Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent jeugdhulp (Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2020)
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent jeugdhulp (Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2020)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;

gelet op artikel 31 van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2020;

Besluiten:

vast te stellen de navolgende “Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2020”.

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen
  • a. beschikking: een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit waarin de door het college toegekende of geweigerde individuele voorziening is opgenomen;

  • b. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt en daarmee zelf de zorg inkoopt;

  • c. college: burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;

  • d. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, eventueel met steun vanuit het sociaal netwerk, om de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen waarvoor de voorziening wordt gevraagd het hoofd te bieden;

  • e. gebruikelijke hulp: hulp waarvan het gebruikelijk is dat ouders dit zelf bieden afhankelijk van leeftijd en ontwikkeling van de jeugdige en draagkracht van de ouders;

  • f. handelingsplan: een plan waarin concreet is vastgelegd hoe de jeugdhulp wordt uitgevoerd;

  • g. individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 3 van de verordening;

  • h. jeugdige: jeugdige als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • i. jeugdhulpaanbieder: jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • j. ouders: de gezaghebbende ouder(s), adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;

  • k. pgb: het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouders dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • l. sociaal netwerk: een groep mensen waarmee een persoon duurzame banden onderhoudt en waarbij sprake is van verbondenheid;

  • m. verordening: Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2020;

  • n. wet: Jeugdwet.

HOOFDSTUK 2 GEBRUIKELIJKE HULP

Artikel 2 Beoordelingscriteria gebruikelijke hulp
  • 1. Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp betrekt het college:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de aard van de te verrichten handeling;

    • c.

      de frequentie en het patroon van de te verrichten handeling;

    • d.

      de tijd die met het verrichten van de handeling is gemoeid; en

    • e.

      de kennis, vaardigheden en draagkracht van de ouders.

  • 2. De criteria genoemd in het vorige lid worden in samenhang beoordeeld, waarbij wordt gelet op de omstandigheden van de jeugdige en rekening wordt gehouden met handelingen die de jeugdige en de ouders zelf kunnen uitvoeren.

  • 3. Wanneer sprake is van een kortdurende zorgsituatie (maximaal drie maanden) met uitzicht op herstel en daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige, valt de extra zorg en ondersteuning die ouders bieden onder gebruikelijke hulp.

Artikel 3 Richtlijnen gebruikelijke hulp

Bij de toepassing van artikel 2 gelden de volgende richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind:

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • -

    hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

  • -

    ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • -

    zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • -

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • -

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • -

    kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • -

    kinderen vanaf 4 jaar hebben een reguliere dagbesteding van 22-25 uur per week;

  • -

    hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, toiletgang en zindelijkheidstraining, dag- en nachtritme en dagindeling;

  • -

    hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • -

    zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • -

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend psychologisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 7 jaar

  • -

    hebben een reguliere dagbesteding op school van 22-25 uur per week;

  • -

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen, in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is;

  • -

    hebben toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging zoals het wassen en tanden poetsen;

  • -

    zijn overdag zindelijk en ’s nachts merendeels ook, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals begeleiding en gelegenheid bieden bij omgang met leeftijdsgenoten en begeleiding en waardering voor schoolwerk als thuis lezen;

  • -

    hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding;

  • -

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 7 tot 10 jaar

  • -

    hebben een reguliere dagbesteding op school van 22-25 uur per week;

  • -

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen, in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is;

  • -

    hebben steeds minder toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen;

  • -

    zijn overdag en ’s nachts zindelijk, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk;

  • -

    hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding;

  • -

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 10 tot 12 jaar

  • -

    hebben een reguliere dagbesteding op school van 22-25 uur per week;

  • -

    zijn overdag en ’s nachts zindelijk;

  • -

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen, in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is;

  • -

    hebben enig toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk;

  • -

    hebben nog enige begeleiding en controle van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding gaan;

  • -

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogische klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • -

    hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • -

    kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • -

    kunnen vanaf 16 jaar een dag of een nacht alleen gelaten worden;

  • -

    hebben bij persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • -

    hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • -

    hebben een reguliere dagbesteding op school;

  • -

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing (zoals hulp bij het zelfstandig gaan wonen);

  • -

    hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden;

  • -

    hebben vanaf 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd;

  • -

    zijn vanaf 18 jaar jongvolwassene en kunnen zelfstandig wonen.

Artikel 4 Richtlijnen gemiddelde tijdsbesteding

Bij de toepassing van artikel 2 gelden de volgende richtlijnen ten aanzien van de gemiddelde tijdsbesteding aan gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind.

Leeftijd Gemiddelde tijd per etmaal aan begeleiding Gemiddelde tijd per etmaal aan persoonlijke verzorging
0 tot 4 jaar 6-10 uur (afhankelijk van aantal uur slaap) 3 uur en 45 minuten
4 tot 7 jaar 6-7 uur 1 uur en 15 minuten overname 1 uur en 15 minuten aansturing/toezicht
7 tot 10 jaar 4-5 uur 15 minuten overname 30 minuten aansturing/toezicht
10 tot 12 jaar 3-4 uur 15 minuten aansturing/toezicht
12 tot 15 jaar 2-3 uur -
15 tot 18 jaar 1 uur -
Artikel 5 Toepassing richtlijnen
  • 1. Van de richtlijnen die in de artikelen 2 tot en met 4 worden gegeven voor de beantwoording van de vraag of in een concrete situatie sprake is van gebruikelijke hulp, kan worden afgeweken als de individuele omstandigheden van de jeugdige of zijn ouders daartoe aanleiding geven.

  • 2. De uitkomst van de toepassing van de artikelen 2 tot en met 5 lid 1 wordt gemotiveerd in de betreffende beschikking.

HOOFDSTUK 3 EIGEN KRACHT

Artikel 6 Beoordelingscriteria Eigen kracht
  • 1. Bij de beoordeling of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, eventueel met steun van het sociaal netwerk, toereikend zijn om zelf de gevraagde jeugdhulp te bieden, wordt rekening gehouden met:

    • a.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de duur daarvan;

    • c.

      de mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders;

    • d.

      de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen;

    • g.

      de mogelijkheden en de bereidheid van het sociale netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen.

  • 2. De criteria genoemd in het vorige lid worden in samenhang beoordeeld, waarbij het uitgangspunt is dat, wanneer de jeugdige en zijn ouders, eventueel met behulp van het sociale netwerk, zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, er geen individuele voorziening wordt verstrekt, ook niet wanneer de hulp de gebruikelijke hulp overstijgt.

Artikel 7 Richtlijnen Eigen kracht
  • 1. Bij het onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) worden de volgende factoren betrokken:

    • a.

      Zijn de ouders in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

    • b.

      Zijn de ouders beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

    • c.

      Levert het bieden van de hulp door de ouders geen overbelasting op?

    • d.

      Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouders wordt geboden?

  • 2. Als uit het onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, blijkt dat de ouders de hulp, eventueel met hulp van het sociale netwerk, kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van de factoren, dan zijn ouders in staat op eigen kracht de benodigde jeugdhulp te bieden en kan er geen aanspraak worden gemaakt op een individuele voorziening.

  • 3. Om te bepalen of er voldoende financiële draagkracht aanwezig is als bedoeld in lid 1 onder d, wordt onderzocht of bij het verlenen van de jeugdhulp door de ouders het gezinsinkomen toereikend is voor de betaling van de vaste lasten.

  • 4. De uitkomst van de toepassing van dit artikel in samenhang met artikel 6, wordt gemotiveerd in de betreffende beschikking.

HOOFDSTUK 4 PGB IN HET BUITENLAND

Artikel 8 Pgb in het buitenland
  • 1. De budgethouder moet een verblijf in het buitenland van langer dan vier weken melden aan het college.

  • 2. Bij een verblijf van langer dan vier weken in het buitenland en bij inkoop van jeugdhulpaanbieders die niet onder de Nederlandse belastingwetgeving vallen, verlaagt het college het pgb voor de gehele periode dat de budgethouder in het buitenland verblijft, op grond van de voor dat land geldende aanvaarbaarheidspercentages zoals vastgesteld door het Zorginstituut Nederland.

  • 3. De budgethouder kan het pgb voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van jeugdhulp tijdens verblijf buiten Nederland. Het college kan deze termijn op aanvraag van de budgethouder verlengen.

HOOFDSTUK 5 EXPERIMENTEERRUIMTE

Artikel 9 Experimenteerruimte
  • 1. Het college kan in het kader van onderzoek naar nieuwe zorgvormen voorzieningen toekennen door middel van een pgb die bij wijze van experiment afwijken van deze nadere regels.

  • 2. De afwijkingsbevoegdheid kan omvatten dat de voorziening voor een afwijkende periode wordt toegekend, dat de zorg qua inhoud en/of vorm afwijkt van gangbare zorg, dat een monitoring- en evaluatieprocedure wordt bepaald of dat een voorziening tussentijds wordt gewijzigd.

HOOFDSTUK 6 SAMENWERKING

Artikel 10 Samenwerking (jeugd)hulpaanbieders
  • 1. Wanneer meerdere (jeugd)hulpaanbieders aan of ten behoeve van een jeugdige zorg verlenen, stemmen de aanbieders de zorg op elkaar af en wordt zo nodig een gezamenlijk handelingsplan opgesteld.

  • 2. Indien de (jeugd)hulpaanbieders niet goed met elkaar samenwerken en daarmee de zorg voor de jeugdige in het gedrang komt, kan het college de toegekende individuele voorzieningen intrekken en zo nodig een andere individuele voorziening toekennen.

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN

Artikel 11 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van deze nadere regels indien toepassing van deze regels gevolgen zouden hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de nadere regels te dienen doelen. Bij bijzondere omstandigheden gaat het om omstandigheden die niet al in de nadere regels zijn verdisconteerd en waarbij de strikte navolging van de nadere regels zou leiden tot een niet beoogde uitkomst.

Artikel 12 Citeertitel

Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als: Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2020.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 onder gelijktijdige intrekking van de Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2018.

Artikel 14 Overgangsbepaling
  • 1. Op de aanvragen die tot en met 31 december 2018 zijn ingediend en waarvan de beschikking op of na 1 januari 2020 wordt afgegeven, zijn de Nadere regels jeugdhulp Vlaardingen 2020 van toepassing.

  • 2. Op de aanvragen waarvan de beschikking voor 1 januari 2020 is afgegeven en de beschikking doorloopt na 1 januari 2020, zijn de Nadere regels jeugdhulp Vlaardingen 2018 van toepassing.

Ondertekening

Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van Vlaardingen op 17 december 2019,
De secretaris, G. van Hofwegen
De burgemeester,drs. H.B. Eenhoorn

TOELICHTING

Op grond van artikel 31 van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2020 (hierna: de verordening) kan het college nadere regels stellen voor de uitvoering van de verordening. Op een aantal punten is een nadere uitwerking noodzakelijk dan wel wenselijk. Het betreft regels omtrent:

  • -

    gebruikelijke hulp;

  • -

    eigen kracht;

  • -

    pgb in het buitenland;

  • -

    experimenteerruimte; en

  • -

    samenwerking tussen (jeugd)hulpaanbieders.

  

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel zijn een aantal begrippen die in de nadere regels worden gebruikt, uitgelegd.

 

HOOFDSTUK 2 GEBRUIKELIJKE HULP

 

Artikel 2 Beoordelingscriteria gebruikelijke hulp

De artikelen 2 tot en met 5 zijn de uitwerking van artikel 11, lid 2 van de verordening.

 

In het kader van de jeugdhulpplicht houdt de gemeente rekening met de vraag of en zo ja, in hoeverre sprake is van ‘gebruikelijke hulp’. De verstrekking van een individuele voorziening vindt plaats aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt samen met de inzet van de eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. De rol van de gemeente is altijd aanvullend op wat iemand zelf (nog) kan doen, al dan niet met behulp van zijn omgeving; de eigen verantwoordelijkheid is namelijk een belangrijk thema in de Jeugdwet (artikel 2.3, eerste lid Jeugdwet). Daarnaast zijn ook de algemene bepalingen in het Burgerlijk Wetboek inzake verplichtingen van ouders tot verzorging en opvoeding van belang (artt. 1:82 en 247 Burgerlijk Wetboek).

 

De term gebruikelijke hulp komt niet expliciet voor in de Jeugdwet. De opvattingen inzake de eigen inzet van ouders / het gezin en het sociale netwerk zijn evenwel dezelfde (met de term “eigen kracht” als basis). In relatie tot de term eigen kracht wordt in de memorie van toelichting van de Jeugdwet de term ‘gebruikelijke hulp’ expliciet benoemd.

 

Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: de normale, dagelijkse zorg die mensen binnen een bepaalde sociale relatie aan elkaar bieden. Een vaste maatstaf is hiervoor niet te geven omdat de specifieke omstandigheden en belangen van de jeugdige en zijn ouder(s), individueel bepaald moeten worden. Indien de zorg voor een jeugdige met een beperking substantieel groter is dan de zorg voor een gezond kind van dezelfde leeftijd is sprake van ‘boven gebruikelijke hulp’.

 

Of de hulp die ouders aan hun kind bieden al dan niet gebruikelijk is, hangt af van de combinatie van factoren:

  • a.

    de leeftijd van de jeugdige;

  • b.

    de aard van de te verrichten handeling;

  • c.

    de frequentie en het patroon van de te verrichten handeling;

  • d.

    de tijd die met het verrichten van de handeling is gemoeid; en

  • e.

    de kennis, vaardigheden en de draagkracht van de ouders.

Deze beoordelingscriteria worden in artikel 2 benoemd, waarna in het tweede lid wordt voorgeschreven dat deze in samenhang met elkaar moeten worden bezien. Dit laatste houdt in, dat het gegeven dat een jeugdige, zoals in de hieronder gegeven voorbeelden, met een grotere regelmaat, dan andere van dezelfde leeftijd bepaalde hulp nodig heeft, niet meteen betekent dat sprake is van ‘boven gebruikelijke hulp’. Het gaat bij het bepalen van de hulp die redelijkerwijs van ouders kan worden verlangd, om de samenhang van alle relevante factoren.

    

Artikel 3 Richtlijnen gebruikelijke hulp

In dit artikel zijn richtlijnen opgenomen die gehanteerd worden bij de toepassing van het vorige artikel. De richtlijnen geven aan wat onder ‘gebruikelijke hulp’ van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling valt. De richtlijnen zijn opgesteld aan de hand van:

  • -

    de CIZ-indicatiewijzer;

  • -

    het Handboek Indicatiestelling jeugd-ggz; en

  • -

    de richtlijn gebruikelijke zorg uit de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2017.

 

Een voorbeeld maakt duidelijk hoe de Richtlijnen gebruikelijke zorg gehanteerd worden. Een gezin bestaat uit vader en moeder en twee kinderen van 14 en 12 jaar. De zoon van 14 heeft een vorm van autisme. Hij gaat naar het speciaal onderwijs. De ouders oefenen regelmatig met hun zoon thuis het gebruik van pictogrammen. In dit voorbeeld komen de ouders niet voor een pgb in aanmerking omdat zij dit soort oefeningen doen met hun kind. Deze inzet valt onder de gebruikelijke zorg/hulp omdat je dit kunt vergelijken met ouders met schoolgaande kinderen die kinderen helpen bij het huiswerk. De jeugdige en/of zijn ouders in dit voorbeeld komen niet voor een individuele voorziening in aanmerking.

 

Artikel 4 Richtlijnen gemiddelde tijdsbesteding

In dit artikel is aangegeven wat de gemiddelde tijdsbesteding aan gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in de verschillende fasen van het kind is.

 

Artikel 5 Toepassing richtlijnen

De beoordelingscriteria en richtlijnen zoals opgenomen in de artikelen 2 tot en met 4 geven een objectief afwegingskader aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of en zo ja in hoeverre sprake is van ‘gebruikelijke hulp’. Ondanks dat hiermee duidelijkheid wordt gegeven over de reikwijdte van ‘gebruikelijke hulp’ moet het college in elke individuele situatie telkens weer een zorgvuldige afweging maken, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders. In lid 1 van dit artikel is dit geborgd.

 

In het tweede lid is bepaald dat de uitkomst van de toepassing van de artikelen 2 tot en met 5 lid 1 gemotiveerd wordt in de betreffende beschikking.

 

HOOFDSTUK 3 EIGEN KRACHT

 

Artikel 6 Beoordelingscriteria Eigen kracht

De artikelen 6 en 7 zijn een uitwerking van artikel 11 lid 1 onder a van de verordening.

 

In artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet is bepaald dat het college geen voorziening voor jeugdhulp hoeft te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk. In de praktijk wordt dit ‘eigen kracht’ genoemd.

 

De wetgever heeft niet aangegeven wat precies onder ‘eigen kracht’ moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis, waarbij de kern is dat ouders in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan de gemeente overgelaten om dit begrip verder in te vullen.

 

‘Eigen kracht’ kan allerlei zaken omvatten, zoals ‘gebruikelijke hulp’ of het aanspreken van een aanvullende verzekering. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat ook ‘boven gebruikelijke hulp’ in beginsel van ouders mag worden verwacht.

 

De CRvB oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende ‘eigen kracht’ (zie CRvB 17-07-2019, ECLI:NLCRVB:2019:2362).

 

Of sprake is van voldoende ‘eigen kracht’ van ouders, moet het college goed onderzoeken. Uit de uitspraak van de CRvB volgt dat de volgende factoren in ieder geval van belang zijn.

  • de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige;

  • de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;

  • de mogelijkheden, de draagkracht en belastbaarheid van ouders / het netwerk;

  • de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

  • het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen.

 

In het eerste lid van dit artikel zijn bovengenoemde beoordelingscriteria opgenomen. Deze criteria moeten in samenhang worden beoordeeld.

 

Artikel 7 Richtlijnen Eigen kracht

In aanvulling op de beoordelingscriteria in van artikel 6 zijn in dit artikel onderzoeksvragen opgenomen.

 

De CRvB heeft aangegeven welke stappen een onderzoek naar jeugdhulp in ieder geval moet bevatten (zie ECLI:NL:CRVB:2017:1477). De laatste stap uit dat stappenplan (4) is het onderzoeken van de ‘eigen kracht’. Als het gaat om ‘eigen kracht’ van ouders, kan deze stap nader ingevuld worden met de antwoorden op de vragen die in het eerste lid van dit artikel zijn opgenomen. Dat leidt tot het hierna volgende beoordelingskader.

 

Beoordelingskader jeugdhulp en eigen kracht

  • 1.

    Stel de hulpvraag vast

  • 2.

    Stel vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn

  • 3.

    Bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is

  • 4.

    Onderzoek in hoeverre de eigen mogelijkheden van ouders en/of het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de hulp te bieden

Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van ouders moeten een aantal factoren worden onderzocht, die zijn samengevat in de volgende 4 vervolgvragen:

    • 1.

      Zijn de ouders in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

    • 2.

      Zijn de ouders beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

    • 3.

      Levert het bieden van de hulp door de ouders geen overbelasting op?

    • 4.

      Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouders wordt geboden?

 

Als personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de problematiek, wordt dit ook gezien als het aanspraken van ‘eigen kracht’ (lid 2).

 

Om te bepalen of er voldoende financiële draagkracht aanwezig is, wordt onderzocht of bij het verlenen van de jeugdhulp door ouders het gezinsinkomen toereikend is voor de betaling van de vaste lasten (lid 3).

 

Uit de uitspraak van de CRvB 17-07-2019 (ECLI:NL:CRvB:2019:2362) volgt dat de vraag in hoeverre financiële draagkracht een onderdeel uitmaakt van ‘eigen kracht’ een rol speelt bij de vraag of sprake is van voldoende ‘eigen kracht’ van ouders. De mogelijkheid om over een inkomen te beschikken is immers van belang bij de vraag of sprake is van voldoende eigen probleemoplossend vermogen. In deze uitspraak had de moeder uit eigen beweging haar baan opgezegd om voor haar kind te zorgen. Nu dit kennelijk niet tot financiële problemen leidde, concludeerde de CRvB dat de zorg van haar mag worden verwacht. Dat “financiële druk” wordt ervaart, is niet voldoende (zie r.o.4.5).

 

De rechtbank Rotterdam heeft in een uitspraak van juni 2019 geaccepteerd dat de gemeente hiervoor de NIBUD-normen toepast (ECLI:NL:RBROT:2019:52). Als het gezinsinkomen toereikend is en de ouder daardoor geen gedwongen keuze hoeft te maken tussen het verlenen van jeugdhulp aan zijn kind of het verwerven van een inkomen, is sprake van voldoende eigen kracht en hoeft het college geen pgb toe te kennen.

 

 

In het vierde lid is bepaald dat de uitkomst van de toepassing van artikel 6 en 7 wordt gemotiveerd in de beschikking.

     

HOOFDSTUK 4 PGB IN HET BUITENLAND

 

Artikel 8 Pgb in het buitenland

De gemeente kan te maken krijgen met vragen om jeugdhulp toe te kennen die wordt verleend in het buitenland. Als vaststaat dat de kwaliteit van de hulp die geboden wordt toereikend is, kan de gemeente daarvoor een pgb verstrekken. De Jeugdwet schrijft namelijk niet voor dat jeugdhulp alleen verleend mag worden door Nederlandse of in Nederland gevestigde aanbieders. De gemeente mag wel voorwaarden verbinden aan het besteden van het pgb in het buitenland.

 

In dit artikel zijn deze voorwaarden opgenomen. Daarbij is aangesloten bij paragraaf 7 van het Besluit langdurige zorg. In artikel 3.7.1, lid 1 onder a van het besluit is bepaald dat de aanspraak in ieder geval dertien weken kan doorlopen bij verblijf in het buitenland.

 

In het tweede lid is bepaald dat de hoogte van het pgb dat in het buitenland wordt besteed, wordt afgestemd op de aanvaardbaarheidspercentages zoals de AWBZ die hanteerde. De hoogte van de pgb is afhankelijk van het door het Zorginstituut vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage. Hiervoor is noodzakelijk dat dit in de verordening of nadere regels is opgenomen.

 

De plicht van de budgethouder om het college te melden dat hij een bepaalde periode in het buitenland verblijft, is afgeleid van de Wmo (artikel 2.3.8 Wmo 2015).

 

HOOFDSTUK 5 EXPERIMENTEERRUIMTE

 

Artikel 9 Experimenteerruimte

Dit artikel geeft het college de ruimte om nieuwe zorgvormen bij wijze van experiment toe te kennen. In die gevallen kan het college afwijken van de nadere regels.

 

HOOFDSTUK 6 SAMENWERKING

 

Artikel 10 Samenwerking (jeugd)hulpaanbieders

Indien meerdere (jeugd)hulpaanbieders zorg aanbieden aan (of ten behoeve van) een jeugdige, is het belangrijk dat de zorg goed op elkaar is afgestemd. Het college kan dit als voorwaarde in de beschikkingen opnemen.

 

Bij zorg in natura is meestal sprake van een hoofdaanbieder die op bepaalde onderdelen samenwerkt met zogenoemde ‘onder aanbieders’. De verantwoordelijkheid voor een goede samenwerking ligt dan bij de hoofdaanbieder. Een combinatie van zorg in natura en zorg die met een pgb wordt ingekocht, is echter ook mogelijk.

 

Dit artikel regelt dat de verschillende (jeugd)hulpaanbieders de zorg op elkaar moeten afstemmen en zo nodig een gezamenlijk handelingsplan moeten opstellen. Komt de zorg aan de jeugdige in het gedrang omdat de verschillende hulpverleners niet goed met elkaar samenwerken, dan kan het college de toegekende individuele voorzieningen op grond van artikel 17 lid 2 onder c en/of d van de verordening intrekken en zo nodig een andere individuele voorziening toekennen.

 

In artikel 17 lid 2 van de verordening is bepaald dat het college een besluit, genomen op grond van de verordening, kan herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb.

 

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 11 Hardheidsclausule

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in bijzondere gevallen die niet voorzien zijn af te kunnen wijken van de bepalingen in de nadere regels indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige en/of zijn ouder(s).

 

Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk in de beschikking aangeven waarom in een bepaalde situatie van de nadere regels wordt afgeweken.

 

Het gebruik van de hardheidsclausule wordt periodiek geëvalueerd om te voorkomen dat de hardheidsclausule wordt “uitgehold”. Mocht uit de evaluatie blijken dat de hardheidsclausule in steeds dezelfde situatie wordt toegepast, dan kan gesproken worden van bestendig gebleken beleid en dient dit – bij gelegenheid – in de nadere regels te worden neergelegd.

 

Artikel 12 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 13 Inwerkingtreding

De Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2020 treden op 1 januari 2020 in werking onder gelijktijdige intrekking van de Nadere regels Jeugdhulp Vlaardingen 2018.

 

Artikel 14 Overgangsbepaling

Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke nadere regels van toepassing zijn op het moment dat de nieuwe nadere regels in werking treden. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.