Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Regels van de beheersverordening Vergulde Hand West
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Regels van de beheersverordening Vergulde Hand West

De gemeenteraad stelt de volgende regeling vast.

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begrippen
  • 1.1

    plan

    de beheersverordening Vergulde Hand West van de gemeente Vlaardingen

  • 1.2

    verordeningsgebied

    het gebied waarop deze verordening van toepassing is, vervat in het GML –bestand NL.IMRO.0622.0240bvVehw2013-0010 met bijbehorende bestanden

  • 1.3

    aanduiding

    een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden

  • 1.4

    aanduidingsgrens

    de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft

  • 1.5

    aan huis gebonden beroepen of bedrijfsmatige activiteiten:

    het in een woning door de bewoner op beroeps- of bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en met een ruimtelijke uitstraling die bij het wonen past

  • 1.6

    ander bouwwerk:

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde

  • 1.7

    archeologische deskundige:

    de gemeentelijke (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologie

  • 1.8

    archeologische waarde

    de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis

  • 1.9

    archeologisch onderzoek

    het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden

  • 1.10

    autobedrijven

    Autobedrijven in handel (inclusief import), reparatie, service, bewerking en sloop van auto’s, motorfietsen en andere motorvoertuigen of onderdelen/accessoires daarvan, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten – bedrijventerrein met de SBI-codes (2008)

    451, 452, 454: handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en

    servicebedrijven

    45204: autoplaatwerkerijen, autobeklederijen, autospuitinrichtingen;

    45205: autowasserijen;

    453: handel in auto- en motorfietsonderdelen en –accessoires;

    4677: autosloperijen

  • 1.11

    bebouwing

    één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde

  • 1.12

    bestemmingsgrens

    De grens van een bestemmingsvlak

  • 1.13

    bestemmingsvlak

    Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming

  • 1.14

    bedrijf

    een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen

  • 1.15

    bedrijfsgebouw

    een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten, zulks met inbegrip van dienstverlening en kantoren maar met uitzondering van detailhandel

  • 1.16

    bedrijfskantoor:

    kantoorruimte ten behoeve van de ter plaatse gevestigde bedrijfsfunctie

  • 1.17

    bedrijfsvloeroppervlakte

    de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke.

  • 1.18

    bedrijfswoning

    een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de gebruiksvorm van het gebouw of het terrein

  • 1.19

    beperkt kwetsbaar object

    een object waar ingevolge artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.

    Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel.

  • 1.20

    bestaand gebruik

    Het gebruik van gronden en bouwwerken zoals aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van de beheersverordening.

  • 1.21

    bestaande bouwwerken

    bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen

  • 1.22

    besluitvlak

    een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde gebruiksvorm

  • 1.23

    bevoegd gezag

    bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

  • 1.24

    bijbehorend bouwwerk

    uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op grond staand gebouw, of ander bouwwerk met een dak (bijgebouwen/aan- en uitbouwen en overkappingen)

  • 1.25

    bouwen

    het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats

  • 1.26

    bouwgrens

    de grens van een bouwvlak

  • 1.27

    bouwperceel

    een aangesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

  • 1.28

    bouwperceelgrens

    de grens van een bouwperceel

  • 1.29

    bouwvlak

    een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten

  • 1.30

    bouwwerk

    een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden

  • 1.31

    gebouw

    elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijk, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt

  • 1.32

    hoofdgebouw

    een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige gebruiksvorm van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die gebruiksvorm het belangrijkste is

  • 1.33

    overig bouwwerk

    een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden

  • 1.34

    pand

    de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is

  • 1.35

    voorgevelbouwgrens

    Het naar de weg gekeerde deel van de bouwgrens, voor zover niet in de verbeelding aangegeven als gevellijn

  • 1.36

    voorgevelrooilijn

    De denkbeeldige lijn die de voorgevels van gebouwen en indien (nog) geen gebouwen aanwezig zijn, de voorgevelbouwgrenzen verbindt

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

  • 2.1

    afstand

    de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is

  • 2.2

    de bouwhoogte van een bouwwerk

    vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen

  • 2.3

    de dakhelling

    langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak

  • 2.4

    de goothoogte van een bouwwerk

    vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel

  • 2.5

    de inhoud van een bouwwerk

    tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen

  • 2.6

    de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

    vanaf de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend

  • 2.7

    de oppervlakte van een bouwwerk

    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk

  • 2.8

    het bebouwde oppervlak van een bouwperceel

    de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen

  • 2.9

    ondergeschikte bouwdelen

    bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en bestemmings/gebruiksvomgrenzen niet meer dan 0.70 meter bedraagt.

  • 2.10

    peil

    • a.

      Peil ten aanzien van NAP

      Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet dierct aan de openbare weg grenst: de hoogte van het NAP, ter plaatse van de hoofdtoegang, bij voltooiing van de bouw

    • b.

      peil ten aanzien van de weg

      Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de openbare grenst: de hoogte van het terrein, ter plaatse van de hoofdtoegang, bij voltooiing van de bouw dan wel de bestaande situatie.

    • c.

      peil ten aanzien van de weg:

      voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de openbare weg grenst: de door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders vastgestelde hoogte van de weg.

Hoofdstuk 2 GEBIEDSREGELS

Artikel 3 Bedrijventerrein
  • 3.1 Gebruiksvormen

    De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bedoeld voor:

    • a.

      ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ bedrijven uit ten hoogste categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’, met uitzondering van autobedrijven met sbi-codes (2008) 451, 452, 454, 45204, 45205, 453 en 4677;

    • b.

      ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’, bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’, met uitzondering van autobedrijven met sbi-codes (2008) 451, 452, 454, 45204, 45205, 453 en 4677;

    • c.

      ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’, bedrijven uit ten hoogste categorie 4.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’, met uitzondering van autobedrijven met sbi-codes (2008) 451, 452, 454, 45204, 45205, 453 en 4677;

    • d.

      ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’, bedrijven uit ten hoogste categorie 4.2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’, met uitzondering van autobedrijven met sbi-codes (2008) 451, 452, 454, 45204, 45205, 453 en 4677;

    • e.

      bedrijfskantoren, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5.1;

      alsmede

    • f.

      bijbehorende voorzieningen zoals (toegangs)wegen, , voet- en fietspaden, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, (beeldende) kunstwerken, geluidswerende voorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

  • 3.2 Bouwregels

    Binnen dit besluitvlak mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie;

    • b.

      ten hoogste 70% van de oppervlakte van een uit te geven perceel mag worden bebouwd;

    • c.

      de goothoogte van de bedrijfsgebouwen en bedrijfskantoren mag ten hoogste 8 m bedragen; de bouwhoogte mag ten hoogste 13 m bedragen.

    • d.

      de afstand van de gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens zal ten minste 3 m bedragen.

  • 3.3 Specifieke gebruiksregels

    De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden mogen niet worden gebruikt voor detailhandel en zelfstandige kantoren.

  • 3.4 Afwijkingsregels bouwen

    Ter plaatse van het besluitvlak ‘Bedrijventerrein’ kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in lid 1, 2 en 3 om bedrijven zoals autoverkoopbedrijven, bedrijven voor verkoop van kampeerwagens en tenten of bedrijven voor verkoop van landbouwwerktuigen of werktuigen ten behoeve van aannemingsmaatschappijen en industrieën, of daarmee vergelijkbare bedrijven.

Artikel 4 Recreatie
  • 4.1 Gebruiksvormen

    De voor ‘Recreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    • a.

      recreatie

    • b.

      landschappelijk park

      alsmede

    • c.

      de daarbij horende wegen, paden, plantsoenen, parken, vijvers, speel- en ligweiden.

  • 4.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • 4.2.1

      Gebouwen:

      Er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd, met dien verstande dat:

      • a.

        de oppervlakte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 12m2

      • b.

        de bouwhoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 3 meter;

    • 4.2.2

      Bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

      Er mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienst van de gebruiksvorm worden gebouwd met een bouwhoogte van niet meer dan 3 meter.

  • 4.3 Specifieke gebruiksregels

    Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

    • 4.3.1

      Strijdig gebruik

      De voor “Recreatie” aangewezen gronden mogen niet worden gebruikt voor:

      • a.

        parkeren

      • b.

        opslag, stalling en/of parkeren van (bedrijfs)goederen.

Artikel 5 Verkeer – Railverkeer
  • 5.1 Gebruiksvormen

    De voor Verkeer – Railverkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    • a.

      verkeer en vervoer per spoor;

    • b.

      bij deze gebruiksvorm behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groen, (beeldende) kunstwerken, oevers, oeververbindingen en water.

  • 5.2 Bouwregels

    Binnen deze gebruiksvorm mogen uitsluitend:

    • a.

      bouwwerken ten dienste van deze gebruiksvorm worden gebouwd met een inhoud van ten hoogste 75m3 en een goothoogte van ten hoogste 3 m en andere bouwwerken zoals wacht- en seinhuisjes, viaducten en bruggen;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale hoogte van 6 m.

  • 5.3 Nadere eisen

    Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de omvang en situering van de bebouwing in verband met de volgende belangen:

    • a.

      gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

    • b.

      de verkeersveiligheid.

Artikel 6 Wonen

In het besluitvlak ‘Wonen’ zijn de volgende regels van toepassing:

  • 6.1

    Gebruiksvormen

    De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    • a.

      wonen,

    • b.

      tuinen en erven,

      al dan niet in combinatie met:

    • c.

      beroep en bedrijf aan huis,

    • d.

      gastouderopvang;

      en de daarbij horende

    • e.

      tuinen;

    • f.

      erven;

    • g.

      bergingen;

    • h.

      parkeren;

    • i.

      ontsluitingen, wegen en paden;

    • j.

      groenvoorzieningen;

    • k.

      speelvoorzieningen;

    • l.

      nutsvoorzieningen;

    • m.

      water.

  • 6.2

    Bestaand gebruik

    De binnen het besluitvlak ‘Wonen’ gelegen gronden en bestaande bouwwerken worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

  • 6.3

    Bestaande bouwwerken

    • a.

      De binnen het besluitvlak ‘Wonen’ aanwezige bestaande bouwwerken mogen op dezelfde locatie worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmeting;

  • 6.4

    Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • 6.4.1

      Hoofdgebouwen

      • a.

        het hoofdgebouw mag slechts binnen een besluitvlak worden gebouwd;

      • b.

        per bouwperceel is slechts één hoofdgebouw toegestaan;

      • c.

        voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat de bestaande maten de toegestane maten zijn, waarbij vervanging overeenkomstig dezelfde maten en op dezelfde locatie is toegestaan;

      • d.

        het hoofdgebouw wordt in de bestaande voorgevelbouwgrens gebouwd;

      • e.

        de bouw- en/of goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ is aangegeven;

      • f.

        in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde onder a, b en e mag de bestaande goot- en bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ niet worden gewijzigd;

      • g.

        in aanvulling op het bovenstaande geldt ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ dat de nokrichting, kapvorm en dakhelling van gebouwen niet mag worden gewijzigd.

    • 6.4.2

      Erfbebouwing

      • a.

        erfbebouwing mag op het bebouwbaar erf van een bijbehorend hoofdgebouw worden gebouwd, met dien verstande dat:

      • b.

        het gezamenlijke oppervlak aan erfbebouwing niet meer mag bedragen dan 40% van het bebouwbaar erf;

      • c.

        de diepte van aan- en uitbouwen aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 3 meter;

      • d.

        de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, tot een maximum van 3.50 meter bij hoofdgebouwen die bestaan uit één bouwlaag;

      • e.

        de bouw- en goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag respectievelijk niet meer bedragen van 3.50 meter en 2.50 meter als er sprake is van afdekking met een kap;

      • f.

        de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter als er sprake is van een platte afdekking.

    • 6.4.3

      Andere bouwwerken

      • a.

        de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter als de erf- of terreinafscheiding voor de voorgevellijn wordt gebouwd;

      • b.

        de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter als de erf- of terreinafscheiding achter de voorgevellijn wordt gebouwd;

      • c.

        de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen erf- of terreinafscheiding zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

  • 6.5

    Afwijken van de bouwregels

    Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.4 indien de karakteristieke waarde van het gebouw daardoor niet onevenredig wordt aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.

  • 6.6

    Specifieke gebruiksregels

    • 6.6.1

      Beroep en bedrijf aan huis

      • a.

        er is beroep en bedrijf aan huis toegestaan, mits dit ondergeschikt is aan de woonfunctie;

      • b.

        bedrijf aan huis is uitsluitend toegestaan als de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit behoort tot milieucategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

    • 6.6.2

      Strijdig gebruik

      • a.

        permanente of tijdelijke bewoning voor zover het aanbouwen of bijgebouwen betreft;

      • b.

        kamerbewoning

      • c.

        seksinrichtingen

  • 6.7

    Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

    • 6.7.1

      Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden:

      • a.

        Het is verboden ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden gebouwen te slopen.

    • 6.7.2

      Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

      • a.

        bij sloop van het gehele gebouw: indien dit gepaard gaat met herbouw van een vergelijkbaar gebouw;

      • b.

        bij sloop van een gedeelte van het gebouw: indien het te slopen gedeelte zelf niet beschermenswaardig is en de bescherming van het resterende gedeelte is gewaarborgd.

Artikel 7 Leiding – Riool
  • 7.1 Gebruiksvormen

    De voor Leiding – Riool aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende gebruiksvorm(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van een rioolleiding.

  • 7.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 7.1 genoemde gebruiksvorm uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;

    • b.

      de inhoud van gebouwen mag niet meer bedragen dan 25 m3

    • c.

      ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

  • 7.3 Nadere eisen

    Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de omvang en situering van de bebouwing in verband met de volgende belangen:

    • a.

      de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

    • b.

      de verkeersveiligheid.

  • 7.4 Afwijken van de bouwregels

    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2, onder b, ten behoeve van bouwwerken als toegestaan ingevolge ter plaatse aangewezen andere gebruiksvormen, mits:

    • a.

      door de bouw en situering van de betreffende bouwwerken geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de leiding;

    • b.

      advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding((en) alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend.

  • 7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

    • 7.5.1

      Aanlegverbod zonder omgevingsvergunningHet is verboden om op of in de gronden met de gebruiksvorm ‘Leiding – Riool ‘ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

      • a.

        het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

      • b.

        het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

      • c.

        het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de gebruiksvorm omschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

      • d.

        het indrijven van voorwerpen in de bodem;

      • e.

        het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

      • f.

        het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

    • 7.5.2

      Uitzondering op het aanlegverbod

      Het verbod van lid 7.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

      • a.

        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 7.4 bedoeld’

      • b.

        normaal onderhoud en beheer ten dienste van de gebruiksvorm betreffen;

      • c.

        reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

    • 7.5.3

      . Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

    De werken en werkzaamheden, zoals in lid 7.5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de leiding(en).

Artikel 8 Leiding – Water
  • 8.1 Gebruiksvormen

    De voor Leiding – Water aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende gebruiksvorm(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van een waterleiding.

  • 8.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde gebruiksvorm uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;

    • b.

      de inhoud van gebouwen mag niet meer bedragen dan 25 m3

    • c.

      ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

  • 8.3 Nadere eisen

    Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de omvang en situering van de bebouwing in verband met de volgende belangen:

    • a.

      de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

    • b.

      de verkeersveiligheid.

  • 8.4 Afwijken van de bouwregels

    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2, onder b, ten behoeve van bouwwerken als toegestaan ingevolge ter plaatse aangewezen andere gebruiksvormen, mits:

    • a.

      door de bouw en situering van de betreffende bouwwerken geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de leiding;

    • b.

      advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding((en) alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend.

  • 8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

    • 8.5.1

      Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

      Het is verboden om op of in de gronden met de gebruiksvorm ‘Leiding – Water ‘ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

      • a.

        het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

      • b.

        het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

      • c.

        het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de gebruiksvorm omschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

      • d.

        het indrijven van voorwerpen in de bodem;

      • e.

        het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

      • f.

        het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

    • 8.5.2

      Uitzondering op het aanlegverbod

      Het verbod van lid 8.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

      • a.

        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 8.4 bedoeld;

      • b.

        normaal onderhoud en beheer ten dienste van de gebruiksvorm betreffen;

      • c.

        reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

    • 8.5.3

      Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

    De werken en werkzaamheden, zoals in lid 8.5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de leiding(en).

Artikel 9 Waarde – Archeologie - 1
  • 9.1 Gebruiksvormen

    De voor ‘Waarde – Archeologie – 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende gebruiksvorm(en), mede bestemd voor doelstellingen ter bescherming en veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden.

    Prioriteitsstelling

    Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de gebruiksvorm Waarde – Archeologie 1 en het bepaalde in de overige daar voorkomende gebruiksvormen (behoudens de gebruiksvorm Waterstaat – Waterkering) prevaleert het bepaalde in de gebruiksvorm Waarde – Archeologie 1.

  • 9.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 9.1 genoemde gebruiksvorm uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;

    • b.

      bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, worden gebouwd, indien de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad;

    • d.

      voor zover het bouwen ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, kan leiden tot schade aan de betrokken archeologische waarden kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige;

    • e.

      het bepaalde onder b t/m d is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

      • 1.

        vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

      • 2.

        de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;

      • 3.

        de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een diepte onder maaiveld van ten hoogste 1m.

  • 9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

    • 9.3.1

      Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

      Het is verboden op of in de gronden met de gebruiksvorm ‘Waarde – Archeologie – 1’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

      • a.

        het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 1 m onder maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

      • b.

        het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een andere wijze indrijven van voorwerpen;

      • c.

        het verlagen of verhogen van het waterpeil;

      • d.

        het aanleggen van bos of boomgaard of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

      • e.

        het op een grotere diepte dan 1 m onder maaiveld aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

    • 9.3.2

      Uitzondering op het aanlegverbod

      Het verbod van lid 9.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

      • a.

        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 9.2 in acht is genomen;

      • b.

        een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2;

      • c.

        reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening;

      • d.

        ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

      • e.

        normaal onderhoud en beheer ten dienste van de gebruiksvorm betreffen.

    • 9.3.3

      Voorwaarden omgevingsvergunning

    De werken en werkzaamheden, zoals in lid 9.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

    • a.

      de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

    • b.

      de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.

  • 9.4 Wijzigingsbevoegdheid

    Het bevoegd gezag kan een of meer besluitvlakken van de gebruiksvorm ‘Waarde – Archeologie – 1’ geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien:

    • a.

      uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

    • b.

      het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat de beheersverordening ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

Artikel 10 Waarde – Archeologie – 2
  • 10.1 Gebruiksvormen

    De voor ‘Waarde – Archeologie – 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende gebruiksvorm(en), mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden.

    Prioriteitsstelling

    Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de bestemming Waarde – Archeologie 2 en het bepaalde in de overige daar voorkomende gebruiksvormen (behoudens de bestemming Waterstaat – Waterkering), prevaleert het bepaalde in de gebruiksvorm Waarde – Archeologie 2.

  • 10.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;

    • b.

      bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) geldende (bouw)regels, worden gebouwd, indien de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad;

    • d.

      voor zover het bouwen ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, kan leiden tot schade aan de betrokken archeologische waarden kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige;

    • e.

      het bepaalde onder b t/m d is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

      • 1.

        vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

      • 2.

        de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2;

      • 3.

        de bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

  • 10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

    • 10.3.1

      Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

      Het is verboden op of in de gronden met de gebruiksvorm ‘Waarde – Archeologie – 2’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken

      zijnde, aan te leggen, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

      • a.

        het verlagen van het maaiveld tot 0 m NAP of dieper;

      • b.

        het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm onder maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

      • c.

        het op een grotere diepte dan 30 cm onder maaiveld aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

    • 10.3.2

      Uitzondering op het aanlegverbod

      Het verbod van lid 10.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

      • a.

        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 10.2 in acht is genomen;

      • b.

        een oppervlakte beslaan van ten hoogste 50 m2;

      • c.

        reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening;

      • d.

        ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

      • e.

        normaal onderhoud en beheer ten dienste van de gebruiksvorm betreffen.

    • 10.3.3

      Voorwaarden omgevingsvergunning

      De werken en werkzaamheden, zoals in lid 10.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

      • a.

        de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

      • b.

        de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.

  • 10.4 Wijzigingsbevoegdheid

    Het bevoegd gezag kan een of meer besluitvlakken van de gebruiksvorm ‘Waarde – Archeologie – 2’ geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien:

    • a.

      uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

    • b.

      het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat de beheersverordening ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

Artikel 11 Waarde – Archeologie – 3
  • 11.1 Gebruiksvormen

    De voor ‘Waarde – Archeologie – 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende gebruiksvorm(en), mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden.

    Prioriteitsstelling

    Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de gebruiksvorm Waarde – Archeologie 3 en het bepaalde in de overige daar voorkomende gebruiksvormen (behoudens de gebruiksvorm Waterstaat – Waterkering), prevaleert het bepaalde in de gebruiksvorm Waarde – Archeologie 3.

  • 11.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 11.1 genoemde gebruiksvorm uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;

    • b.

      bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, worden gebouwd, indien de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad;

    • d.

      voor zover het bouwen ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) geldende (bouw)regels, kan leiden tot schade aan de betrokken archeologische waarden kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige;

    • e.

      het bepaalde onder b t/m d is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

      • 1.

        vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

      • 2.

        de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;

      • 3.

        de bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

  • 11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

    • 11.3.1

      Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

      Het is verboden op of in de gronden met de gebruiksvorm ‘Waarde – Archeologie – 3’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

      • a.

        het verlagen van het maaiveld tot 0 m NAP of dieper;

      • b.

        het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm onder maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

      • c.

        het op een grotere diepte dan 30 cm onder maaiveld aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

    • 11.3.2

      Uitzondering op het aanlegverbod

      Het verbod van lid 11.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

      • a.

        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 11.2 in acht is genomen;

      • b.

        een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2;

      • c.

        reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening;

      • d.

        ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

      • e.

        normaal onderhoud en beheer ten dienste van de gebruiksvorm betreffen.

    • 11.3.3

      Voorwaarden omgevingsvergunning

      De werken en werkzaamheden, zoals in lid 11.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

      • a.

        de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

      • b.

        de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.

  • 11.4 Wijzigingsbevoegdheid

    Het bevoegd gezag kan een of meer besluitvlakken van de gebruiksvorm ‘Waarde – Archeologie – 3’ geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien:

    • a.

      uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

    • b.

      het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat de beheersverordening ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

Artikel 12 Waterstaat – Waterkering
  • 12.1 Gebruiksvormen

    De voor ‘Waterstaat – Waterkering” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende gebruiksvorm(en), mede bestemd voor de waterkering.

  • 12.2 Bouwregels

    Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

    • a.

      op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 12.1 genoemde gebruiksvorm uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 9 m;

    • b.

      ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende gebruiksvorm(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken gebruiksvorm(en) geldende (bouw) regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

  • 12.3 Afwijken van de bouwregels

    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.2 onder b, indien de bij de betrokken gebruiksvorm behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Algemene bouwregels
  • 14.1 Bestaande en afwijkende maatvoering

    • a.

      bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maatvoering van gebouwen gelden de bouwregels, zoals die onder de gebruiksvormen en algemene bouwregels zijn voorgeschreven, dan wel de bestaande overschrijding daarvan, zoals deze op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning

    • b.

      het bepaalde in artikel 14.1, onder a geldt niet voor bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

    • c.

      het bepaalde in artikel 14.1, onder a geldt niet indien de afwijking na de inwerkingtreding van deze verordening langer dan een jaar wordt onderbroken.

    • d.

      in geval van herbouw is het bepaalde in artikel 14.1 onder a, uitsluitend van toepassing indien herbouw op dezelfde plaats geschiedt met inachtneming van het bepaalde onder c.

  • 14.2 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

    De regels van stedenbouwkundige aard en de bereikbaarheidseisen van hoofdstuk 2, paragraaf 5 van de bouwverordening Vlaardingen zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betreft:

    • a.

      bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, brandblusvoorzieningen;

    • b.

      brandweeringang;

    • c.

      bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;

    • d.

      de ruimte tussen bouwwerken;

    • e.

      parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen.

  • 14.3 Parkeervoorzieningen

    • a.

      bij de realisering van nieuwe bebouwing of de uitbreiding van bestaande bebouwing binnen de gebruiksvormen, dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein ten behoeve van de beoogde ontwikkeling, waarbij de “Parkeernota Vlaardingen 2008” als toetsingskader geldt;

    • b.

      Het bevoegd gezag kan afwijken van de parkeernormen in de parkeernota indien het voldoen aan die bepalingen naar het oordeel van het bevoegd gezag door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

    • b.

      Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde onder a, indien is aangetoond dat op een andere wijze kan worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid.

Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
  • 15.1 Karakteristieke bebouwing

    • 15.1.1

      bouwregels aanduiding ‘karakteristiek’

      Ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ gelden de volgende bouwregels:

      • a.

        de bestaande goot- en bouwhoogte mag niet worden gewijzigd;

      • b.

        de bestaande afdekking van gebouwen en kapvorm/nokrichting mag niet worden gewijzigd;

      • c.

        ten behoeve van de onderliggende, voor deze gronden geldende gebruiksvorm dient met inachtneming van de voor de betrokken gebruiksvorm geldende (bouw) egels worden gebouwd, indien de beeldbepalende en karakteristieke waarden daardoor niet worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.

    • 15.1.2

      Omgevingsvergunning voor slopen

      Ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ is sloop slechts toelaatbaar:

      • a.

        bij de sloop van het gehele gebouw: indien dit gepaard gaat met herbouw van het gebouw, gelet op de bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen de afdekking van de gebouwen en kapvorm/nokrichting;

      • b.

        bij de sloop van een gedeelte van een gebouw: indien het te slopen gebouw beschermens- waardig is en de bescherming van het resterende gedeelte is

      • c.

        schriftelijk advies over de sloop of gedeeltelijke sloop is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.

Artikel 16 Algemene gebruiksregels

Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze beheersverordening wordt in ieder geval gerekend:

  • a.

    opslagdoeleinden, anders dan in verband met het toegelaten gebruik, waarbij in ieder geval als strijdig gebruik wordt aangemerkt: brand- en explosiegevaarlijke opslag, met uitzondering van:

    • 1.

      opslag in het kader van de in artikel 3 genoemde bedrijvigheid;

    • 2.

      de opslag van vuurwerk in afwijking van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en het Vuurwerkbesluit;

  • b.

    Opslag van onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;

  • c.

    het plaatsen en/of geplaatst houden van onderkomens;

  • d.

    het storten en/of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen;

  • e.

    het gebruik of laten gebruiken van gebouwen voor een seksinrichting;

  • f.

    (raam)prostitutie;

  • g.

    bewoning van vrijstaande bijgebouwen en/of bedrijfsgebouwen.

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels
  • 17.1 Afwijkingen

    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

    • a.

      afwijkingen van de in de regels voorgeschreven maatvoering (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

    • b.

      overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde besluitvlakken, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot;

    • c.

      de bouw voor niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut met een inhoud van ten hoogste 50 m2 en met een hoogste van maximaal 4 m;

    • d.

      de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het openbaar nut, tot een hoogte van 15 m.

  • 17.2 Voorwaarden

    Een omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de gebruiksvorm gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 18 Algemene wijzigingsregels

Het bevoegd gezag kan de in het plan opgenomen gebruiksvormen wijzigen ten behoeve van overschrijding van besluitvlakgrenzen, voor zover zulks van belang is voor technisch betere realisering van gebruiksvormen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen.

Artikel 19 Overige regels

Wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van de beheersverordening.

  • 19.1

    Inwerkingtreding

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking van het raadsbesluit.

Artikel 20 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Artikel 20 Overgangsrecht
  • 20.1 Overgangsrecht gebruiken

    • 20.1.1

      Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

    • 20.1.2

      het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in 20.1.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

    • 20.1.3

      indien het gebruik, bedoeld in 20.1.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

    • 20.1.4

      het bepaalde in 20.1.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de voorheen geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of de verordening.

  • 20.2 Overgangsrecht bouwwerken

    • 20.2.1

      een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet worden vergroot,

      • a.

        gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

      • b.

        na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

    • 20.2.2

      het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van artikel 20.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 20.1 met maximaal 10%.

    • 20.2.3

      het bepaalde in artikel 20.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan of de verordening.

Artikel 21 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: ‘Regels van de beheersverordening Vergulde Hand West’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering