Rijksoverheid

Wettenpocket Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken

Titel regeling
Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2019–2021)
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2019–2021); Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken; Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken; Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
Geldend vanaf
17-6-2020
Geselecteerde elementen
Volledig
Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 21 maart 2019, Min-BuZa.2019.2250-29, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2019–2021)

De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;1
Gelet op artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;2

Besluiten:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten in het kader van het Mensenrechtenfonds 2019–2021 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Mensenrechtenfonds 2019–2021 ten behoeve van activiteiten, bedoeld in artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie Buitenlandse Zaken 2006, geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 1 oktober 2024 een subsidieplafond van € 24.723.000.

  • 2. De op grond van het in het eerste lid genoemde plafond beschikbare middelen zijn als volgt verdeeld over de volgende thema’s:

    • a. Vrijheid van meningsuiting: € 5.012.000;

    • b. Internetvrijheid: € 3.938.000;

    • c. Vrijheid van religie en levensovertuiging: € 6.513.000;

    • d. Mensenrechtenverdedigers: € 2.475.000;

    • e. Gelijke rechten voor LHBTI’s: € 5.185.000;

    • f. Bevordering internationale rechtsorde / Strijd tegen straffeloosheid: € 1.600.000.

  • 3. Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:43 van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

  • 1. Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2019–2021 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.3

  • 2. Aanvragen voor een subsidie kunnen worden ingediend vanaf de eerste werkdag, 9:00 uur CET, na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst tot en met 1 juli 2020, 23:59 uur CET.

Artikel 4

Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan komt van de op die dag gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen, die voldoen aan de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2022 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij die bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. De appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.4

De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

namens dezen,

Subsidiebeleidskader mensenrechtenfonds 2019–2021

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

3

     

2.

Financiële middelen, verdeling daarvan en tijdpad

4

     

3.

Selectiecriteria- en proces

5

     

4.

De thema’s

7

     

5.

Formele vereisten aanvraag en verdere procedure

9

     

6.

Drempelcriteria

11

     

7.

Inhoudelijke criteria

13

1. Inleiding

1.1. Relevantie voor het Nederlandse mensenrechtenbeleid

Mensenrechten vormen het fundament van menselijke waardigheid, vrijheid en ontwikkeling en staan aan de basis van open en vrije samenlevingen overal ter wereld. Zonder de bevordering en bescherming van deze rechten kan er geen sprake zijn van een democratie en een rechtsstaat. Nederland heeft een rijke traditie als het gaat om de inzet voor mensenrechten in binnen- en buitenland. Deze inzet is een morele plicht en een rechtsplicht. Bovendien leidt de naleving van mensenrechten tot een stabiele en welvarende wereld waar ook Nederland baat bij heeft. Binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid is een aantal beleidsprioriteiten met bijbehorende doestellingen opgesteld. Deze prioriteiten zijn opgenomen in de actualisering van het mensenrechtenbeleid in de Mensenrechtenrapportage 20175.

Het Mensenrechtenfonds is bedoeld voor subsidieverstrekking aan organisaties die zich inzetten voor mensenrechten wereldwijd. De binnen dit fonds beschikbare middelen zijn bestemd voor de financiering van activiteiten ter ondersteuning van de prioriteiten uit bovengenoemde Mensenrechtenrapportage 2017.

Onderdeel van het Mensenrechtenfonds is dit subsidiebeleidskader Mensenrechtenfonds 2019–2021 (hierna: MRF 2019–2021). Dit subsidiebeleidskader is bedoeld voor het subsidiëren van activiteiten die betrekking hebben op de volgende thema’s:

  • Vrijheid van meningsuiting

  • Internetvrijheid

  • Vrijheid van religie en levensovertuiging

  • Mensenrechtenverdedigers

  • Gelijke rechten voor LHBTI’s

  • Bevordering internationale rechtsorde / Strijd tegen straffeloosheid

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat deze selectie van thema’s waarop het MRF 2019–2021 zich richt niet volledig overeenkomt met alle prioriteiten genoemd in de Mensenrechtenrapportage 2017. Het thema gelijke rechten voor vrouwen en meisjes is verwerkt in de subdoelstellingen van de andere thema’s. Bovendien zijn binnen de geselecteerde thema’s doelstellingen geformuleerd waarop projecten zich moeten richten om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie uit het MRF 2019–2021.

1.2. Opbouw van dit kader

In dit subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 allereerst de financiële middelen en het tijdpad geschetst. Hoofdstuk 3 bevat een algemene toelichting op de selectiecriteria en het selectieproces. In hoofdstuk 4 worden de algemene en specifieke doelstellingen die worden beoogd met het verstrekken van subsidies uit de beschikbare middelen uitgewerkt, waarna hoofdstuk 5 is gewijd aan de formele vereisten aan de aanvraag en verdere procedure. In de laatste twee hoofdstukken worden de verschillende drempelcriteria en inhoudelijke criteria uiteen gezet.

2. Financiële middelen, verdeling daarvan en tijdpad

2.1. Beschikbare middelen

Het totaal beschikbare subsidieplafond voor het MRF 2019–2021 bedraagt EUR 24.723.000’. Een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021 zal minimaal EUR 600.000 en maximaal EUR 3 miljoen bedragen. De looptijd van een project kan variëren tussen de twee en vijf jaar, mits binnen het tijdvak van 1 april 2019 tot en met 31 december 2025 en met dien verstande dat projecten niet later dan 2 januari 2021 mogen beginnen.

2.2. Verdeling beschikbare middelen

De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst, met dien verstande dat de totaal beschikbare middelen al op voorhand zijn gespreid over de thema’s waarop het MRF 2019–2021 zich richt en dat de volgorde van binnenkomst dus per thema zal worden bepaald. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021 dient een aanvraag betrekking te hebben op één van deze thema’s. Zie over de thema’s verder hoofdstuk 4.

De verdeling van de beschikbare middelen over de thema’s is als volgt:

Thema

Beschikbaar bedrag

Vrijheid van meningsuiting

€ 5,012mln

Internetvrijheid

€2mln

Vrijheid van religie en levensovertuiging

€6mln

Mensenrechtenverdedigers

€2,5mln

Gelijke rechten voor LHBTI’s

€6mln

Bevordering internationale rechtsorde / Strijd tegen straffeloosheid

€2,5mln

Totaal

€23mln

Door deze verdeling gaat bijzondere aandacht uit naar vrijheid van religie en levensovertuiging, de positie van journalisten en gelijke rechten voor LHBTI’s.

Binnen het thema vrijheid van religie en levensovertuiging wordt ernaar gestreefd om, indien er een voor subsidie kwalificerende aanvraag is, in elk geval één subsidie te verstrekken voor activiteiten gericht op de specifieke doelstelling het bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging, in het bijzonder voor kwetsbare groepen zoals vrouwen en meisjes en LHBTI’s uit de gehele wereld.

Binnen het thema vrijheid van meningsuiting wordt ernaar gestreefd om, indien er een voor subsidie kwalificerende aanvraag is, in elk geval één subsidie te verstrekken voor activiteiten gericht op de specifieke doelstelling het bevorderen van veiligheid van journalisten, in het bijzonder vrouwelijke journalisten.

Binnen het thema mensenrechtenverdedigers wordt ernaar gestreefd om, indien er een voor subsidie kwalificerende aanvraag is, in elk geval één subsidie te verstrekken voor activiteiten gericht op de specifieke doelstelling van het ondersteunen van mensenrechtenverdedigers uit de gehele wereld middels het aanbieden van tijdelijke relocatie in Nederland in combinatie met een trainingsprogramma.

Binnen het thema internetvrijheid wordt ernaar gestreefd om, indien er een voor subsidie kwalificerende aanvraag is, in elk geval één subsidie te verstrekken voor activiteiten gericht op de specifieke doelstelling van het versterken van de digitale veiligheid van mensenrechtenverdedigers uit de gehele wereld middels het beschikbaar stellen van financiële ondersteuning in noodsituaties en begeleiding van organisaties na herstel van een digitale noodsituatie.

Zolang het minimum van één volledig goedgekeurd project voor deze vier specifieke doelstellingen nog niet is gehaald, krijgen projectvoorstellen die zich hierop richten voorrang bij de verdeling van de beschikbare middelen. Indien vier weken na de openstelling van MRF 2019–2021 geen volledige projectvoorstellen voor deze vier specifieke doelstellingen zijn ingediend, worden de beschikbare middelen ook ingezet voor andere projectvoorstellen.

2.3. Gelijktijdig binnengekomen aanvragen

Indien gelijktijdig binnengekomen aanvragen bij toekenning het subsidieplafond voor een thema zouden overschrijden, dan komt van die aanvragen, voor zover ze voldoen aan de maatstaven die in dit subsidiekader zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

2.4. (Voorlopige) uitputting van de middelen

Binnen ieder thema zullen de aanvragen op volgorde van binnenkomst worden beoordeeld. Vanaf het moment dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen op grond van drempelcriteria en inhoudelijke criteria lijken te worden uitgeput, zullen later binnengekomen aanvragen nog niet in behandeling worden genomen. Slechts indien blijkt dat eerdere aanvragen alsnog afvallen (op basis van de organisatietoets, zie 3.7) zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, vanzelfsprekend per thema op volgorde van binnenkomst.

2.5. Resterende middelen

Het is mogelijk dat na goedkeuring van één of meer aanvragen op een thema nog middelen resteren, maar dat dit restant minder bedraagt dan EUR 600.000 (het minimumbedrag voor een aanvraag). Hierdoor zal er geen volgende aanvraag meer op dat thema kunnen worden gehonoreerd. Er zullen namelijk geen subsidies worden verstrekt voor een kleiner bedrag dan EUR 600.000.

2.6. ODA en non-ODA

De voorliggende beleidsregels gelden zowel voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die volgens de OESO-DAC-criteria6 toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven, als voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die daaraan niet toerekenbaar zijn. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat er in het kader van het MRF 2019–2021 geen landenlijst wordt gehanteerd, d.w.z. dat de activiteiten wereldwijd en in alle landen mogen worden uitgevoerd, met een minimum van twee verschillende landen. Ook worden er inhoudelijke eisen gesteld aan de keuze voor de landen, zie criterium I.3.

2.7. Termijn voor indiening

Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf de eerste werkdag vanaf 09:00 uur CET na de dag waarop het MRF 2019–2021 bekend wordt gemaakt, tot en met uiterlijk 1 juli 2020, 23:59 uur CET. Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag zal op de aanvraag worden besloten.

Overigens geldt, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, dat de voor de onderscheiden thema’s beschikbare middelen al eerder kunnen zijn uitgeput dan 1 juli 2020. Indien de middelen voor een thema zijn uitgeput, wordt dit op de website7 aangekondigd en zullen aanvragen voor dat thema zonder inhoudelijke beoordeling worden afgewezen.

3. Selectiecriteria- en proces

3.1. Voor wie is het MRF 2019–2021 bedoeld?

Subsidies in het kader van het MRF 2019–2021 zijn bedoeld voor projecten van zelfstandige maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die op resultaatgerichte wijze werken aan de bescherming en bevordering van mensenrechten. Onder maatschappelijke organisatie wordt in dit kader verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

Organisaties kunnen zelfstandig een subsidieaanvraag indienen of deel uitmaken van een alliantie. Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin, die een gezamenlijk project uitvoeren waarbij alle partijen een bijdrage leveren aan het totaal. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst. De penvoerder dient in een dergelijk geval namens de alliantie een aanvraag in voor het project van de alliantie als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk voor de uitvoering van het project van de alliantie en voor de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het project gebruik maken van andere organisaties zonder winstoogmerk of van bedrijven. Een dergelijke samenwerking betreft geen samenwerking in het kader van een samenwerkingsverband zoals hiervoor bedoeld, maar samenwerking met bijvoorbeeld een lokale organisatie die enkele onderdelen van het project lokaal uitvoert.

3.2. Thematische minimumvereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021 dient minimaal 80% van de totaal voor, uitvoering van de activiteiten benodigde middelen nodig te zijn voor de activiteiten, outputs en outcomes die zijn gelegen op het terrein van een of meerdere van de specifieke doelstellingen van het gekozen thema, zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van dit subsidiebeleidskader.

De overige middelen dienen (met uitzondering van de overheadkosten) evenzeer gericht te zijn op de algemene doelstelling van het gekozen thema, maar hoeven zich niet uitsluitend te richten op (één van) de specifieke doelstelling(en) van het gekozen thema uit dit subsidiebeleidskader.

Voornoemd percentage wordt vastgesteld aan de hand van het logframe waarbij het gaat om een optelsom van de middelen die nodig zijn voor de activiteiten, outputs en outcomes8 op het terrein van de beoogde specifieke doelstelling(en).

Voor een definitie van wat wordt verstaan onder overheadkosten wordt verwezen naar de ‘definition of administrative costs allowance’ in appendix I.

3.3. Formele vereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021 dient een aanvraag te voldoen aan de formele vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 5.

3.4. Beoordeling

De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van het MRF 2019–2021 en op de uiteindelijke subsidieverstrekking. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria.

De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van twee soorten criteria. In de eerste beoordelingsfase worden zij beoordeeld op grond van drempelcriteria. In de tweede beoordelingsfase wordt de kwaliteit van de aanvragen die voldoen aan de drempelcriteria beoordeeld op grond van criteria met betrekking tot het track record van de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners en het project waarvoor subsidie wordt gevraagd.

3.5. Drempelcriteria

Zowel aanvrager/penvoerder en alle mede-indieners, als het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen ten minste te voldoen aan de drempelcriteria (D.1 t/m D.12, zie hoofdstuk 6) om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Drempelcriteria zijn criteria met betrekking tot de aanvragende organisaties (aanvrager/penvoerder en mede-indieners) en criteria met betrekking tot het project.

3.6. Inhoudelijke criteria

Indien voldaan is aan de drempelcriteria zal beoordeeld worden of in voldoende mate wordt voldaan aan de inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.9, hoofdstuk 7).

Om voor subsidieverlening in het kader van het MRF 2019–2021 in aanmerking te kunnen komen dient de kwaliteit van een aanvraag goed te zijn. Dit wordt uitgedrukt in een score. De minimaal te behalen score bedraagt 80% van de maximaal te behalen totaalscore van 100%, waarbij bovendien voor enkele individuele criteria ook een minimum aantal punten moet worden behaald (deze zogeheten valluikcriteria worden als zodanig aangeduid in hoofdstuk 7 van deze beleidsregels). Beoogd wordt op deze manier de aanvragen te selecteren die niet slechts van voldoende kwaliteit zijn, maar die zich ook daadwerkelijk in positieve zin onderscheiden bij de bevordering en bescherming van mensenrechten.

3.7. Organisatorische capaciteit

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021 dient de aanvrager/penvoerder in staat te zijn tot een adequaat financieel beheer en dient hij door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten te kunnen waarborgen.9

Tevens dient de aanvrager aan te tonen aan dat hij, en in geval van een alliantie ook zijn mede-indieners, een integriteitsbeleid heeft, dan wel hebben vastgesteld. De aanvrager toont aan dat hij, en in geval van een alliantie ook zijn mede-indieners, procedures heeft, dan wel hebben ingevoerd om aan dat beleid toepassing te kunnen geven. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de penvoerder, de mede-indieners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de minister is gewaarborgd.

Op beide vereisten (capaciteit en integriteit) worden alleen aanvragen getoetst van aanvragers wier aanvraag aan de drempeltoets voldoet en op grond van de uitkomsten van de beoordeling volgens de inhoudelijke criteria in aanmerking kan komen voor subsidie. Deze aanvragers worden daarna door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de gelegenheid gesteld om de voldoende kwaliteit van hun organisatorische capaciteit en hun integriteitsbeleid aan te tonen. Indien deze beide van kwaliteit voldoende blijken te zijn, komt hun aanvraag in aanmerking voor subsidie. Zo niet, dan wordt de aanvraag afgewezen. Ook indien de gevraagde aanvullende informatie benodigd voor de toets op capaciteit en integriteit niet of niet tijdig wordt aangeleverd, wordt de aanvraag afgewezen.

3.8. Besluitvormingstermijn

Op aanvragen wordt beslist uiterlijk 13 weken nadat een aanvraag is ingediend.

4. De thema’s

Voor een verdere toelichting op het Nederlandse mensenrechtenbeleid wordt in algemene zin verwezen naar de actualisering van het mensenrechtenbeleid zoals toegelicht in de Mensenrechtenrapportage 2017 en actualisering buitenlands mensenrechtenbeleid en resultaten.10

Zoals hiervoor vermeld, is voor het MRF 2019–2021 een aantal thema’s geselecteerd. Voor elk thema is een algemene doelstelling omschreven (zie hierna). Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2019–2021 dient de aanvraag, zoals ook aangegeven in hoofdstuk 2, zich te richten op één van deze thema’s en daarbinnen op de voor dat thema geformuleerde algemene en specifieke doelstellingen.

Hiervoor dient minimaal 80% van de totaal voor uitvoering van de activiteiten benodigde middelen nodig te zijn voor de activiteiten, outputs en outcomes die zijn gelegen op het terrein van een of meerdere van de specifieke doelstellingen van het gekozen thema. De algemene en specifieke doelstellingen moeten steeds worden begrepen binnen de kaders van de Mensenrechtenrapportage.

De mate waarin een project bijdraagt aan de algemene doelstelling van het gekozen thema wordt meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag volgens de criteria opgenomen in I.2. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de specifieke doelstellingen steeds binnen de algemene doelstellingen vallen.

  • Vrijheid van meningsuiting

  • Internetvrijheid

  • Vrijheid van religie en levensovertuiging

  • Mensenrechtenverdedigers

  • Gelijke rechten voor LHBTI’s

  • Bevordering internationale rechtsorde / Strijd tegen straffeloosheid

Vrijheid van meningsuiting

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bevorderen van vrijheid van meningsuiting, inclusief persvrijheid.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het bevorderen van de veiligheid van journalisten door middel van inzet op veiligheidstrainingen, verzekeringen en juridische bijstand,

  • het bevorderen van de veiligheid en ondersteuning van journalisten door middel van het aanbieden van tijdelijke relocatie in combinatie met relevante training.

Internetvrijheid

In aanvulling op de Mensenrechtenrapportage 2017 wordt er voor het Nederlandse beleid ten aanzien van dit thema ook verwezen naar de Internationale Cyber Strategie ‘Digitaal bruggen slaan.’11

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bevorderen van naleving van mensenrechten online en/of het verbeteren van online vrijheid en veiligheid van mensenrechtenverdedigers overal ter wereld.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het versterken van digitale veiligheid van mensenrechtenverdedigers middels het beschikbaar stellen van financiële ondersteuning in noodsituaties en begeleiding van organisaties na herstel van een digitale noodsituatie, en/of

  • het bevorderen van expertise op het gebied van internetvrijheid en van de beschikbaarheid van die expertise voor mensenrechtenverdedigers, en/of

  • het bevorderen van onderzoek naar de impact van wetgeving op internetvrijheid inclusief het stimuleren van verspreiding en/of toepassing van de resultaten, en/of

  • het bevorderen van de ontwikkeling van beleid, wet- en regelgeving die gunstig is voor internetvrijheid, en/of

  • het stimuleren van betrokkenheid van de private sector bij het bevorderen van internetvrijheid.

Vrijheid van religie en levensovertuiging

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema vrijheid van religie en levensovertuiging is de bevordering van een ieders vrijheid om haar of zijn religieuze of levensbeschouwelijke identiteit vorm te geven.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het bestrijden van discriminatie, geweld en vervolging op basis van religie of levensovertuiging, en/of

  • het bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging, in het bijzonder voor kwetsbare groepen zoals vrouwen en meisjes en LHBTI’s.

Mensenrechtenverdedigers

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema mensenrechtenverdedigers is het wereldwijd beschermen en steunen van mensenrechtenverdedigers, opdat zij zich zo effectief mogelijk kunnen (blijven) inzetten voor de bevordering van burger- en politieke (BuPo) en sociaaleconomische mensenrechten.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het ondersteunen van mensenrechtenverdedigers uit de gehele wereld middels het aanbieden van tijdelijke relocatie in Nederland in combinatie met een trainingsprogramma, en/of

  • het versterken van de capaciteit van mensenrechtenverdedigers om te opereren in een restrictieve omgeving en om restricties van de maatschappelijke ruimte (online en offline) die strijdig zijn met internationale mensenrechtenstandaarden aan te pakken, en/of

  • het vergroten van de lokale publieke steun voor mensenrechtenverdedigers, inclusief middels het ontkrachten van berichtgeving ter ondersteuning van beleid in strijd met internationale mensenrechtenstandaarden, en/of

  • bevordering van de veiligheid van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers en het ondersteunen van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers om gender specifieke risico’s te verkleinen, en/of

  • de bevordering van de veiligheid en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, met specifieke aandacht voor milieuactivisten en landrechtenverdedigers.

Gelijke rechten voor lesbische, homoseksuele, biseksuele, trans en interseks personen (LHBTI’srs)

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het wereldwijd bevorderen van gelijke rechten voor lesbische, homoseksuele, biseksuele, trans en intersekse personen (LHBTI’s).

De specifieke doelstellingen zijn:

  • bestrijding van discriminatie en geweld op basis van seksuele oriëntatie en/of genderidentiteit, en/of

  • afschaffing van de strafbaarstelling van homoseksualiteit, en/of

  • bevordering van sociale acceptatie van LHBTI’s, en/of

  • het stimuleren van betrokkenheid van de private sector bij het respecteren en bevorderen van gelijke rechten van LHBTI’s.

Straffeloosheid van internationale misdrijven

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bestrijden van straffeloosheid van internationale misdrijven te weten genocide, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, met speciale aandacht voor de belangen van slachtoffers en getuigen.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het versterken van internationale of hybride tribunalen en bewijsvergaringsmechanismen die zich richten op internationale misdrijven, en/of

  • het bevorderen van draagvlak voor internationale of hybride tribunalen en bewijsvergaringsmechanismen die zich richten op internationale misdrijven, en/of

  • het versterken van de positie van slachtoffers en getuigen van internationale misdrijven in internationale en/of hybride tribunalen, en/of

  • het bevorderen van het vergaren en documenteren van bewijs met betrekking tot internationale misdrijven.

5. Formele vereisten aanvraag en verdere procedure

  • 1.1 Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf de eerste werkdag vanaf 09:00 uur CET na de dag waarop het MRF 2019–2021 bekend wordt gemaakt, tot en met uiterlijk 1 juli 2020 23.59u CET. Aanvragen die later dan genoemde datum en tijd worden ingediend, worden afgewezen, ook als de beschikbare middelen dan nog niet zijn uitgeput. De aanvragende organisatie is de enige verantwoordelijke voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag. Genoemde uiterste datum laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst en er sprake is van een subsidieplafond, de voor het MRF 2019–2021 beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput; nadien ontvangen aanvragen zullen op grond daarvan worden afgewezen.

  • 1.2 Voor het indienen van een aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van het door de ministers daartoe vastgestelde aanvraagstramien waarin de criteria nogmaals zijn opgenomen en van een toelichting zijn voorzien. Het aanvraagstramien kan worden gevonden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/mensenrechtenfonds. Tevens moet de aanvraag worden voorzien van de daarin vermelde bijlagen.

  • 1.3 Aanvragen die niet voldoen aan de formele vereisten opgenomen in dit hoofdstuk worden vooralsnog niet in behandeling genomen. De aanvrager krijgt in dat geval de gelegenheid het verzuim te herstellen conform art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de aanvrager niet binnen de gegeven termijn het verzuim herstelt, wordt de aanvraag definitief niet in behandeling genomen.

    In dit kader wordt nadrukkelijk gewezen op art. 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien gebruik wordt gemaakt van art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt als datum van ontvangst van de aanvraag aangemerkt de datum waarop de aanvulling is ontvangen.

  • 1.4 Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in het aanvraagstramien uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van het aanvraagstramien niet worden ingevuld of verplichte bijlagen niet worden ingediend, loopt de aanvrager het risico op een minder aantal punten of zelfs afwijzing van de aanvraag.

  • 1.5 Het heeft de uitdrukkelijke voorkeur dat de aanvragen per e-mail in .pdf-formaat worden ingediend. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar het e-mailadres:

    MRF2019-2021@minbuza.nl

    Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen is. Houdt er hierbij rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerpregel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst.

    Eventuele technische problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.

  • 1.6 Indiening van aanvragen per post wordt afgeraden. Indien u daar niettemin voor kiest, dient een geprinte kopie van de digitale aanvraag per aangetekende post gestuurd worden naar:

    Ministerie van Buitenlandse Zaken

    Secretariaat DMM

    o.v.v. ‘Mensenrechtenfonds 2019–2021’

    Postbus 20061

    2500 EB Den Haag

    Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door het ministerie bij de aanvrager.

    Indien de aanvraag per post wordt ingediend (anders dan met de aanduiding ‘port betaald’) wordt de aanvraag nog als tijdig ingediend beschouwd, als de aanvraag voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, waarbij het datumstempel van de post doorslaggevend is, en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

    Bij gebruikmaking van een enveloppe met de aanduiding ‘port betaald’ is de datum van ontvangst bepalend bij het vaststellen of de aanvraag tijdig, d.w.z. uiterlijk 1 juli 2020 23.59 uur CET, is ingediend. Houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag geen post wordt ingeschreven.

  • 1.7 Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie.

  • 1.8 Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

  • 1.9 De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal. Ook bijlagen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dienen voorzien te zijn van een vertaling in het Nederlands of Engels.

    Additionele informatieve / illustratieve boekwerken, CD-roms, USB-sticks of dvd’s van een organisatie worden niet betrokken bij de beoordeling van een aanvraag.

  • 1.10 Aanvragen die binnenkomen nadat de middelen lijken te worden uitgeput op basis van de uitkomsten van de beoordeling van eerder ontvangen aanvragen, worden niet meer in behandeling genomen, totdat blijkt dat de middelen niet zijn uitgeput (als gevolg van de uitkomsten van de beoordeling van de organisatiecapaciteit van de indienende organisaties van de eerder ingediende aanvragen).

  • 1.11 In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet compleet indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van antwoorden mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van drempel- of inhoudelijke criteria.

  • 1.12 Op artikel 9 van het Subsidiebesluit wordt in het bijzonder gewezen. Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd, wordt afgewezen. De looptijd van het project dient op zijn vroegst in te gaan op 1 april 2019.

  • 1.13 Vragen naar aanleiding van dit document of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail aan MRF2019-2021@minbuza.nl richten. Waar nodig samengevoegd met andere vragen vindt geanonimiseerde beantwoording hiervan eens per week plaats op de website12 van het mensenrechtenfonds in de vorm van een aanvulling op de al gepubliceerde Q&A’s.

6. Drempelcriteria

De aanvrager/penvoerder/mede-indieners en het project waarvoor subsidie wordt gevraagd dienen te voldoen aan de hiernavolgende drempelcriteria. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Hierbij zij nogmaals opgemerkt dat gebruik dient te worden gemaakt van het aanvraagstramien en dat kortheidshalve verwijzing naar andere delen van de aanvraag, naar een website of naar bijlagen niet voldoende is. In het aanvraagstramien wordt nader toegelicht op welke wijze dient te worden aangetoond dat aan een criterium wordt voldaan.

6.1. Drempelcriteria ten aanzien van de organisatie

  • D.1 Maatschappelijke organisatie

    De aanvrager of, in geval van een aanvraag namens een alliantie, de penvoerder en alle mede-indieners van de alliantie is/zijn een maatschappelijke organisatie. Onder maatschappelijke organisatie wordt in dit kader verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

  • D.2 Doelstelling

    De aanvrager of, in geval van een aanvraag namens een alliantie, de penvoerder en mede-indieners werken aan en zetten zich in voor de verbetering van de mensenrechten zoals geformuleerd in de algemene en specifieke doelstellingen onder hoofdstuk 4.

  • D.3 Alliantie

    In geval van een aanvraag namens een alliantie omvat de aanvraag een door alle betrokken alliantiepartners (penvoerder en mede-indieners) getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:

    • de wijze waarop elk van de alliantiepartners bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband;

    • de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt;

    • de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantiepartners;

    • de wijze waarop de naleving door de penvoerder van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister is gewaarborgd, inclusief de zorg voor de gezamenlijk geaggregeerde rapportages;

    • de wijze waarop de penvoerder en mede-indieners elkaar informeren, in het bijzonder over hun financiële gezondheid;

    • de wijze waarop de samenwerking kan worden aangepast;

    • de wijze waarop de penvoerder en elk van de mede-indieners betrokken is bij het monitoren en evalueren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten.

  • D.4 Lokale uitvoerende organisatie

    In geval van een samenwerking met (een) lokale uitvoerende organisatie(s) die geen deel uitmaakt/uitmaken van een alliantie zoals bedoeld in criterium D.3, omvat de aanvraag een toelichting waarin in ieder geval het volgende wordt vermeld:

    • Naam en contactgegevens van de uitvoerende organisatie en informatie waaruit blijkt dat de organisatie rechtspersoonlijkheid bezit.

    • Een onderbouwde uiteenzetting van de geschiktheid van deze organisatie voor het uitvoeren van het project, waaruit ten minste blijkt dat de organisatie ervaring heeft op het beoogde thema dan wel in de beoogde regio, of beide.

    • Het gemotiveerde oordeel van de aanvrager over de betrouwbaarheid en stabiliteit van deze organisatie.

  • D.5 Financiële onafhankelijkheid

    Gedurende de laatste twee jaren over welke een door de accountant goedgekeurde jaarrekening beschikbaar is, was minimaal 25% van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager afkomstig uit bronnen anders dan bijdragen die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Subsidies in het kader van het Mensenrechtenfonds 2019–2021 zullen op gemiddelde jaarbasis nooit meer bedragen dan 75% van de gemiddelde totale jaarlijkse inkomsten (op basis van de laatste twee goedgekeurde jaarrekeningen) van de organisatie. Indien sprake is van een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende alliantiepartners minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere bijdragen dan bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere alliantiepartner in de alliantie.

  • D.6 Bezoldiging

    • A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de in Nederland gevestigde aanvrager, of in geval van een aanvraag namens een alliantie, penvoerder en mede-indiener(s) bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar ten hoogste EUR 181.000 (bruto) bij een dienstverband van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat uit:

      • 1. de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen);

      • 2. de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen;

      • 3. beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage etc.

    • B. Deze eis is ook van toepassing voor aanvragers/penvoerders en mede-indieners die zijn gevestigd in een EU-lidstaat die is aangesloten bij de euro. Voor aanvragers/penvoerders en mede-indieners uit EU-lidstaten die niet zijn aangesloten bij de euro en voor aanvragers uit landen buiten de EU, geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates (appendix II) die door het Ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2019.

    • C. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (comparative price levels 2017) geldt voor de volgende landen een aangepaste norm, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen:

      • Noorwegen

      NOK 2.343.565;

      • Zwitserland

      CHF 295.399;

      • Japan; YEN

      23.203.761;

      • VS/Canada

      USD 217.310.

    • D. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners gevestigd in overige landen staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

  • D.7 Hoven en tribunalen

    Internationale hoven en tribunalen komen niet in aanmerking voor financiering in het kader van dit fonds.

6.2. Drempelcriteria ten aanzien van het project

  • D.8 Thematische focus

    Minimaal 80% van de totaal voor uitvoering van de activiteiten benodigde middelen moet nodig te zijn voor de activiteiten, outputs en outcomes die zijn gelegen op het terrein van een of meerdere van de specifieke doelstellingen van het gekozen thema, zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van het subsidiebeleidskader.

    Dit betreffen specifieke doelstellingen onder één van de volgende thema’s, zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van dit subsidiebeleidskader:

    • Vrijheid van meningsuiting

    • Internetvrijheid

    • Vrijheid van religie en levensovertuiging

    • Mensenrechtenverdedigers

    • Gelijke rechten voor LHBTI’s

    • Bevordering internationale rechtsorde / Strijd tegen straffeloosheid

  • D.9 Omvang en looptijd

    De subsidieaanvraag bedraagt ten minste EUR 600.000 en maximaal EUR 3 miljoen. Het project heeft een maximale looptijd van vijf jaar en een minimale looptijd van twee jaar.

  • D.10 Tijdvak

    De activiteiten starten niet eerder dan 1 april 2019, niet later dan 2 januari 2021 en worden beëindigd uiterlijk op 31 december 2025. Activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • D.11 Landen van uitvoering

    De begrote middelen moeten betrekking hebben op outcomes die zijn beoogd ter promotie en verbetering van de mensenrechtensituatie wereldwijd of in minimaal twee verschillende landen. Hierbij geldt dat aan de beoogde outcomes in ieder gekozen land minimaal 100% / (aantal landen in de aanvraag x 2) van de totale begroting wordt besteed.

  • D.12 Uitgesloten activiteiten

    De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd betreffen geen:

    • initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

    • financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten;

    • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks of middellijk een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

    • activiteiten van organisaties die reeds ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop onderhavig subsidieplafond betrekking heeft.

7. Inhoudelijke criteria

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient de kwaliteit van de aanvraag, beoordeeld aan de hand van de hierna volgende inhoudelijke criteria, goed te zijn. De minimaal te behalen score bedraagt 80% van de maximaal te behalen totaalscore. De criteria I.2, I.3 en I.8 fungeren bovendien als ‘valluik’: hiervoor geldt dat daarvoor een minimumscore behaald moet worden. Is dit niet het geval dan wordt de aanvraag afgewezen.

7.1. Track record

  • I.1 De aanvrager/penvoerder, dan wel penvoerder en mede-indieners gezamenlijk, zijn in staat gebleken om geplande outputs en outcomes te realiseren en beschikken over minimaal twee jaar ervaring met het geselecteerde thema en één jaar ervaring in de voorgestelde landen.

7.2. Beleidsmatige criteria ten aanzien van het project

In de aanvraag dient uiteengezet te worden welke verandering beoogd wordt te bewerkstelligen die ten dienste staat van de bevordering, bescherming en verbetering van mensenrechten zoals geformuleerd in de algemene en specifieke doelstellingen in hoofdstuk 4. Ingediende aanvragen zullen worden beoordeeld op hun beleidsrelevantie aan de hand van de hiernavolgende criteria.

  • I.2 Logische samenhang en thematische relevantie

    • a. Het project is gebaseerd op een gedegen context- en actoranalyse, waaruit een adequate probleemstelling, de voorgestelde (innovatieve) interventiestrategie en outcomes voortvloeien. Duidelijk is hoe hiermee aan de algemene en specifieke doelstellingen voor het MRF 2019–2021 op het geselecteerde thema wereldwijd of in ieder gekozen land wordt bijgedragen. Het project moet haalbaar zijn en inzichtelijk moet zijn gemaakt in hoeverre uitkomsten uit evaluaties, pilots, studies, etc. bij de opzet zijn meegenomen.

    • b. Het project is, waar mogelijk SMART13, uitgewerkt in middelen, activiteiten, outputs, outcomes, assumpties en indicatoren, waarbij een logische en duidelijk weergegeven samenhang bestaat tussen deze onderdelen. Het format voor het logframe dat als appendix III gepubliceerd is op de website14 moet worden aangehouden waarbij tevens op duidelijke wijze aansluiting met de begroting/het budget is gemaakt.

  • I.3 Relevantie van de gekozen landen en regio’s

    De gekozen landen waar het project zal worden uitgevoerd vormen een logische combinatie, daarnaast legitimeert de mensenrechtensituatie en de mate van het functioneren van de rechtsstaat de activiteiten van het project en heeft het project in de gekozen landen een meerwaarde. Voor aanvragen met een wereldwijde focus geldt dit criterium ten aanzien van de wijze waarop landen of regio’s aan het begin van het project zullen worden geselecteerd.

  • I.4 Lokale uitvoerende organisaties

    Indien wordt samengewerkt met (een) lokale uitvoerende organisatie(s) (zoals bedoeld in D.4) dient (dienen) deze lokale uitvoerende organisatie(s):

    • Effectieve invloed te hebben gehad op de totstandkoming en inhoud van het project.

    • Effectieve invloed te hebben op de monitoring en sturing van de activiteiten.

  • I.5 Duurzaamheid

    Het project is duurzaam: het heeft een langdurig effect voor de uiteindelijke doelgroep en/of draagt bij aan de institutionele capaciteitsopbouw van lokale uitvoerende organisatie(s) en/of draagt bij aan de versterking van de rechtsstaat en/of draagt bij de vergroting van publieke steun voor de bescherming van mensenrechten.

7.3. Technische criteria voor het project en de organisatie

  • I.6 Gehanteerde PM&E systematiek

    De gehanteerde Planning Monitoring & Evaluatie systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, outputs, outcomes en onderliggende assumpties.

  • I.7 Risicomanagement

    Gedurende het project, is er sprake van (1) een adequate analyse van de interne en externe risico’s – waaronder digitale risico’s en risico’s met betrekking tot informatiebeheer – en resultaten voor de uitvoerende organisatie en de activiteiten (2) inclusief stappen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.

  • I.8 Additionele middelen

    De middelen die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het project zijn gewaarborgd.

  • I.9 Begroting en proportionaliteit

    Het project legt een helder en realistisch verband tussen de benodigde middelen en de uit te voeren activiteiten en de te realiseren outputs en outcomes. De begroting is tevens zichtbaar te relateren aan het logframe.

  • 1

    Stb. 2005, 137.

  • 2

    Stcrt. 2005, 251.

  • 3

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/mensenrechtenfonds

  • 4

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/mensenrechtenfonds

  • 5

    Kamerbrief ‘Mensenrechtenrapportage 2017’ (Kamerstuk 32 735 nr. 198).

  • 6

    http://www.oecd.org/dac/stats/officialdevelopmentassistancedefinitionandcoverage.htm

  • 7

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/mensenrechtenfonds

  • 8

    Zie voor de definities van outputs en outcomes: https://www.oecd.org/dac/evaluation/2754804.pdf

  • 9

    Artikel 4 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

  • 10

    Kamerbrief ‘Mensenrechtenrapportage 2017’ (Kamerstuk 32 735 nr. 198).

  • 11

    https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/02/12/internationale-cyberstrategie-naar-een-geintegreerd-internationaal-cyberbeleid-getitield-digitaal-bruggen-slaan

  • 12

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/mensenrechtenfonds

  • 13

    SMART staat voor: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

  • 14

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/mensenrechten/mensenrechtenfonds