstel zelf, zal er sprake zijn van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht dat vatbaar is voor bezwaar en beroep (artikel 6:4 Awb).

 

Artikel 8

De evaluatie van de verordening door de commissie Bestuurlijke organisatie Financiën en Veiligheid kan aanleiding zijn de raad te adviseren te besluiten de verordening op het burgerinitiatief aan te passen of in te trekken.

 

Artikelen 9 en 10

Behoeven geen toelichting