Rijksoverheid

Regelingenpocket Utrecht

Titel regeling
Besluit van provinciale staten van Utrecht van 3 juli 2006 houdende regels voor inspraak (Inspraakverordening provincie Utrecht 2006)
Uitgever
Utrecht

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 3 juli 2006 houdende regels voor inspraak (Inspraakverordening provincie Utrecht 2006)

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 3 juli 2006 houdende regels voor inspraak (Inspraakverordening provincie Utrecht 2006)

Provinciale staten van Utrecht;

Op het voorstel van gedeputeerde staten van 30 mei 2006, CS, nr. 2006CGC000361;

Gelet op artikel 147 van de Provinciewet;

Besluiten:

Artikel 1.

  • 1 De provinciale bestuursorganen kunnen ook in andere gevallen dan waarin dat bij een bijzondere verordening of andere wettelijke regeling is bepaald inspraak verlenen als bedoeld in artikel 147 van de Provinciewet.

  • 2 Zij kunnen in die gevallen afwijken van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht als de aard van het besluit dat wenselijk maakt.

Artikel 2.

[Vervallen]

Artikel 3.

[Vervallen]

Artikel 4.

[Vervallen]

Artikel 5.

[Vervallen]

Artikel 6.

[Vervallen]  

Artikel 7.

[Vervallen]

Artikel 8.

De Inspraakverordening provincie Utrecht 1990 wordt ingetrokken. 

Artikel 9.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10.

Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening provincie Utrecht 2006.

Ondertekening

Voorzitter, B. Staal
Griffier, L.C.A.W. Graafhuis
 

Algemeen

Krachtens de artikelen II en V van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54) is per 1 juli 2006 artikel 147 van de Provinciewet gewijzigd. De oude versie van dat artikel gaf de opdracht een Inspraakverordening vast te stellen, met een viertal bijzondere voorschriften. In de nieuwe versie wordt de opdracht nog steeds gegeven, maar is voor de voorschriften een enkele verwijzing naar de nieuwe afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in de plaats gekomen. De afdeling 3.4 houdt nu in, samengevat: - terinzagelegging van het ontwerp; - het inbrengen van zienswijzen door belanghebbenden; - alleen als het bestuursorgaan dat bepaalt ook het inbrengen van zienswijzen door belangstellenden; - gedurende zes weken waarna - beslissing binnen een bepaalde termijn, afhankelijk van het besluit. In de inspraakverordening kan van de afdeling worden afgeweken. Aan de oude versie van artikel 147 is voldaan met de Inspraakverordening provincie Utrecht 1990. In die verordening wordt nog nauw aangesloten bij de voorbereidingsprocedure in de eerdere versie van de Algemene wet bestuursrecht. De verordening dient nu te worden aangepast.

Krachtens de afdeling 3.4 zelf kan al per geval tot inspraak besloten worden of kan de afdeling in het algemeen van toepassing worden verklaard. In formele wetten wordt als regel dat laatste gedaan. Dit maakt de wetgevingssytematiek met betrekking tot de inspraakverordening onduidelijk. In die verordening zouden alle besluiten bij elkaar gezet kunnen worden die altijd na inspraak zouden horen te worden vastgesteld. Maar bij die verzameling zouden dan de besluiten moeten ontbreken waarvoor in een bijzondere wet al een inspraakregeling is gegeven. Er is voor gekozen de laatste methode voort te zetten. Dat wil zeggen dat als een bepaald besluit al is geregeld in een bijzondere verordening, de regeling van de inspraak bij dat besluit ook in die verordening blijft of wordt opgenomen en niet weer apart in de inspraakverordening. Inspraak die al in een wet is geregeld kan natuurlijk in het geheel niet naar de inspraakverordening worden overgebracht. De belangrijkste besluiten van het provinciebestuur zijn de plannen per dienst: het verkeers- en vervoerplan (ook wel strategisch mobiliteitsplan genoemd), het waterhuishoudingsplan, het milieubeleidsplan, de cultuurnota (ook wel cultuurprogramma genoemd) en het streekplan. Voor het verkeers- en vervoerplan verwijst artikel 6, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer al rechtstreeks naar afdeling 3.4. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de waterhuishouding wordt voor het waterhuishoudingsplan een opdracht gegeven tot regeling van de inspraak “in de Verordening waterhuishouding op de wijze, voorzien in de inspraakverordening”. Voor het milieubeleidsplan wordt in artikel 4.10, derde lid, van de Wet milieubeheer al een regeling gegeven en wordt voor een nadere regeling verwezen naar de inspraakverordening. Voor de cultuurnota is bij artikel 2, derde lid, van de Verordening cultuurbeleid al bepaald dat inspraak moet worden verleend. Voor het streekplan is bij artikel 4a, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening al bepaald dat de afdeling 3.4 van toepassing is.

Voor de inspraakverordening zelf zouden zo alleen die belangrijke periodieke besluiten die niet in een verordening geregeld zijn en incidentele besluiten overblijven. Besluiten van de eerste soort zijn er echter niet. Voor incidentele besluiten biedt de afdeling 3.4. zelf al de mogelijkheid haar van toepassing te verklaren. Bij de inspraakverordening kan echter, zoals hiervoor aangegeven, de mogelijkheid gegeven worden om van de afdeling af te wijken. Dit laatste is dus per saldo de enige reden om een inspraakverordening te hebben. Daarnaast kan zij gebruikt worden om, door middel van de artikelen die wijziging in andere verordeningen inhouden, aan te geven waar bijzondere inspraakregelingen zijn opgenomen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Artikel 1 stipuleert de mogelijkheid om per geval tot inspraak te besluiten, met behoud van de mogelijkheid om van de afdeling 3.4 af te wijken. Deze laatste mogelijkheid zou er in die afzonderlijke gevallen niet zijn als zij niet in de inspraakverordening zou staan.

Artikel 2

Met betrekking tot het waterhuishoudingsplan kan de aanpassing van de Verordening waterhuishouding bij deze verordening als een afdoende uitvoering van de wettelijke opdracht worden beschouwd.

Artikel 3

De nadere regeling van de inspraak bij het milieubeleidsplan staat in artikel 3.1 van de Provinciale Milieuverordening. Die voor het milieuprogramma en voor de milieuverordening kunnen daarbij worden vermeld. Daarnaast bevat de Milieuverordening nog inspraakvoorschriften voor een aantal afzonderlijke besluiten. Die zullen in ander verband worden aangepast.

Artikel 4 Krachtens artikel 1a, tweede lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap stelt u het beleidsplan natuur en landschap vast. Ook hier is nog geen inspraak voorgeschreven, maar ligt zij wel voor de hand.

Artikel 5

Krachtens artikel 1 van de Subsidieverordening economische ontwikkeling stelt u een een economisch beleidsplan vast waarin u de gewenste richting van de economische ontwikkeling in de provincie aangeeft. Inspraak lijkt gewenst.

Artikel 6

Krachtens artikel 1 van de Subsidieverordening toeristische ontwikkeling stelt u een actieplan recreatie en toerisme vast waarin u de gewenste ontwikkeling van het toerisme in de provincie aangeeft. Ook hier lijkt inspraak gewenst.

Artikel 7

In de Verordening cultuurbeleid wordt alleen de al bestaande verwijzing aangepast aan de nieuwe regeling.

Gedeputeerde staten, B. Staal, voorzitter H.H. Sietsma, secretaris