Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2010
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2010

Burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

 

Overwegen dat het wenselijk is aanvullende regels te geven met betrekking tot re-integratie - en inburgeringsvoorzieningen en het werkleeraanbod voor jongeren;       

 

Gelet op de bepalingen in de “Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010” en de “Algemene subsidieverordening Vlaardingen 2008”;

 

Besluiten ingevolge de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Wet Inburgering (WI), de Wet investeren in jongeren (WIJ), de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) alsmede de “Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010”, het volgende uitvoeringsbesluit vast te stellen.

    “Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2010”

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1. In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder: a. Inleenvergoeding:

de bijdrage die een inlener dient te betalen nadat een

detacheringovereenkomst is gesloten;

b. Inlener:

een organisatie of onderneming bij wie een werknemer gedetacheerd wordt;

c. Loonkostensubsidie:

subsidie die aan een werkgever wordt verstrekt met als doel een persoon via een regulier dienstverband in dienst te nemen;

d. Detacheringsbaan:

een tijdelijk gesubsidieerde baan waarbij de werkgever de werknemer, voor het verrichten van arbeid, ter beschikking stelt aan een inlener en waarbij de werkgever van de inlener een inleenvergoeding ontvangt;

e. Jongeren:

jongeren als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet investeren in jongeren, die recht hebben op een werkleeraanbod;

f. Uitstroompremie:

een premie die aan een werkgever wordt verstrekt voor het in reguliere dienst nemen c.q. houden van een persoon zonder dat hiervoor nog een vorm van subsidie door de werkgever wordt ontvangen;

g. Participatiebaan:

een gesubsidieerde baan die bedoeld is voor een persoon die blijvend op deze vorm van gesubsidieerde arbeid is aangewezen;

h. Werkstage:

het verrichten van werkzaamheden voor een maximale periode van 24 maanden gericht op arbeidsinschakeling met als doel het verkrijgen van inzicht omtrent de aanwezige capaciteiten van een persoon, het opdoen van werkervaring c.q. het wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid.

2. De begripsbepalingen van de WWB alsmede van de Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010 zijn op dit uitvoeringsbesluit van toepassing, tenzij daarvan in de begripsbepalingen uitdrukkelijk wordt afgeweken.

 

Hoofdstuk II Re-integratie

Afdeling 1 Vormen van ondersteuning
Artikel 2 Werkstage

1. Het college kan aan de doelgroep een werkstage aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.

2. De werkstage heeft een maximale duur van 24 maanden.

3. Het college plaatst een persoon alleen indien door plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door plaatsing geen verdringing plaatsvindt.

4. Van de werkstage wordt een overeenkomst opgemaakt waarin ondermeer de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt wordt vastgelegd.

5. In een trajectplan wordt het doel van de werkstage vastgelegd.

Artikel 3 Sociale activering

Het college kan aan de doelgroep als onderdeel van een re-integratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.

 

Artikel 4 Schuldhulpverlening

Het college kan aan de doelgroep, alsmede aan personen bedoeld in artikel 7, onder a van de Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2008, een schuldhulpverleningstraject aanbieden.

Artikel 5 Bemiddelingstrajecten

Het college kan aan de doelgroep een voorziening gericht op bemiddeling aanbieden. Deze bemiddeling kan onder meer zijn gericht op het verwerven van:

a.   vrijwilligerswerk;

b.   passende scholing; of

c.   arbeid in loondienst.

Artikel 6 Detacheringsbanen

1. Het college kan aan de doelgroep een dienstverband aanbieden.

2. Het college kan een organisatie aanwijzen die in opdracht van, of namens hen het werkgeversschap voor de banen, bedoeld in het eerste lid, uitvoert.

3. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een inlener.

4. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlener als tussen de werknemer en de inlener.

5. Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.

Artikel 7 Duur detacheringsbanen en hoogte inleenvergoeding

1. De duur van een detacheringsbaan is steeds zo kort mogelijk. De detacheringsbaan kan eenmalig verlengd worden met 6 maanden. De totale duur van een detacheringsbaan kan, inclusief verlenging, maximaal 18 maanden zijn.

2. De inlener is gehouden een vooraf overeengekomen inleenvergoeding te betalen.

3. De inleenvergoeding voor detacheringsbanen, zoals bedoeld in het tweede lid bedraagt tenminste in:

a. de eerste tot en met de zesde maand van de detachering 12,5% van het bruto wettelijk minimumloon;

b. de zevende tot en met de twaalfde maand van de detachering 25% van het bruto wettelijk minimumloon;

c. de dertiende tot en met de achttiende maand 37,5% van het bruto wettelijk minimumloon.

4. De detachering geldt in principe voor dienstverbanden van 32 uur per week.

5. De omvang van het dienstverband wordt zodanig vastgesteld dat aanspraak op een uitkering in principe wordt voorkomen.

6. Voor de hoogte van de te berekenen inleenvergoeding is bepalend het wettelijk minimumloon behorend bij de leeftijd van de werknemer bij aanvang van de arbeidsovereenkomst. De inleenvergoeding wordt naar rato verhoogd of verlaagd bij een dienstverband van meer of minder dan 32 uur per week.

Artikel 8 Loonkostensubsidies

1. Het college kan conform de artikelen 1.1 en 1.3 van de Algemene subsidieverordening Vlaardingen 2003 loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die met een lid van de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling.

2. In de subsidiebeschikking stelt het college regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.

3. De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt.

Artikel 9 Hoogte en duur loonkostensubsidies

1. De subsidie zoals bedoeld in artikel 8 bedraagt gedurende de periode van de:

a. eerste tot en met de zesde maand maximaal 50 % van het wettelijk minimumloon;

b. zevende tot en met de twaalfde maand maximaal 30 % van het wettelijk minimumloon.

2. De maximale termijn waarover subsidie kan worden verstrekt is twaalf maanden.

3. Voor de hoogte van de subsidie is bepalend de leeftijd van de werknemer bij aanvang van de arbeidsovereenkomst.

4. De subsidie wordt naar rato verlaagd indien het dienstverband korter heeft geduurd dan de periode bij aanvang van het dienstverband.

5. De subsidie geldt voor dienstverbanden van maximaal 36 uur per week. Het subsidiebedrag wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van minder dan 36 uur per week.

Artikel 9A Re-integratie praktijk overeenkomst

1. Het college kan aan een lid van de doelgroep een gesubsidieerde re-integratie praktijkovereenkomst (RPO) aanbieden;

2. Het college kan een organisatie aanwijzen die de RPO, bedoeld in het eerste lid, aanbiedt;

3. De werknemer krijgt een RPO aangeboden en wordt gedetacheerd bij een reguliere werkgever.

4. Op grond van de RPO ontvangt de werknemer een maandelijkse vergoeding, welke gelijk is aan de bijstandsnorm die bij aanvang van de RPO voor de werknemer zou gelden.

5. De duur van de RPO bedraagt maximaal 3 maanden, welke periode  één keer verlengd kan worden met maximaal 3 maanden;

6. De gemeentelijke loonkostensubsidieregeling voor de RPO is, in tegenstelling tot wat in artikel 9 genoemd wordt als hoogte van de subsidie, als volgt:

a. De hoogte van de (maandelijkse) subsidie is gelijk aan de bijstandsnorm die bij aanvang van de RPO voor de werknemer zou gelden.

b. De werkgever waar de werknemer gedetacheerd wordt, betaalt per gewerkt uur een inleenvergoeding van 8 euro voor personen van 23 jaar en ouder en 6 euro voor personen onder de 23 jaar  aan de organisatie die de RPO aanbiedt.

7. De werkgever heeft de intentie na afloop van de tijdelijke subsidie belanghebbende een reguliere baan aan te bieden voor tenminste zes maanden. Deze intentie wordt vastgelegd en ondertekend door de werkgever;

8. Plaatsing op een RPO is alleen mogelijk indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. In een contract zal worden vastgelegd dat de organisatie op een en ander toeziet.

Artikel 10 Participatiebanen

1. Het college kan personen aanwijzen welke in aanmerking komen voor een participatiebaan.

2. Het college kan vervolgens subsidie verstrekken aan werkgevers die met de in het eerste lid bedoelde personen, een arbeidsovereenkomst sluiten.

3. Bij beschikking stelt het college regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.

4. Tenminste eenmaal per 12 maanden wordt in overleg met de werknemer en de werkgever bezien welke mogelijkheden er voor de werknemer zijn voor arbeidsinschakeling en/of andere vormen van subsidiearbeid.

5. De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt.

Artikel 11 Hoogte en duur subsidie participatiebanen

1. De duur van subsidieverstrekking voor een participatiebaan zal steeds gerelateerd zijn aan de duur van het dienstverband van de desbetreffende werknemer en is als zodanig persoonsgebonden.

2. De subsidie voor participatiebanen, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, bedraagt ten hoogste 100% van het dan geldende wettelijk minimumloon.

3. Voor de hoogte van de subsidie is bepalend de leeftijd van de werknemer bij aanvang van de arbeidsovereenkomst;

4. De subsidiebedragen worden berekend voor dienstverbanden van 32 uur per week. Het subsidiebedrag wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van minder dan 32 uur per week. Bij dienstverbanden van meer dan 32 uur per week wordt het maximum van 32 uur gehanteerd.

Artikel 12 Persoonsgebonden re-integratiebudget

1. Het college kan aan personen binnen de doelgroep een subsidie verstrekken in de vorm van een persoonsgebonden re-integratiebudget.

2. Een persoonsgebonden re-integratiebudget is een subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling.

Artikel 12a

Om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening in de vorm van een persoonsgebonden re-integratiebudget dient een persoon binnen de doelgroep te voldoen aan de volgende criteria:

1.De persoon binnen de doelgroep is gemotiveerd en in staat om zelfstandig een re-integratietraject vorm te geven middels een reëel en concreet plan van aanpak;

2.Het re-integratietraject moet vervolgens uitgevoerd worden met als resultaat uitstroom naar regulier werk.

Artikel 13 Vaststelling subsidie

Als de subsidie voor een bepaalde periode geldt wordt het recht op subsidie telkens na afloop van het kalenderjaar definitief vastgesteld.

Artikel 14 Subsidieplafond

Het college kan jaarlijks na vaststelling van de gemeentebegroting, doch uiterlijk 31 december van dat jaar, een subsidieplafond vaststellen voor in het kader van dit uitvoeringsbesluit, aan werkgevers te verstrekken subsidies.

Artikel 15 Afwijkingsbevoegdheid

Het college kan in nader te bepalen omstandigheden afwijken van de in artikel 7, derde lid, artikel 9, eerste lid en artikel 11, tweede lid genoemde bedragen en percentages.

Afdeling 2 Uitstroompremie, nazorg en overige vergoedingen
Artikel 16 Uitstroompremie

1. Het college kan aan een werkgever een uitstroompremie van € 2.000 toekennen;

2. Deze premie wordt verstrekt indien de werkgever een persoon als bedoeld in respectievelijk artikel 6, 8 en 10, dan wel een persoon die werkzaam is op een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de WWB, na afloop van de door het college vastgestelde arbeidsperiode een arbeidsovereenkomst aanbiedt van ten minste 6 maanden;

3. Het college stelt de uitstroompremie beschikbaar indien wordt voldaan aan nog nader door het college te bepalen voorschriften.

Artikel 17 Voorzieningen gericht op nazorg

Het college kan aan ondernemingen waarbij een persoon algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, niet zijnde een voorziening als bedoeld in de artikelen 6, 8 of 10, voorzieningen bieden gericht op nazorg.

Artikel 18 Scholing

1. Het college kan, als onderdeel van een re-integratietraject, de kosten van scholing vergoeden.

2. Deze kosten worden alleen vergoed nadat door het college toestemming is verleend tot het volgen van de scholing.

3. Het college stelt de vergoeding voor scholing beschikbaar indien wordt voldaan aan nog nader te bepalen voorschriften.

Artikel 19 Overige vergoedingen

1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor de (overige) noodzakelijke kosten bij arbeidsinschakeling. Het gaat hierbij in ieder geval om:

a. verhuiskosten;

b. reiskosten; en

c. kosten voor kinderopvang.

2. Het college stelt de vergoeding voor voorzieningen beschikbaar indien wordt voldaan aan nog nader te bepalen voorschriften en enkel voor zover voor de gemaakte kosten geen beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan.

Afdeling 3 Gronden tot weigering of beëindiging van de voorziening
Artikel 20 Beperking van de doelgroep

1. Uitkeringsgerechtigden en personen als bedoeld in artikel 7, onder b van de Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010, kunnen aanspraak maken op de voorzieningen, genoemd in afdeling 1 en 2.

2. Anw-ers en nuggers zijn van alle aangeboden voorzieningen uitgesloten, indien zij 27 jaar of ouder zijn en hun bruto (gezins)inkomen hoger of gelijk is aan 150% van het op hen van toepassing zijnde bruto wettelijk minimumloon.

3. Anw-ers en nuggers kunnen daarnaast, indien zij 27 jaar of ouder zijn, niet in aanmerking komen voor de voorzieningen, genoemd in de artikelen 6, 8 en 10, noch voor het persoonsgebonden re-integratiebudget, bedoeld in artikel 12.

4. Het college kan in nader te bepalen omstandigheden afwijken van de beperking zoals opgenomen in het derde lid.

Artikel 20a Samenstelling werkleeraanbod jongeren

Voor het samenstellen van het werkleeraanbod aan jongeren, kunnen de voorzieningen, genoemd in afdeling 1 en 2 worden ingezet, alsmede een traject gericht op diagnosestelling.

Artikel 21 Samenloop van subsidies

Het college zal geen subsidies, zoals bedoeld in de hiervoor beschreven artikelen, verstrekken voor kosten waarvoor al dan niet door de gemeente al een andere subsidie wordt verstrekt.

Artikel 22 Gronden tot beëindiging van de voorziening

Onverminderd de beïndigings- en intrekkingsgronden die in wetgeving is opgenomen, kan het college een voorziening beëindigen of intrekken:

a. indien de persoon die aan de voorziening deelneemt de aan deze voorziening verbonden verplichtingen niet nakomt;

b. indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

c. indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;

d. indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle duurzame arbeidsinschakeling.

 

Hoofdstuk III Inburgering

Artikel 23 Eigen bijdrage medische keuring

1. Voor inburgeraars geldt dat de eigen bijdrage voor de eerste keuring met als doel een ontheffing te verkrijgen van de verplichting tot het afleggen van het inburgeringsexamen € 50 bedraagt. De overige kosten worden door de gemeente vergoed.

2. Wanneer op basis van de betreffende keuring wordt besloten de inburgeringsplichtige te ontheffen van de inburgeringsplicht, wordt ook de eigen bijdrage vergoed door de gemeente.

3. Wanneer op basis van een tweede of volgende medische keuring wordt besloten de inburgeringsplichtige te ontheffen van de inburgeringsplicht, worden de kosten van keuring vergoed door de gemeente.

Artikel 24 Bonus inburgeringsplichtige

De gemeente stelt een bonus beschikbaar ter hoogte van de eigen bijdrage aan de inburgeringsplichtige die:

a. een aanbod voor een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening heeft ontvangen en aanvaard; en

b. binnen de in de beschikking aangegeven termijn een examen heeft behaald dat vrijstelling van de inburgeringsplicht geeft.

 

Artikel 24a Bonus vrijwillige inburgeraars

(Vervallen)

Artikel 24b Bonus korte vrijstellingstoets

De gemeente stelt een bonus ter hoogte van de eigen bijdrage beschikbaar aan de inburgeringsplichtige die met goed gevolg de toets heeft afgelegd, zoals bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit inburgering.

Artikel 25 Inburgeringsbehoeftigen

(Vervallen)

Artikel 25a Taalkennisvoorzieningen

Het aanbod bestaat uit een taalkennisvoorziening, indien de inburgeraar een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt of zal volgen en de inburgeraar naar het oordeel van het college in staat wordt geacht de opleiding binnen een redelijke termijn te voltooien.

Artikel 25b

Om in aanmerking te komen voor een inburgeringsvoorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget dient de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar te voldoen aan de volgende criteria: 1. De inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar moet gemotiveerd zijn en in staat om zelfstandig een inburgeringstraject vorm te geven middels een reëel en concreet plan van aanpak;

2. Het inburgeringstraject moet vervolgens uitgevoerd worden met als resultaat het behalen van het inburgeringsexamen of Staatsexamen;

3. Het betreft een inburgeringstraject dat zich onderscheidt van het reguliere inburgeringsaanbod;

4. Het inburgeringstraject wordt ingekocht bij een trajectaanbieder die ingeschreven staat in het handelsregister van de KVK en aantoonbare ervaring met de doelgroep heeft.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 26 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen, waarin dit uitvoeringsbesluit niet voorziet, beslist het college.

Artikel 27 Intrekking oude regeling

Het Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2009 wordt ingetrokken.

Artikel 28 Inwerkingtreding

1. Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Participatieverordening 2010 in werking treedt.

2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 1, eerste lid, onderdeel e en 20, vierde lid, in werking op het tijdstip dat de Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren Vlaardingen in werking treedt en werken deze artikelen terug tot en met 1 oktober 2009.

Artikel 29 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als “Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2010”.

Ondertekening

Aldus op 20 oktober 2009 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Vlaardingen.
 
de secretaris,                                                   de burgemeester,
 
Ir. C. Kruyt                                                       mr. T.P.J. Bruinsma

Nota-toelichting Toelichting Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2010

Algemeen

Dit uitvoeringsbesluit regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de arbeidsinschakeling van werkloze werkzoekenden die horen tot de doelgroep voor het re-integratiebeleid. Daaronder wordt mede begrepen de ondersteuning van jongeren in het kader van de Wet investeren in jongeren, die op 1 oktober 2009 in werking is getreden. Daarnaast kent het uitvoeringsbesluit een aantal kleinere regels met betrekking tot de door de gemeente te verstrekken voorzieningen in het kader van de Wet Inburgering (WI).

 

De opdracht om die ondersteuning bij re-integratie te bieden is geregeld in artikel 7 van de Wet Werk en Bijstand (WWB), artikel 34, eerste lid, onderdeel a van de IOAW en artikel 34, eerste lid, onderdeel a van de IOAZ. Het voorschrift om dit uitvoeringsbesluit vast te stellen volgt uit de Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010. Daarbij is de werking van de Algemene subsidieverordening Vlaardingen 2008 in eerste aanleg de grondslag voor het verstrekken van subsidies om extra werkgelegenheid voor speciale groepen te bevorderen.

 

Met de vaststelling en inwerkingtreding van dit uitvoeringsbesluit vervalt het Uitvoeringsbesluit participatie 2009. Wijziging van dat besluit was noodzakelijk, gelet op een aantal recente wijzigingen in beleid en regelgeving. Deze ontwikkelingen hebben er toe geleid dat de Participatieverordening ingrijpend moest worden herzien en daarmee tevens het Uitvoeringsbesluit participatie, die een nadere regeling bevat van de Participatieverordening. De wijzigingen betreffen in grote lijnen meerdere wijzigingen van de Wet Inburgering, de inwerkingtreding van de Wet investeren in Jongeren, de Wet Stimulering arbeidsparticipatie en enkele beleidswijzigingen. In de toelichting op de Participatieverordening 2010 wordt dieper ingegaan op de inhoud van deze wijzigingen, die hebben geleid tot een nieuwe Participatieverordening en tevens een nieuw Uitvoeringsbesluit. Waar sprake is van een aanpassing ten opzichte van het oude Besluit, zal dit in de artikelsgewijze toelichting verder worden aangeduid. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om recente wijzigingen va het Uitvoeringsbesluit (d.d. 24 augustus 2009) in het nieuwe uitvoeringsbesluit te verwerken.

 

Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat in het Uitvoeringsbesluit participatie 2009 in de considerans nog verwezen werd naar de Beleidsaanbeveling van het Ministerie van SZW m.b.t. het verlenen van staatsteun. Omdat deze beleidsaanbeveling inmiddels vervallen is, is de considerans van dit Uitvoeringsbesluit daarop aangepast. Over de achtergronden daarvan, wordt verwezen naar de algemene toelichting op de Participatieverordening 2010.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 - begripsbepalingen

De inhoud van dit artikel spreekt voor zich. Anders dan in het Uitvoeringsbesluit participatie 2009 is voor de begripsomschrijving van ‘jongere’ aansluiting gezocht bij de Wet investeren in jongeren (WIJ). Daarmee is dat begrip gereserveerd voor de groep jongeren tot 27 jaar die onder de werkingssfeer van de WIJ vallen. Op die groep jongeren heeft het nieuwe artikel 20, vierde lid van dit Uitvoeringsbesluit betrekking. Waar in het Uitvoeringsbesluit 2009 gesproken werd van jongeren, (zie artikel 20, eerste tot en met derde lid) is dit begrip nu anders omschreven, zonder dat de betekenis in die specifieke bepalingen daarmee gewijzigd is.

 

Artikel 2 - werkstage

Bij werkstages gaat het om een voorziening gericht op arbeidsinschakeling: niet de arbeid zelf, maar screenen op werknemersvaardigheden en het leren werken staan hierbij centraal.

 

Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de werkstage aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de werkstage beschouwd kan worden als een gewone arbeidsovereenkomst. Volgens het arbeidsrecht is er sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

-           er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid te verrichten;

-           die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;

-           die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;

-           de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.

De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Het is daarom verstandig erg terughoudend te zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, maar daarbij moet dan ook daadwerkelijk sprake zijn van een vergoeding van gemaakte kosten.

 

Het eerste lid geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van een werkstage. In de begripsomschrijving wordt nog eens specifiek aangegeven wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt.

De werkstage kan een aantal doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om screenen van werknemersvaardigheden. Op de tweede plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Verder kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de cliënt wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.

Het tweede lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Hierbij wordt uitgegaan een maximale termijn van 24 maanden.

Het derde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing mag plaatsvinden, of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan dit doen door dit expliciet na te gaan of de werkgever expliciet te laten verklaren dat er bijvoorbeeld geen recent ontslag heeft plaatsgevonden.

In het vierde lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. In het vijfde lid wordt bepaald dat de werkstage in het trajectplan dient te worden vastgelegd.

 

Artikel 3 - sociale activering

Het college kan in het kader van een re-integratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als stap in een traject gericht op arbeidsinschakeling. Uitgangspunt hierbij is dat de beoordeling steeds gericht dient te zijn op de snelste weg in het traject gericht op arbeidsinschakeling.

 

Artikel 4 - schuldhulpverlening

Dit artikel spreekt voor zich. Indien de schuldenlast van de betrokkene belemmerend werkt voor de arbeidstoeleiding van betrokkene kan een schuldhulpverleningstraject worden opgestart.

 

Artikel 5 - bemiddelingstrajecten

Dit inhoud van dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 6 - detacheringsbanen

De detacheringsbaan is een gesubsidieerde baan die bedoeld is om de leden van de doelgroep sneller op een reguliere baan geplaatst te krijgen. Hij is alleen bedoeld voor personen die naar verwachting binnen een jaar tot maximaal anderhalf jaar naar regulier werk kunnen uitstromen. Steeds geldt bij plaatsing dat de kortste weg naar werk gevolgd wordt en dat het geïndiceerd is. De voorwaarden die zijn verbonden aan een subsidie zoals bedoeld in dit artikel houden rechtstreeks verband met de voorwaarden die gelden voor plaatsing van leden van de doelgroep op een detacheringsbaan. Dat komt doordat een inlener alleen na het sluiten van een overeenkomst van dit instrument gebruik kan maken, en een persoon gedetacheerd kan krijgen. In de praktijk zal een inlener kenbaar maken dat hij een arbeidsplaats wil creëren voor de doelgroep. Daarna zullen aan hem één of meerdere kandidaten worden gepresenteerd voor wie in het kader van hun re-integratie een detacheringsbaan wordt gezocht. De beschikbaarheid van een geschikte kandidaat die tot de doelgroep van een detacheringsbaan behoort is daardoor een voorwaarde voor detachering geworden. In een arbeidsvoorwaardenregeling dienen de arbeidsvoorwaarden geregeld te worden voor de leden van de doelgroep welke een dienstverband voor een detacheringsbaan aangeboden krijgen.

 

In het eerste lid wordt aangegeven wie voor dergelijke banen in aanmerking komen.

Het tweede lid geeft aan dat het college een andere organisatie kan aanwijzen welke het formele werkgeversschap voor de gemeente uitoefent. Deze organisatie zal, afhankelijk van de te sluiten overeenkomst, handelen in opdracht van of namens het college van Vlaardingen.

In het derde lid wordt aangegeven dat het instrument detacheringsbanen in principe voor een gedeelte van de doelgroep niet beschikbaar is.

In lid vier staat aangegeven dat de werknemer gedetacheerd wordt bij een inlener en dat een en ander schriftelijk vastgelegd zal zijn. Hiermee wordt voor iedereen duidelijk welke positie ingenomen wordt.

 

Het vijfde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan dit doen door dit expliciet na te gaan of de werkgever expliciet te laten verklaren dat het werk dat verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft plaatsgevonden. 

 

Artikel 7 - duur detacheringsbanen en hoogte inleenvergoeding

In het eerste lid wordt aangegeven dat het subsidiëren van werknemers, die worden gedetacheerd bij een inlener, welke een arbeidsplaats heeft gecreëerd voor werknemers die geïndiceerd zijn voor een detacheringsbaan, in principe bedoeld is om de betrokken werknemers zo snel mogelijk te laten doorstromen naar regulier werk. Daarom wordt uitgegaan van een zo kort mogelijke duur, met een maximum van 18 maanden (na een verlenging met 6 maanden) per werknemer. In dit kader zal de werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van maximaal 12 maanden, worden aangeboden. Voor het verstrijken van de periode van de arbeidsovereenkomst wordt bezien of en in welke mate een nieuwe arbeidsovereenkomst(verlenging) voor maximaal 6 maanden moet worden aangeboden.

 

In het tweede lid staat aangegeven dat een inlenende organisatie altijd een inleenvergoeding dient te betalen. Deze inleenvergoeding wordt vooraf vastgesteld en in de overeenkomst opgenomen.

 

Het derde lid zegt het een en ander over de opbouw van de te betalen inleenvergoeding. Een werknemer zal naarmate hij/zij langer werkt, meer ervaring opdoen en minder begeleiding nodig hebben. De inleenvergoeding wordt daarom stapsgewijs steeds hoger. De berekening van de inleenvergoeding is gebaseerd op het door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid jaarlijks vast te stellen bruto minimumloon, inclusief vakantiegeld en werkgeverslasten.

 

Het vierde en vijfde lid regelt dat de dienstverbanden voor detacheringbanen zijn gebaseerd op 32 uur per week. Een dienstverband van meer dan 32 uur per week kan slechts in die gevallen worden aangeboden als blijkt dat bij het aanvaarden van een dienstverband van 32 uur nog steeds een beroep gedaan moet worden op een uitkering ingevolge de WWB. Een dienstverband van minder dan 32 uur kan nooit lager zijn dan 20 uur per week en zal afhangen van de individuele omstandigheden en mogelijke persoonlijke belemmeringen van de werknemer.

 

Het zesde lid geeft aan dat de hoogte van de te berekenen inleenvergoeding mede afhankelijk is van de leeftijd van de werknemer en het bij de leeftijd horende wettelijk minimumloon op het moment dat een overeenkomst wordt aangegaan. De inleenvergoeding is gebaseerd op het vastgestelde percentage van 32/36 deel van het bruto wettelijk minimumloon. De inleenvergoeding bij een afwijkend aantal uren wordt naar rato van het daadwerkelijk gerealiseerde aantal uren vastgesteld.

 

Artikel 8 - loonkostensubsidies

Doel van subsidiering van (een gedeelte van) loonkosten is om extra werkgelegenheid te bevorderen voor speciale groepen van werklozen die anders geen of moeilijk werk kunnen vinden. De reden hiervoor kan zijn dat deze werklozen door de grotere afstand tot de arbeidsmarkt minder productief zijn, of dat werkgevers door een gebrek aan werkervaring huiverig zijn om iemand in dienst te nemen vanwege de extra financiële risico's die daaraan verbonden zijn. Door deze subsidiering worden die financiële risico's gecompenseerd en komen er voor de gemeente extra instrumenten beschikbaar voor het realiseren van haar re-integratiedoelstellingen. Werkgevers zullen wel de intentie moeten hebben om na het verstrijken van de periode waarover loonkostensubsidie ontvangen wordt, aan de werknemer een duurzame arbeidsovereenkomst aan te bieden.

 

In het eerste lid wordt aangegeven voor welke doelgroep werkgevers loonkostensubsidie kunnen aanvragen.

In het tweede lid wordt beschreven dat het college in een beschikking regels zal stellen met betrekking tot de duur van de subsidie (maximaal 12 maanden), de hoogte ervan (afhankelijk van mogelijkheden de cliënt) en eventuele andere verplichtingen, waarbij gedacht kan worden aan de wijze van verantwoording, het aanbieden van eventuele extra scholing etc.

Het derde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan dit doen door dit expliciet na te gaan of door de werkgever expliciet te laten verklaren dat geen recent ontslag heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 9 - hoogte en duur loonkostensubsidies

Het eerste lid geeft aan dat de hoogte van de loonkostensubsidie afhankelijk is van een vastgesteld percentage van het wettelijk minimumloon, zoals dat zou gelden bij een dienstverband van 36 uur. Het opnemen van een aflopend percentage gaat uit van de veronderstelling dat naar mate een werknemer langer in dienst is van een werkgever, deze laatste minder financiële ondersteuning nodig heeft om betrokkene in dienst te houden. Een werkgever kan een loonkostensubsidie ontvangen volgens het systeem van aflopende percentages. De hoogte van de subsidie wordt berekend aan de hand van het wettelijk minimumloon, zoals dat periodiek wordt vastgesteld door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met daaraan gekoppeld de leeftijd van betrokkene op de datum van indiensttreding. Door uit te gaan van het wettelijk minimumloon en niet van de werkelijke loonkosten, wordt voorkomen dat de hoogte van de subsidie afhankelijk is van door de werkgever te beïnvloeden omstandigheden, zoals de hoogte van het feitelijk uitbetaalde salaris en de wisseling in hoogte van de werkgeverslasten.

Het tweede lid regelt de maximale duur van een loonkostensubsidie, namelijk twaalf maanden.

Het derde lid geeft aan dat de berekening van de subsidie gekoppeld is aan de leeftijd van het lid van de doelgroep op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. Hiermee wordt de directe relatie gelegd tussen het tijdstip waarop de subsidie wordt bepaald in relatie tot het dan geldende wettelijk minimumloon en de leeftijd van het lid van de doelgroep.

Het vierde lid regelt dat subsidie alleen gegeven wordt over de periode dat een dienstverband ook daadwerkelijk heeft geduurd.

Het vijfde lid regelt dat bij dienstverbanden van minder dan 36 uren per week de subsidie naar rato wordt verlaagd. Er wordt geen subsidie naar rato verstrekt bij dienstverbanden groter dan 36 uur.

 

Artikel 10 - participatiebanen

De participatiebaan is een gesubsidieerde baan die bedoeld is om mensen aan het werk te krijgen voor wie het perspectief op regulier betaald werk niet of nauwelijks bereikbaar is.

 

Het eerste lid geeft aan dat alleen daartoe aangewezen personen voor een participatiebaan in aanmerking kunnen komen. Deze voorziening is bedoeld voor mensen waarvoor het extra belangrijk is om langdurige werkloosheid te voorkomen. Voor deze groep geldt als voorwaarde dat er slechts beperkt en vaak op lange termijn, uitstroom mogelijk is naar regulier werk. De participatiebaan is persoonsgebonden.

Het tweede lid geeft aan dat de subsidie slechts aan die werkgevers wordt verstrekt, welke personen in dienst hebben welke voor een participatiebaan zijn aangewezen. Wanneer iemand met een participatiebaan bij een werkgever uitstroomt, kan deze niet automatisch een beroep doen op een nieuwe werknemer met een indicatie voor een participatiebaan.

Het derde lid geeft aan dat in de individuele beschikking aan de werkgever aanvullende bepalingen kunnen worden opgenomen ten aanzien van de duur van de subsidie (voor één of meerdere jaren), de hoogte en de verplichtingen voor de werkgever ten aanzien van rapportage en verantwoording.

In het vierde lid wordt aangegeven dat tenminste éénmaal per 12 maanden met de werkgever overleg gevoerd zal worden om te bezien of betrokken werknemer dusdanige capaciteiten heeft ontwikkeld dat inschakeling voor reguliere arbeid een (potentiële) mogelijkheid is.

Het vijfde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan dit doen door dit expliciet na te gaan of de werkgever expliciet te laten verklaren dat het werk dat verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 11 - hoogte en duur subsidie participatiebanen

De voorwaarden die zijn verbonden aan het verstrekken van een loonkostensubsidie aan werkgevers die werknemers in dienst nemen welke geïndiceerd zijn voor een participatiebaan, zijn gekoppeld aan de voorwaarden voor plaatsing op een dergelijke gesubsidieerde baan. Daardoor kan een werkgever alleen subsidie krijgen nadat een arbeidsoverkomst is gesloten met een werknemer waarvan vooraf door het college is vastgesteld dat deze tot de doelgroep behoort en dat een participatiebaan geïndiceerd is.

Lid 2, sub a regelt dat de werkgeverssubsidie voor participatiebanen maximaal 100% van het wettelijk minimumloon is. Een hogere subsidie is niet denkbaar. Dat zou ook in strijd kunnen komen met Europese regels m.b.t. staatsteun en tot ontwrichting van concurrentieverhoudingen kunnen leiden.

 

In het derde lid wordt de hoogte van de subsidie gekoppeld aan het wettelijk

minimumloon en zal de bepaling van de subsidie afhankelijk zijn van het tijdstip van in dienst treden en de op dat moment vastgestelde leeftijd van de werknemer.

In het vierde lid wordt geregeld dat de subsidie wordt gebaseerd op een arbeidsduur van 32 uur per week. Bij een afwijkend aantal uren wordt de subsidie naar rato van de daadwerkelijk overeengekomen aantal uren vastgesteld.

 

Artikel 12 - persoonsgebonden re-integratiebudget

Voor gemeenten is het Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB) een relatief nieuw instrument. Onder de WWB hebben gemeenten de volledige vrijheid gekregen om elk denkbaar instrument in te zetten. Gemeenten kunnen er daarom voor kiezen het PRB als voorziening aan te bieden. In het Uitvoeringsbesluit 2009 was in dit artikel ook het persoongebonden inburgeringsbudget geregeld. Met het oog op de komende Wet Vrijwillige inburgering, die ter zake de gemeenteraad een verordeningsplicht oplegt (art. 19, vijfde lid en 24a, vijfde lid WI nieuw), wordt het persoonlijk inburgeringsbudget (PIB) in de Participatieverordening 2010 geregeld (zie artikel 12, derde lid).

 

Artikel 13 - vaststelling subsidie

Het definitieve recht op subsidie wordt vastgesteld na afloop van ieder kalenderjaar. Het tijdstip van vaststelling is in afwijking met hetgeen bepaald is in de Algemene subsidieverordening Vlaardingen 2003.

Definitieve vaststelling per kalenderjaar sluit ook goed aan bij het moment van salarisveranderingen en fiscale veranderingen en bij het moment waarop definitief opgave van loonkosten moet worden gedaan ten behoeve van andere regelingen.

 

Artikel 14 - subsidieplafond

Het college kan jaarlijks voor 31 december van enig jaar het subsidieplafond voor het daaropvolgende jaar vaststellen voor subsidies welke verstrekt kunnen worden aan werkgevers ten behoeve van gesubsidieerde arbeid of loonkostensubsidies. Vaststelling vindt plaats nadat de gemeenteraad de begroting voor het daaropvolgende jaar heeft vastgesteld.

 

Artikel 15 - afwijkingsbevoegdheid

Op basis van deze bepaling is het college bevoegd in zich voordoende situaties van de in artikel 7, 9 en 11 van de verordening genoemde percentages en bedragen af te wijken. 

 

Artikel 16 - uitstroompremie

Om werkgevers te stimuleren werknemers met een gesubsidieerde baan een duurzame arbeidsovereenkomst (van minimaal 6 maanden) aan te bieden, kan het college een uitstroompremie verstrekken.

 

Het tweede lid geeft aan dat deze premies alleen worden verstrekt indien een overstap wordt gemaakt vanuit een baan met subsidie naar een reguliere baan bij dezelfde werkgever. Daarom wordt nadrukkelijk de relatie gelegd met de artikelen 6,8 en 10 waarin gesproken wordt over gesubsidieerde banen. Werkgevers die een werknemer in dienst nemen terwijl deze niet hieraan voorgaand een gesubsidieerde baan heeft gehad, komen niet voor een uitstroompremie in aanmerking. Het recht op een uitstroompremie ontstaat pas op het moment dat is vastgesteld dat betrokkene de vooraf vastgestelde arbeidsperiode bij de betreffende werkgever afgerond heeft en hij bij de betreffende werkgever een arbeidsovereenkomst krijgt aangeboden van minimaal 6 maanden. Deze regeling geldt ook voor personen die werken op een participatieplaats.

 

In het derde lid staat aangegeven dat in de beschikking wordt opgenomen op welke wijze wordt vastgesteld of een werkgever voor de premie in aanmerking kan komen.

 

Artikel 17 - voorzieningen gericht op nazorg

Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat cliënten na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering. De gemeente kan extra aandacht besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid maakt begeleiding en advisering normaalgesproken al onderdeel uit van het traject.

 

Artikel 18 - scholing

Het college kan als onderdeel van een re-integratietraject scholingskosten vergoeden. Deze scholing dient een onderdeel te zijn van een traject dat is gericht op arbeidsinschakeling van de persoon die tot de doelgroep behoort, bijvoorkeur naar regulier werk. De kortste weg naar duurzaam regulier werk dient hierbij uitgangspunt te zijn. Een individuele beoordeling ligt ten grondslag aan de noodzaak tot toekenning van de vergoeding.

 

In het derde lid wordt geduid op de regels met betrekking tot de duur en de maximale kosten voor de vergoeding tot scholing en andere voorwaarden welke in een beschikking en niet factuur (nieuw) worden vastgelegd.

 

Artikel 19 - overige vergoedingen

Het college kan als onderdeel van een re-integratietraject aan de doelgroep naast scholing (zie artikel 18) eveneens een vergoeding verstrekken voor andere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.

 

Artikel 20 - beperking van de doelgroep

Alle genoemde voorzieningen staan in beginsel open voor uitkeringsgerechtigden (ook adresloze) en jongeren. Voor Anw-ers en Nuggers is een inkomensgrens gesteld van 150% van het wettelijk bruto minimumloon. Bij een gezinsinkomen hoger of gelijk aan 150% van het bruto wettelijk minimumloon kan de (arbeids/maatschappelijke) participatie zelf vorm worden gegeven. Tevens zijn Anw-ers en Nuggers uitgesloten van gesubsidieerde arbeid. Gesubsidieerde arbeid betekent in beginsel een relatief langdurige en zware belasting van het werkdeel. Het vormt daarom een voorziening die enkel bij prioritaire groepen (jongeren en uitkeringsgerechtigden) wordt ingezet.

 

Artikel 20a – Samenstelling werkleeraanbod jongeren

In de Verordening Werkleeraanbod is in algemene termen een omschrijving gegeven van de ondersteuning die jongeren wordt geboden en die onderdeel van het werkleeraanbod kan uitmaken (zie artikel 7 Verordening werkleeraanbod). Zoals uit artikel 9 van die verordening blijkt, kunnen in het Uitvoeringsbesluit participatie nadere regels worden gesteld. Voor de invulling van het werkleeraanbod beschikt de gemeente over een beperkter instrumentarium dan voor de inrichting van een voorziening in het kader van artikel 7 WWB. Participatieplaatsen, een premie voor vrijwilligerswerk, de vrijlating van inkomsten en een uitstroompremie aan de jongere zijn niet mogelijk binnen de WIJ. Omdat geen van deze instrumentaria worden geregeld in het Uitvoeringsbesluit, is bepaald dat de afdelingen 1 en 2 van Hoofdstuk II ook van toepassing zijn op jongeren, Als extra voorziening die specifiek bestemd is voor jongeren is opgenomen de diagnosestelling. Daarmee wordt bedoeld het proces waarbij in korte tijd onderzocht wordt welke capaciteiten, mogelijkheden, ambities en wensen er bij de jongere leven, maar ook welke belemmeringen de jongere ervaart en welk werkleeraanbod adequaat is om de jongere op weg te helpen naar duurzame arbeidsinschakeling.

 

Artikel 21 - samenloop van subsidies

Ongewenste samenloop van subsidies moet worden voorkomen. Voor een deel is daarin al voorzien doordat alleen voor kosten (en voor zover die er zijn) subsidie kan worden verleend. Toch is nog eens uitdrukkelijk opgenomen dat een loonkostensubsidie alleen mogelijk is voor die loonkosten, of voor dat deel van die loonkosten, waar niet al een andere subsidie voor wordt ontvangen. Dat hoeft niet een subsidie te zijn die alleen voor de loonkosten bedoeld is. Het kan ook om een meer algemene subsidie gaan, waarvan is vastgesteld dat die ook voor de loonkosten bedoeld is, zoals bijvoorbeeld subsidies uit Europese Structuurfondsen en Ontwikkelingsfondsen.

 

Artikel 22 - gronden tot beëindiging van de voorziening

Dit artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.

 

Volledigheidshalve is aan de aanhef toegevoegd dat het college (uiteraard) ook de bevoegdheid tot beëindiging bezit voor zover deze reeds op grond van bijzondere wetgeving bestaat. Onder wetgeving wordt in dit verband verstaan: materiële wetgeving, dus ook verordeningen als de Participatieverordening en de Verordening werkleeraanbod Vlaardingen. Ter wille van de leesbaarheid is geen opsomming gegeven van de betreffende regelingen, waartoe in ieder geval de WWB, WIJ, WI, IOAZ en IOAW behoren. 

 

Naast beëindiging wordt tevens gesproken van intrekking. Daarmee wordt gedoeld op de mogelijkheden om een voorziening met terugwerkende kracht te beëindigen. Dit kan bijv. het geval zijn met subsidies of andere voorzieningen in geld. Intrekking kan dan een grond tot terugvordering opleveren, conform het bepaalde in bijv. artikel 9, vijfde lid Participatieverordening.

 

Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan re-integratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van het beheer uit handen gegeven. Het verdient dan ook aanbeveling dat in het contract, dat de gemeente met een re-integratiebedrijf afsluit, expliciet wordt opgenomen dat dit uitvoeringsbesluit van toepassing is.

 

Artikel 23 - eigen bijdrage medische keuring

Inburgeringsplichtigen kunnen een ontheffing van de verplichting tot het afleggen van het inburgeringsexamen aanvragen als blijkt dat zij blijvend niet in staat zijn het inburgeringsexamen te behalen. Hierbij moeten zij aantonen dat zij door een psychische of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat zijn het inburgeringsexamen te behalen. Over de vraag of de belemmering of handicap dusdanig is dat betrokkene het inburgeringsexamen niet kan behalen, moet een advies worden uitgebracht door een onafhankelijk medisch adviseur.

 

De inburgeringsplichtige is volgens de WI zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van

het advies en het opstellen van de bijbehorende aanvraag tot ontheffing. De eigen

verantwoordelijkheid voor het aanvragen van een medisch advies voor een ontheffingsaanvraag betekent ook dat de inburgeringsplichtige de kosten van de keuring in eerste instantie zelf moet dragen.

 

Hoewel de wet de verantwoordelijkheid voor de keuringen legt bij de inburgeringsplichtige, heeft de gemeente zeker ook belang bij de keuringen. Het is niet zinvol dat de gemeente trajecten aanbiedt aan inburgeringsplichtigen die bij nader inzien niet in staat zijn om het inburgeringsexamen te halen. Inburgeringsplichtigen mogen tot een half jaar voor het verstrijken van de inburgeringstermijn alleen worden ontheven van de inburgeringsplicht als zij zelf deze ontheffing aanvragen én zich hebben laten

keuren.

 

De gemeente Vlaardingen hanteert voor inburgeringsplichtigen een eigen bijdrage voor de keuringen van € 50. De rest van de kosten wordt gecompenseerd. Hierdoor blijft er wel een zekere drempel bestaan voor het laten uitvoeren van een keuring. Wanneer achteraf blijkt dat de keuring heeft geleid tot het geven van een ontheffing van de inburgeringsplicht, wordt ook de eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd.

 

Bij collegebesluit van 24 augustus 2009 is dit artikel gewijzigd en is een derde lid toegevoegd. Verduidelijkt is dat bij een tweede of volgende keuring geen eigen bijdrage wordt gevraagd, als daaruit een ontheffing van de inburgeringsplicht volgt.

 

Artikel 24 - bonus inburgeringsplichtige

Inburgeringsplichtigen die een inburgeringsvoorziening aangeboden krijgen van de gemeente en deze accepteren, betalen een eigen bijdrage (in 2008 € 270). Dit is wettelijk verplicht. De rest van de kosten van het traject (incl. eenmalig de kosten van het examen) worden door de gemeente betaald. Als zij het examen binnen de voor hen geldende inburgeringstermijn halen, komen ze in aanmerking voor de bonus. De hoogte van deze bonus is gelijk aan de hoogte van de eigen bijdrage aan de inburgeringsvoorziening die door de gemeente wordt aangeboden.

 

Bij collegebesluit van 24 augustus 2009 is dit artikel gewijzigd. Toegevoegd is dat ook een bonus wordt verstrekt voor degene die een taalkennisvoorziening heeft aanvaard en de daarbij behorende beroepsopleiding met succes heeft voltooid, zodat vrijstelling van de inburgeringsplicht bestaat.

 

Artikel 24a – bonus vrijwillige inburgeraars

Bij collegebesluit van 24 augustus 2009 is bepaald dat onder dezelfde voorwaarden als voor inburgeringsplichtigen een bonus ter hoogte van de eigen bijdrage aan vrijwillige inburgeraars zal worden verstrekt. Omdat in de Participatieverordening 2010 is opgenomen dat vrijwillige inbugeraars in het geheel geen eigen bijdrage verschuldigd worden, komt deze bepaling te vervallen bij de inwerkingtreding van de Participatieverordening.

 

Artikel 24b – bonus korte vrijstellingstoets

In verband met de opname in het Besluit Inburgering van de mogelijkheid om onder verantwoordelijkheid van de IB-groep een toets af te leggen waaruit blijkt dat men (evident) ingeburgerd is, heeft het college bij besluit van 24 augustus 2009 bepaald dat een bonus wordt verstrekt voor de daarvoor verschuldigde eigen bijdrage, indien de toets met goed gevolg is afgelegd.

   

Artikel 25 - inburgeringsbehoeftigen

Dit artikel is bij collegebesluit van 24 augustus 2009 komen te vervallen, omdat de inkomensgrens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon is geschrapt.

 

Artikel 25a – taalkennisvoorzieningen

Het college heeft de keuze taalkennis- of inburgeringsvoorzieningen aan te bieden. Dat vraagt om beleid op grond waarvan kan worden vastgesteld in welk geval een inburgerings- en welk geval een taalkennisvoorziening wordt aangeboden. In beginsel wordt gekozen voor een taalkennisvoorziening als de inburgeraar een mbo-opleiding niveau 1 of 2 volgt of zal volgen en het college van oordeel is dat binnen een redelijke termijn deze opleiding met goed gevolg wordt afgerond. Is die verwachting er niet, dan wordt gekozen voor een andersoortige inburgeringsvoorziening, afgestemd op de mogelijkheden van de inburgeraar.

 

Artikel 26 - onvoorziene omstandigheden

Met dit artikel wordt de mogelijkheid geopend om in onvoorziene omstandigheden af te kunnen wijken van de beleidsregels nadat het college hieromtrent een besluit heeft genomen. Hierbij kan worden gedacht aan mogelijke toekomstig af te sluiten convenanten.

 

Artikel 27 – intrekking oude regeling

Dit inhoud van dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 28 - inwerkingtreding

Dit artikel regelt het moment van inwerkingtreding en van kracht worden van dit uitvoeringsbesluit. Omdat het Uitvoeringsbesluit een nadere regeling is van de Participatieverordening en de Verordening Werkleeranbod Wet investeren in jongeren is de inwerkingtreding gekoppeld aan de inwerkingtreding van deze verordeningen. Voor de bepalingen die specifiek uitwerking zijn van de Verordening werkleeraanbod, geldt dat ze niet alleen in werking treden tegelijk met de inwerkingtreding van de Verordening werkleeraanbod, maar tevens dat ze terugwerken tot 1 oktober 2009, de datum waarop de WIJ in werking is getreden.

 

Artikel 29 – citeertitel

De inhoud van dit artikel spreekt voor zich.