Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Treasurystatuut gemeente Vlaardingen 2013
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Treasurystatuut gemeente Vlaardingen 2013

De raad van de gemeente Vlaardingen; gelezen het voorstel van het college van 27 augustus 2013, R.nr. ; gelet op de Financiële verordening gemeente Vlaardingen 2013, artikel 17; besluit vast te stellen het volgende: Treasurystatuut gemeente Vlaardingen 2013

Titeldeel 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begrippenkader

De treasuryfunctie vormt dat deel van de financiële functie dat zich bezighoudt

met het sturen en beheersen van, het verantwoording afleggen over en het toezicht houden op de gemeentelijke geldstromen en de daaruit voortvloeiende balansposities en financiële risico’s. De treasuryfunctie kent 3 taakgebieden:

a. financieel risicobeheer, betreffende renterisico, debiteurenrisico, koersrisico en valutarisico;

b. gemeentefinanciering, onderverdeeld in financiering en kredietverlening;

en

c. cashmanagement, bestaande uit geldstromenbeheer, saldo- en liquiditeiten-beheer en relatiebeheer. Het treasurybeleid bestaat uit de uitgangspunten, de doelstellingen en de richtlijnen ter uitvoering van de treasuryfunctie. Het treasurybeleid is vastgelegd in het treasurystatuut. De uitvoering van het treasurybeleid vindt plaats binnen de in het statuut aangegeven kaders. De uitvoering van het treasurybeleid wordt beschreven in de treasuryparagraaf. De treasuryparagraaf in de begroting geeft een overzicht van de beleidsplannen, de treasuryparagraaf in de jaarrekening belicht de realisatie van deze plannen.

Artikel 2 Wettelijke basis

Gemeentewet, art. 212.

Artikel 3 Wettelijk kader

Het wettelijk kader wordt bepaald door:

a. de Wet Financiering Decentrale Overheden (Staatsblad 2008, 537; 18 december 2008)

b. het Besluit Leningvoorwaarden Decentrale Overheden (Staatsblad 2000, 589; 21 december 2000)

c. de Uitvoeringsregeling Financiering Decentrale Overheden (Staatscourant 2009, 65; 5 april 2009)

d. de Regeling Uitzettingen en Derivaten Decentrale Overheden (Staatscourant 2009, 65; 5 april 2009)

e. het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (Staatsblad 2003, 27; 17 januari 2003)

Artikel 4 Gemeentelijk kader

Met inachtneming van het wettelijk kader (art. 3) bepaalt de gemeenteraad door vaststelling van het treasurystatuut de voor de Gemeente Vlaardingen gewenste kaders, waarbinnen het treasurybeleid zal worden uitgevoerd.

Titeldeel 2 Algemene uitgangspunten, doelstellingen en richtlijnen

Artikel 5 Uitgangspunten

1. De Gemeente Vlaardingen voert, gelet op het primaire belang van een continue gemeentelijke taakuitoefening, een treasurybeleid dat defensief van karakter is. Dit betekent dat financiële risico's zoveel mogelijk beperkt dienen te worden.

2. Gelet op de samenhang tussen risico en rendement wordt, gegeven het in artikel 5.1 geformuleerde uitgangspunt, slechts rendementsoptimalisatie (in plaats van rendementsmaximalisatie) nagestreefd, of kostenoptimalisatie (in plaats van kostenminimalisatie).

Artikel 6 Doelstellingen

Het gemeentelijk treasurybeleid beoogt:

a. het garanderen van een duurzame toegang tot de financiële markten en

het beperken van de kosten die daarmee samenhangen;

b. het beschermen van de gemeentelijke vermogenspositie middels het beheersen van de optredende financiële risico 's; en

c. het optimaliseren van het extern renteresultaat.

Artikel 7 Richtlijnen

Zowel bij het opnemen als het uitzetten van geldelijke middelen geldt dat:

a. rekening wordt gehouden met de actuele en toekomstige omvang van de gemeentelijke financieringsbehoefte (liquiditeitenprognose);

b. rekening wordt gehouden met de bestaande en verwachte renteverhoudingen op de geld- en kapitaalmarkt (rentevisie);

c. rekening wordt gehouden met het risicoprofiel, zoals dit in het treasurystatuut impliciet wordt vastgesteld;

d. voor het afsluiten van langlopende geldleningen (o/g en u/g) altijd meerdere offertes worden aangevraagd die per email bevestigd dienen te worden;

e. uitsluitend schuldpapier luidende in euro's wordt verstrekt of aangenomen.

Titeldeel 3 Financieel risicobeheer

Artikel 8 Uitgangspunten

1. Krediet- en garantieverlening uit hoofde van de publieke taak vindt uitsluitend plaats nadat op zorgvuldige wijze informatie is ingewonnen over de financiële positie van de krediet- of garantieontvangende organisatie.

2. Het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie vindt uitsluitend plaats indien deze uitzettingen een prudent karakter dragen. Het prudente karakter wordt gewaarborgd door in achtneming van de richtlijnen in dit statuut.

Artikel 9 Doelstellingen

Het beheersen van financiële risico 's is gericht op de bescherming van het eigen vermogen van de gemeente. De te beheersen risico’s zijn het rente-, koers-, debiteuren- en valutarisico.

Artikel 10 Renterisicobeheer

1. Het renterisico dat voortvloeit uit de netto vlottende schuld wordt beperkt door te voldoen aan de wettelijke bepalingen inzake de kasgeldlimiet. De netto vlottende schuld bestaat uit kortlopende leningen o/g en u/g (met een rentetypische looptijd tot 1 jaar), rekeningcourantsaldi bij banken en kassaldi.

2. Het renterisico dat voortvloeit uit de vaste schuld wordt beperkt door te voldoen aan de wettelijke bepalingen inzake de renterisiconorm. De vaste schuld heeft betrekking op geldleningen met een rentetypische looptijd van 1 jaar of langer.

Artikel 11 Koersrisicobeheer

1. Koersrisico wordt beperkt door uitsluitend in producten te beleggen met een hoofdsomgarantie. Hierbij wordt het zgn. buy-and-hold-principe toegepast.

2. Beleggen in aandelen is uit hoofde van de treasuryfunctie niet toegestaan. Deelnemen in het risicodragend kapitaal van een onderneming is wel mogelijk wanneer dit uit hoofde van de publieke taak gebeurt.

Artikel 12 Debiteurenrisicobeheer

Het debiteurenrisico wordt zoveel mogelijk beperkt door voorkomende liquiditeits-overschotten in te zetten ter aflossing van de bestaande vlottende of vaste schuld.

Artikel 13 Uitzettingen

Bij het uitzetten van geldelijke middelen uit hoofde van de treasuryfunctie gelden naast de richtlijnen van art. 7 en art. 10.1 de volgende richtlijnen:

a. uitzettingen vinden uitsluitend plaats bij:

- geldnemers, waarvan aan het schuldpapier een solvabiliteitsvriie status is toegekend, of

- geldnemers, waarvan het hoofdkantoor In Nederland gevestigd is en die minimaal over een A-rating beschikken, afgegeven door tenminste 2 van de erkende ratingbureau's.

b. uitzettingen worden defensiever van karakter naarmate de liquiditeitstypische looptijd van de uitzetting langer is:

- bij een looptijd korter dan 3 maanden : minimaal A-rating,

- bij een looptijd langer dan 3 maanden : minimaal AA-rating,

- bij een looptijd van 1 jaar of langer : AAA-rating (triple-A).

c. uitzettingen worden zoveel mogelijk over verschillende geldnemers gespreid.

Artikel 14 Valutarisicobeheer

Valutarisico 's worden uitgesloten door uitsluitend geldleningen af te sluiten of te garanderen welke gedenomineerd zijn in de Nederlandse geldeenheid (euro).

Titeldeel 4 Gemeentefinanciering

Artikel 15

Bij het aantrekken van financieringsmiddelen voor een periode van één jaar of langer gelden naast de richtlijnen van art. 7 en art. 10.2 de volgende richtlijnen:

a. financiering wordt uitsluitend en alleen aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak;

b. financieringsbeslissingen zijn altijd gebaseerd op de financieringsbehoefte van de gemeente als geheel (totaalfinanciering);

c. financiering door middel van externe middelen wordt zoveel mogelijk beperkt door eerst de uitgezette middelen te benutten;

Artikel 16 Kredietverlening

Bij het uitzetten van geldelijke middelen uit hoofde van de treasuryfunctie voor een periode van één jaar of langer geldt het uitgangspunt van art. 12 en de richtlijnen van art. 7 en art. 13.

Titeldeel 5 Cashmanagement

Artikel 17 Geldstromenbeheer

Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren:

a. wordt het liquiditeitsgebruik beperkt door de inkomende en uitgaande geldstromen van de gemeente zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen;

b. worden vorderingen zo snel mogelijk geïnd en schulden, rekening houdend met de betalingscondities en -termijnen, zo laat mogelijk betaald;

c. wordt het betalingsverkeer zoveel mogelijk middels internetbankieren uitgevoerd bij zo min mogelijk banken; en

d. worden overigens de meest efficiënte financiële producten benut.

Artikel 18 Saldo- en liquiditeitenbeheer

Voor het saldo- en liquiditeitenbeheer gelden de volgende richtlijnen:

a. de gemeente streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen één saldo- en rentecompensabel stelsel (bij de bank met de gunstigste condities);

b. bij het opnemen en uitzetten van gelden korter dan één jaar geldt het uitgangspunt van art. 12 en de richtlijnen van art. 7, art. 10.1 en art. 13.

Artikel 19 Relatiebeheer

De gemeente beoogt het realiseren van marktconforme condities met betrekking tot af te nemen financiële producten en diensten. Hiervoor gelden de volgende richtlijnen:

a. een wijziging in de keuze van de huisbankier is altijd gebaseerd op een vergelijkend onderzoek tussen banken;

b. banken en overige financiële ondernemingen dienen wat betreft hun krediet-waardigheid te voldoen aan de richtlijnen van artikel 13;

c. banken en overige financiële ondernemingen dienen onder het toezicht van een Nederlandse of Europese toezichthouder te vallen;

d. tussenpersonen dienen te handelen in overeenstemming met de regels uit de Wet op het Financieel Toezicht.

Artikel 20 Informatievoorziening

De uitvoering van het treasurybeleid dient vastgesteld, gecontroleerd en geëvalueerd te worden. Informatie over treasuryonderwerpen wordt daarom opgenomen in de documenten uit de planning- en controlcyclus.

Titeldeel 6 Slotbepalingen

Artikel 21 Inwerkingtreding

1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het Gemeenteblad.

2. Op dat moment wordt de verordening “Treasurystatuut 2001” ingetrokken.

3. Waar in documenten uit de planning- en controlcyclus (na datum inwerkingtreding) wordt verwezen naar het treasurystatuut, daar wordt verwezen naar voorliggende verordening.

Artikel 22 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Treasurystatuut 2013”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Vlaardingen in zijn openbare vergadering van 19 september 2013, De griffier, De voorzitter,
drs. E.W.K. Meurs mr. T.P.J. Bruinsma

Bijlage Begrippenlijst Treasurystatuut 2013

AANDEEL Bewijs van deelname in het kapitaal van een vennoot-schap (bijv. N.V. of B.V.). BUY-AND-HOLD-PRINCIPE Dit principe houdt in dat aangekochte financiële activa niet gedurende de looptijd worden verkocht. Verkoop vóór het einde van de looptijd leidt tot koersrisico. DEPOSITO Niet-verhandelbare belegging bij een bank, waarbij een bedrag voor een vaste periode tegen een vast rentepercentage wordt weggezet. EIGEN VERMOGEN Het deel van het vermogen dat permanent aanwezig is en als eerste de risico’s draagt die zijn verbonden aan de bedrijfsuitoefening. Bij gemeenten betreft het de algemene reserve. Ook bestemmingsreserves maken delen van het eigen vermogen. FINANCIERING Het aantrekken van financieringsmiddelen ter dekking van een vermogensbehoefte. INTEREST (of rente) De vergoeding die in rekening gebracht wordt voor het beschikbaar stellen van liquide middelen. De interest wordt veelal uitgedrukt in een percentage van de hoofdsom op jaarbasis. KASGELDLIMIET De in de Wet Financiering decentrale overheden vast-gelegde beperking van de netto vlottende schuld. De limiet is een percentage van het begrotingstotaal bij aanvang van het begrotingsjaar. LIQUIDITEITSTYPISCHE LOOPTIJD De totale looptijd van een geldlening of belegging.

(zie ook: rentetypische looptijd) NEAR-BANKING Het in- en doorlenen van geldelijke middelen met als enige doelstelling het genereren van extra inkomsten. O/G Opgenomen gelden. PROJECTFINANCIERING Kredietverlening op lange termijn ten behoeve van een specifieke zelfstandige economische eenheid (zie ook: Totaalfinanciering). REKENINGCOURANT Bankrekening waarop de lopende inkomsten en uitgaven van een organisatie worden geregistreerd. RENTEHERZIENING Tussentijdse aanpassing van de contractuele rente. RENTERISICONORM De in de Wet Financiering decentrale overheden vastgelegde norm ter beperking van het renterisico verbonden aan de vaste schuld. De norm wordt berekend als percentage van de totale exploitatie-lasten. RENTETYPISCHE LOOPTIJD Looptijd tussen twee momenten van renteherziening.

(zie ook: Liquiditeitstypische looptijd) SCHATKISTBANKIEREN Het verplicht aanhouden van liquiditeitsoverschotten bij het Rijk TOTAALFINANCIERING Financieringswijze waarbij de vermogensbehoefte van een bedrijf als geheel wordt betrokken (zie ook: Project financiering). U/G Uitstaande gelden.

VASTE SCHULD Het totaal van de schulden voortvloeiend uit het afsluiten van langlopende geldleningen o/g (d.w.z. met een rentetypische looptijd van minimaal 1 jaar). VLOTTENDE SCHULD (Bruto) Het totaal van de schulden voortvloeiend uit het afsluiten van kortlopende geldleningen o/g (d.w.z. met een rentetypische looptijd tot 1 jaar) en de rekening-courantschulden. VLOTTENDE SCHULD (Netto) De netto vlottende schuld is de bruto vlottende schuld minus het totaal van de vorderingen door het afsluiten van kortlopende leningen u/g, de rekeningcourantsaldi en de kassaldi.

Nota-toelichting Artikelsgewijze toelichting Treasurystatuut 2013

Artikel 1 en 2

Sinds het van kracht worden van de Wet Financiering Decentrale Overheden (eind 2000) is het opstellen van een treasurystatuut een wettelijke verplichting. Het eerste treasurystatuut is door uw raad vastgesteld in september 2001. In de afgelopen 11 jaar is er op het gebied van wet- en regelgeving het nodige veranderd. Daarbij kan o.a. gedacht worden aan de invoering van de Wet Dualisering Gemeenten en de wijzigingen in de Wet Financiering Decentrale Overheden. Een en ander vormt meer dan voldoende aanleiding voor een up-date van het statuut. De belangrijkste wijzigingen zijn het vervallen van de artikelen betreffende de administratieve organisatie en interne controle (geen taak meer van de raad) en een aanscherping van de richtlijnen voor het uitzetten van gelden bij derden (gevolg van de kredietcrisis). Artikel 3 en 4

Het kader waarbinnen het gemeentelijk treasurybeleid dient te worden uitgevoerd, wordt in eerste instantie bepaald door de landelijke wetgever. In artikel 3 is daarom aangegeven welke wetten en regelingen hierbij een rol spelen. Binnen dit rijkskader staat het de gemeenteraad vrij om eigen keuzes te maken met betrekking tot het treasurybeleid. Deze komen tot uiting in dit statuut. Artikel 5 en 6

Middels de formulering van uitgangspunten en doelstellingen geeft de gemeenteraad aan welke prioriteiten zij op het gebied van treasury stelt. Zo mag de uitvoering van het treasurybeleid nooit een belemmering vormen voor de uitvoering van gemeentelijke taken. Het treasurybeleid dient dit juist te faciliteren. Om die reden staat het mijden van risico voorop. Risicobeperking heeft echter in het algemeen een lastenverhogend of batenverlagende effect. Artikel 7

Het opnemen en uitzetten van geldelijke middelen maakt deel uit van de treasurypraktijk. De in dit artikel geformuleerde richtlijnen stellen voorwaarden aan deze activiteiten. Het doel hiervan is om tot een weloverwogen financieringsbeslissing te komen. In de navolgende artikelen komen de meer specifieke richtlijnen aan de orde. Artikel 8 en 9

Ook de gewijzigde Wet Financiering Decentrale Overheden (2008) stelt nagenoeg geen eisen aan het verstrekken van geldleningen en het verlenen van garanties uit hoofde van de publieke taak. Het is aan het gemeentebestuur zelf om te bepalen wanneer het maatschappelijk belang gediend is en wanneer niet. Het is echter niet toegestaan om geld te lenen met als enig doel het met een voordelige rentemarge weer uit te lenen. Dit zgn. near-banking wordt sinds de Ceteco-affair in 1999 nadrukkelijk niet als publieke taak gezien.

Voor het uitzetten van gemeenschapsgeld uit hoofde van de treasuryfunctie gelden wel strikte voorwaarden. Het gaat in dit geval om het uitzetten van middelen als gevolg van een tijdelijk liquiditeitsoverschot. De recente geschiedenis (Icesave-affaire 2008) heeft aangetoond hoe lastig het voor een gemeente is om een correcte inschatting te maken van de kredietwaardigheid van een geldnemer. Het afboeken van uitstaande gelden (ten laste van de algemene reserve) is niet gewenst. Daarom is het uitzettingsbeleid zeer prudent. Prudent betekent ‘voorzichtig’ of ‘verstandig’. Hoofdstuk 3 van het statuut geeft aan wat in Vlaardingen precies onder prudent wordt verstaan. Artikel 10

Renterisicobeheer heeft tot doel het beperken van de invloed van rentewijzigingen op de exploitaitie van de gemeente. Middels de kasgeldlimiet en de renterisiconorm tracht de wetgever te voorkomen dat begrotingen geconfronteerd worden met te grote jaarlijkse fluctuaties in de rentelasten.

De kasgeldlimiet beperkt het gebruik van kortlopende geldleningen tot een gemiddelde hoofdsom van maximaal 8,50% (anno 2012) van de begrote exploitatielasten, terwijl de renterisiconorm moet zorgen voor spreiding van het renterisico op langlopende geldleningen over toekomstige begrotingsjaren. Het renterisico bestaat uit te herfinancieren aflossingen en renteherzieningen. De blootstelling aan dit risico mag maximaal 20% (anno 2012) van de begrote exploitatielasten bedragen. Artikel 11

Overtollige liquiditeiten kunnen voor kortere of langere tijd worden uitgezet. Er wordt echter uitsluitend belegd in producten waarvan op het moment van belegging bekend is dat minimaal de belegde hoofdsom retour ontvangen zal worden. Het gedurende de looptijd verkopen van een belegging kan zonder hoofdsomgarantie nadelige consequenties hebben voor de financiële positie van de gemeente. Dit is het geval wanneer op verkoopdatum de marktwaarde van de belegging kleiner is dan de ingelegde hoofdsom.

Voorbeelden van deelnemingen uit hoofde van de publieke taak zijn de deelnemingen in: NV Bank Nederlandse Gemeenten, NV Waterbedrijf Evides, NV IRADO en BV Stadsgehoorzaal. Artikel 12

Het uitzetten van gelden uit hoofde van de treasuryfunctie (ten tijde van liquiditeitsoverschotten) is geen kerntaak van de gemeente. Daarom zal ernaar gestreefd worden om tijdelijk overtollige liquiditeiten zoveel als contractueel mogelijk in te zetten ter aflossing van bestaande schulden. In voorkomende gevallen zullen de risico’s van een tijdelijke uitzetting duidelijk in beeld gebracht moeten worden. Zodra schatkistbankieren een wettelijke verplichting is, zullen liquiditeitsover-schotten bij het Rijk worden aangehouden. Artikel 13

Ter beperking van het debiteurenrisico zijn in dit artikel richtlijnen opgenomen met betrekking tot de minimale kredietwaardigheid van geldnemers. Geldnemers kunnen zijn: andere overheden, woningcorporaties, bankinstellingen, pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen.

De Nederlandsche Bank (DNB) bepaalt van welke organisaties het schuldpapier solvabiliteitsvrij is. Beleggen in dergelijk papier is risicovrij. De solvabiliteitsvrije status wordt o.a. toegekend aan schuldpapier uitgegeven of gegarandeerd door het Rijk, provincies of gemeenten.

Een credit-rating is een maatstaf voor de kredietwaardigheid van een organisatie. Een dergelijke rating wordt toegekend door erkende rating-agencies als Standard & Poor's, Moody's en Fitch IBCA. De hoogste kredietwaardigheid wordt aangegeven door AAA, gevolgd door AA en A. Daaronder kent men soortgelijke onderverdelingen van de letters B, C en D. Een A-rating staat nog steeds voor "zeer kredietwaardig". Tijdens de kredietcrisis van 2008 is echter ook de relatieve waarde van credit-ratings aan het licht gekomen.

Debiteurenrisico kan in het algemeen worden verminderd door spreiding aan te brengen in de uitzettingen, namelijk door het totaal aan uit te zetten middelen onder te brengen bij meerdere geldnemers. Het onverhoopte faillissement van 1 debiteur leidt in dergelijke gevallen 'slechts' tot een gedeeltelijke afschrijving van de beleggingsportefeuille. Op dit moment liggen plannen klaar om schatkistbankieren (zie begrippenlijst) verplicht te stellen. Zodra dit een wettelijke verplichting is is dit artikel niet meer van kracht. Artikel 15

Het aantrekken van financieringsmiddelen gebeurt alleen in functie van de gemeentelijke taakuitoefening. De te nemen financieringsbeslissingen zullen daarbij altijd gebaseerd zijn op de financieringsbehoefte van de gemeente als geheel ("totaal-financiering"). De Icesave-affaire heeft aangetoond dat projectfinanciering risicovol kan zijn wanneer gelden reeds ruim voor de fase van uitvoering van het project worden opgenomen. Dit zorgt immers voor een liquiditeitsoverschot en dus voor een beleggingsprobleem. De wetgever eist in de gewijzigde Wet Financiering Decentrale Overheden om die reden dat overschotten in verband met projectfinanciering belegd worden bij de oorspronkelijke geldgever. In het geval van faillissement van de geldgever kunnen zodoende vorderingen en schulden gesaldeerd worden.

De Gemeente Vlaardingen trekt tot nu toe alleen financieringsmiddelen aan door het afsluiten van onderhandse geldleningen. Onderhandse geldleningen zijn leningen waarbij het rentetarief en de overige voorwaarden van de lening in overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld ('maatwerk'-product). Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat de gemeente een beeld krijgt van de op dat moment geldende tarieven en voorwaarden op de kapitaalmarkt. Zodoende kan een afgewogen keuze worden gemaakt. Artikel 17

Geldstromenbeheer omvat vooral het zorg dragen voor een efficiënt betalingsverkeer. In dit verband spelen zaken een rol als het gebruik van internetbankieren, het gewenste aantal banken en bankrekeningen, de inzet van acceptgiro en/of incasso, het gebruik van een internetkassa en zo meer.

Het getuigt van een doelmatig gebruik van middelen wanneer uitgaande geldstromen zoveel mogelijk afgestemd worden op de inkomende geldstromen (het 'matching'-principe). Dit beperken van de rentekosten wordt ook bevorderd door rekening te houden met de vervaldata van vorderingen en schulden. Artikel 18

Het saldobeheer betreft het dagelijks beheer van de banksaldi. Omdat de rentecondities op rekeningen van bank tot bank verschillen worden de aanwezige saldi naar die bank overgeboekt die de gunstigste condities kent.

Het liquiditeitenbeheer heeft betrekking op het totaal van de gemeentelijke banksaldi: een tijdelijk overschot aan middelen wordt uitgezet, een liquiditeitstekort wordt gedekt door het afsluiten van een lening.

Rekeningcourantfaciliteiten worden in een overeenkomst tussen bank en gemeente vastgelegd. Vlaardingen heeft een dergelijke overeenkomst gesloten met de Bank Nederlandse Gemeenten ING Bank en de RABO Bank. Hierin zijn o.a. afspraken gemaakt over de maximale omvang van het rekening-courantkrediet (“rood staan”) en de te betalen rente. Artikel 19

De Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) is de gemeentelijke huisbankier. De BNG heeft als geen andere bank kennis van de financiële problematiek die bij gemeenten speelt. Toch kan het voor individuele diensten en producten raadzaam zijn de keuze op een andere bank te laten vallen.

Tussenpersonen hebben een intermediairsfunctie bij het afsluiten van leningen. Sinds 1 januari 2007 staan zij onder toezicht van de Autoriteit Financiele Markten (AFM). De AFM controleert op deskundigheid, betrouwbaarheid en klantgerichtheid. De gemeente zelf blijft verantwoordelijk voor de keuze van een tussenpersoon. Artikel 20

Informatie over beleidsplannen wordt door het college verstrekt via de treasuryparagraaf in de begroting. In tussentijdse voortgangsrapportages wordt over de voorlopige uitvoering gerap-porteerd, terwijl in de treasuryparagraaf van het jaarverslag de realisaties in beeld gebracht worden.