Rijksoverheid

Regelingenpocket Vlaardingen

Titel regeling
Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2011
Uitgever
Vlaardingen

Tekst van de regeling

Intitulé

Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2011

De raad van de gemeente Vlaardingen, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2011; Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht; Overwegende dat het wenselijk is de huidige Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2008 te herzien. Besluit Vast te stellen de volgende verordening: Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2011

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. aanvrager: degene die subsidie aanvraagt;

b. Awb: Algemene wet bestuursrecht;

c. boekjaar: kalenderjaar;

d. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;

e. de gemeente: de gemeente Vlaardingen

f. de raad: raad van de gemeente Vlaardingen;

g. incidentele subsidie: subsidie die eenmalig kan worden verstrekt voor de duur van maximaal vier jaar voor activiteiten die in beginsel van bepaalde tijd zijn en niet behoren tot de reguliere activiteiten van de subsidieontvanger;

h. nadere regels: nadere regels als bedoeld in artikel 4;

i. structurele subsidie: subsidie die per boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een instelling voor een periode van maximaal vier jaar kan worden verstrekt voor activiteiten die in beginsel van onbepaalde duur zijn;

j. subsidie: structurele en incidentele subsidies;

k. subsidieontvanger: degene aan wie subsidie wordt of is verstrekt.

Artikel 2 Bevoegdheid college

1. Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen.

2. Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden.

Artikel 3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan organisaties met rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht. Het college kan in bijzondere gevallen hiervan afwijken.

Artikel 4 Nadere regels

Het college kan over onderwerpen in deze verordening nadere regels vaststellen.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

1. Het college kan een of meerdere subsidieplafonds vaststellen.

2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

3. Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

4. Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verstrekt onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

Artikel 6 Bij de aanvraag in te dienen gegevens

1. Bij een aanvraag voor een subsidie legt de aanvrager de volgende gegevens over:

a. een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd;

b. een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties aangevraagde subsidies dan wel andere bijdragen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

2. Een aanvraag voor een structurele subsidie, of een incidentele subsidie voor meer dan een jaar, wordt schriftelijk ingediend bij het college door middel van een aanvraagformulier.

3. Bij een aanvraag van een subsidie vanaf € 15.000 legt de aanvrager, naast de gegevens genoemd in het eerste lid, onder a, gegevens over omtrent de doelstellingen en resultaten, die met de activiteiten worden nagestreefd. Daarnaast vermeldt de aanvraag de mate waarin de activiteiten gericht zijn op en bijdragen aan de door de raad vastgestelde beleidsdoelen.

4. Bij een aanvraag van een structurele subsidie vanaf € 15.000 dient de begroting, zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, een activiteiten – of productenbegroting gebaseerd op een integrale kostprijs per activiteit of product te bevatten. De activiteiten – of productenbegroting dient inzicht te geven in de berekening van de kostprijs per activiteit of product waarvoor subsidie wordt gevraagd. De gevraagde subsidie bedraagt de som van het aantal uit te voeren activiteiten of te leveren producten maal de kostprijs per activiteit of product. Voor de kostprijsberekening in het kader van de subsidieaanvraag gaat het om de netto kosten: de directe kosten verminderd met de opbrengsten uit de diensten zoals deelnemersbijdragen, kaartverkoop, baropbrengsten en dergelijke.

5. Indien een aanvrager een incidentele subsidie voor meer dan een jaar of voor de eerste maal een structurele subsidie aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.

6. Het college is bevoegd om ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede, derde en vierde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

1. Een aanvraag voor een structurele subsidie wordt gedaan voor 1 november in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

2. Een aanvraag voor een incidentele subsidie kan het gehele jaar door worden ingediend, maar moet minimaal acht weken voor aanvang van de activiteiten worden ingediend.

3. Het college kan bij nadere regels een andere aanvraagtermijn vaststellen.

Artikel 8 Meerjarige subsidies

1. Subsidieverlening voor een langere periode dan een jaar geschiedt door de raad.

2. De periode waarvoor subsidie wordt verleend bedraagt maximaal vier jaar.

3. In de beschikking tot subsidieverlening wordt aangegeven op welk bedrag de aanvrager voor ieder jaar een voorwaardelijke aanspraak heeft, dan wel op welke wijze het bedrag jaarlijks geïndexeerd wordt.

4. Indien sprake is van indexering past het college jaarlijks het subsidiebedrag aan.

5. De subsidieontvanger stuurt jaarlijks op een door de raad bepaald tijdstip een tussenrapportage naar het college.

6. De tussenrapportage bevat een verslag van de voortgang van de activiteiten en de inzet van de ontvangen subsidie.

Artikel 9 Beslistermijn

1. Het college beslist op een aanvraag voor een subsidie die betrekking heeft op een kalenderjaar uiterlijk voor 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

2. Indien niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip kan worden beslist stelt het college na overleg met de subsidieontvanger een ander tijdstip vast. Dit tijdstip mag niet verder gelegen zijn dan acht weken na het in het eerste lid genoemde tijdstip.

3. Het college beslist op een aanvraag voor een incidentele subsidie binnen acht weken; deze termijn kan ten hoogste met vijf weken worden verlengd.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 10 Weigeringsgronden

1. De aanvraag voor een subsidie wordt naast het in artikel 4:25, tweede 2, Awb genoemde geval, geweigerd indien redenen bestaan om aan te nemen dat:

a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente;

b. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet bijdragen aan een of meerdere door de raad vastgestelde beleidsdoelen dan wel niet passen binnen het beleid van de gemeente;

c. in het beoogde doel of de voorgenomen activiteiten al op een andere wijze in voldoende mate is voorzien;

d. de gelden niet of in onvoldoende mate zullen worden besteed voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

e. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien, die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde;

f. de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak het doel hebben het uitdragen van overtuigingen en denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politieke aard;

2. De aanvraag voor een subsidie kan naast de in artikel 4:35 Awb genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien:

a. aan de aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds een subsidie door enig bestuursorgaan is verstrekt;

b. de aanvrager niet alle benodigde vergunningen en ontheffingen ten behoeve van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten heeft verkregen;

c. de activiteiten voor een incidentele subsidie behoren tot de reguliere activiteiten van de aanvrager.

3. De aanvraag voor een subsidie kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien de aanvrager over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de activiteiten uit te voeren.

Hoofdstuk 5 Verlening van de subsidie

Artikel 11 Verlening subsidie

1. Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt.

2. Naast de verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid, Awb kan het college bij het besluit tot verlenen van de subsidie verplichtingen aan de subsidie verbinden die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

3. Het college kan bij het besluit tot verlenen van een subsidie, de subsidieontvanger verplichten de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te hanteren. Onder huiselijk geweld en kindermishandeling wordt mede verstaan: seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking, eer gerelateerd geweld en oudermishandeling.

Hoofdstuk 6 Bevoorschotting van de subsidie

Artikel 12 Bevoorschotting

Het college kan in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat vooruitlopend op de vaststelling één of meer voorschotten worden verleend.

Hoofdstuk 7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13 Meldingsplicht

1. De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet (geheel) zullen worden verricht of dat niet (geheel) aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

2. De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college indien de subsidieontvanger voornemens is;

a. deel te nemen in een rechtspersoon of een rechtspersoon op te richten;

b. de rechtspersoon te ontbinden;

c. aangifte te doen tot faillissement of surséance van betaling aan te vragen.

3. De subsidieontvanger heeft voorafgaand toestemming van het college nodig met betrekking tot de bestemming van een eventueel batig liquiditeitsaldo bij ontbinding.

4. Als bij de verantwoording van de subsidie blijkt dat niet is voldaan aan de meldingsplicht, kan het college de subsidie lager vaststellen of intrekken.

Artikel 14 Informatieplicht

1. De subsidieontvanger verstrekt het college tijdig informatie over feiten en omstandigheden die voor de subsidieverlening relevant kunnen zijn. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:

a. het wijzigen van de statuten;

b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;

c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijgen, vervreemding of bezwaren van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;

d. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening;

e. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;

f. het vaststellen of wijzigen van tarieven door de subsidieontvanger in de gewone uitvoering van voor zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties.

Hoofdstuk 8 Vermogensvorming

Artikel 15 Vorming van reserves

1. Het college kan bij de vaststelling van de subsidie toestemming verlenen aan de subsidieontvanger om het positieve verschil tussen de verleende subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten toe te voegen aan de algemene reserves of bestemmingsreserves. Dit kan slechts wanneer de subsidieontvanger alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend heeft verricht en aan alle verplichtingen opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening heeft voldaan.

2. De jaarlijkse toevoeging aan de reserves mag niet meer dan 5% van het verleende subsidiebedrag bedragen. De som van de jaarlijkse toevoegingen mag niet meer dan 10% van het verleende subsidiebedrag bedragen. Overschrijding van deze percentages leidt tot terugvordering van de subsidie.

3. In bijzondere gevallen kan het college afwijken van de in lid 2 genoemde percentages. Deze bevoegdheid heeft het college slechts indien de subsidieontvanger naar het oordeel van het college de noodzaak voor een hogere reservering voldoende heeft aangetoond.

Artikel 16 Vergoeding vermogensvorming

1. In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb is de subsidieontvanger aan het college een vergoeding van de vermogenswaarden verschuldigd voor zover deze vermogenswaarden zijn opgebouwd door middel van gemeentelijke subsidies.

2. De wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt bepaald, wordt vermeld in de beschikking tot subsidieverlening, vaststelling of beëindiging van de subsidie.

3. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt/is met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

4. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.

Hoofdstuk 9 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 17 Verantwoording en vaststelling subsidies tot € 15.000

1. Subsidies tot € 15.000 worden door het college vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening.

2. Binnen twaalf weken na afloop van de activiteiten waarvoor het college subsidie heeft vastgesteld verantwoordt de subsidieontvanger door middel van een ingevuld en door het bestuur ondertekend “afhandelingsformulier subsidies tot € 15.000” aan het college de besteding van de subsidie.

3. Indien uit de verantwoording blijkt dat de subsidie niet (geheel) is besteed aan de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zal de subsidie op grond van artikel 4:49 Awb worden ingetrokken of gewijzigd en de subsidie geheel of gedeeltelijk op grond van artikel 4:57 Awb worden teruggevorderd.

Artikel 18 Verantwoording subsidies vanaf € 15.000 tot € 50.000

1. Indien de subsidieverlening € 15.000 of meer, maar minder dan € 50.000 bedraagt, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

a. bij een incidentele subsidie, uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteiten;

b. bij een structurele subsidie, uiterlijk voor 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, waarvoor de subsidie is verleend.

2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht;

b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening incl. balans, verlies- en winstrekening en toelichting daarop);

c. een beschrijving van de doelgroep en de mate waarin de doelgroep is bereikt;

d. een beschrijving van de mate waarin de beleidsdoelstelling met de activiteiten is gerealiseerd.

3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 19 Verantwoording subsidies vanaf € 50.000

1. Indien de subsidieverlening € 50.000 of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

a. bij een incidentele subsidie, uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteiten;

b. bij een structurele subsidie, uiterlijk voor 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, waarvoor de subsidie is verleend.

2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht;

b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening incl. balans, verlies- en winstrekening en toelichting daarop);

c. een beschrijving van de doelgroep en de mate waarin de doelgroep is bereikt;

d. een beschrijving van de mate waarin de beleidsdoelstelling met de activiteiten is gerealiseerd;

e. een accountantsverklaring

3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 20 Vaststelling subsidie

1. Het college stelt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Daarbij wordt het volgende in acht genomen:

a. indien de subsidieontvanger de in de verleningsbeschikking opgenomen activiteiten realiseert tegen een hoger bedrag dan is verleend, dient de subsidieontvanger de extra kosten uit eigen middelen te dekken;

b. indien de subsidieontvanger meer activiteiten realiseert dan in de verleningsbeschikking is opgenomen, dient de subsidieontvanger de kosten van deze extra activiteiten uit eigen middelen te dekken;

c. indien de subsidieontvanger minder werkzaamheden realiseert dan in de verleningsbeschikking is opgenomen, wordt bij de vaststelling van de subsidie uitgegaan van het niveau dat overeenkomt met het lagere prestatieniveau;

d. indien de subsidieontvanger, naar het oordeel van het college, naar aard en hoedanigheid andere activiteiten realiseert dan in de verleningsbeschikking is opgenomen, wordt bij de subsidievaststelling gehandeld overeenkomstig het bepaalde onder c;

e. indien de subsidieontvanger zich niet houdt aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de verleningsbeschikking, wordt de subsidie lager vastgesteld.

2. Indien de werkelijke kosten van de realisatie van de activiteiten lager zijn dan de subsidie die voor de realisatie van de activiteiten is verleend, wordt de subsidie lager vastgesteld met in achtneming van het bepaalde in artikel 15 van deze verordening.

3. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemd tijdstip is ontvangen, gaat het college zes weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 21 Betaling

Het subsidiebedrag wordt binnen zes weken na de subsidievaststelling betaald.

Artikel 22 Terugvordering onverschuldigde betaling

Het college is bevoegd over de onverschuldigde betaalde subsidie wettelijke rente te vorderen.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

Artikel 23 Hardheidsclausule

Het college handelt overeenkomstig deze verordening, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de verordening te dienen doelen.

Artikel 24 Inwerkingtreding en intrekking oude verordening

Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2011 onder gelijktijdige intrekking van de Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2008.

Artikel 25 Overgangsbepaling

1. De Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2008 blijft van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld.

2. Vaststelling van voor inwerkingtreding van deze verordening verleende subsidies vindt plaats overeenkomstig deze verordening.

3. Verlening en vaststelling van voor inwerkingtreding van deze verordening aangevraagde subsidies waarop ten tijde van de inwerkingtreding nog niet is beslist, vindt plaats overeenkomstig deze verordening.

Artikel 26 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als:

a. Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2011, of

b. ASV 2011

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 juni 2011.
 
De griffier,                       De voorzitter,
drs. E.W.K. Meurs          mr. T.P.J. Bruinsma

Bijlage Algemene toelichting

Inleiding

Vanwege een aantal ontwikkelingen is het wenselijk de Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2008 te wijzigen: het integreren van de methode van Beleidsgestuurde Contractfinanciering (BCF) in het subsidieproces, de verbetering van de dienstverlening en werkprocessen binnen de gemeente en de wens om de regels te vereenvoudigen en de administratieve en bestuurlijke lasten te verminderen. Al deze aspecten zijn integraal opgenomen in de ASV 2011. De ASV 2011 biedt - naast de subsidiebepalingen in de Algemene wet bestuursrecht - het juridische kader voor een doelmatige, doeltreffende en rechtmatige inzet van subsidiemiddelen. Algemene wet bestuursrecht

In Titel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn algemene regels opgenomen over subsidiëring. De subsidietitel bevat:

- dwingende regels, waarvan niet mag worden afgeweken;

- gangbare regels, die voor normale gevallen de beste regeling geven. De bepalingen maken een afwijkende regeling mogelijk door toevoeging van de clausule: “tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald”;

- aanvullende regels, die normen geven voor de gevallen dat de bijzondere wetgever (bijvoorbeeld de gemeenteraad) zelf geen regel heeft vastgesteld;

- facultatieve regels, die niet uit zichzelf gelden, maar in een wet, verordening of besluit van toepassing moeten worden verklaard. De Awb geldt ten opzichte van gemeentelijke bepalingen als hogere regelgeving. De raad kan dus geen regels vaststellen die in strijd zijn met de betreffende regels. Ook het letterlijk overnemen van dwingende Awb-bepalingen is niet mogelijk. Ingevolge artikel 122 van de Gemeentewet vervallen de bepalingen van een gemeentelijke verordening van rechtswege wanneer in het onderwerp van de verordening door een wet wordt voorzien. Wettelijke grondslag

De hoofdregel van de subsidietitel in de Awb is, dat subsidies gebaseerd moeten zijn op een wettelijk voorschrift. Voor gemeenten is dit wettelijk voorschrift een gemeentelijke verordening. In dit geval de ASV 2011. Wanneer is sprake van subsidie?

Of sprake is van subsidie is wettelijk bepaald. In artikel 4:21 Awb, is de definitie van subsidie gegeven. Indien een betaling onder het subsidiebegrip valt, is sprake van subsidie. Het subsidiebegrip luidt als volgt: De aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen en diensten. Uit het subsidiebegrip kan worden opgemaakt, dat:

- een donatie geen subsidie is;

- het gebruik ‘om niet’ geen subsidie is;

- ingeval van geleverde goederen en diensten er geen sprake is van subsidie;

- het initiatief komt van de partij die de activiteiten verricht (aanvrager); Om te bepalen of sprake is van subsidie moeten vooraf de volgende vragen met ‘ja’ beantwoord worden:

1. Komt het initiatief van degene die de activiteiten verricht door middel van een subsidieaanvraag?

2. Zijn de activiteiten gericht op derden c.q. algemeen belang?

3. Worden de activiteiten verricht door een rechtspersoon zonder winstoogmerk? Indien één van de vragen met nee wordt beantwoord, is mogelijk geen sprake van subsidie maar van inkoop (= betaling voor een opdracht). Subsidie versus inkoop

Met de zinsnede ‘anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten’, heeft de wetgever bedoeld de subsidie te onderscheiden van het begrip ‘inkoop’. Uit de definitie van artikel 4:21 Awb volgt dat, als er sprake is van een betaling voor een opdracht, deze betaling dan niet kan worden aangemerkt als een subsidieverstrekking of omgekeerd. Oftewel: opdracht en subsidie sluiten elkaar uit. Om verschillende redenen is dit onderscheid belangrijk. Zo zullen ondernemers over de door aan hen gedane betalingen voor geleverde diensten BTW verschuldigd zijn, terwijl zij over aan hen verstrekte subsidies in beginsel geen BTW hoeven af te dragen. Een belangrijk verschil is ook het feit dat bij inkoop de aanbestedingsregels van toepassing zijn; dit is bij subsidieverstrekking niet het geval. Hieronder worden de belangrijkste verschillen tussen een subsidie en overeenkomst weergegeven.

i222905ifb535d9c-97b9-42be-8fca-23863e1373b1.jpg
Bij de toepassing van de methode Beleidsgestuurde Contractfinanciering (BCF) binnen het subsidieproces moet rekening worden gehouden met het hiervoor genoemd onderscheid tussen subsidie en inkoop. De feitelijke situatie is bepalend of iets wordt aangemerkt als een subsidie of een opdracht: het naamkaartje, dat er aan hangt speelt geen rol. Bij de toepassing van BCF binnen het subsidieproces mag niet uit het oog worden verloren dat het om een subsidierelatie gaat die haar grondslag vindt in publiekrechtelijke wet- en regelgeving. Om die reden worden bij de wijze waarop BCF in Vlaardingen wordt toegepast termen als “contract” en “offerte” vermeden en worden aan de subsidiebeschikkingen geen uitvoeringsovereenkomsten gekoppeld. Staatssteun

Er kan in enkele gevallen wel sprake zijn van staatssteun. Het begrip staatssteun omvat alle steun die de overheid levert aan een onderneming. Onder staatssteun vallen zowel directe overheidssubsidies als indirecte steunmaatregelen. Voorbeelden van indirecte steunmaatregelen zijn garanties of leningen tegen niet marktconforme voorwaarden of de verkoop van grond of gebouwen onder de marktprijs. Op grond van het verdrag van de oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag) is staatssteun verboden, tenzij de steunmaatregel is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het verbod op staatssteun is bedoeld om de vrije concurrentie te bevorderen en verstoringen van het handelsverkeer tussen de lidstaten te voorkomen. Staatssteun is toegestaan als andere organisaties daardoor geen oneerlijke concurrentie ondervinden. Er is geen sprake van staatssteun als de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, geen ondernemingsactiviteiten zijn. Zo is een subsidie aan een sportvereniging geen staatssteun. Als de gesubsidieerde activiteiten wel als ondernemingsactiviteiten kunnen worden aangemerkt, is er sprake van staatssteun als de subsidie niet open staat voor alle ondernemingen, die deze activiteit uitoefenen. De begrotingscyclus

De gemeenteraad stelt op hoofdlijnen het beleid voor de komende vier jaren vast. Het college voert dit beleid uit en legt hierover jaarlijks verantwoording af aan de raad. Ook wordt via de begrotingscyclus bepaald hoeveel geld de gemeente aan de verschillende beleidsterreinen uitgeeft. Het subsidieproces staat in relatie tot de begrotingscyclus. Om het door de gemeenteraad vastgestelde beleid uit te kunnen voeren, verstrekt het college subsidies aan instellingen. Het verstrekken van subsidies is dus een instrument om de beleidsdoelen te realiseren. Beleidsgestuurde contractfinanciering (BCF)

Op 5 oktober 2010 heeft het college besloten om de methodiek van de Beleidsgestuurde Contractfinanciering (BCF) vanaf 1 januari 2011 te integreren in het subsidieproces en daarmee een structurele basis te geven in het werkproces. Bij deze werkwijze vertaalt het college de door de raad vastgestelde beleidsdoelen in een “opdracht”* aan de instelling. De instelling vraagt op basis van de “opdracht” subsidie aan voor de uitvoering van activiteiten die bijdragen aan de vastgestelde beleidsdoelen. De hoogte van de te verlenen subsidie wordt bepaald aan de hand van een integrale kostprijs per activiteit maal het aantal activiteiten. Bij de subsidieverlening maakt het college met de instelling duidelijke afspraken over de door de instelling te leveren prestaties in een bepaald tijdvak. Na afloop van de subsidieperiode verantwoordt de instelling aan het college de geleverde prestaties en de mate waarin deze prestaties hebben bijgedragen aan de gemeentelijke beleidsdoelen. Op basis van de geleverde prestaties stelt het college de subsidie vast. Indien de bij de subsidieverlening afgesproken prestaties niet geheel zijn geleverd wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld. De voordelen van deze werkwijze zijn: het subsidie-instrument wordt beter benut en er bestaat samenhang tussen beleid, prestaties, resultaten en kosten. Het college rapporteert jaarlijks aan de raad over de inzet van de subsidiemiddelen in relatie tot de gemeentelijke beleidsdoelen. De raad krijgt daarmee beter inzicht in de besteding van de subsidiemiddelen en kan op strategisch niveau hieraan sturing geven. * Het begrip opdracht is hier tussen aanhalingstekens geplaatst om het onderscheid aan te geven met het begrip opdracht in relatie tot inkoop. In dit verband moet “opdracht” gelezen worden als het inhoudelijke beleidskader waaraan een aanvraag moet voldoen. Vereenvoudiging regelgeving

De opzet van de ASV 2011 is ten opzichte van de ASV 2008 vereenvoudigd. Overbodige regels zijn vervallen en door de beperking van de subsidiesoorten is de verordening leesbaarder geworden. Minder administratieve en bestuurlijke lasten

Bij de ontwikkeling van de ASV 2011 is nadrukkelijk gekeken naar de vermindering van de administratieve en bestuurlijke lastendruk. Bij de vereisten van het indienen van een aanvraag en de verantwoordingsvereisten is het uitgangspunt dat de administratieve lasten in verhouding moeten staan tot de hoogte van het subsidiebedrag. Om bij het vragen van gegevens de proportionaliteit in acht te kunnen nemen zijn bepalingen opgenomen waarin het college kan afzien van het vragen van bepaalde gegevens en in voorkomende gevallen extra gegevens kan vragen. Wijzigingen ten opzichte van de ASV 2008

De wijzigingen hebben betrekking op bijna alle aspecten van het subsidieproces: de subsidiesoorten, de aanvraagtermijn, de inhoud van de aanvraag, de weigeringsgronden, de verplichtingen, vermogensvorming, de verantwoording en de vaststelling. Hieronder worden de belangrijkste wijzigingen toegelicht. Subsidiesoorten

In de ASV 2011 zijn nog slechts twee verschillende subsidies: structurele subsidies die jaarlijks voor dezelfde activiteiten worden verstrekt en incidentele subsidies die eenmalig worden verstrekt. De begrippen waarderingssubsidie en budgetsubsidie zijn niet meer van toepassing. Er is wel onderscheid tussen subsidies tot € 15.000, die zonder voorafgaande subsidieverlening worden vastgesteld en subsidies vanaf € 15.000 die eerst worden verleend en na afloop van de achtiviteiten worden vastgesteld. Op structurele subsidies vanaf € 15.000 is BCF van toepassing. Aanvraagtermijn

In de ASV 2008 was sprake van twee aanvraagtermijnen: 1 april bij gewijzigd beleid en 1 juni bij ongewijzigd beleid. In de ASV 2011 is sprake van één aanvraagtermijn, namelijk, voor 1 november. Dit verschil heeft te maken met de invoering van BCF. Daarbij vertaalt het college eerst de door de raad vastgestelde beleidsdoelen in een “opdracht” aan de instelling, waarna vervolgens de instelling subsidie voor activiteiten vraagt die bijdragen aan deze beleidsdoelen. In de tijdsperiode tot

1 november overleggen gemeente en instelling over de inhoud van de aanvraag en de te leveren prestaties. In de periode 1 november – 31 december wordt de aanvraag vervolgens adminstratief afgehandeld. De aanvraag

Naast een beschrijving van de activiteiten en een begroting van de kosten moet de subsidieaanvrager bij een subsidie vanaf € 15.000 bij de aanvraag aangeven: de mate waarin de activiteiten gericht zijn op en bijdragen aan de door de raad vastgestelde beleidsdoelen. Daarnaast moet de begroting gebaseerd zijn op een integrale kostprijs per activiteit en moet de aanvrager inzicht geven in de berekening van de kostprijs per activiteit. Weigeringsgronden

In de ASV 2008 waren subsidiecriteria opgenomen. In de ASV 2011 zijn deze criteria omschreven als concrete weigeringsgronden. Ook zijn er weigeringsgronden toegevoegd. Zo kan bijvoorbeeld een subsidie worden geweigerd indien de aanvrager over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de activiteit uit te voeren. Verplichtingen

In de ASV 2011 is een meldingsplicht opgenomen voor de subsidieontvanger zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor subsidie is ontvangen niet (geheel) zullen worden verricht. De meldingsplicht komt in de plaats van de tussenrapportage. De subsidieontvanger heeft ook een meldingsplicht wanneer de subsidieontvanger wil deelnemen in een rechtspersoon, een rechtspersoon wil oprichten, de rechtspersoon wil ontbinden of aangifte van faillissement of surséance van betaling wil aanvragen. Verder moet de subsidieontvanger het college informeren over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de financiële situatie van de instelling. Vermogensvorming

Bij vermogensvorming is sprake van een spanningsveld. Enerzijds moeten gesubsidieerde instellingen voldoende vrijheid van handelen krijgen om slagvaardig en bedrijfsmatig te werken. In dat kader is het van belang een eventueel positief resultaat niet direct en volledig af te romen. Een kleine reserve biedt de mogelijkheid een korte periode waarin het financieel wat slechter gaat te overbruggen. Anderzijds moet voorkomen worden dat, op kosten van de gemeenschap, overmatig aan reservevorming bij instellingen wordt gedaan. Reservevorming is dus tot op zekere hoogte wenselijk, maar het aantal en de omvang van de reserves moeten beperkt zijn. Om die reden zijn bepalingen in de ASV 2011 opgenomen over vermogensvorming. Het college kan bij de vaststelling van de subsidie toestemming verlenen aan de subsidieontvanger om binnen bepaalde normen met niet bestede subsidiegelden reserves te vormen. Verantwoording en vaststelling

Er wordt in de ASV 2011 onderscheid gemaakt tussen de verantwoording van subsidies tot € 15.000 en subsidies vanaf € 15.000. Zo worden subsidies tot € 15.000 zonder voorafgaande subsidieverlening vastgesteld. Bij de verantwoording van subsidies vanaf € 15.000 dienen de subsidieontvangers naast de inhoudelijke en financiële verantwoording ook een beschrijving te geven van de mate waarin de doelgroep is bereikt en de beleidsdoelstellingen zijn gerealiseerd. Ten behoeve van de verantwoording moet bij een subsidie vanaf € 50.000 een accountantsverklaring worden gevoegd.

Bijlage Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt. Het begrip subsidie is niet gedefinieerd omdat dit begrip in artikel 4:21, eerste lid, Awb is omschreven. Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van subsidie.

De structurele subsidie is een subsidie die per boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een instelling voor een periode van maximaal vier jaar kan worden verstrekt voor veelal dezelfde voortdurende activiteiten.

De incidentele subsidie is een subsidie die eenmalig kan worden verstrekt voor activiteiten die in beginsel van bepaalde duur zijn. Het onderscheid tussen structurele en incidentele subsidies betreft de duur van de activiteiten, namelijk voor onbepaalde duur respectievelijk bepaalde duur. Incidentele subsidie kan gedurende de gehele subsidieperiode worden aangevraagd. Structurele subsidie moet in het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode worden aangevraagd. In een aantal gevallen zijn de bepalingen in deze verordening zowel op de structurele als de incidentele subsidies van toepassing. In dat geval wordt het begrip subsidie gebruikt. Artikel 2. Bevoegdheid college Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en de ASV 2011. Dit betekent dat het college pas subsidie kan verstrekken nadat de raad de begroting voor dat jaar heeft vastgesteld. Bij het verstrekken van de subsidie moet het college rekening houden met de door de raad in de begroting vastgestelde (financiële) kaders. In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden aan de subsidie te verbinden. In dit geval moet onder voorwaarden tevens verplichtingen worden verstaan. In afdeling 4.2.4 Awb is uitvoerig bepaald welke verplichtingen bij een subsidieverlening kunnen worden opgelegd. Artikel 3. Aanvrager Het uitgangspunt is dat ter bescherming van het gemeentelijk belang en ter bescherming van de organisatoren van de activiteiten alleen subsidie kan worden verstrekt aan rechtspersonen. Alleen in bijzondere gevallen kan het college hiervan afwijken. Een voorbeeld hiervan vormt de subsidie voor beeldende kunst die ook verstrekt kan worden aan beeldende kunstenaars die geen rechtspersoon zijn. Artikel 4. Nadere regels In dit artikel is bepaald dat het college door middel van delegatie van wetgevende bevoegdheid nadere regels kan stellen met betrekking tot de subsidieverstrekking. Deze nadere regels bevatten algemeen verbindende voorschriften en zijn een daad van wetgeving. Dit houdt in dat deze nadere regels moeten worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 139 e.v. van de Gemeentewet. In de nadere regels kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat voor bepaalde subsidies andere aanvraagtermijnen gelden. Het college is tevens bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen. Deze bevoegdheid heeft het college op grond van de wet. Beleidsregels zijn in tegenstelling tot de nadere regels geen algemeen verbindende voorschriften. Het college kan beleidsregels vaststellen die betrekking hebben op de uitvoering of uitleg van de bepalingen van de ASV 2011. Zie ook de artikelen 4:81 – 4:84 Awb. Hoofdstuk 2. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud In de Awb zijn in de artikelen 4:25 – 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een subsidieplafond gegeven. Ingevolge het eerste lid van artikel 5 kan het college subsidieplafonds vaststellen. Tegelijkertijd met het vaststellen van de subsidieplafonds moet aangeven worden op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. De mogelijkheid om subsidieplafonds vast te stellen is belangrijk vanuit het oogpunt van financieel beheer van de subsidiegelden. Subsidieaanvragen kunnen zonder nader motivering geweigerd worden op het moment dat het subsidieplafond wordt overschreden. Indien het voor subsidie beschikbare bedrag enkel op de gemeentebegroting vermeld staat en deze bedragen niet als zijnde subsidieplafonds zijn gepubliceerd, kan het college subsidieaanvragen niet ongemotiveerd weigeren wegens overschrijding van het beschikbare budget. Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Uitgaande van de begrotingscyclus zal de vaststelling en de bekendmaking van de subsidieplafonds tussen half november en eind december moeten plaatsvinden. Zoals gezegd moet tegelijkertijd met het vaststellen van de subsidieplafonds worden aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Er zijn twee mogelijkheden:

1. De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, “wie het eerst komt, het eerst maalt”, waarbij aanvragen in volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag worden behandeld.

2. Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen en waarbij de beste aanvragen voor subsidie in aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in rangorde worden gezet. Lid 4. Vanwege het budgetrecht van de raad kan het college slechts subsidie verstrekken nadat de raad hiervoor gelden in de begroting beschikbaar heeft gesteld. Een subsidie ten laste van een nog niet door de raad vastgestelde begroting kan slechts onder de voorwaarde ‘dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld’ worden verstrekt. Het verstrekken onder begrotingsvoorbehoud van subsidiegelden houdt in dat indien in de vastgestelde begroting geen middelen voor de activiteiten beschikbaar worden gesteld, niet aan de voorwaarde is voldaan en er geen aanspraak kan worden gemaakt op de subsidie. Hoofdstuk 3. Aanvraag van de subsidie Artikel 6. Bij de aanvraag in te dienen gegevens Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de Awb. In het eerste tot en met het vijfde lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn subsidieaanvraag. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen structurele en incidentele subsidies en subsidies tot € 15.000 en structurele subsidies vanaf € 15.000. Bij aanvragen voor structurele subsidies behoeven de aanvragers geen jaarrekening in te dienen omdat het college hierover reeds kan beschikken. In het eerste lid is bepaald welke gegevens minimaal bij de aanvraag moeten worden verstrekt. In het tweede lid is bepaald dat een aanvraag voor een structurele subsidie en een aanvraag voor een incidentele subsidie voor meer dan een jaar schriftelijk moet worden gedaan door middel van een aanvraagformulier. Door het gebruik van standaardaanvraagformulieren wordt de rechtszekerheid bevorderd. Voor de aanvrager is meteen duidelijk welke gegevens hij dient over te leggen. Tevens wordt met het gebruik van standaardaanvraagformulieren de uniformiteit van behandeling van subsidieaanvragen bevorderd.

De standaardaanvraagformulieren zijn digitaal beschikbaar op de website van de gemeente. Er wordt naar gestreefd dat medio 2012 de aanvrager het formulier ook digitaal kan versturen. Een aanvraag voor een incidentele subsidie behoeft niet te worden gedaan door middel van een aanvraagformulier tenzij het een incidentele subsidie voor een langere periode dan een jaar betreft.

Hier is voor gekozen omdat in de regel incidentele aanvragen zonder aanvraagformulier binnenkomen. De verplichting om de aanvraag alsnog door middel van een aanvraagformulier in te dienen geeft in die gevallen naar verhouding een te grote administratieve en bestuurlijke belasting. De bepalingen in het derde en vierde lid zijn opgenomen als gevolg van de integratie van BCF in het subsidieproces. De subsidieaanvrager moet bij de aanvraag gegevens, over de doelstellingen en resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd, voegen. In het aanvraagformulier dat de subsidieaanvrager voorafgaand aan de aanvraagtermijn ontvangt bij de subsidiejaarbrief, wordt de subsidieaanvrager hierover geïnformeerd. In het vierde lid is opgenomen dat de activiteiten – of productenbegroting gebaseerd moet zijn op een integrale kostprijs per activiteit of product. Onder integrale kostprijs wordt verstaan: een nettoprijs per activiteit of product waarin de verschillende kostensoorten integraal zijn opgenomen en waarvan de baten zijn afgetrokken. Kostensoorten zijn bijvoorbeeld personeelslasten, overheadlasten, huisvestingslasten, activiteitenlasten en organisatielasten. Baten zijn inkomsten uit bijvoorbeeld deelnemersbijdragen en barinkomsten. De gevraagde subsidie bedraagt de som van het aantal uit te voeren activiteiten of te leveren producten. Voorbeeld:

Instelling X vraagt subsidie aan voor het organiseren van 20 activiteiten in een wijkcentrum. De activiteiten worden uitgevoerd door vrijwilligers die een vrijwilligersvergoeding ontvangen. Voor het organiseren van de activiteiten wordt een zaal in het wijkcentrum gehuurd. De integrale kostprijs bedraagt € 1.000 per activiteit en is als volgt opgebouwd: - personeelslasten: € 150

- overhead: € 150

- huisvestingslasten: € 550

- activiteitenlasten: € 300

- organisatielasten: € 200

Bruto prijs € 1.350 Af:

- Deelnemersbijdragen: € 200

- Barinkomsten: € 150

Totaal inkomsten € 350

Netto prijs € 1.000 per activiteit Gevraagde subsidie: 20 x € 1.000 = € 20.000 Indien bij de verantwoording van de subsidie blijkt dat slechts tien van de twintig activiteiten zijn verricht, wordt de subsidie vastgesteld op € 10.000. In het zesde lid is bepaald dat het college ook andere gegevens kan aanvragen indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk zijn. Om niet meer gegevens te vragen dan noodzakelijk is, kan het college ook slechts enkele van de in het derde, vierde en vijfde lid genoemde gegevens vragen. Artikel 7. Aanvraagtermijn Hier zijn de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie moeten zijn ingediend bij het college. Voor structurele subsidies is de uiterlijke aanvraagdatum 1 november. Incidentele subsidies kunnen het gehele jaar door worden aangevraagd mits minimaal acht weken voor aanvang van de activiteiten. Artikel 8. Meerjarige subsidies In het eerste lid is bepaald dat subsidieverlening voor een langere periode dan een jaar geschiedt door de raad. Dit heeft te maken met het budgetrecht van de raad. De maximale periode van vier jaar sluit aan bij de begrotingscyclus (meerjarenbegroting). Het voordeel van een meerjarige subsidie is dat een jaarlijkse aanvraag overbodig is. Via de tussentijdse rapportages wordt het college op de hoogte gesteld van de resultaten. In de beschikking tot subsidieverlening kan de raad bepalen dat de subsidie jaarlijks door het college wordt vastgesteld. Voor specifieke projecten die langer dan een jaar en korter dan vier jaar duren én voor grote instellingen kan een meerjarige subsidie voordelen hebben. Artikel 9. Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidies. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In de regel wordt een termijn van acht tot dertien weken redelijk geacht. Bij de bepaling van de beslistermijnen in dit artikel is dit als uitgangspunt genomen.

Hoofdstuk 4. Weigering van de subsidie Artikel 10. Weigeringsgronden De algemene weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb worden hier met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld. Door middel van de weigeringsgronden kan het college er bijvoorbeeld voor zorgen dat subsidiegelden slechts ten goede komen aan de ingezetenen van Vlaardingen en passen binnen het beleid van de gemeente. Het derde lid biedt het college de mogelijkheid om aanvragen geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de instelling zelf over voldoende middelen beschikt of kan beschikken. Hoofdstuk 5. Verlening van de subsidie Artikel 11. Verlening subsidie Op de subsidieaanvraag neemt het college een besluit of de subsidie wordt verleend: de beschikking tot subsidieverlening. Deze beschikking geeft de subsidieontvanger een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen, waarvan de precieze omvang nog niet vast staat. De aanspraak is voorwaardelijk omdat het op het moment van verlening nog niet zeker is of de subsidieontvanger daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Dat wordt in de regel pas beoordeeld in het kader van de subsidievaststelling. In het eerste lid is bepaald dat het college in de beschikking tot subsidieverlening aangeeft op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidie plaatsvindt. Hier kan het college gebruik maken van haar bevoegdheid om meer of minder gegevens en bescheiden bij de verantwoording van de subsidie aan de subsidieontvanger te vragen (zie: de artikelen 18 lid 3, 29 lid 3 en 20 lid 3 van de verordening). In artikel 4:37, eerste lid, Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de subsidieontvanger verplichtingen kan opleggen met betrekking tot;

a. aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

b. de administratie van de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

c. het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

d. de te verzekeren risico’s;

e. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

g. het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;

h. het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover. In het tweede lid van artikel 11 is bepaald dat, naast de in artikel 4:37, eerste lid, Awb genoemde verplichtingen, het college bevoegd is om bij het besluit tot verlenen van de subsidie verplichtingen aan de subsidie te verbinden die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Het gaat hierbij om verplichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het met de subsidie nagestreefde doel te verwezenlijken. Deze zogenaamde doelgebonden verplichtingen kunnen rechtstreeks betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteit (1), maar ook een meer afgeleid en ondersteunend karakter hebben (2).

Voorbeeld 1: een verplichting aan een instelling om bepaalde activiteiten ten behoeven van derden (bijv. cursussen) uitsluitend te laten verzorgen door personen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen.

Voorbeeld 2: een verplichting inzake de wijze waarop de administratie moet worden gevoerd of aan het bestuursorgaan moet worden gerapporteerd over de activiteiten. Lid 3. Vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Wet Meldcode hebben alle burgemeesters van het Regionaal College, waaronder de burgemeester van Vlaardingen, in september 2010 een intentieverklaring ondertekend. Hiermee hebben zij te kennen gegeven dat:

1. Het hanteren van de meldcode bij door de gemeente gesubsidieerde organisaties met ingang van 2012 als subsidievoorwaarde zal worden gehanteerd.

2. Het gebruik van de meldcode binnen de eigen gemeentelijke/ambtelijke organisatie zelf per 1 januari 2011 zal zijn ingevoerd. Het gaat hier om een verplichting die niet strekt tot verwezenlijking van het doel van de subsidie oftewel het gaat hier om een niet-doelgebonden verplichting. In artikel 4:39, tweede lid, Awb is bepaald dat niet-gebonden verplichtingen wel enig verband moeten houden met de gesubsidieerde activiteit. Het bepaalde in het derde lid van artikel 11 - dat het college bevoegd is om bij het besluit tot verlenen van een subsidie, de subsidieontvanger te verplichten de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te hanteren -, is een niet-doelgebonden verplichting. Een dergelijke verplichting kan slechts aan de subsidieontvanger worden opgelegd indien dit bij wettelijk voorschrift (lees: ASV 2011) is bepaald. Het hanteren van een meldcode zal met de inwerkingtreding van de Wet Meldcode voor een aantal voorgeschreven sectoren wettelijk verplicht worden gesteld. Zolang de Wet Meldcode nog niet in werking is getreden kan het college op grond van het derde lid aan de betreffende instellingen in de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opleggen een meldcode binnen de organisatie te hanteren. Hoofdstuk 6. Bevoorschotting van de subsidie Artikel 12 . Bevoorschotting Het college is bevoegd een voorschot te verlenen maar is daartoe niet verplicht. In de regel worden subsidies vanaf € 15.000 maandelijks vooruit betaald tot een bedrag ter hoogte van de verleende subsidie. Bevoorschotting kan noodzakelijk zijn omdat de organisatie kosten maakt om de activiteiten waarvoor subsidie wordt ontvangen, uit te voeren. Bij een lagere vaststelling van de subsidie vindt een verrekening met voorgeschoten subsidiegelden plaats. Dit leidt dan tot terugvordering van een deel van de subsidie. De wijze waarop de bevoorschotting plaatsvindt (bijv. in een aantal termijnen) wordt in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen. Hoofdstuk 7. Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 13. Meldingsplicht In de ASV 2008 waren alle subsidieontvangers van structurele budgetsubsidies verplicht om voor 1 september in het subsidiejaar een tussenrapportage aan het college over te leggen. Het doel van de tussenrapportage was dat het college er tijdig kennis van kon nemen of alle activiteiten zouden worden verricht en alle verplichtingen zouden worden nagekomen. Om de administratieve en bestuurlijke lasten te beperken, is in dit artikel een meldingsplicht opgenomen. Zodra de subsidieontvanger weet dat de activiteiten of verplichtingen niet geheel zullen worden verricht respectievelijk zullen worden nagekomen, moet dit aan het college worden gemeld. In de in het tweede lid beschreven situaties dient de subsidieontvanger dit vooraf te melden aan het college. In het derde lid is bepaald dat voorafgaand toestemming van het college nodig is met betrekking tot de bestemming van een eventueel batig liquiditeitsaldo bij ontbinding. Met deze bepalingen kan het college voorkomen dat subsidiegeld “verdwijnt”. Lid 4 Indien de subsidieontvanger zich niet aan de meldingsplicht heeft gehouden, kan het college de subsidie lager vaststellen. Artikel 14. Informatieplicht In dit artikel is bepaald dat de subsidieontvanger tijdig informatie aan het college verstrekt over feiten en omstandigheden die voor de subsidieverlening relevant kunnen zijn. Er is aangegeven wat daar in ieder geval onder moet worden verstaan. Het betreft hier een niet limitatieve opsomming. Ook andere feiten en omstandigheden die niet onder a tot en met f zijn genoemd, maar die wel relevant zijn voor de subsidieverlening, moeten worden gemeld. Omdat het hier feiten en omstandigheden betreft die tot de gewone bedrijfsvoering van een organisatie behoren, voert het te ver om hiervoor toestemming verplicht te stellen. Hoofdstuk 8. Vermogensvorming Artikel 15. Vorming van reserves Reserves maken deel uit van het eigen vermogen van de instelling. De instelling kan vrij beschikken over de betreffende middelen. Reserves worden gevormd uit exploitatieoverschotten en zijn dus een winstbestemming. Er bestaat onderscheid tussen algemene reserves en bestemmingsreserves.

Algemene reserves zijn reserves met een algemeen karakter en derhalve vrij aanwendbaar. Zij zijn onder andere bedoeld om eventuele bedrijfsrisico’s op te vangen.

Bestemmingsreserves zijn specifieke reserves, waaraan vooraf een bestemming is gegeven. Voorbeelden van bestemmingsreserves zijn:

• Reserve ten behoeve van inventaris (onderhoud en vervanging)

• Reserve ten behoeve van onderhoud eigen gebouwen

• Reserve ten behoeve van bepaalde omschreven, niet reguliere, activiteiten zoals jubilea Reserves moeten worden onderscheiden van voorzieningen. Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen van de instelling, gevormd met het oog op toekomstige verplichtingen. De hoogte van de voorziening moet corresponderen met de toekomstige verplichting. Voorzieningen zijn gericht op het kunnen voldoen aan vooraf duidelijk kwantificeerbare verplichtingen. Voorzieningen kunnen louter worden aangewend voor het doel waarvoor zij zijn ingesteld. Voorzieningen worden gevormd uit de exploitatie in het jaar waarop de verplichting is ontstaan en dienen tot gelijkmatige verdeling van de lasten over een beperkt aantal jaren. Het vormen van voorzieningen is een normaal aspect van de bedrijfsvoering en dient daarom onderdeel uit te maken van de begroting en rekening van de instelling. Voorbeelden van voorzieningen zijn:

• Personele verplichtingen (ziektevervanging, wachtgeldverplichting, reorganisatiekosten, e.d.)

• Belastingverplichtingen

• Te verwachten schadeclaims van derden

• Groot onderhoud en renovaties Het opnemen van bepalingen over vermogensvorming heeft een tweeledig doel. Enerzijds is het belangrijk dat instellingen beschikken over voldoende reserves om tegenvallers op te kunnen vangen. Anderzijds is het niet wenselijk dat instellingen overmatig veel reserves opbouwen met subsidiegelden. In dit artikel is bepaald dat het college, binnen de in het tweede lid genoemde normen, bij de vaststelling van de subsidie toestemming kan verlenen om het positieve exploitatieresultaat toe te voegen aan de reserves. Artikel 16. Vergoeding vermogensvorming Door het opnemen van dit artikel wordt het mogelijk een vergoeding voor eventuele vermogensvorming te vragen aan de subsidieontvanger. Dit kan slechts wanneer het vermogen is gevormd met subsidiegelden. Indien de vermogensvorming uitsluitend door andere gelden is opgebouwd (bijv. een sportvereniging die gespaard heeft voor een nieuwe kantine), kan er geen sprake zijn van het vragen van een vergoeding. Hoofdstuk 9. Verantwoording en vaststelling van de subsidie In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de vaststelling en verantwoording van de subsidie. Daarbij is het uitgangspunt dat de administratieve en bestuurlijke belasting die met de verantwoording gepaard gaat in verhouding is met de hoogte van het subsidiebedrag. Artikel 17. Verantwoording en vaststelling subsidies tot € 15.000 In het eerste lid is bepaald dat subsidies tot en met € 15.000 worden vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening. Na afloop van de gesubsidieerde activiteiten moet de subsidieontvanger verantwoording afleggen door middel van het invullen van een afhandelingformulier. Artikel 18. Verantwoording subsidie vanaf € 15.000 tot € 50.000 In dit artikel is bepaald dat de subsidieontvanger verantwoording aflegt door middel van een aanvraag tot subsidievaststelling op de in het eerste lid genoemde termijnen. In het tweede lid is aangeven waar de verantwoording uit moet bestaan. Naast de inhoudelijke en financiële verantwoording moet de subsidieontvanger ook een beschrijving van de doelgroep geven en de mate waarin de doelgroep is bereikt. Tevens moet de subsidieontvanger een beschrijving geven van de mate waarin de beleidsdoelstelling is gerealiseerd. Met deze “aanvullende” gegevens – een uitwerking van de BCF methode - wordt inzicht verkregen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidie. Indien blijkt dat de gesubsidieerde activiteiten niet of nauwelijks bijdragen aan de verwezenlijking van de door de gemeenteraad vastgestelde doelen, kan het college in overleg met de instelling andere activiteiten subsidiëren die wel een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de beleidsdoelen. Komt het college er met de instelling niet uit dan kan het college met inachtneming van artikel 4:51 Awb en, op grond van artikel 10, eerste lid, onder b, ASV 2011, de subsidie in een volgende subsidieperiode weigeren omdat de activiteiten niet bijdragen aan een of meerdere door de raad vastgestelde beleidsdoelen dan wel niet passen binnen het beleid van de gemeente.

Artikel 19. Verantwoording subsidies vanaf € 50.000 Zie toelichting bij artikel 18.

In het tweede lid, onder e. is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling een accountantsverklaring moet worden verstrekt. Artikel 20. Vaststelling subsidie Wanneer de activiteiten zijn afgerond, dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling van de subsidie in. In dit verzoek legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af (zie toelichting bij de artikelen 18 en 19). Afhankelijk van de mate waarin de activiteiten zijn verricht en de verplichtingen zijn nagekomen, wordt de hoogte van de subsidie bepaald (= subsidievaststelling). In artikel 4:46 Awb is het volgende over subsidievaststelling bepaald:

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen. Uitgangspunt bij de vaststelling is dat de hoogte van de vaststelling overeenkomstig het verleende subsidiebedrag is. In de in artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb genoemde gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie kan niet hoger worden vastgesteld. In het eerste lid van artikel 20 is aangegeven wat bij de vaststelling van de subsidie in acht wordt genomen. In het tweede lid is bepaald dat een positief verschil tussen de werkelijke kosten van de activiteiten en de voor de activiteiten verleende subsidie, leidt tot een lagere vaststelling. Oftewel indien de werkelijke kosten van de activiteiten lager liggen dan de hoogte van het verleende subsidiebedrag, moet het verschil aan de gemeente worden terugbetaald. Hiermee wordt voorkomen dat instellingen de begroting “opblazen” om niet-bestede subsidiegelden aan de reserves toe te kunnen voegen. Dit lid moet in samenhang met het bepaalde in artikel 15 over de vorming van reserves worden gelezen. In het derde lid is bepaald dat het college de subsidie ambtshalve kan vaststellen indien een aanvraag tot vaststelling niet tijdig, na een eenmalig rappel, is ontvangen. In dat geval stelt het college de subsidie lager vast omdat niet aan een aan de subsidieverlening verbonden verplichting is voldaan. Artikel 21. Betaling De betaling van de subsidie vindt plaats onder verrekening van de betaalde voorschotten. In het tweede lid van artikel 4:52 Awb is bepaald dat het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling wordt betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In artikel 21 is bepaald dat de betaling binnen zes weken na de subsidievaststelling plaatsvindt. Omdat in vrijwel alle gevallen voorschotten zijn betaald, vindt geen nabetaling plaats of moet de subsidieontvanger teveel ontvangen voorschotten terugbetalen. Artikel 22. Terugvordering onverschuldigde betaling Terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidie vindt plaats op grond van artikel 4:57 Awb. In artikel 4:57 Awb is bepaald dat onverschuldigde betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd. Artikel 22 is opgenomen omdat het college zonder expliciete wettelijke grondslag niet de mogelijkheid heeft om over de onverschuldigde betaalde subsidie wettelijke rente te vorderen. Artikel 23. Hardheidsclausule Er kunnen zich gevallen voordoen waarin de toepassing van deze verordening ongewenste effecten heeft. Het college heeft in dat geval de bevoegdheid van één of meer bepalingen van deze verordening af te wijken. Artikel 24. Inwerkingtreding en intrekking oude verordening De ASV 2011 treedt (met terugwerkende kracht) in werking op 1 juni 2011. Behoudens de overgangsbepaling van artikel 25 heeft de ASV 2008 vanaf die datum geen werking meer. Artikel 25. Overgangsbepaling

i222906i35c9c7f6-d9c9-4d86-9b20-51aea57d6875.jpg
In dit artikel is een overgangsbepaling opgenomen. In onderstaande schema is aangeven welke subsidieverordening van toepassing is. Op grond van het tweede lid van artikel 25 worden de vaststellingen van subsidies over 2010, waarover de instellingen voor 1 juni 2011 een aanvraag tot subsidievaststelling moeten indienen, onder het regiem van deze verordening gebracht. Artikel 26. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Subsidieverordening Verordening Vlaardingen 2011, of ASV 2011.