Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Nota vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO / projectbesluit
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Nota vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO / projectbesluit

Deel Inleiding

Het ruimtelijke beleid van de gemeente Vlaardingen is vastgelegd in een aantal documenten (Stadsvisie ‘Vlaardingen koers op 2020’, Ruimtelijke Structuurschets Vlaardingen 2020, Rivierzone ‘Nota Hoofdlijnen’ inclusief ‘Nota van Aanbevelingen’, vele bestemmingsplannen) waarvan de verschillende bestemmingsplannen voor de burgers rechtstreeks bindende documenten zijn. Een bestemmingsplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een bepaald gebied waarbij de ontwikkeling van dat gebied voor een periode van 10 jaar wordt vastgelegd.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1965 is de samenleving echter complexer geworden. Hierdoor zijn ontwikkelingen niet meer zo eenvoudig te voorzien en vast te leggen. De doorlooptijd van de procedure van een bestemmingsplan is ook zo lang (± 5 jaar) dat bij een opkomende ontwikkeling er niet altijd tijd is om te wachten op een nieuw bestemmingsplan. De wetgever heeft dit voorzien door middels artikel 19 een vrijstellingsbepaling op te nemen in de wet. De wetgever heeft de inhoud van het artikel 19 WRO verschillende keren gewijzigd. In zijn huidige vorm ziet het artikel er schematisch als volgt uit:

i19521i09088dc6-7cc2-461d-9ff7-83515123c522.png

Op alle artikel 19 WRO-procedures is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit is een vrij zware procedure, maar mits goed toegepast levert het tijdwinst op omdat tegen het besluit op de vrijstelling geen bezwaarschrift meer kan worden ingediend, maar direct een beroepschrift bij de Rechtbank.

De praktijk is dat gemeenten een niet actueel bestemmingsplanbestand kennen en veelvuldig gebruik (moeten) maken van artikel 19 WRO. Met de toepassing van een artikel 19 WRO-procedure is echter het ruimtelijke beleid nog niet herzien. Het project kan wel worden gerealiseerd, maar de geldende bestemming blijft. Op termijn levert dit een te afwijkend beeld op en wordt de rechtsbeschermingfunctie van het bestemmingsplan ondermijnd.

De wetgever heeft verschillende keren geprobeerd via aanpassing van het artikel 19 WRO qua bevoegdheden, vereisten en procedure het gebruik van dit artikel te ontmoedigen ten gunste van het actualiseren van bestemmingsplannen. De praktijk is echter harder gebleken dan de leer. Daar zijn een groot aantal legitieme verklaringen voor waaronder (wederom) de complexiteit van de samenleving, de toegenomen juridificering en niet in de laatste plaats het vooral de laatste jaren explosief uitdijend aantal aspecten waarmee bij de bestemmingsplanvorming rekening moet worden gehouden. Voorbeelden van dit laatste zijn mede in verband te brengen met de stand van de techniek en geconstateerde misstanden (handhavingparagraaf, archeologie, externe veiligheid, luchtkwaliteit, watertoets).

Veel gemeenten zijn er al toe overgegaan om — gegeven de beperkte capaciteit in zowel mensen als middelen — het gebruik van artikel 19 WRO in meer of mindere mate te beperken en zodoende capaciteit Vrij te spelen ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen.

De door de gemeenteraad van Vlaardingen op 5 juli 2007 aangenomen motie (bijlage) speelt daar op in door het college van burgemeester en wethouders op te dragen het aantal vrijstellingsprocedures ex artikel 19 lid 1 WRO te beperken en de daardoor vrijvallende ambtelijke capaciteit in te zetten ter versnelling van de gewenste actualisatie van bestemmingsplannen.

Om het verzoek van de gemeenteraad effectief toepasbaar te laten zijn, is beleid nodig. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan ter motivering van een besluit (om bijvoorbeeld in een bepaald geval géén artikel 19 WRO-procedure te willen voeren) namelijk slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.

Dit beleid dient overigens te worden vastgesteld en gepubliceerd alvorens er een beroep op kan worden gedaan.

Deel Vrijstellingenbeleid artikel 19, leden 1, 2 en 3, WRO

Uitgangspunt is dat toepassing van artikel 19, lid 1 WRO alleen dan plaatsvindt wanneer er een algemeen maatschappelijk belang mee is gediend, onvoorziene ontwikkelingen en/of bijzondere omstandigheden uitgezonderd.

Vervolgens dient ook beleid te worden opgesteld voor de toepassing van artikel 19, leden 2 en 3 WRO.

Het geheel biedt vervolgens een toetsingskader om ingewikkelde aanvragen die slechts een individueel belang betreffen het hoofd te kunnen bieden en daarmee effectief toepassing te geven aan de motie van de gemeenteraad.

Deel Nieuwe wetgeving

Per 1 juli 2008 zal een nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking treden.

Een punt van aandacht is dat na verloop van de overgangstermijn van de nieuwe wet de heffing van leges niet meer mogelijk zal zijn binnen bestemmingsplannen die ouder zijn dan 10 jaar.

De wetgever heeft er deze keer bewust voor gekozen om een financiële prikkel in te bouwen omdat zij wil benadrukken dat bestemmingsplannen actueel moeten zijn.

De nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening kent een snellere procedure voor de totstandkoming van bestemmingsplannen. Ondanks deze versnelling heeft de wetgever ook ingezien dat een vrijstellingsmogelijkheid moet blijven bestaan. De nieuwe WRO kent daarvoor het projectbesluit. Aan dit projectbesluit kleeft het nadeel dat daarvoor dezelfde procedure moet worden doorlopen als bij de vaststelling van een bestemmingsplan en dat binnen het jaar nadat het projectbesluit onherroepelijk is geworden een ontwerp voor een bestemmingsplan waarin het project is ingepast, ter inzage wordt gelegd. De vraag dient zich aan of een projectbesluit dan nog nuttig is. In ieder geval is er sprake van een zekere ontmoediging.

Daarnaast is het criterium nieuw dat het projectbesluit slechts kan worden genomen indien het gaat om de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang. Met de hieronder voorgestelde beleidsregels wordt vooruitgelopen op dit nieuwe criterium: een artikel 19 WRO-procedure of -na inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening - een projectbesluit wordt slechts ingezet indien er een relatie ligt met het algemeen en/of maatschappelijk belang.

Voor de vrijstellingsbepalingen van artikel 19, leden 1, 2 en 3 WRO, worden uiteindelijk de volgende beleidsregels voorgesteld:

Artikel Beleidsregel 1

Uitgangspunt van het gemeentelijk ruimtelijk beleid is en blijft het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan worden de ruimtelijke ontwikkelingen voor langere termijn vastgelegd. Op basis van dit gegeven worden in beginsel slechts vrijstellingsprocedures op grond van artikel 19 WRO gevoerd voor bouwplannen of gebruiksverzoeken die gelegen zijn in een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ouder is dan 10 jaar en die het algemeen en/of maatschappelijk belang dienen.

Op deze beleidsregel kunnen uitzonderingen van toepassing zijn indien sprake is van een onvoorziene ontwikkeling en/of bijzondere omstandigheid. Hierover beslissen B&W.

Toelichting:

Het systeem van de WRO blijft uitgaan van bestemmingsplannen. Dit volgt uit het feit dat voor het verlenen van een vrijstelling van een bestemmingsplan ouder dan tien jaar, waarvoor door het college van gedeputeerde staten geen vrijstelling is verleend van de plicht het plan na tien jaar te herzien, nog steeds een voorbereidingsbesluit moet worden genomen. Met een dergelijk besluit wordt verklaard dat het bestemmingsplan zal worden herzien.

Met het in de wet opnemen van deze verplichting tracht de wetgever te bevorderen dat, ondanks de verruiming van de bevoegdheden op grond van artikel 19 WRO, het planologische beleid in beginsel in bestemmingsplannen wordt neergelegd.

Toepassing van deze eerste beleidsregel kan leiden tot een negatieve uitkomst voor een bouwplan dat ligt in een actueel bestemmingsplan.

Onder een actueel bestemmingsplan wordt hierbij verstaan een plan wat jonger is dan 10 jaar. Een uitzondering wordt gemaakt voor een onvoorziene ontwikkeling en/of een bijzondere omstandigheid.

Onvoorziene ontwikkelingen zijn vanuit hun aard niet goed te beschrijven. Wijziging van wetgeving kan in ieder geval worden genoemd. Een voorbeeld uit het verleden is de uit 2000 stammende Maatregel Klassenverkleining.

Met gewijzigde regelgeving kan in het bestemmingsplan geen rekening worden gehouden. Sterker, het mag ook niet. Zie hier de paradox voor het geval dat het bestemmingsplan ergens rekening mee zou willen houden bij wetenschap van toekomstige regelgeving.

Voorbeelden van bijzondere omstandigheden kunnen zijn: een langdurig onderhandelingsproces of eerder gedane toezeggingen, een bijzondere historische situatie in relatie tot het toekomstig beschermd stadsgezicht, het Actieplan Wonen of andere voorbeelden van algemeen maatschappelijk belang.

Artikel Beleidsregel 2

Er kan worden meegewerkt aan vrijstellingsprocedures ex artikel 19 WRO, voor een verzoek dat valt in een bestemmingsplan dat ouder is dan 10 jaar en voldoet aan de actuele planologische inzichten, zoals onder meer is neergelegd in de beleidsregel ‘erfbebouwing bij woningen in de gemeente Vlaardingen’ en voldoet aan het provinciaal beleid, zoals neergelegd in het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 9 oktober 2007, kenmerk PZH2007-456952, waarbij op grond van artikel 19, lid 2 WRO categorieën van gevallen zijn aangewezen waarvoor een algemene en een bijzondere verklaring van geen bezwaar is verleend.

Toelichting:

Een verzoek om verlening van een vrijstelling dient in elk geval te voldoen aan het gemeentelijk planologisch beleid. Het planologische beleid is immers uitgangspunt bij het actualiseren en herzien van bestemmingsplannen. Van een verouderd bestemmingsplan kan uitsluitend vrijstelling worden verleend, indien aan datzelfde planologisch beleid wordt voldaan, waarvan bij de herziening van bestemmingsplannen wordt uitgegaan. Het planologische beleid voor onder andere de erfbebouwing is neergelegd in de beleidsregel ‘Erfbebouwing bij woningen in de gemeente Vlaardingen’. Voor zover het verzoek betrekking heeft op erfbebouwing kan geen medewerking worden verleend, indien het verzoek een plan betreft dat gelegen is binnen een geactualiseerd bestemmingsplan waarin de erfregeling geacht wordt te zijn afgewogen en opgenomen.

In door het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangegeven gevallen is door dit college op voorhand een bijzondere verklaring van geen bezwaar verleend, mede gelet op het streven om administratieve en bestuurslasten terug te dringen en overbodige procedures te voorkomen. In die gevallen past het niet om vanuit de gemeente een barrière op te werpen en zal een beginselbereidheid bestaan om medewerking te verlenen. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de gemeente de eigen verantwoordelijkheid op dit terrein moet nemen ten nadele van verzoeker(s), vandaar de beginselbereidheid.

Artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft tenslotte een limitatieve opsomming van de gevallen waarin artikel 19, lid 3 WRO door burgemeester en wethouders kan worden toegepast. In de praktijk wordt dit zonder veel procedurele rompslomp ruim benut.

Artikel Beleidsregel 3

Indien voor een procedure ex artikel 19 leden 1 en 2 WRO een ruimtelijke onderbouwing in enigerlei vorm dient te worden opgesteld, kan de gemeente van de aanvrager verlangen dat deze hetzij de ruimtelijke onderbouwing, hetzij de benodigde gegevens daartoe aanlevert. De gemeente behoudt zich het recht voor om haar medewerking aan de betreffende vrijstellingsprocedure alsnog te weigeren, indien een aanvrager verzuimt de gevraagde gegevens aan te leveren.

Toelichting:

Deze beleidsregel houdt verband met de wettelijke eis van een goede ruimtelijke onderbouwing als genoemde in de leden 1 en 2 van artikel 19 WRO. Zonder een goede ruimtelijke onderbouwing kan immers de vrijstellingsprocedure voor deze leden niet worden vervolgd. Aangezien het samenstellen van een ruimtelijke onderbouwing een tijdrovende aangelegenheid betreft en overigens geheel in het belang van de aanvrager is, wordt er voor gekozen om de aanvrager aan de hand van een door de gemeente gehanteerde checklist zelf de ruimtelijke onderbouwing te laten aanleveren. Bijkomend voordeel voor de aanvrager is dat deze op dat moment de termijn van dit deel van de procedure ook zelf in de hand heeft.

Deel Uitvoering

Voor wat betreft de uitvoering verandert er niet zo veel, het college van burgemeester en wethouders dan wel het hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling en Toezicht blijven besluiten nemen op grond van hun mandaat zoals zij dat voor de vaststelling van deze beleidsregels deden. Het verschil is dat er in de keten een schakel bij is gekomen: de toets aan het beleid.

Deel Tenslotte

Ruimtelijke ordening is een dynamisch begrip. In de uitvoering van deze beleidsregels zal telkens van geval tot geval moeten worden bezien of en in welke mate een bepaalde situatie van toepassing zal zijn. Niet moet worden uitgesloten dat deze beleidsregels zullen moeten worden aangevuld en/of veranderd. Het vertrekpunt is altijd dat door de capaciteit op bestemmingsplannen te willen inzetten, meer burgers geholpen worden dan wanneer één artikel 19 WRO-procedure wordt gevoerd.

Ondertekening

-door burgemeester en wethouders op
-door de gemeenteraad op