Rijksoverheid

Regelingenpocket Utrecht

Titel regeling
Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 12 april 2016, nr. 81824243, houdende de wijziging van de gemeenschappelijke regeling van Recreatie Midden-Nederland in een bedrijfsvoeringsorganisatie (Bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden-Nederland)
Uitgever
Utrecht

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 12 april 2016, nr. 81824243, houdende de wijziging van de gemeenschappelijke regeling van Recreatie Midden-Nederland in een bedrijfsvoeringsorganisatie (Bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden-Nederland)

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 12 april 2016, nr. 81824243, houdende de wijziging van de gemeenschappelijke regeling van Recreatie Midden-Nederland in een bedrijfsvoeringsorganisatie (Bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden-Nederland)

Gedeputeerde staten van Utrecht en de dagelijks besturen van het Recreatieschap Stichtse Groenlanden, Plassenschap Loosdrecht e.o., Recreatieschap Vinkeveense Plassen en Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug, Vallei- en Kromme Rijngebied;

Overwegende: – dat in de Wet gemeenschappelijke regelingen sinds 1 januari 2015 de rechtsvorm van een bedrijfsvoeringsorganisatie is opgenomen voor regelingen die zijn getroffen voor de sturing en beheersing van ondersteunende processen en uitvoerende taken; – dat het wenselijk is, gezien de taken van de gemeenschappelijke regeling Recreatie Midden-Nederland en de eenvoudiger bestuursstuctuur, om deze regeling om te zetten in een bedrijfsvoeringsorganisatie; – dat de Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt dat algemene besturen van gemeenschappelijke regelingen en provinciale staten van provincies geen deelnemer kunnen zijn aan een bedrijfsvoeringsorganisatie en zij daarom hebben besloten uit de regeling te treden; – dat de dagelijkse besturen van de recreatieschappen en gedeputeerde staten van de provincie Utrecht toestemming hebben verkregen van de algemene besturen van de recreatieschappen en provinciale staten van provincie Utrecht om de regeling te wijzigen; – dat het tevens wenselijk is om in de regeling een bepaling op te nemen over het uitvoeren van taken voor anderen dan deelnemers; – dat het tevens wenselijk is om de regeling aan te passen aan met name wijzigingen in de financiële bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen zoals deze geldt sinds 1 januari 2015.

Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluiten de gemeenschappelijke regeling Recreatie Midden-Nederland te wijzigen in de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden-Nederland, die als volgt komt te luiden:

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling: de gemeenschappelijke regeling Recreatie Midden-Nederland;

  • b.

    de recreatieschappen:

    • Recreatieschap Stichtse Groenlanden;

    • Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug, Vallei- en Kromme Rijngebied;

    • Recreatieschap Vinkeveense Plassen;

    • Plassenschap Loosdrecht e.o.;

  • c. de provincie: de provincie Utrecht;

  • d.

    de deelnemers: de dagelijkse besturen van de recreatieschappen en gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;

  • e.

    derden: privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen die geen deelnemer zijn aan de regeling;

  • f.

    wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • g.

    het apparaat: het voor de recreatieschappen werkzame personeel.

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie
  • 1 Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 8, derde lid van de wet, genaamd Recreatie Midden-Nederland.

  • 2 De bedrijfsvoeringsorganisatie is een rechtspersoon gevestigd te Utrecht.

HOOFDSTUK 2 Belang en bevoegdheden

Artikel 3 Belang
  • 1 Deze regeling is getroffen met het oog op het belang van de recreatieschappen bij een centraal ondergebracht personeelsbeheer, alsmede bij het indien gewenst voorbereiden van gemeenschappelijk beleid.

  • 2 De recreatieschappen onthouden zich van alle activiteiten waartoe de bedrijfsorganisatie bevoegd is.

Artikel 4 Bevoegdheden
  • 1 Ter behartiging van het in artikel 3 genoemde belang is het bestuur bevoegd tot:

    • a.

      het vaststellen van de organisatiestructuur;

    • b.

      het vaststellen van het (meerjaren)personeels- en formatieplan;

    • c.

      het vaststellen en uitvoeren van het personeelsbeleid;

    • d.

      het nemen van besluiten terzake het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel alsmede het voeren van rechtsgedingen;

    • e.

      het aanschaffen en het beheren van de middelen ten behoeve van het apparaat;

    • f.

      het aanschaffen en het beheren van materieel dat structureel door meer dan één recreatieschap wordt gebruikt;

    • g.

      het doen van beleidsvoorstellen aan de recreatieschappen, betreffende gemeenschappelijke beleidsuitgangspunten;

    • h.

      het bespreken van gemeenschappelijke thema’s en het - waar nodig en door de recreatieschappen gewenst voorbereiden van gemeenschappelijk beleid.

  • 2 Naast de bevoegdheden vermeld in het eerste lid kan de bedrijfsvoeringsorganisatie taken voor derden uitvoeren. Deze werkzaamheden mogen niet in strijd zijn met het belang waarvoor de regeling is getroffen, moeten minimaal kostendekkend zijn en mogen niet tot gevolg hebben dat de bedrijfsvoeringsorganisatie niet langer ten minste 80% van zijn werkzaamheden voor deelnemers verricht.

  • 3 De bevoegdheden genoemd in het eerste lid worden uitgeoefend binnen de grenzen van de rechtspositieregeling van de provincie Utrecht als bedoeld in artikel 13 en de vastgestelde begroting en algemene financiële kaders als bedoeld in artikel 17 van deze regeling.

HOOFDSTUK 3 Het bestuur

Artikel 5 Samenstelling bestuur
  • 1 De deelnemers wijzen ieder uit hun midden één lid aan.

  • 2 De leden van het bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de bestuursleden van de deelnemers.

  • 3 De aanwijzing van de leden van het bestuur vindt plaats in de eerste vergadering in nieuwe samenstelling van de deelnemers. Indien een tussentijdse vacature ontstaat, wijst de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw bestuurslid aan.

  • 4 Het lid, dat ter vervulling van een buiten de zittingsperiode opengevallen plaats tot lid van het bestuur is aangewezen, heeft zitting tot het einde van de zittingsperiode van degene in wiens plaats hij is benoemd

  • 5 De leden van het bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter op de hoogte.

  • 6 Elk lid van het bestuur heeft een plaatsvervanger. Aanwijzing van de plaatsvervanger vindt plaats tegelijkertijd met de aanwijzing van de leden van het bestuur. Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervanger.

  • 7 Het bestuur is bevoegd voor een door het bestuur te bepalen tijdsduur adviseurs te benoemen.

    Het bestuur kan dan tevens plaatsvervangers voor de in dit lid bedoelde adviseurs benoemen.

Artikel 6 Bevoegdheden bestuur

Aan het bestuur komen alle bevoegdheden toe ter behartiging van de belangen die aan de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn opgedragen.

Artikel 7 Werkwijze
  • 1 Het bestuur vergadert tenminste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als daartoe besloten is of de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste één derde deel van het aantal leden van het bestuur dit onder opgave van redenen schriftelijk verzoekt.

  • 2 Ten aanzien van het oproepen tot het houden van de vergaderingen alsmede de besluitvorming van het bestuur zijn, voor zover daarvan bij de wet niet is afgeweken, de artikelen 19, 20, 22 en 26 en 28 tot en met 33 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar. Artikel 22 vierde en vijfde lid en artikel 23 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op de openbare vergadering. Alleen de leden van het bestuur zijn gerechtigd een besloten vergadering bij te wonen, tenzij door het bestuur in de besloten vergadering anders wordt beslist. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd noch kunnen besluiten worden genomen over het vaststellen van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening.

  • 4 Het bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen.

Artikel 8 Inlichtingen,verantwoording, ontslag
  • 1 Een lid van het bestuur geeft aan de deelnemer die hem heeft benoemd, of aan één of meer leden daarvan, alle verlangde inlichtingen.

  • 2 Een lid van het bestuur is verantwoording verschuldigd over het door hem gevoerde beleid jegens de deelnemer die hem als lid van het bestuur heeft afgevaardigd. Het afleggen van verantwoording gebeurt mondeling op een door de deelnemer te bepalen wijze en tevens schriftelijk indien de deelnemer daartoe besluit.

  • 3 Een lid van het bestuur dat het vertrouwen van de deelnemer die hem als lid van het bestuur heeft respectievelijk hebben afgevaardigd niet meer bezit, kan door die deelnemer als lid van het bestuur worden ontslagen.

Artikel 9 Ondertekening

De stukken die van het bestuur uitgaan worden door de voorzitter en secretaris ondertekend.

Artikel 10 Voorzitter
  • 1 Het bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

  • 2 De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden aangewezen bij verkiezing voor de duur van de zittingsperiode van de bestuurders van de deelnemers.

  • 3 Bij afwezigheid van zowel de voorzitter als de plaatsvervangend voorzitter treedt het oudste lid in jaren van het bestuur dat aanwezig is, als voorzitter op, tenzij het bestuur een ander met de vervanging belast.

  • 4 De voorzitter is belast met de leiding van de vergadering van het bestuur.

Artikel 11 Vergoedingen

Het bestuur kan voor de leden van het bestuur een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten vaststellen.

HOOFDSTUK 4 Personeel en organisatie

Artikel 12 Organisatiestructuur, formatieplan

De organisatiestructuur en het formatieplan worden vastgesteld door het bestuur binnen de door het bestuur vastgestelde begroting.

Artikel 13 Rechtspositieregeling
  • 1 Het bestuur stelt ten behoeve van het personeel de rechtspositieregeling vast, waarbij de rechtspositieregeling van de provincie Utrecht wordt gevolgd.

  • 2 Het bestuur kan besluiten de secundaire arbeidsvoorwaarden van de provincie Utrecht aan te vullen of daarvan af te wijken, indien deze niet voorzien in een afwijkende werkwijze bij de bedrijfsvoeringsorganisatie. De ondernemingsraad heeft instemmingsrecht bij dit besluit.

Artikel 14 Secretaris
  • 1 Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris.

  • 2 De secretaris is directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie en staat het bestuur van de regeling bij in alles wat de aan het bestuur opgedragen taken betreft en is hiervoor rechtstreeks aan het bestuur verantwoording schuldig.

  • 3 Het bestuur stelt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris.

  • 4 Het bestuur regelt de vervanging van de secretaris in geval van diens afwezigheid.

Artikel 15 Overig personeel
  • 1 Het bestuur stelt jaarlijks het personeelsplan vast. Bij het vaststellen van dit personeelsplan wordt uitgegaan van de door de recreatieschappen gewenste personeelsbehoefte.

  • 2 Het ontwerp-personeelsplan wordt jaarlijks voor 1 februari om commentaar gezonden aan de dagelijkse besturen van de recreatieschappen. Deze besturen kunnen gedurende een periode van vier weken een zienswijze indienen tegen het ontwerp-personeelsplan.

  • 3 Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat het overig personeel.

HOOFDSTUK 5 Financiën

Paragraaf 1: Algemeen
Artikel 16 Financieel beheer

Het bestuur stelt voorschriften vast met betrekking tot het financiële beheer, waarin onder meer regelen worden opgenomen ten aanzien van:

  • a.

    de wijze waarop de invordering van alle inkomsten en ontvangsten plaats heeft en de wijze waarop alle betalingen geschieden;

  • b.

    de inrichting van de financiële administratie;

  • c.

    de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

  • d.

    de aanwijzing van een externe deskundige, die belast is met de onder c bedoelde controle;

  • e.

    de wijze van fraudeverzekering;

  • f.

    de belegging van overtollige kasgelden.

Paragraaf 2: Begroting
Artikel 17 Begroting
  • 1 Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de algemene besturen van de recreatieschappen en aan provinciale staten van de provincie.

  • 2 Het bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat het deze vaststelt toe aan de algemene besturen van de recreatieschappen en provinciale staten van de provincie.

  • 3 De ontwerpbegroting wordt door de zorg van het bestuur van de provincie voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 4 De algemene besturen van de recreatieschappen en provinciale staten van de provincie kunnen bij het bestuur een zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 5 Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

Paragraaf 3: Jaarrekening
Artikel 18 Jaarrekening
  • 1 Het bestuur zendt vóór 15 april de voorlopige jaarrekening van het voorafgaande jaar toe aan de algemene besturen van de recreatieschappen en provinciale staten van de provincie.

  • 2 Het bestuur stelt de jaarrekening vast.

  • 3 Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

Artikel 19 Nadelig saldo
  • 1 Het nadelig saldo van de jaarrekening komt ten laste van de recreatieschappen naar rato van het aandeel per recreatieschap in de totale salariskosten van de regeling. Het aandeel wordt bepaald op basis van het aantal werkelijk gewerkte uren voor ieder recreatieschap van het personeel dat in dienst is van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 2 Het bestuur stelt een methode van doorberekening van de totale kosten van de bedrijfsvoeringsorganisatie vast.

Artikel 20 Voorschotten
  • 1 Bij wijze van voorschot betalen de recreatieschappen jaarlijks in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste op 1 februari verschijnt en de tweede op 1 augustus van elk jaar, hun op de begroting, waaronder begrepen wijzigingen van de begroting, gebaseerde aandeel in het nadelig saldo.

  • 2 Direct na de vaststelling van de jaarrekening vindt de verrekening plaats van de onder het eerste lid bedoelde voorschotten met de werkelijk te betalen aandelen in het nadelig saldo van de jaarrekening.

HOOFDSTUK 6 Archief

Artikel 21 Archief
  • 1 Het bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden.

  • 2 Het bestuur stelt, met inachtneming van de Archiefwet 1995, regels vast omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop.

  • 3 In geval van toetreding, uittreding of opheffing van de regeling draagt het bestuur zorg voor het treffen van voorzieningen voor de archiefbescheiden.

HOOFDSTUK 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 22 Toetreding
  • 1 Het dagelijks bestuur van een andere gemeenschappelijke regeling die wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het bestuur.

  • 2 Toetreding kan geschieden indien de deelnemers daartoe in meerderheid besluiten en er overeenstemming bestaat tussen het bestuursorgaan dat wil toetreden en het bestuur over de financiële gevolgen van de toetreding.

Artikel 23 Uittreding

Uittreding uit de regeling vindt plaats door een daartoe strekkend besluit van de betreffende deelnemer c.q. deelnemers. Alvorens een deelnemer of deelnemers uit de regeling kan c.q. kunnen treden wordt een regeling getroffen tussen het bestuur en de betreffende deelnemer c.q. deelnemers over de financiële gevolgen van de uittreding.

Artikel 24 Wijziging
  • 1 Indien het bestuur wijzigingen van de gemeenschappelijke regeling nodig acht, doet het een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers.

  • 2 De regeling kan slechts worden gewijzigd, als tenminste drie-vierde van het aantal deelnemers daartoe besluiten.

Artikel 25 Opheffing
  • 1 Deze regeling kan worden opgeheven, als tenminste drie-vierde van het aantal deelnemers daartoe besluit.

  • 2 In het geval van opheffing stelt het bestuur, na overleg met de deelnemers een liquidatieplan vast.

  • 3 Het liquidatieplan omvat de verplichtingen van de deelnemers tot deelneming in de financiële consequenties van de opheffing en een regeling met betrekking tot de gevolgen, die de opheffing voor het personeel heeft.

  • 4 Voor zover het liquidatieplan niet anders bepaalt geschiedt de vereffening van een nadelig saldo dan wel de verdeling van een voordelig saldo conform de in artikel 19, eerste lid, vastgestelde verdeelsleutel.

HOOFDSTUK 8 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 26 Duur, inwerkingtreding
  • 1 De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat de regeling bekend is gemaakt

  • 2 Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht nemen de regeling ingevolge artikel 27 van de wet in het register op.

Artikel 27

De regeling kan worden aangehaald als Bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden-Nederland.

Artikel 28
  • 1 De leden van het dagelijks bestuur van vóór de wijziging van deze regeling vormen bij de inwerkingtreding van de bedrijfsvoeringsorganisatie de leden van het bestuur, met uitzondering van het lid dat de gemeente Utrecht vertegenwoordigt. De vóór de wijziging door het dagelijks bestuur aangewezen voorzitter wordt bij de inwerkingtreding van de bedrijfsvoeringsorganisatie de voorzitter van het bestuur.

  • 2 Besluiten van het algemeen bestuur van deze regeling vóór de wijziging, waarbij taken of bevoegdheden worden overgedragen aan het dagelijks bestuur van deze regeling, komen te vervallen.

  • 3 Door het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur van deze regeling vastgestelde mandaatbesluiten en overige regelingen van vóór de wijziging blijven van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van het dagelijks bestuur van Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug Vallei- en Kromme Rijngebied op 3 december 2015.
voorzitter,
secretaris,
Aldus besloten in de vergadering van het dagelijks bestuur van Recreatieschap Vinkeveense Plassen op 8 december 2015.
voorzitter,
secretaris,
Aldus besloten in de vergadering van het dagelijks bestuur van Recreatieschap Stichtse Groenlanden op 9 december 2015.
voorzitter,
secretaris,
Aldus besloten in de vergadering van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht op 12 april 2016.
Commissaris,
secretaris,
Aldus besloten in de vergadering van het dagelijks bestuur van Plassenschap Loosdrecht e.o. op 27 mei 2016.
voorzitter,
secretaris,
 

ALGEMENE TOELICHTING

De gemeenschappelijke regeling Recreatie Midden-Nederland (hierna: RMN) is in 1996 vastgesteld ten behoeve van een centraal ondergebracht personeelsbeheer voor het uitvoeren van de taken van de vier aan de regeling deelnemende recreatieschappen op het gebied van het beheer en ontwikkelen van voorzieningen voor de openluchtrecreatie. De deelnemende recreatieschappen zijn Recreatieschap Stichtse Groenlanden, Plassenschap Loosdrecht e.o., Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug Vallei- en Kromme Rijngebied en Recreatieschap Vinkeveense Plassen. Daarnaast is de provincie Utrecht deelnemer aan RMN.

In de Wgr is sinds 1 januari 2015 de rechtsvorm van de bedrijfsvoeringsorganisatie opgenomen, die is bedoeld voor regelingen die zijn getroffen voor de sturing en beheersing van ondersteunende processen en uitvoerende taken. Gezien de taken die RMN heeft en de eenvoudiger bestuursstructuur van deze rechtsvorm, is besloten de regeling van RMN om te zetten in deze rechtsvorm. Op grond van de Wgr kunnen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie RMN alleen de dagelijkse besturen en gedeputeerde staten deelnemen.

Naast de omzetting naar de bedrijfsvoeringsorganisatie is bij de wijziging van de regeling een bepaling opgenomen over het uitvoeren van taken voor anderen dan deelnemers. Tevens is de bepaling over de rechtspositieregeling voor het personeel in overeenstemming gebracht met de Ambtenarenwet. Daarnaast is de regeling aangepast aan een aantal wijzigingen die op 1 januari 2015 in de Wgr zijn doorgevoerd in de financiële bepalingen.

Op deze gemeenschappelijke regeling zijn de hoofdstukken IX, II en de artikelen 8 tot en met 25 en 27, met uitzondering van artikel 20 vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) van toepassing (ex art. 98 jo 41 Wgr), voor zover deze betrekking hebben op een bedrijfsvoeringsorganisatie.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

De begripsbepalingen zijn zodanig aangepast (naar aanleiding van jurisprudentie hierover) dat onder de deelnemers de bestuursorganen worden verstaan en niet de openbare lichamen. Bij de bedrijfsvoeringsorganisatie RMN zijn dat de dagelijkse besturen van de recreatieschappen en gedeputeerde staten van de provincie.

Daarnaast is het begrip ‘derden’ aan de begripsomschrijvingen toegevoegd, waar alle rechtspersonen onder worden verstaan die geen deelnemer zijn aan de regeling. Dit begrip is toegevoegd vanwege het aan artikel 4 toegevoegde lid over het uitvoeren van taken voor anderen dan deelnemers.

In dit artikel is ‘openbaar lichaam’ vervangen door ‘bedrijfsvoeringsorganisatie’.

In dit artikel is in verband met de omvorming naar een bedrijfsvoeringsorganisatie het afstemmen en coördineren van gemeenschappelijk beleid gewijzigd in het voorbereiden van gemeenschappelijk beleid, indien de deelnemers dat wenselijk achten.

In sub h is het optreden als coördinator bij het afstemmen van beleid vervangen door het voorbereiden van gemeenschappelijk beleid.

Tevens is een tweede lid toegevoegd waarin wordt bepaald dat RMN taken voor derden mag uitvoeren, mits de vergoeding voor deze opdrachten minstens alle gemaakte kosten dekt, de opdracht niet in strijd is met het belang van de deelnemers en het totaal minder dan 20% van de omzet van RMN betreft. De tweede voorwaarde (kostendekkend) is bedoeld om te voorkomen dat deelnemers meebetalen aan de kosten van werk voor niet-deelnemers. De laatste voorwaarde (minder dan 20%) komt voort uit Europese richtlijn 2014/24/EU en zorgt ervoor dat het werk dat RMN voor de deelnemers verricht niet hoeft te worden aanbesteed.

In deze richtlijn is bepaald dat een overheidsopdracht aan een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon niet hoeft te worden aanbesteed, indien de aanbestedende diensten gezamenlijk op deze rechtspersoon toezicht uitoefenen zoals op hun eigen diensten en meer dan 80% van de activiteiten van deze rechtspersoon uitvoering van taken behelst, die haar zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen (art. 12 Richtlijn).

Volgens de richtlijn wordt het percentage van de activiteiten bepaald aan de hand van de gemiddelde totale omzet of een geschikte alternatieve op activiteit gebaseerde maatstaf, zoals de kosten die zijn gemaakt voor diensten, leveringen en werken over de laatste drie jaren voorafgaand aan de gunning van de opdracht (art. 12 lid 5 Richtlijn). Aan het toezichtsvereiste wordt voldaan als de besluitvormingsorganen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemers, de deelnemers in staat zijn gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen en de rechtspersoon geen belangen nastreeft die in strijd zijn met de belangen van de aanbestedende diensten (art.12 lid 3 Richtlijn).

Het al dan niet aannemen van opdrachten voor derden is een bevoegdheid van het bestuur.

Door de omvorming naar de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn bij de wijziging 13 artikelen van dit hoofdstuk komen te vervallen. Artikel 5 betreft de samenstelling van het bestuur. Dit artikel is aangepast aan de nieuwe bestuursvorm en is daarnaast op een aantal punten verduidelijkt.

Dit artikel is vervangen door de bepaling dat alle bevoegdheden toekomen aan het bestuur.

De verwijzing naar de bepalingen uit de Provinciewet is geactualiseerd (art. 11 oud).

De laatste zin in lid 3 van dit artikel (artikel 12 oud) is vervallen, omdat deze verwijzing een afwijking van de Awb zou betekenen, wat alleen mogelijk is bij wet en niet in een gemeenschappelijke regeling.

Artikel 21 lid 5 (oud) is vervallen, omdat de voorzitter in de bedrijfsvoeringsorganisatie geen bestuursorgaan is. Het bestuur is het enige bestuursorgaan en heeft alle bevoegdheden. Het bestuur kan wel volmacht verlenen aan de voorzitter om de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

over commissies zijn vervallen, omdat de mogelijkheid van het instellen van commissies niet bestaat bij een bedrijfsvoeringsorganisatie.

Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de Ambtenarenwet, waarin is bepaald dat het bestuur de rechtspositieregeling moet vaststellen. Het tweede lid is toegevoegd, omdat de praktijk is dat de secundaire arbeidsvoorwaarden niet in alle gevallen toepasbaar zijn op RMN of een aanvullende regeling nodig is, zoals de onregelmatigheidtoeslag.

De aanbeveling van twee personen aan het bestuur (art. 28 lid 2 oud) is komen te vervallen, omdat het bestuur geen aanbeveling kan doen aan zichzelf. Het begrip ‘hoofd’ is vervangen door de in de praktijk gebruikte benaming ‘directeur’. Tevens is in het tweede lid de zinsnede ‘met inachtneming van de bevoegdheden van de secretarissen van de deelnemende recreatieschappen’ vervallen. De secretaris van RMN heeft als directeur een zelfstandige taak. Artikel 30 (oud) over een adviesorgaan voor de secretaris is vervallen, omdat dit niet meer wordt toegepast.

De goedkeuringsvereiste van gedeputeerde staten (art. 31 oud) is vervallen, omdat de op grond van de Algemene wet

De artikelen 19 en 20 (artikelen 32 en 33 oud) zijn in overeenstemming gebracht met de gewijzigde bepalingen hierover in Wgr.

De in het tweede lid genoemde methode van doorberekening houdt in dat kosten die niet direct toerekenbaar zijn aan een deelnemer, worden verdeeld naar rato van het personeelsaandeel per deelnemer in de totale salariskosten.

Dit artikel is aangepast aan de Archiefwet 1995.

Deze bepaling is aangepast (artikel 37 oud) om te verduidelijken op welk moment toetreding plaatsvindt. Daarnaast is het artikel in overeenstemming gebracht met de artikelen 1 en 9 van de Wgr. Volgens de oude bepaling vindt toetreding plaats, indien er overeenstemming is tussen het toetredende bestuursorgaan en algemeen bestuur over de financiële gevolgen van de toetreding. De wet bepaalt dat niet het bestuur van RMN maar de deelnemende bestuursorganen zelf dienen te besluiten over wijziging, toetreding, opheffing en uittreding. Aangezien het algemeen bestuur (in de oude bepaling) besluit bij meerderheid van stemmen, is dit in de gewijzigde bepaling vervangen door een meerderheidsbesluit van de deelnemers.

Een deelnemer kan op grond van de Wgr pas besluiten tot wijziging, toetreding, opheffing en uittreding nadat hiervoor toestemming is verkregen van het algemeen bestuur van het recreatieschap onderscheidenlijk provinciale staten. Toestemming kan op grond van de Wgr slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

De dag van inwerkingtreding is geactualiseerd.

Hierin wordt bepaald dat de leden, inclusief de voorzitter, van het dagelijks bestuur van RMN de bestuursleden en  voorzitter zullen zijn van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Dit geldt alleen niet voor het lid in het dagelijks bestuur dat de gemeente Utrecht vertegenwoordigt, omdat artikel 14 lid 2 Wgr (dat mogelijk maakt een lid in het bestuur te benoemen buiten de kring van het algemeen bestuur) niet toepasbaar is op een bedrijfsvoeringsorganisatie.