Rijksoverheid

Wettenpocket Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken

Titel regeling
Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2018)
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2018); Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken; Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken; Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
Geldend vanaf
18-12-2018
Geselecteerde elementen
Volledig
Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 augustus 2018, nr. MINBUZA-2018.763435a, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2018)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2018 met het oog op de financiering van activiteiten die bijdragen aan verantwoorde en duurzame leveringsketens voor mineralen gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals worden ingediend van 18 oktober 2018 tot en met 6 december 2018, 14.00 uur Nederlandse tijd.

  • 2. Aanvragen voor subsidies in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals worden ingediend aan de hand van een daartoe door de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier en de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2018 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2019 een subsidieplafond van € 2,4 miljoen.

Artikel 4

De verdeling van de middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor een subsidie in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

[Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals).]

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 14 augustus 2022 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit Besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij die bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. De appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.4

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze,

Bijlage Fonds European Partnership for Responsible Minerals (EPRM) 2018

1. Achtergrond

Achtergrond bij verantwoorde leveringsketens van mineralen

Toegang tot mineralen is van cruciaal belang voor bedrijven en consumenten. Mineralen zoals tin, tantalium, wolfraam en goud (3TG) kennen een breed palet aan toepassingen in economische sectoren zoals de hoogwaardige maakindustrie, de micro-elektronica en de sieradenbranche. Een aantal regio’s waar dergelijke mineralen kunnen worden gevonden, heeft te kampen met langdurige gewelddadige conflicten, politieke instabiliteit, institutionele tekortkomingen en wijdverbreide ernstige mensenrechtenschendingen. De internationale winning van en handel in mineralen kan een significante rol spelen in het financieren en voortduren van geweld en mensenrechtenschendingen in dergelijke gebieden. Indien dit op een verantwoorde wijze geschiedt, kunnen de winning van mineralen en de handel een belangrijke rol spelen bij het beëindigen van armoede in mijnbouwgemeenschappen.

De OESO-richtlijnen richten zich op bedrijven om zich gedegen rekenschap te geven van de sociale en milieurisico’s in hun leverings- en productieketen, met een focus op grondstoffen en verduurzaming van grondstoffenketens uit conflict- en hoogrisicogebieden. Deze OESO-richtlijnen, te weten de Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas5 en de OECD Guidelines for Multinational Enterprises6 vormen een belangrijk referentiepunt van het European Partnership for Responsible Minerals (EPRM).

Naast en deels onderliggend aan de Due Diligence Guidance van de OESO is in april 2017 Europese wetgeving inzake verantwoorde productieketen van mineralen aangenomen. Deze stelt due diligence verplicht voor bedrijven als smelters en grote importeurs die opereren op een belangrijk punt in de leveringsketen. Dit betreft de EU-conflictmineralenverordening.7

Waarom EPRM?

Het EPRM is een multi-stakeholder partnerschap dat zich richt op het bevorderen van de levering van verantwoord geproduceerde mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden (CAHRA's) en het ondersteunen van de sociaal-verantwoordelijke ontginning van mineralen die bijdraagt aan lokale ontwikkeling.

Het EPRM is bovendien bedoeld als begeleidende maatregel bij de Europese Verordening voor Conflictmineralen. Omdat wetgeving alleen niet voldoende is om “in het veld” daadwerkelijk verandering tot stand te brengen, moeten er sterke begeleidende maatregelen genomen worden. Het EPRM is inhoudelijk verbonden met de EU-verordening in de zin dat het over hetzelfde gebied en dezelfde mineralen gaat, maar is niet juridisch verbonden.

Door zich te richten op tin, tantalium, wolfraam en goud (3TG), en met een wereldwijde aanpak, ondersteunt het EPRM activiteiten ter verbetering van verantwoorde mijnbouwmethodes in mijngebieden in CAHRA's. Doel van deze steun is meer mijnen in staat te stellen om te voldoen aan de Due Dilligence Guidance van de OESO. Hierdoor worden bedrijven dan weer in staat gesteld om mineralen bij de mijnen aan te kopen waarbij zij er op kunnen vertrouwen dat deze mijnen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving zoals de voorwaarden van de EU-verordening. Bovendien fungeert het EPRM als kennisplatform waar organisaties in de hele leveringsketen toegang kunnen krijgen tot kennis over het uitvoeren van due dilligence en deze kunnen delen.

Doelen van het EPRM

Samen met andere partners zal het EPRM de vraag naar verantwoorde 3TG-mineralen stimuleren en doen toenemen. Het zal inkoopkanalen voor verantwoorde mineralen een steun in de rug geven waardoor leveranciers de risico’s kunnen herkennen en verminderen. Verder moedigt het EPRM actoren in de leveringsketen en andere partners aan om mijnen en lokale mijngemeenschappen te ondersteunen bij het verbeteren van hun methodes voor verantwoorde productie en om toegang tot de markten te creëren. Het EPRM heeft vier hoofddoelstellingen:

  • 1. Het EPRM ontwikkelt en beheert een kennisplatform om beleids- en leveringsketenactoren te informeren en waar deelnemers kennis over due diligence kunnen delen;

  • 2. Het EPRM zal activiteiten voor het MKB in Europa opzetten om hun bewustwording omtrent het belang van een verantwoorde aankoop en productie van mineralen te bevorderen;

  • 3. Het EPRM faciliteert banden tussen up-, mid- en downstreamactoren;

  • 4. Het EPRM richt zich op het afstemmen van mijnbouwinterventiestrategieën en bundelt en breidt de financiering uit, waarmee artisanale en kleinschalige mijnen worden ondersteund bij de verbetering van hun methodes, zodat zij verantwoord kunnen produceren en uiteindelijk toegang krijgen tot de wereldmarkt.

Via het Fonds European Partnership for Responsible Minerals stelt het EPRM middelen beschikbaar voor partnerschappen ter ondersteuning van de EPRM-doelstellingen. De eerste openstelling van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals vond plaats in 2017 en resulteerde in subsidies voor vier projecten. Informatie over deze projecten staat op de EPRM-website8. De tweede openstelling van het Fonds, die wordt beschreven in de beleidsregels in dit Besluit, maakt ook deel uit van het EPRM-beleidskader (hierna ‘het beleidskader’), dat naast subsidieverstrekking ook andere instrumenten biedt om het doel te bereiken. De Theory of Change (ToC) van het EPRM en het beleidskader zijn ook beschikbaar op de EPRM-website.

2. Uitvoerder

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van het fonds opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl zal het Fonds uitvoeren namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op grond van een aan RVO.nl verleend mandaat.

3. Begrippen

  • Hardware: kapitaalgoederen die worden ingezet in het productieproces, zoals machines, gebouwen en installaties (inclusief eventuele computersoftware).

  • Kennisinstelling: een onderwijs- en onderzoeksinstelling die bijdraagt aan kennisuitwisseling. Om als kennisinstelling te kwalificeren moeten de kerntaken van de kennisinstelling onafhankelijk onderzoek en/of kennisoverdracht zijn.

  • Ketenbenadering: het onderscheiden van deelprocessen die samen een geheel vormen en dus onderling een functionele relatie hebben (de output van het ene deelproces is de input voor een ander deelproces). In de mijnbouwsector zijn in elk geval de deelprocessen upstream (winning en exploratie), midstream (refining, smelting) en downstream (productie en assemblage) te onderscheiden.

  • MKB: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.9

  • Niet-gouvernementele organisatie (NGO): een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de NGO statutair gevestigd is. Deze partij is ook als zodanig geregistreerd.

  • Onderneming: een onderneming is een entiteit die economische activiteiten uitvoert, ongeacht de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen of diensten op een economische markt. Ook entiteiten die economische activiteiten uitvoeren op ‘not for profit en not for loss’ basis kunnen kwalificeren als onderneming in het partnerschap.

  • Overheidsorganisatie: een organisatie die deel uitmaakt van het geheel van centrale en decentrale overheidspartijen (Rijk, provincie, gemeente of lokale variant daarvan). Ook semi-overheidspartijen kunnen als ‘overheidsorganisatie’ deelnemen aan het partnerschap. Het gaat om instanties die wettelijke taken uitvoeren of het publieke belang dienen en gefinancierd worden uit publieke middelen.

  • Penvoerder: een deelnemer in een partnerschap die over rechtspersoonlijkheid beschikt en namens het partnerschap subsidie aanvraagt en daarmee de rol van aanvrager vervult. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de Minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • Verantwoorde mineralen: grondstoffen die op een sociale en ecologische duurzame wijze gewonnen, getransporteerd en verhandeld worden en niet bijdragen aan conflict en/of mensenrechtenschendingen.

  • Partnerschap: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit partners met eigen rechtspersoonlijkheid, gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt. Een partnerschap vraagt via een penvoerder subsidie aan.

  • Eigen bijdrage: het verschil tussen het bedrag van de totale projectbegroting en de aangevraagde/ontvangen subsidie.

4. EPRM fonds 2018

4.1. Doelstelling van het EPRM Fonds 2018

Gelet op bovengenoemde doelstellingen is het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2018 gericht op initiatieven die in elk geval bijdragen aan de EPRM-doelstellingen zoals hiervoor omschreven, en daarnaast op te schalen zijn of een bredere sectorale impact hebben.

Het Fonds EPRM 2018 is gericht op het verbeteren van de verantwoorde werkwijzen van artisanale en kleinschalige mijnbouwers in CAHRA’s om verantwoordelijk te produceren en toegang te verlenen tot de markt voor op deze wijze geproduceerde 3TG-mineralen.

Subsidiabele activiteiten

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn gericht op het verbeteren van de mogelijkheid van artisanale en kleinschalige mijnen met als doel verantwoorde mijnbouwmethodes te gebruiken, bijvoorbeeld door het bewerkstelligen van acceptabele werkomstandigheden, het bevorderen van een billijke beloning, het voorkomen en/of uitbannen van kinderarbeid, het werken zonder toxische stoffen, het verbeteren van de formalisering van artisanale en kleinschalige mijnbouw en het aanpakken van inbreuken op de mensenrechten, conflictfinanciering en financiële misdaad.

De voorkeur gaat uit naar projecten die:

  • een sterke en duurzame band creëren met de leveringsketen (bijvoorbeeld door het creëren of vergroten van toegang tot de markt, due dilligence en/of traceerbaarheid);

  • actoren uit de leveringsketen betrekken bij het project (up-, mid- en downstreambedrijven);

  • bijdragen aan gendergelijkheid en economische empowerment van de vrouw, of

  • een langdurige impact kunnen hebben op en rond de mijnen en mijnbouwgemeenschappen en projectschaalbaarheid bezitten.

4.2. Wie komt in aanmerking voor een subsidie

Subsidies zijn bedoeld voor partnerschappen, waarvoor een penvoerder de subsidieaanvraag indient.

Een partnerschap bestaat uit minimaal 2 partners, waarvan er ten minste 1 een onderneming is. De ondernemingen die deelnemen aan het partnerschap maken deel uit van de leveringsketen van mineralen. Dit houdt in dat bijvoorbeeld bedrijven die vooral adviesverlening aanbieden geen deel kunnen uitmaken van het partnerschap.

Een partnerschap dient evenwichtig te zijn samengesteld, wat inhoudt dat alle partners nodig zijn om de doelstelling van het project waarvoor een subsidie wordt aangevraagd te bereiken.

Een van de partners dient de functie van penvoerder te hebben.

De penvoerder heeft minimaal drie werknemers (inclusief directie) en de gemiddelde jaaromzet over de laatste drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, bedraagt ten minste € 200.000.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de penvoerder aantonen dat hij en zijn partners zich inspannen om ernstige (seksuele) misdragingen en andere ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft te voorkomen, in voorkomend geval zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en om de gevolgen daarvan te mitigeren.

4.3. Oriëntatiefase

Indien een penvoerder een subsidieaanvraag wil indienen namens een (potentieel) partnerschap, dan wordt een verplicht adviesproces gevolgd op basis van een daartoe ingediende quick scan.

Het adviesproces wordt afgerond met een aanbeveling van RVO.nl aan de potentiële subsidieaanvrager. Het resultaat van het adviesproces is niet bindend. Het is aan de potentiële aanvrager om al dan niet een subsidieaanvraag in te dienen.

De quick scans moeten uiterlijk op 18 oktober 2018 om 14:00 uur ontvangen zijn. Na deze deadline accepteert RVO.nl geen quick scans meer.

4.4. Looptijd van de activiteiten

De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd hebben een minimale looptijd van 12 maanden en een maximale looptijd van 36 maanden.

De activiteiten starten niet later dan 1 september 2019 en worden afgerond uiterlijk op 1 september 2022.

4.5. Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal 70% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 340.000.

De eigen bijdrage aan het project van de partners van het partnerschap wordt gefinancierd met middelen (contanten of in natura) die niet verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.

In geval van subsidie aan ondernemingen kan er sprake zijn van staatssteun. Deze steun is geoorloofd als men binnen het kader blijft van de de-minimisverordening (Verordening (EG) nr. 1407/20134, PbEU 2013, L 352). Op grond van de de-minimisverordening kunnen overheden ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000 steunen zonder dat dit staatssteun oplevert. Om overschrijding van het de-minimisplafond te voorkomen, moet de overheid de onderneming vragen om een verklaring. Hierin moet de onderneming alle steun en de-minimis opgeven die over de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar is verleend.

5. Subsidiabele kosten

5.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • uitsluitend kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project komen in aanmerking;

  • uitsluitend kosten gemaakt na indiening van de aanvraag komen in aanmerking;

  • voor kosten voor projectmanagement, zijnde enkel de projectcoördinatie, geldt een maximum van 10% van het totale aantal opgevoerde dagen onder tijdsbesteding in Nederland en het buitenland;

  • de interne kosten van de aanvrager of partner(s) worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten in landen buiten Europa worden aan lokale maatstaven getoetst;

  • inkomsten die rechtstreeks uit het project worden verworven worden in mindering gebracht op de subsidiabele kosten, bijvoorbeeld hardware die weer verkocht wordt en inkomsten uit verstrekte training en advies.

5.2. Subsidiabele kosten

Categorieën van subsidiabele kosten:

  • i. Subsidiabele kosten zijn in elk geval kosten gemoeid met de door de werknemers van de aanvrager en partner(s) voor de uitvoering van de activiteiten gemaakte uren. Dit betreft: het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de aanvrager en partners ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met maximaal een vast uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. Een week telt maximaal 5 werkdagen en een dag telt maximaal 8 uur die voor vergoeding in aanmerking komen.

  • ii. Deze kosten kunnen worden vermeerderd met andere kosten uit de volgende categorieën:

    • Reiskosten: internationale reiskosten en binnenlandse reiskosten buiten Nederland op basis van economy class;

    • Verblijfskosten: kosten voor verblijf in een doelland conform de Daily Subsistence Allowance Rates (DSA), of minder indien dat strookt met het beleid van de indiener;

    • Kosten voor levering van goederen en diensten:

      • a. Kosten voor hardware op basis van de economische afschrijving gedurende de looptijd. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:

        • Hardware (machines, installaties): 5 jaar

        • Software: 3 jaar

        De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de kostprijs van het product, rekening houdend met de mogelijke restwaarde, vermeerderd met eventuele aanpassings-/installatiekosten;

      • b. Kosten voor diensten van derden voor activiteiten waarbij de subsidieontvanger(s) een externe partij inhuurt/inhuren om werkzaamheden te verrichten: op basis van facturering.

  • iii. In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag. In afwijking op het hierboven genoemde vaste uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de aanvrager en partner(s) in het land buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot maximaal dit vaste uurtarief.

5.3. niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor de ontwikkeling van de aanvraag en het aanvragen van de subsidie en andere kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • omzetbelasting;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • kosten gerelateerd aan promotionele of verkoopactiviteiten of promotiemateriaal;

  • algemene vertaalkosten;

  • kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectuele eigendomsrechten;

  • kosten voor aankoop van gebouwen;

  • kosten voor aankoop, pachten of huren van grond;

  • financiële bijdrage aan een revolverend fonds;

  • accountantskosten gemaakt ten behoeve van subsidievaststelling van het project.

6. Aanvraag

6.1. Vereisten

Een penvoerder mag pas een aanvraag voor een subsidie indienen nadat hij een advies van RVO.nl heeft verkregen zoals beschreven in punt 4.3 (Oriëntatiefase).

De aanvragen moeten uiterlijk op 6 december 2018 om 14:00 uur ontvangen zijn. Aanvragen dienen uiterlijk op voornoemde datum en tijd door RVO.nl te zijn ontvangen.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor beschikbaar is op www.responsibleminerals.eu en wordt verstrekt samen met de daarin vermelde appendices waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.nl. De aanvraag wordt opgesteld in de Engelse taal.

De aanvraag omvat ten minste:

  • aanvraagformulier;

  • projectplan;

  • projectbudget dat inzicht geeft in de opbouw van projectkosten en de financiering van de eigen bijdrage;

  • ondertekende partnerschapovereenkomst die de medewerking van de partners aan de uitvoering van het project en de nakoming van de gemaakte afspraken waarborgt evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen;

  • indien van toepassing: een de-minimis-verklaring voor relevante partijen (uitsluitend EU-ondernemingen).

Verder dienen alle partners te verklaren dat zij op de hoogte zijn van en zullen handelen naar de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de ILO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk (www.ilo.org) en de OECD Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas.

6.2. Verzoek om aanvulling

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de aanvrager (penvoerder) het risico dat de Minister geen toepassing zal geven aan haar bevoegdheid om een aanvulling te vragen in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij is ingediend.

Een verwijzing kortheidshalve naar andere delen van de aanvraag, websites of appendices is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten expliciet wordt vermeld dat dit volstaat (geheel of gedeeltelijk). Indien delen van de aanvraag niet ingevuld zijn, loopt de penvoerder het risico dat de aanvraag wordt afgewezen.

7. Beoordeling en verdeling van beschikbare middelen

7.1. Beoordeling

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn volledig van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. Aanvragen worden beoordeeld in overeenstemming met de bovenvermelde wetgeving en overeenkomstig de vereisten die in deze beleidsregels worden vermeld.

Om in aanmerking te komen voor een subsidie dient de aanvraag in elk geval te voldoen aan de maatstaven die in deze beleidsregels, met name in paragraaf 4 tot en met 6, zijn neergelegd. Alleen aanvragen die voldoen aan deze maatstaven worden beoordeeld op grond van de kwaliteit van de volgende inhoudelijke criteria, waaraan ook in voldoende mate dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor subsidie.

De beoordeling van de subsidieaanvragen op basis van de inhoudelijke criteria gebeurt door middel van een puntenscore. Indien er voor een criterium bonuspunten te verdienen zijn, dan wordt dit bij het desbetreffende criterium vermeld.

De volgende criteria worden gehanteerd bij de beoordeling van de kwaliteit van de aanvragen die aan de hierboven vermelde eisen voldoen.

  • 1. Relevantie van het project

    • De mate waarin het project bijdraagt aan de EPRM-doelstellingen en EPRM-Theory of Change: het vergroten van de mogelijkheid van artisanale en kleinschalige mijnen om op verantwoordelijke wijze te produceren en/of het vergroten van de hoeveelheid verantwoordelijk geproduceerde mineralen en het verschaffen van toegang tot de markt.

    • De mate waarin het project aantoont hoe het de implementatie van de OECD Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas bevordert en er uitvoering aan geeft en in overeenstemming is met de nationale wetgeving van het land waarin het project wordt uitgevoerd.

    • De mate waarin het project contextuele factoren en ontwikkelingen (politieke, sociaal-economische en technische ontwikkelingen) beschrijft en er betrekking op heeft.

    • De mate waarin het project voldoet aan de eisen en behoeften van de doelgroep(en) en oplossingen biedt voor een probleem of specifieke vraag van de doelgroep(en).

    • De mate waarin er sprake is van een stimulerende omgeving en stakeholders die het project steunen.

    • De mate waarin het project past in en samenwerkt met bestaande inspanningen/(lokale) initiatieven.

  • 2. Projectontwerp

    • De mate waarin de interventiestrategie strookt met de context-, probleem en stakeholderanalyses.

    • De mate waarin de interventiestrategie zal leiden tot de projectdoelstellingen (kwalitatieve Theory of Change).

    • De mate waarin het project een link creëert met de leveringsketen door te zorgen voor markttoegang (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

    • De mate waarin de activiteiten ten minste sensitief zijn voor genderaspecten bij de uitvoering en het toezicht van het project en bijdragen aan een vermindering of mitigatie van de negatieve impact van mijnbouw op de leef- en arbeidsomstandigheden van vrouwen (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

    • De mate waarin de activiteiten worden uitgevoerd in een CAHRA en het project de conflict-/hoogrisicoaspecten van mineralen winning of aankoop duidelijk maakt.

    • De mate waarin het project een realistische risicoanalyse bevat die de risico- en beperkingsstrategie, inclusief een genderperspectief aantoont.

  • 3. Duurzaamheid

    • De mate waarin het project maatregelen bevat en ontwerpt om een concrete, realistische en haalbare duurzaamheidsstrategie uit te voeren waarmee het verder bouwen op de projectresultaten na afloop van de beoogde periode wordt gegarandeerd (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

    • De mate waarin de projectresultaten worden voortgezet door doelgroepen, in lokale structuren en/of verantwoordelijke organen.

    • De mate waarin het project ontworpen is om dupliceerbaar en schaalbaar te zijn (in andere regio's/landen en/of in omvang) (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • 4. Partnerschap/organisatie

    • De mate waarin de projectpartners hun sporen hebben verdiend op het vlak van verantwoorde artisanale en kleinschalige mijnbouw en het creëren van een link met de markt, aanwezigheid van vaardigheden en goede governancestructuren om het project uit te voeren.

    • De mate waarin de keuze van projectpartners leidt tot een efficiënte uitvoering van het project.

    • De mate waarin in dit project projectpartners zijn betrokken die up-, mid- en/of downstreamactoren zijn (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • 5. Uitvoering van het project

    • De mate waarin de voorgestelde projectactiviteiten technisch uitvoerbaar en haalbaar zijn in de geplande uitvoeringsperiode.

    • De mate waarin het projectbudget strookt met de projectactiviteiten en het accuraat is.

    • De mate waarin het projectbudget realistisch en aanvaardbaar is met betrekking tot de omvang van de beschreven impact/projectresultaten/activiteiten.

    • De mate waarin het monitoring- en evaluatiesysteem volstaat en doeltreffend is voor toezicht op de voortgang en corrigerende acties in termen van middelen, activiteiten, output, uitkomsten en de onderliggende uitgangspunten.

    • De mate waarin projectmedewerkers ervaren en in staat zijn om het project uit te voeren.

7.2. Verdeling van beschikbare middelen

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen worden gerangschikt op basis van het totale aantal punten dat behaald is bij de beoordeling van de criteria voor het bepalen van de rangschikking. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking.

RVO.nl deelt de uitkomsten van de beoordeling van de subsidieaanvragen met een adviescommissie die is samengesteld door het bestuur van het EPRM. RVO.nl neemt vervolgens, op grond van het door de Minister aan haar gegeven mandaat, een besluit over de subsidieaanvragen rekening houdend met het advies van de adviescommissie. Besluitvorming door RVO.nl over de subsidieaanvragen die worden ingediend in deze ronde vindt plaats uiterlijk op 25 april 2019.

Indien er onvoldoende middelen beschikbaar zijn om de volledige subsidie uit te keren aan alle geslaagde aanvragen, worden de subsidies toegekend aan de aanvragen die het beste voldoen aan de criteria (de hoogste in rangorde) tot de beschikbare middelen uitgeput zijn.

8. Afwijzingsgronden

Behalve de afwijzingsgronden vermeld in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien deze niet voldoet aan deze beleidsregels en/of het beschikbare budget ontoereikend is om een subsidie toe te kennen gezien de rangorde van de aanvraag.

9. Monitoring en evaluatie

Indien tot subsidieverlening wordt overgegaan zullen bepaalde monitoring- en evaluatieverplichtingen aan de subsidie worden verbonden in de subsidieverleningsbeschikking. De aanvrager moet meewerken aan de monitoring- en evaluatieactiviteiten van de EPRM voor de activiteiten waarvoor een subsidie is toegekend. Deze zullen onder meer betrekking hebben op het volgende. Om de voortgang van het project te monitoren zal een baselinestudie moeten worden gedaan. Tevens dient de aanvrager ieder jaar een (of meerdere) rapportage(s) op te leveren, met daarin onder meer de voortgang met betrekking tot de beoogde uitkomsten, doelstelling(en).

10. Administratieve lasten

Ter onderbouwing van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt

is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag, de beheerfase, de afronding van het project (waarna de aanvrager een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet indienen) en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 3,1% bedraagt.

  • 1

    www.responsibleminerals.eu.

  • 4

    www.responsibleminerals.eu.

  • 5

    http://www.oecd.org/corporate/mne/mining.htm

  • 6

    http://mneguidelines.oecd.org/

  • 7

    http://ec.europa.eu/trade/policy/in-focus/conflict-minerals-regulation/

  • 8

    www.responsibleminerals.eu.

  • 9

    Pb 2003, L214.