Rijksoverheid

Wettenpocket Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken

Titel regeling
Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020; Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken; Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken; Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
Geldend vanaf
22-8-2020
Geselecteerde elementen
Volledig
Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 januari 2020, nr. MINBUZA-2020-4834-8, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op artikel 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020 met het oog op de financiering van activiteiten die bijdragen aan verantwoorde en duurzame toeleveringsketens voor mineralen gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020 kunnen worden ingediend van 23 maart 2020 tot 1 september 2020, 14.00 uur Nederlandse tijd.

  • 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020 worden ingediend aan de hand van een daartoe door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier en de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals 2020 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 3,8 miljoen.

Artikel 4

De verdeling van de middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor een subsidie in aanmerking komen, binnen het kader van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 14 augustus 2022, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die vóór die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij die bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. De appendices bij de bijlage worden via internet bekendgemaakt.2

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze,

Bijlage Fonds European Partnership for Responsible Minerals (EPRM) 2020

1. Achtergrond

Achtergrond bij verantwoorde toeleveringsketens voor mineralen

Toegang tot mineralen is van cruciaal belang voor bedrijven en consumenten. Mineralen zoals tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) kennen een breed palet aan toepassingen in economische sectoren zoals de hoogwaardige maakindustrie, de micro-elektronica en de sieradenbranche. Een aantal regio’s waar dergelijke mineralen kunnen worden gevonden, heeft te kampen met langdurige gewelddadige conflicten, politieke instabiliteit, zwakke instituties en wijdverbreide ernstige mensenrechtenschendingen. De internationale winning van en handel in mineralen kan een significante rol spelen in het financieren en voortduren van geweld en mensenrechtenschendingen in dergelijke gebieden. Indien dit op een verantwoorde wijze geschiedt, kunnen de winning van en de handel in mineralen een belangrijke rol spelen bij het beëindigen van armoede in mijnbouwgemeenschappen.

De OESO-richtsnoeren zijn bedoeld om bedrijven te helpen bij de aanpak van maatschappelijke en milieurisico’s in hun leverings- en productieketen, met een focus op grondstoffen en verduurzaming van grondstoffenketens uit conflict- en hoogrisicogebieden. Deze OESO-richtsnoeren, te weten de OESO-richtsnoeren inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden (hierna: “OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid”)3 en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen4, vormen een belangrijk referentiepunt van het European Partnership for Responsible Minerals (EPRM).

Naast en deels onderliggend aan de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid is in april 2017 Europese wetgeving inzake verantwoorde productieketens van mineralen aangenomen. De Europese verordening conflictmineralen 2017/821 stelt “passende zorgvuldigheid” verplicht voor bedrijven als smelterijen en grote importeurs die actief zijn op belangrijke punten in de toeleveringsketen.5

Waarom het EPRM?

Het EPRM is een multi-stakeholder partnerschap dat zich richt op het bevorderen van de levering van verantwoord geproduceerde mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden (CAHRA's) en het ondersteunen van de maatschappelijk verantwoorde ontginning van mineralen die bijdraagt aan lokale ontwikkeling.

Het EPRM is bovendien bedoeld als begeleidende maatregel bij de Europese verordening conflictmineralen, die op 1 januari 2021 van kracht wordt. Die verordening is weliswaar een belangrijke mijlpaal, maar op zichzelf niet voldoende om de omstandigheden in en rond de mijnen – met name in de artisanale en kleinschalige mijnbouw – te verbeteren en zo bij te dragen aan de inclusieve ontwikkeling van de locale economie. Precies om die reden is het EPRM in het leven geroepen als begeleidende maatregel bij deze wetgeving, voor dezelfde mineralen en met hetzelfde geografische bereik.

Door zich te richten op tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG), en met een wereldwijde aanpak, ondersteunt het EPRM activiteiten ter verbetering van verantwoorde artisanale en kleinschalige mijnbouw in CAHRA's. Doel van deze steun is meer mijnen in staat te stellen om te voldoen aan de OESO-richtsnoeren inzake passende zorgvuldigheid en die passende zorgvuldigheid te bevorderen onder de afnemers en eindgebruikers van mineralen en metalen. Bovendien fungeert het EPRM als kennisplatform waar organisaties in de hele toeleveringsketen toegang kunnen krijgen tot kennis over de praktijk van “passende zorgvuldigheid” en deze kunnen delen.

Doelen van het EPRM

Het EPRM zal samen met zijn partners de vraag naar verantwoorde 3TG-mineralen stimuleren en doen toenemen. Het zal inkoopkanalen voor verantwoorde mineralen een steun in de rug geven waardoor leveranciers de risico’s kunnen herkennen en verminderen. Verder moedigt het EPRM actoren in de toeleveringsketen en andere partners aan om artisanale en kleinschalige mijnen en lokale mijnbouwgemeenschappen te ondersteunen bij het verbeteren van hun methodes voor verantwoorde productie en om toegang tot de markten te creëren.

Het EPRM heeft vier hoofddoelstellingen:

  • 1. Het EPRM ontwikkelt en beheert een kennisplatform om beleidsactoren en actoren in de toeleveringsketen te informeren en waar deelnemers kennis over passende zorgvuldigheid kunnen delen;

  • 2. Het EPRM zet activiteiten op voor kleine en middelgrote ondernemingen in Europa om hun bewustwording omtrent het belang van een verantwoorde aankoop en productie van mineralen te bevorderen;

  • 3. Het EPRM faciliteert banden tussen up-, mid- en downstreamactoren;

  • 4. Het EPRM richt zich op het afstemmen van mijnbouwinterventiestrategieën en bundelt en breidt de financiering uit, waarmee artisanale en kleinschalige mijnen worden ondersteund bij de verbetering van hun methodes, zodat zij verantwoord kunnen produceren en uiteindelijk toegang krijgen tot de wereldmarkt.

Via het Fonds European Partnership for Responsible Minerals stelt het EPRM middelen beschikbaar voor partnerschappen ter ondersteuning van de EPRM-doelstellingen. De eerste openstelling van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals vond plaats in 2017 en resulteerde in subsidies voor vier projecten. Een oproep tot het indienen van voorstellen die het EPRM in 2018 organiseerde, resulteerde eveneens in subsidies voor vier projecten. Informatie over deze projecten staat op de EPRM-website.6 De Theory of Change van het EPRM en het beleidskader zijn ook beschikbaar op de EPRM-website.

2. Uitvoerder

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Dit is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO.nl zal het programma uitvoeren op grond van een door de Minister aan RVO.nl verleend mandaat.

3. Begrippen

  • Actor in de toeleveringsketen: een onderneming die rechtstreeks en duurzaam is verbonden (via productie/gebruik/transactie enz.) met of binnen de toeleveringsketen. Dit kan upstream, midstream en/of downstream in de keten zijn. Bedrijven die bijvoorbeeld hoofdzakelijk adviesdiensten verlenen, behoren volgens deze definitie dus niet tot de toeleveringsketen.

  • Artisanale en kleinschalige mijnbouw: formele of niet-formele mijnbouwactiviteiten waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van vereenvoudigde exploratie-, winnings-, verwerkings- en transportmethoden. Artisanale en kleinschalige mijnbouw is normaal gesproken weinig kapitaalintensief en maakt gebruik van arbeidsintensieve technologieën. In deze sector werken mensen – zowel mannen als vrouwen – op individuele basis, maar ook in familieverband, in samenwerkingsverbanden of als leden van coöperaties of andersoortige verenigingen en ondernemingen waarbij honderden of mogelijk zelfs duizenden mijnwerkers zijn aangesloten.

  • CAHRA (“conflict-affected and high-risk area”) (EU-definitie): gebieden met een gewapend conflict of een onstabiele situatie in de nasleep van een conflict, evenals gebieden zonder of met een zwak bestuur en zonder of met beperkte veiligheid, zoals falende staten, en met wijdverspreide en systematische schendingen van het internationaal recht, met inbegrip van schendingen van de mensenrechten.

  • Hardware: kapitaalgoederen die worden ingezet in het productieproces, zoals machines, gebouwen en installaties (inclusief eventuele computersoftware).

  • Kennisinstelling: een onderwijs- en onderzoeksinstelling die bijdraagt aan kennisuitwisseling. Een instelling kwalicifeert slechts als kennisinstelling als haar kerntaken onafhankelijk onderzoek en/of kennisoverdracht zijn.

  • Ketenbenadering: het onderscheiden van deelprocessen die samen een geheel vormen en aldus onderling een functionele relatie hebben (de output van het ene deelproces is de input voor een ander deelproces). In de mijnbouwsector zijn de deelprocessen upstream (winning en exploratie), midstream (raffineren, uitsmelten) en downstream (productie en assemblage) te onderscheiden.

  • MKB: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.7

  • Niet-gouvernementele organisatie (ngo): een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar zij statutair is gevestigd, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is. Deze partij is ook als zodanig geregistreerd.

  • Onderneming: een onderneming is een entiteit die economische activiteiten uitvoert, ongeacht de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen of diensten op een economische markt. Ook entiteiten die economische activiteiten uitvoeren op “not for profit en not for loss” basis kunnen kwalificeren als onderneming in het partnerschap.

  • Overheidsorganisatie: een organisatie die deel uitmaakt van het geheel van centrale en decentrale overheidspartijen (Rijk, provincie, gemeente of lokale variant daarvan). Ook semi-overheidspartijen kunnen als “overheidsorganisatie” deelnemen aan het partnerschap. Het gaat om instanties die wettelijke taken uitvoeren of het publieke belang dienen en gefinancierd worden uit publieke middelen.

  • Partnerschap: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit partners met eigen rechtspersoonlijkheid, gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een evenredig deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een evenredig deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt. Een partnerschap vraagt via een penvoerder subsidie aan.

  • Penvoerder: een deelnemer aan een partnerschap die over rechtspersoonlijkheid beschikt en namens het partnerschap subsidie aanvraagt en daarmee de rol van aanvrager vervult. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • Verantwoorde mineralen: grondstoffen die op een sociaal en ecologisch duurzame wijze gewonnen, getransporteerd en verhandeld worden en niet bijdragen aan conflicten en/of mensenrechtenschendingen.

4. Eprm-fonds 2020

4.1. Doelstelling van het EPRM-fonds 2020

De door het EPRM gefinancierde projecten moeten bijdragen aan de visie en ambities van het EPRM. Derhalve moeten de projecten de volgende doelstellingen bevorderen:

  • verbetering van de arbeidsomstandigheden en de levensstandaard van mijnwerkers in de artisanale en kleinschalige mijnbouw in CAHRA's;

  • verbetering van de verantwoorde productie van mineralen en metalen in artisanale en kleinschalige mijnen;

  • stimulering van de handel in verantwoorde mineralen die afkomstig zijn van artisanale en kleinschalige mijnen in CAHRA's;

  • voorbereiding van mijnwerkers in de artisanale en kleinschalige mijnbouw, actoren in de toeleveringsketen en overheden in mijnbouwlanden in CAHRA's op tenuitvoerlegging van de Europese verordening conflictmineralen.

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn gericht op het bevorderen van verantwoorde mijnbouwmethoden in artisanale en kleinschalige mijnen, bijvoorbeeld door het bewerkstelligen van betere werkomstandigheden voor mannen en vrouwen, het bevorderen van een billijke beloning en van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het voorkomen en/of uitbannen van kinderarbeid, het terugdringen van schadelijke effecten op het milieu, het werken zonder toxische stoffen, het verbeteren van de formalisering van de artisanale en kleinschalige mijnbouw en het aanpakken van schendingen van de mensenrechten, conflictfinanciering en financiële misdaad.

De voorkeur gaat uit naar projecten die:

  • een sterke en duurzame band creëren met de toeleveringsketen (bijvoorbeeld door het creëren of vergroten van toegang tot de markt, passende zorgvuldigheid en/of traceerbaarheid);

  • actoren uit de toeleveringsketen betrekken bij het project (up-, mid- en downstream-ondernemingen);

  • potentieel een langdurige impact hebben op en rond de mijnen en mijnbouwgemeenschappen en op de gewenste schaal kunnen worden uitgevoerd;

  • laten zien hoe de kosten van verantwoorde inkoop en passende zorgvuldigheid gedeeld kunnen worden tussen actoren upstream, midstream en downstream (eerlijk delen van kosten) en hoe de handel gestimuleerd kan worden;

  • beste praktijken tonen bij de voorbereiding op en tenuitvoerlegging van de Europese verordening conflictmineralen.

4.2. Wie komt in aanmerking voor subsidie?

Subsidies zijn bedoeld voor partnerschappen, waarvoor een penvoerder de subsidieaanvraag indient.

Een partnerschap bestaat uit minimaal twee partners, waarvan er één bij voorkeur een actor uit de toeleveringsketen is. Wordt subsidie aangevraagd voor een bedrag boven € 340.000, dan is deelname van een actor uit de toeleveringsketen aan het partnerschap verplicht.

Als het partnerschap geen actor uit de toeleveringsketen bevat, dan moet in de aanvraag worden toegelicht hoe men een actor uit de toeleveringsketen bij het partnerschap denkt te gaan betrekken.

Een partnerschap dient evenwichtig te zijn samengesteld, wat inhoudt dat alle partners nodig zijn om de doelstelling van het project waarvoor een subsidie wordt aangevraagd te bereiken.

Een van de partners dient de functie van penvoerder te hebben.

De penvoerder heeft minimaal drie werknemers en de gemiddelde jaaromzet over de laatste drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, bedraagt ten minste € 200.000.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de penvoerder aantonen dat hij en zijn partners een integriteitsbeleid hebben vastgesteld en dat hij en zijn partners procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid toepassing te kunnen geven. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de penvoerder, zijn partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de minister is gewaarborgd.

4.3. Oriëntatiefase

Indien een penvoerder een subsidieaanvraag wil indienen namens een (potentieel) partnerschap, dan wordt een verplicht adviestraject gevolgd op basis van een daartoe ingediende quick scan.

Het adviestraject wordt afgerond met een advies van RVO.nl aan de potentiële subsidieaanvrager. Het resultaat van het adviesproces is niet bindend. Het is aan de potentiële aanvrager om al dan niet een subsidieaanvraag in te dienen.

4.4. Looptijd van de activiteiten

Als de gevraagde financiering niet hoger is dan € 340.000, hebben de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een minimale looptijd van 12 maanden en een maximale looptijd van 36 maanden.

Wordt er meer subsidie aangevraagd dan € 340.000, dan hebben de activiteiten een minimale looptijd van 24 maanden en een maximale looptijd van 48 maanden.

De activiteiten starten uiterlijk op 1 februari 2021 en worden afgerond uiterlijk op 31 januari 2025.

4.5. Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal € 800.000. Is de gevraagde financiering hoger dan € 340.000, dan bedraagt de subsidie ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten en is een eigen bijdrage van ten minste 30% van de subsidiabele kosten vereist.

De eigen bijdrage aan het project van de partners van het partnerschap wordt gefinancierd met middelen (contanten of in natura) die niet verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.

In geval van subsidie aan ondernemingen kan er sprake zijn van staatssteun. Deze steun is geoorloofd als men binnen het kader blijft van de de-minimisverordening (Verordening (EG) nr. 1407/2013, PB 2013, L 352). Op grond van de de-minimisverordening kunnen overheden ondernemingen over een periode van drie belastingjaren met een bedrag tot € 200.000 steunen zonder dat dit staatssteun oplevert. Om overschrijding van het de-minimisplafond te voorkomen, moet de overheid de onderneming vragen om een verklaring. Hierin moet de onderneming alle steun en de-minimis opgeven die over de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar is verleend.

5. Subsidiabele kosten

5.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • uitsluitend kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project komen in aanmerking;

  • uitsluitend kosten gemaakt na indiening van de aanvraag komen in aanmerking;

  • voor kosten voor projectmanagement, zijnde enkel de projectcoördinatie, geldt een maximum van 10% van het totale aantal opgevoerde dagen onder tijdsbesteding in Nederland en het buitenland;

  • de interne kosten van de aanvrager of partner(s) worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten in landen buiten Europa worden aan lokale maatstaven getoetst;

  • inkomsten die rechtstreeks uit het project worden verworven, worden in mindering gebracht op de subsidiabele kosten, bijvoorbeeld hardware die weer verkocht wordt en inkomsten uit verstrekte training en advies.

5.2. Subsidiabele kosten

Categorieën van subsidiabele kosten:

  • i. Subsidiabele kosten zijn in elk geval kosten gemoeid met de door de werknemers van de aanvrager en partner(s) voor de uitvoering van de activiteiten gemaakte uren. Dit betreft het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de aanvrager en partners ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met maximaal een vast uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. Een week telt maximaal vijf werkdagen en een dag telt maximaal acht uur die voor vergoeding in aanmerking komen.

  • ii. Deze kosten kunnen worden vermeerderd met andere kosten uit de volgende categorieën:

    • reiskosten: internationale reiskosten en binnenlandse reiskosten buiten Nederland op basis van economy class;

    • verblijfskosten: kosten voor verblijf in een doelland conform de Daily Subsistence Allowance Rates (DSA) of minder indien dat strookt met het beleid van de indiener;

    • kosten voor levering van goederen en diensten:

      • a. kosten voor hardware op basis van de kostprijs van het product, vermeerderd met eventuele aanpassings- en installatiekosten;

      • b. kosten voor diensten van derden voor activiteiten waarbij de subsidieontvanger(s) een externe partij inhuurt/inhuren: op basis van facturering.

  • iii. In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag. In afwijking van het hierboven genoemde vaste uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de aanvrager en partner(s) in het land buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot maximaal dit vaste uurtarief.

  • iv. Wordt subsidie aangevraagd voor een bedrag hoger dan € 340.000, dan komen de daadwerkelijk gemaakte kosten van een op grond van de subsidieverleningsbeschikking verplichte controleverklaring voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van maximaal € 3.500.

5.3. Niet-subsidiabele kosten

Niet-subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor de ontwikkeling van de aanvraag en het aanvragen van de subsidie, en andere kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • omzetbelasting;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • kosten gerelateerd aan promotionele of verkoopactiviteiten of promotiemateriaal;

  • algemene vertaalkosten;

  • kosten van tenaamstelling en instandhouding van intellectuele eigendomsrechten;

  • kosten voor aankoop van gebouwen;

  • kosten voor aankoop, pachten of huren van grond;

  • financiële bijdrage aan een revolverend fonds.

6. Aanvraag

6.1. Vereisten

Een penvoerder mag pas een aanvraag voor een subsidie indienen nadat hij een advies van RVO.nl heeft verkregen, zoals beschreven in punt 4.3 (Oriëntatiefase), na het indienen van een verplichte quick scan in het Engels, Frans of Spaans.

De quick scans moeten uiterlijk op 15 juni 2020 om 14:00 uur Nederlandse tijd ontvangen zijn. Na deze deadline accepteert RVO.nl geen quick scans meer.

De aanvragen voor een subsidie moeten uiterlijk op 1 september 2020 om 14:00 uur Nederlandse tijd ontvangen zijn. Aanvragen dienen uiterlijk op voornoemde datum en tijd door RVO.nl te zijn ontvangen.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld middel op www.responsibleminerals.eu en voorzien van de daarin genoemde bijlagen, waarvoor formulieren beschikbaar worden gesteld door RVO.nl.

De aanvraag omvat ten minste:

  • een aanvraagformulier;

  • een projectplan;

  • een resultatenoverzicht;

  • een projectbudget dat inzicht geeft in de opbouw van projectkosten en de financiering van de eigen bijdrage;

  • een partnerschapsformulier per partner;

  • een ondertekende partnerschapovereenkomst die de medewerking van de partners aan de uitvoering van het project en de nakoming van de gemaakte afspraken waarborgt evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen;

  • indien van toepassing een de-minimis-verklaring voor relevante partijen (uitsluitend EU-ondernemingen).

Aanvragen moeten in het Engels zijn opgesteld. Het aanvraagformulier en de bijlagen "projectplan" en "resultatenoverzicht" mogen ook in het Frans of Spaans worden ingediend.

Verder dienen alle partners te verklaren dat zij op de hoogte zijn van en zullen handelen naar de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de ILO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk (www.ilo.org) en OECD Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas.

6.2. Verzoek om aanvulling

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de aanvrager (penvoerder) het risico dat de minister haar bevoegdheid om een aanvulling te vragen niet zal uitoefenen, gezien de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal zij worden beoordeeld zoals zij is ingediend.

Een verwijzing kortheidshalve naar andere delen van de aanvraag, websites of appendices is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten expliciet wordt vermeld dat dit volstaat (geheel of gedeeltelijk). Indien delen van de aanvraag niet ingevuld zijn, loopt de penvoerder het risico dat de aanvraag wordt afgewezen.

7. Beoordeling en verdeling van beschikbare middelen

7.1. Beoordeling

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn volledig van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. Aanvragen worden beoordeeld in overeenstemming met de bovenvermelde wetgeving en overeenkomstig de vereisten die in deze beleidsregels worden vermeld.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient de aanvraag in elk geval te voldoen aan de maatstaven die in deze beleidsregels, met name in paragraaf 4 tot en met 6, zijn neergelegd. Alleen aanvragen die voldoen aan deze maatstaven worden beoordeeld op grond van de onderstaande inhoudelijke criteria, waaraan ook in voldoende mate dient te worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.

De beoordeling van de subsidieaanvragen op basis van de inhoudelijke criteria gebeurt door middel van een puntenscore. Indien er voor een criterium bonuspunten te verdienen zijn, dan wordt dit bij het desbetreffende criterium vermeld.

De volgende criteria worden gehanteerd bij de beoordeling van de kwaliteit van de aanvragen die aan de hierboven vermelde eisen voldoen.

  • 1. Relevantie van het project

  • De mate waarin het project bijdraagt aan de EPRM-doelstellingen en EPRM-Theory of Change: het versterken van het vermogen van artisanale en kleinschalige mijnen om op verantwoorde wijze te produceren en/of het vergroten van de hoeveelheid verantwoord geproduceerde mineralen en het verschaffen van toegang tot de markt.

  • De mate waarin het project aantoont hoe het de bevordering en implementatie van de OESO-richtsnoeren inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit conflict- en hoogrisicogebieden ondersteunt, en hoe het de doelgroep stimuleert om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van de Europese verordening conflictmineralen.

  • De mate waarin het project contextuele factoren en ontwikkelingen (politieke, sociaaleconomische en technische ontwikkelingen) beschrijft en er betrekking op heeft.

  • De mate waarin het project voldoet aan de eisen en behoeften van de doelgroep(en) en oplossingen biedt voor een probleem of specifieke vraag van de doelgroep(en), met inachtneming van verschillen in dit verband tussen mannen en vrouwen.

  • De mate waarin er sprake is van een stimulerende omgeving en stakeholders die het project steunen.

  • De mate waarin het project aansluit bij en samenwerking bevordert met bestaande activiteiten en (lokale) initiatieven.

  • De mate waarin het project een positief effect zal hebben op (een groot aantal) mijnwerkers en hun gemeenschappen.

  • 2. Projectontwerp

  • De mate waarin de interventiestrategie strookt met de context-, probleem-, gender- en stakeholderanalyses.

  • De mate waarin de interventiestrategie zal leiden tot de projectdoelstellingen (kwalitatieve Theory of Change).

  • De mate waarin het project een link creëert met de toeleveringsketen door te zorgen voor markttoegang (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • De mate waarin het project verbanden tussen actoren in de toeleveringsketen stimuleert door die actoren bij de projectactiviteiten te betrekken (bijvoorbeeld door middel van partnerschappen, financiële bijdragen, afname-overeenkomsten, co-financieringsovereenkomsten en joint ventures) (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • De mate waarin het project bijdraagt aan een eerlijke verdeling van de kosten van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen tussen de actoren in die keten (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • De mate waarin de activiteiten sensitief zijn voor genderaspecten bij de uitvoering van en het toezicht op het project, en de mate waarin zij bijdragen aan een vermindering of mitigatie van de negatieve impact van mijnbouw op de leef- en arbeidsomstandigheden van vrouwen en aan gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de mijnen en mijnbouwgemeenschappen.

  • De mate waarin de activiteiten worden uitgevoerd in een CAHRA en het project de conflict-/hoogrisicoaspecten bij aankoop van mineralen duidelijk maakt.

  • De mate waarin het project een realistische risicoanalyse bevat die de risico's en risicobeperkingsstrategieën aantoont.

  • 3. Duurzaamheid

  • De mate waarin het project maatregelen bevat en ontwerpt om een concrete, realistische en haalbare duurzaamheidsstrategie uit te voeren waarmee het voortbouwen op de projectresultaten na afloop van de beoogde looptijd wordt gegarandeerd (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • De mate waarin de projectresultaten worden voortgezet door doelgroepen, in lokale structuren en/of verantwoordelijke organen.

  • De mate waarin het project ontworpen is om dupliceerbaar en schaalbaar te zijn (in andere regio's/landen en/of in omvang) (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • 4. Partnerschap/organisatie

  • De mate waarin de projectpartners hun sporen hebben verdiend op het vlak van verantwoorde artisanale en kleinschalige mijnbouw en het creëren van een link met de markt, aanwezigheid van vaardigheden en goede governancestructuren om het project uit te voeren.

  • De mate waarin de keuze van projectpartners leidt tot een efficiënte uitvoering van het project.

  • De mate waarin in het project projectpartners zijn betrokken die up-, mid- en/of downstreamactoren zijn (voor dit criterium kunnen bonuspunten worden toegekend).

  • 5. Uitvoering van het project

  • De mate waarin de voorgestelde projectactiviteiten technisch uitvoerbaar en haalbaar zijn in de geplande uitvoeringsperiode.

  • De mate waarin het projectbudget strookt met de projectactiviteiten en accuraat is.

  • De mate waarin het projectbudget realistisch en aanvaardbaar is met betrekking tot de omvang van de beschreven impact/projectresultaten/activiteiten.

  • De mate waarin het monitoring- en evaluatiesysteem volstaat en doeltreffend is voor toezicht op de voortgang en corrigerende acties in termen van middelen, activiteiten, output, uitkomsten en de onderliggende uitgangspunten.

  • De mate waarin projectmedewerkers ervaren en in staat zijn om het project uit te voeren.

7.2. Verdeling van beschikbare middelen

De beoordeling van de subsidieaanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen worden gerangschikt op basis van het totale aantal punten dat behaald is bij de beoordeling van de criteria voor het bepalen van de rangschikking. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking.

RVO.nl deelt de uitkomsten van de beoordeling van de subsidieaanvragen met een adviescommissie die is samengesteld door daartoe geselecteerde leden van het EPRM. RVO.nl neemt vervolgens, op grond van het door de minister aan haar verleende mandaat, een besluit over de subsidieaanvragen, rekening houdend met het advies van de adviescommissie. Besluitvorming door RVO.nl over de subsidieaanvragen die worden ingediend in deze ronde vindt plaats uiterlijk op 9 februari 2021.

Indien er onvoldoende middelen beschikbaar zijn om de volledige subsidie uit te keren aan alle geslaagde aanvragen, worden de subsidies toegekend aan de aanvragen die het beste voldoen aan de criteria (de hoogste in rangorde), tot de beschikbare middelen uitgeput zijn.

8. Afwijzingsgronden

In aanvulling op de afwijzingsgronden vermeld in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien deze niet voldoet aan deze beleidsregels en/of het beschikbare budget ontoereikend is om een subsidie toe te kennen gezien de rangorde van de aanvraag.

9. Monitoring en evaluatie

Indien tot subsidieverlening wordt overgegaan, zullen bepaalde monitoring- en evaluatieverplichtingen aan de subsidie worden verbonden in de subsidieverleningsbeschikking. De aanvrager moet meewerken aan de monitoring- en evaluatieactiviteiten van het EPRM voor de activiteiten waarvoor een subsidie is toegekend. Deze zullen onder meer betrekking hebben op het volgende. Om de voortgang van het project te monitoren zal voor elk project een baselinestudie moeten worden verricht. Tevens dient de aanvrager ieder jaar een of meerdere rapportages op te leveren, met daarin onder meer de voortgang ten opzichte van de beoogde uitkomsten en doelstelling(en).

10. Administratieve lasten

Ter onderbouwing van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met het hele proces – van het opstellen en indienen van de aanvraag en de beheerfase tot en met het afronden van het project (waarna de aanvrager een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet indienen) en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4.79% bedraagt.

  • 1

    www.responsibleminerals.eu.

  • 2

    www.responsibleminerals.eu

  • 3

    http://www.oecd.org/corporate/mne/mining.htm

  • 4

    http://mneguidelines.oecd.org/

  • 5

    http://ec.europa.eu/trade/policy/in-focus/conflict-minerals-regulation/

  • 6

    www.responsibleminerals.eu

  • 7

    PB 2003, L 124