Rijksoverheid

Wettenpocket Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992

Titel regeling
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
Type
AMvB
Wetsfamilie
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; Wet wettelijke grondslag bdu siv; Mededingingswet; Participatiewet; Kwaliteitswet zorginstellingen; Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte; Kaderwet militaire pensioenen; Wet maatschappelijke ondersteuning; Wet op de omzetbelasting 1968; Tabaks- en rookwarenwet; Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992; Wet toelating zorginstellingen; Wet financiering sociale verzekeringen; Financiële-verhoudingswet; Veteranenwet; Wetboek van Strafrecht
Geldend vanaf
1-8-2019
Geselecteerde elementen
Volledig
Besluit van 27 oktober 2014, houdende regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2014, kenmerk 644936-123830-WJZ;
Gelet op artikelen 1.1.2, vijfde lid, 1.2.2, derde lid, 2.1.4, vierde lid, 2.6.2, tweede lid, 2.6.5, tweede lid, 3.3, derde lid, en 5.4.1, derde en vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, 6, vierde lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, 4, eerste lid, van de Wet wettelijke grondslag bdu siv, 29, derde lid, van de Mededingingswet, 40, eerste lid, van de Participatiewet, 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen, 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen, 15, derde lid, en 19, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, 11, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting, 11, eerste lid, van de Tabakswet, 15, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen, 90, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 13, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, 5, tweede lid, en 7, tweede lid, van de Veteranenwet en 16 van het Wetboek van strafrecht;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 1 oktober 2014, nummer W13.14.0265/III;
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2014, 678491-128032-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • belasting:

    • 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;

    • 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • bijdrage: bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget;

  • compensatie vervallen ouderentoeslag: een aftrek in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 3.2a, eerste tot en met derde lid;

  • grondslag sparen en beleggen: grondslag sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • inkomen:

    • 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

    • 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld;

  • pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

  • standaardpremie: het bedrag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;

  • vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 3.2;

  • vermogensinkomensbijtelling: bijtelling van het vermogen als bedoeld in artikel 3.2a;

  • wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • zak- en kleedgeld: bedrag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet;

  • zorgtoeslag: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de zorgtoeslag;

  • zorgverzekering: verzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.

Hoofdstuk 2. Gelijkstelling vreemdeling

Artikel 2.1

  • 1. Voor de toepassing van de wet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

    • a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

    • b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:

    • a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

    • b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Hoofdstuk 3. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget

§ 1. Algemeen

Artikel 3.1

  • 1. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 2.1.4, eerste lid, onderdeel b, of artikel 2.1.5 van de wet is een bijdrage verschuldigd.

  • 3. Paragraaf 3 is van toepassing op bijdragen voor beschermd wonen.

  • 4. Paragraaf 4 is van toepassing op bijdragen voor opvang.

Artikel 3.2

  • 1. Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:

    • a. op aanvraag van de persoon, het bedrag ter grootte van door de persoon in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen;

    • b. voor de toepassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.14, eerste lid, een bedrag van € 10.171 voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.171 voor zijn echtgenoot die:

      • 1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; of

      • 2°. de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, of artikel 3.12, eerste en tweede lid, dan wel artikel 3.3.2.1, eerste lid, of artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid, van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is,

    met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.

  • 2. De vermogensgrondslag van een persoon is zijn grondslag sparen en beleggen, over het peiljaar, of indien over het peiljaar artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op de persoon van toepassing is, het aan hem toegerekende gedeelte van de toepasselijke gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in dat lid.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon bij toepassing jegens hem van artikel 3.14, tweede lid, artikel 3.15, tweede lid, of artikel 3.16, de te verwachten grondslag sparen en beleggen over het lopende jaar, of indien artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermoedelijk op de persoon van toepassing zal zijn, het te verwachten aan hem toe te rekenen deel van de toepasselijke te verwachten gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 4. Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.

Artikel 3.2a

  • 1. De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt een percentage van het vermogen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Dat percentage bestaat uit de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling en 4%.

  • 2. De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt ten hoogste de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling en 2,8%, vermenigvuldigd met 25.000.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot van de cliënt.

  • 4. De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.

Artikel 3.3

  • 1. De cliënt betaalt de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede tot en met vierde lid, binnen dertig dagen nadat het CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de cliënt een bijdrage verschuldigd is, tenzij dat besluit een later tijdstip vermeldt.

  • 2. Het CAK is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de cliënt met vorderingen van of op de cliënt krachtens de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

  • 3. Het gemeentebestuur of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een cliënt met vorderingen van of op deze cliënt krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet. De eerste volzin is niet van toepassing op de bijdrage voor opvang voor personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

  • 4. Het CAK of de instantie, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, maakt, indien van toepassing, voor de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede tot en met vierde lid, en het bedrag, bedoeld in artikel 3.4a, gebruik van:

    • a. het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens;

    • b. gegevens van het college over de verstrekte maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget.

  • 5. Ten behoeve van de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, levert het college van de gemeente, waarvan de cliënt ingezetene is, de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, onmiddellijk doch uiterlijk binnen vier weken na afloop van de bijdrageperiode waarin de ondersteuning geleverd is, bij het CAK aan, tenzij dienaangaande reeds binnen die termijn toepassing is gegeven aan artikel 5.2.2, aanhef, onderdeel b, van de wet.

Artikel 3.4

  • 1. Een wijziging in de burgerlijke staat van de cliënt en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de cliënt of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herberekening, bedoeld in artikel 3.18, een cliënt als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herberekening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

  • 2. De cliënt meldt aan het CAK wijzigingen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.5

  • 3. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, wordt onmiddellijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdelen a en b, voor zover het de inkomensgegevens en een kennisgeving dat een maatwerkvoorziening is verstrekt betreft, door de instantie, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, zijn ontvangen.

  • 4. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, is verschuldigd met ingang van de bijdrageperiode waarin de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is verstrekt doch ten hoogste over de 39 bijdrageperioden die voorafgaan aan de bijdrageperiode waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden.

  • 5. De bijdrage, bedoeld in het tweede lid, is verschuldigd met ingang van de maand waarin de maatwerkvoorziening is verstrekt doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden.

  • 6. De bijdrage, bedoeld in het derde lid, is verschuldigd met ingang van de bijdrageperiode waarin de maatwerkvoorziening is verstrekt doch ten hoogste over de 39 bijdrageperioden die voorafgaan aan de bijdrageperiode waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden.

  • 7. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de wet, bij het vaststellen van de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van de totale kostprijs, de kosten per bijdrageperiode of het aantal van de bijdrageperioden zoals door het college aangegeven. Als het college de kosten per bijdrageperiode of het aantal bijdrageperiode doorgeeft, berekent het CAK de kostprijs per bijdrageperiode.

Artikel 3.6

  • 1. De bijdrage wordt onmiddellijk herzien na het tijdstip waarop het CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet in kennis is gesteld van de

    omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.

  • 2. De bijdrage is verschuldigd of wordt gerestitueerd over ten hoogste 39 bijdrageperioden dan wel 36 maanden voor de bijdrageperiode of maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is herzien, aan de cliënt is verzonden.

  • 3. De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.

  • 4. Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de bijdrage over een bijdrageperiode of maand is vervallen op grond van het tweede lid wordt de over die periode eerder vastgestelde bijdrage van rechtswege definitief.

Artikel 3.7

§ 2. Bijdragen voor maatschappelijke ondersteuning

Artikel 3.8

  • 1. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, dan wel het totaal van deze bijdragen bedraagt niet meer dan € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen.

  • 2. De bijdrage kan bij verordening:

    • a. voor onderscheidenlijk de categorieën de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, met een daarbij per categorie vastgesteld bijdrageplichtig inkomen van de ongehuwde cliënt of een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen van de gehuwde cliënt en zijn echtgenoot, op nihil worden gesteld;

    • b. worden verlaagd door het bedrag per bijdrageperiode, genoemd in het eerste te verlagen.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt overeenkomstig de weeknummers volgens de internationale standaard ISO 8601 uitgegaan van twaalf bijdrageperioden van vier weken en een bijdrageperiode die vier of vijf weken bedraagt.

  • 4. De bijdrage is niet verschuldigd:

    • a. indien de cliënt of de echtgenoot van de cliënt een bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 dan wel een bijdrage ingevolge de artikelen 3.3.2.1 of 3.3.2.2 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is;

    • b. indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de bijdrageperiode in een instelling voor opvang verblijft;

    • c. indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het AMHK, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • d. voor een rolstoel;

    • e. voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing;

    • f. door de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt;

    • g. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt;

    • h. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.

  • 5. Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het vierde lid, onderdelen c, g en h, bij het CAK aan over hoeveel bijdrageperioden als bedoeld in het derde lid geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de bijdrageperiode waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen voor de dag waarop het oordeel van het college aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste bijdrageperiode waarover geen bijdrage is verschuldigd.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de betalingscapaciteit, bedoeld in het vierde lid, onderdeel g, door het college wordt beoordeeld.

Artikel 3.9

  • 1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.

  • 2. Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK voor de berekening van de verlaagde bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel a, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.600 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.

  • 4. Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.600 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

  • 5. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.

Artikel 3.9a

  • 1. Voor de toepassing van artikel 3.9, eerste of tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, uit het inkomen van de ongehuwde cliënt, dan wel van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.

  • 3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

Artikel 3.10

  • 1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde cliënten geen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per bijdrageperiode, genoemd in artikel 3.8, eerste lid.

  • 2. Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op onjuist bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.

Artikel 3.10a

[Vervallen]

§ 3. Bijdragen voor beschermd wonen

Artikel 3.11

  • 1. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, derde lid, bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.13, voor:

    • a. de ongehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft;

    • b. de gehuwde cliënten tezamen die beiden in een instelling voor beschermd wonen verblijven;

    • c. de gehuwde cliënt wiens echtgenoot een bijdrage ingevolge artikel 3.3.2.1 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is.

  • 2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.364,80 per maand.

  • 3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de cliënt en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd.

Artikel 3.12

  • 1. In afwijking van artikel 3.11 bedraagt een bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.14, voor:

    • a. de ongehuwde cliënt gedurende de eerste vier maanden van verblijf in een instelling voor beschermd wonen;

    • b. de gehuwde cliënten tezamen, zolang niet ten aanzien van elk van hen een periode van vier maanden is verstreken, tezamen;

    • c. de ongehuwde cliënt die moet of gehuwde cliënten tezamen die moeten voorzien in de kosten van onderhoud van eigen, aangehuwde of pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de Wet studiefinanciering 2000;

    • d. de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen indien het college het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling voor beschermd wonen voor de ongehuwde cliënt, voor beide of voor een van beide gehuwde cliënten binnen vier maanden kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd.

  • 2. De bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.14, voor:

    • a. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft en wiens echtgenoot geen maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ontvangt;

    • b. de gehuwde cliënten tezamen van wie één in een instelling voor beschermd wonen verblijft en wiens echtgenoot een persoonsgebonden budget of een andere maatwerkvoorziening ontvangt;

    • c. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft en wiens echtgenoot zorg ontvangt als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, voor zover het zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget betreft, met dien verstande dat de cliënt en zijn echtgenoot tezamen de bijdrage slechts eenmaal verschuldigd zijn.

  • 3. De bijdrage voor beschermd wonen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 164,20 en niet meer dan € 861,80 per maand.

  • 4. De onderdelen a en b van het eerste lid zijn niet van toepassing indien:

    • a. het een cliënt betreft van wie het recht op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg in verband met een psychische stoornis krachtens zijn zorgverzekering is geëindigd omdat de krachtens de Zorgverzekeringswet geldende maximumduur voor die zorg is bereikt, of

    • b. het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling voor beschermd wonen waarvoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen een bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 verschuldigd was of waren, of

    • c. het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen een bijdrage als bedoeld in artikel 3.3.2.1 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd was of waren.

  • 5. Voor de berekening van de periode van vier maanden, bedoeld in het vierde lid, worden perioden van verblijf in instellingen voor beschermd wonen samengeteld, tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan zestig dagen zijn verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op cliënten die maximaal twee weken per twee maanden in een instelling voor beschermd wonen verblijven.

  • 6. Op aanvraag van de cliënt is deze bijdrage niet verschuldigd indien de cliënt een uitkering als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet ontvangt, indien hij een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan de in dat artikel genoemde normbedragen onder de daarbij genoemde omstandigheden of indien de cliënt ingevolge artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van die wet geen uitkering ontvangt.

Artikel 3.13

  • 1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, wordt als volgt berekend:

    • a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt onderscheidenlijk de gehuwde cliënten tezamen wordt verminderd met de door die cliënt onderscheidenlijk die cliënten verschuldigde of ingehouden belasting;

    • b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

      • 1°. 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet dan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet;

      • 2°. het in het peiljaar geldende zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een cliënt die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;

      • 3°. op aanvraag van de cliënt, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;

      • 4°. de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt;

      • de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt;

    • c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.

  • 2. Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, de vermogensinkomensbijtelling over het te verwachten vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.

  • 3. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.

  • 4. Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens de definitieve vaststelling plaats. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het tweede lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van het eerste lid.

  • 5. Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.

Artikel 3.14

  • 1. Voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste en tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.

  • 2. Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.600 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt.

  • 3. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.

  • 4. Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 2.600 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

  • 5. Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.

Artikel 3.14a

  • 1. Voor de toepassing van artikel 3.14, eerste of tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste of tweede lid, uit het inkomen van de ongehuwde cliënt, dan wel van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling.

  • 3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.

Artikel 3.15

  • 1. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar waarin een cliënt of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet wordt, in afwijking van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, of artikel 3.14, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de cliënt of zijn echtgenoot over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten, alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.

  • 2. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar volgende op het jaar waarin een cliënt of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt, in afwijking van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, of artikel 3.14, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de cliënt of zijn echtgenoot over het dan lopende kalenderjaar naar verwachting zal genieten, alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.

  • 3. Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het tweede jaar volgend op het jaar waarin een cliënt of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt uitgegaan van de in het tweede lid bedoelde bedragen.

Artikel 3.16

  • 1. Indien artikel 3.13, tweede lid, of artikel 3.15, eerste of tweede lid, voor zover het betreft de afwijking van artikel 3.13, eerste lid, van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, twaalf maal het in het lopende kalenderjaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de algemene korting voor wie de pensioensgerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt onderscheidenlijk de algemene korting voor wie de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, in mindering gebracht.

  • 2. Indien artikel 3.15, eerste lid, voor zover het betreft de afwijking van artikel 3.13, eerste lid, van toepassing is en de werkzaamheden of ontvangst van uitkering in de loop van het kalenderjaar aanvangen, worden de bedragen, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, naar rato van het deel van het kalenderjaar waarover de inkomsten worden verworven, in mindering gebracht.

Artikel 3.17

  • 1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde cliënten geen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in artikel 3.12, derde lid.

  • 2. Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de grondslag sparen en beleggen, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging.

Artikel 3.18

  • 1. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december.

  • 2. In afwijking van artikel 3.17, eerste lid, geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herziening nog moet worden vastgesteld, als bijdrage, de bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was.

Artikel 3.19

  • 1. Bij de berekening van de bijdrage wordt afwezigheid uit de instelling voor beschermd wonen, anders dan in verband met beëindiging van de levering, buiten beschouwing gelaten.

  • 2. Over een gedeelte van een maand is de bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd met twaalf maal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365.

  • 3. Van de voor gehuwde cliënten gezamenlijk berekende bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte verschuldigd naar rato van ieders aandeel in het inkomen.

§ 4. Bijdragen voor opvang

Artikel 3.20

  • 1. De hoogte van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, is zodanig dat de cliënt na afdracht van de bijdrage, van zijn bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, omgerekend naar een bijdrageperiode als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, een bedrag overhoudt dat overeenkomt met het zak- en kleedgeld, vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag en gecorrigeerd met de zorgtoeslag.

  • 2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, is niet verschuldigd indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de bijdrageperiode in een instelling voor beschermd wonen verblijft.

Hoofdstuk 4. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

§ 1. Werkwijze en deskundigheid

Artikel 4.1.1

  • 1. Het college draagt er zorg voor dat het AMHK herkenbaar en toegankelijk is.

  • 2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt het college er in ieder geval zorg voor dat:

    • a. het AMHK te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet, geboden is; en

    • b. aangesloten is op een landelijk telefoonnummer dat kosteloos bereikbaar is.

  • 3. Het AMHK legt de wijze waarop het de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet, uitvoert, schriftelijk vast. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven op welke wijze:

    • a. wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens, waaronder bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, die door het AMHK worden verwerkt, slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor deze zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien, en

    • b. uitvoering wordt gegeven aan artikel 4.1.2.

Artikel 4.1.2

  • 1. Het college draagt er zorg voor dat ten behoeve van het AMHK voldoende deskundigheid beschikbaar is op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiervoor is in ieder geval een arts met deskundigheid op het gebied van kindermishandeling beschikbaar.

  • 2. Het college waarborgt de onafhankelijke uitvoering van de taak van het AMHK, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

Artikel 4.1.3

  • 1. Indien toepassing is gegeven aan artikel 5.2.1, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet draagt het AMHK er zorg voor dat de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet, worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional als bedoeld in artikel 1.1. van het Besluit Jeugdwet. Het AMHK deelt de taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professional.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het AMHK anderen dan geregistreerde professionals met de uitvoering van een of meer taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet, belasten indien het aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. Het AMHK belast anderen met die taken indien dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uit te voeren taak.

  • 3. Het AMHK draagt er zorg voor dat geregistreerde professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden.

Artikel 4.1.4

Indien de mogelijkheid tot registratie in het kwaliteitsregister jeugd, bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet, wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën van beoefenaren van beroepen in het jeugddomein, bedoeld in het eerdergenoemde artikel, blijft artikel 4.1.3 gedurende een termijn van een jaar buiten toepassing op werktoedelingen waarvan het college voor zover het betreft de toeleiding naar, de advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening, de AMHK aannemelijk kan maken dat die toedeling plaatsvindt aan een niet tot die categorie behorende beroepsbeoefenaar, indien die beroepsbeoefenaar reeds bij de aanvang van die periode binnen de betreffende organisatie werkzaam was.

Artikel 4.1.5

Indien de mogelijkheid tot registratie in het kwaliteitsregister jeugd, bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet, wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën van beoefenaren van beroepen in het jeugddomein, bedoeld in het eerdergenoemde artikel, kan gedurende een termijn van vijf jaar en drie maanden vanaf het tijdstip van aanvang van die termijn in afwijking van artikel 5.4.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit Jeugdwet een tot die categorie behorende beroepsbeoefenaar in het kwaliteitsregister jeugd zijn ingeschreven indien:

  • a. die beroepsbeoefenaar op het tijdstip waarop de termijn aanvangt werkzaam is voor het AMHK in een functie waarvoor scholing is vereist op het niveau van een hogere beroepsopleiding;

  • b. de aan de registratie van de beroepsbeoefenaar ten grondslag liggende aanvraag is ingediend binnen drie maanden na het tijdstip waarop de termijn is aangevangen;

  • c. de beroepsbeoefenaar deelneemt aan een scholingstraject dat erop gericht is uiterlijk bij de eerste herregistratie de scholing op het niveau van hoger beroepsonderwijs te voltooien, en

  • d. de registerstichting bij de uitvoering van artikel 5.4.4 Besluit Jeugdwet ervoor zorg draagt dat voor een ieder kenbaar is dat de registratie van de beroepsbeoefenaar valt onder de werking van dit artikel.

Artikel 4.1.6

  • 1. De aanvang van de termijnen, bedoeld in de artikelen 4.1.4 en 4.1.5, wordt bij besluit van Onze Ministers vastgesteld.

  • 2. De termijnen, bedoeld in de artikelen 4.1.4 en 4.1.5, kunnen bij besluit van Onze Ministers worden gewijzigd, indien het in het belang van de continuïteit van de werktoedeling noodzakelijk is.

  • 3. De besluiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 4.1.7

  • 1. Het AMHK start binnen vijf dagen na ontvangst van een melding, nadat is vastgesteld dat onderzoek moet plaatsvinden, het onderzoek naar kindermishandeling of huiselijk geweld.

  • 2. Het AMHK oordeelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of, en zo ja, tot welke stappen een onderzoek aanleiding geeft.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van besluitvorming door het AMHK.

Artikel 4.1.8

  • 1. In dit artikel wordt onder betrokkene verstaan degene die advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft of degene aan wie om informatie wordt verzocht in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding.

  • 2. Het AMHK verschaft aan iedere betrokkene bij het eerste contact informatie over:

    • a. de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek;

    • b. met inachtneming van de artikelen 4.2.12, 5.1.6 en 5.3.1 van de wet:

      • 1°. de verwerking van persoonsgegevens; en

      • 2°. het recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden; en

    • c. de wijze van behandeling van klachten.

  • 3. Het AMHK verstrekt geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien:

    • a. een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of pedagogische relatie tot het slachtoffer of het vermoedelijke slachtoffer of zijn huiselijke kring staat, de persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt en het verstrekken van die inlichtingen:

      • 1°. een bedreiging vormt of kan vormen voor het slachtoffer of het vermoedelijke slachtoffer of zijn huiselijke kring;

      • 2°. een bedreiging vormt of kan vormen voor de persoon, bedoeld onder a, of medewerkers van die persoon, of

      • 3°. leidt of kan leiden tot een ernstige verstoring van de vertrouwensrelatie met de huiselijke kring waartoe het slachtoffer of het vermoedelijke slachtoffer behoort;

    • b. het andere personen betreft dan die bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven.

§ 2. De vertrouwenspersoon

Artikel 4.2.1

In deze paragraaf wordt onder «personen die bij een melding aan het AMHK betrokken zijn» verstaan jeugdigen, ouders of pleegouders die een melding doen, op wie een melding betrekking heeft of aan wie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding informatie wordt gevraagd.

Artikel 4.2.2

De informatie die het AMHK aan personen die bij een melding aan het AMHK betrokken zijn, verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon, bestaat in ieder geval uit informatie over:

  • a. de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;

  • b. de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;

  • c. de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;

  • d. het feit dat de ondersteuning kosteloos is, en

  • e. de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Artikel 4.2.3

De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met personen die bij een melding aan het AMHK betrokken zijn, te spreken.

Artikel 4.2.4

Het AMHK verschaft aan de vertrouwenspersoon de faciliteiten die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel 4.2.5

De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen waar het AMHK zijn werkzaamheden uitoefent, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is.

Artikel 4.2.6

Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde verschaft het AMHK aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen en toont hem alle bescheiden die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel 4.2.7

[Vervallen]

§ 3. Beleidsinformatie

Artikel 4.3.1

  • 1. De structurele verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet, vindt plaats op elektronische wijze aan het Centraal Bureau voor de Statistiek.

  • 2. Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en het college vragen geen gegevens uit ten behoeve van de doelen, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid van de wet, indien zij of het Centraal Bureau voor de Statistiek reeds over deze gegevens beschikken en deze gegevens gebruikt kunnen worden ten behoeve van deze doelen.

Artikel 4.3.2

  • 1. De structurele verstrekking van gegevens, bedoeld in

    artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet, betreft:

    • a. het aantal gegeven adviezen, uitgesplitst naar kindermishandeling en de aard van het huiselijk geweld;

    • b. het aantal ontvangen meldingen uitgesplitst naar huiselijk geweld enerzijds en kindermishandeling anderzijds, inclusief het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van degene over wie een melding is gedaan;

    • c. het aantal verrichte onderzoeken uitgesplitst naar huiselijk geweld enerzijds en kindermishandeling anderzijds, inclusief de burgerservicenummers van degenen over wie een melding is gedaan;

    • d. de hoedanigheid van de persoon die contact opnam met het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • e. de datum van de melding;

    • f. de datum van de start van het onderzoek;

    • g. de datum van afronding van het onderzoek;

    • h. de uitkomst van de verrichte onderzoeken met inbegrip van, indien van toepassing, de aard van het geweld of de mishandeling; en

    • i. het vervolgtraject na afronding van het onderzoek.

  • 2. Een incidentele verstrekking van gegevens uit hoofde van artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet betreft geen persoonsgegevens.

Artikel 4.3.3

  • 1. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt voor het verstrekken van de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet, bepaald:

    • a. welke gegevens worden verstrekt alsmede, voor zover nodig, een nadere omschrijving van deze gegevens;

    • b. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt;

    • c. de tijdvakken waarop de gegevens die worden verstrekt betrekking hebben;

    • d. de termijnen waarbinnen of de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt.

  • 2. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt een informatieprotocol vastgesteld.

Hoofdstuk 4a. Tolkvoorzieningen auditief gehandicapten leefdomein

§ 1. Toekenning tolkdiensten

Artikel 4a.1.1

  • 1. Een ingezetene als bedoeld in artikel 3a.1.1, eerste lid, van de wet, heeft, na aanvraag bij het UWV, recht op vergoeding van een bij ministeriële regeling vastgesteld aantal uren aan tolkdiensten over bij ministeriële regeling vast te stellen perioden.

  • 2. In afwijking van het ten hoogste beschikbare aantal uren, bedoeld in het eerste lid, kunnen meer uren door het UWV worden toegekend voor tolkdiensten bij activiteiten die in het belang zijn voor de deelname aan het maatschappelijke verkeer, indien:

    • a. de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, een onderbouwde aanvraag indient bij het UWV voor ondersteuning; en

    • b. naar het oordeel van het UWV het aangevraagde aantal aanvullende uren in redelijke verhouding staat tot de bijdrage aan de mogelijkheden van de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, tot deelname aan het maatschappelijk verkeer.

  • 3. De vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt toegekend indien de ingezetene een verklaring heeft van de huisarts of behandeld medisch specialist, waaruit blijkt dat deze ingezetene op deze tolkdiensten is aangewezen. Deze verklaring wordt eenmalig gevraagd, tenzij het UWV op grond van artikel 73a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen deze al heeft verkregen voor de uitvoering van aan het UWV opgedragen taken. Bij de uitvoering van dit artikel is het UWV bevoegd de verklaring te gebruiken, die het UWV heeft verkregen voor de uitvoering van aanspraken op tolkvoorzieningen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet overige OCW-subsidies en de Participatiewet.

  • 4. Het aantal toegekende uren, bedoeld in het eerste lid, kan verschillen per tolkvoorziening, waaronder tolkdiensten met behulp van telecommunicatiemiddelen, of per te onderscheiden doelgroep, waarbij in ieder geval wordt onderscheiden diegenen die zowel een auditieve als een visuele beperking hebben.

  • 5. De op grond van het tweede lid toegekende uren worden verrekend met de resterende uren waarop de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, reeds recht heeft op grond van dat lid.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over:

    • a. de gegevens die bij een aanvraag moeten worden ingediend;

    • b. de declaratie van een vergoeding voor tolkvoorzieningen per tolkvoorziening.

Artikel 4a.1.2

Het UWV kan tolkdiensten toekennen aan instellingen voor activiteiten die zich mede richten op auditief beperkte personen, indien:

  • a. die instelling geen winstoogmerk heeft;

  • b. de instelling gemotiveerd aantoont één of meerdere activiteiten te organiseren waarbij personen met een auditieve beperking ook tot de doelgroep behoren; en

  • c. de tolkdiensten passender door middel van een toekenning aan een instelling kunnen worden vergoed dan per ingezetene op grond van artikel 4a.1.1, eerste of tweede lid.

Artikel 4a.1.3

  • 1. Het UWV kan, in afwijking van de artikelen 4a.1.1 en 4a.1.2, zonder aanvraag ambtshalve noodzakelijke tolkdiensten toekennen aan:

    • a. instellingen als bedoeld in artikel 3a.1.1, tweede lid, van de wet; of

    • b. een persoon, bedoeld in artikel 3a.1.1, tweede lid, van de wet:

      • 1°. in spoedeisende gevallen;

      • 2°. indien de onverkorte toepassing van artikel 4a.1.1 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

  • 2. De ambtshalve toekenning bedoeld in het eerste lid kan ook betrekking hebben op vreemdelingen als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000.

§ 2. Kwaliteitseisen tolkdiensten

Artikel 4a.2.1

Tolkendiensten van tolken komen alleen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 3a.1.1 van de wet, als de tolken ingeschreven staan in het openbaar register van de Stichting Register Tolken Gebarentaal en Schrijftolken.

Hoofdstuk 5. Overige bepalingen

Artikel 5.1

  • 1. Het college neemt in een overeenkomst met betrekking tot het leveren van maatwerkvoorzieningen op, dat de aanbieder in overleg treedt met de aanbieder of aanbieders die in opdracht van het college laatstelijk voor hem dan wel na hem die maatwerkvoorzieningen hebben verleend dan wel gaan verlenen, over de overname van de betrokken hulpverleners.

  • 2. Het college verleent een opdracht voor het leveren van maatwerkvoorzieningen ten minste drie maanden voor de ingangsdatum van die opdracht.

Artikel 5.2

  • 1. Teneinde te komen tot de afspraken, bedoeld in artikel 5.4.1, tweede lid, van de wet, nodigt het college, zo veel als mogelijk in samenwerking met andere colleges in de regio, de in die regio werkzame zorgverzekeraars periodiek uit voor overleg.

  • 2. Indien het college en de zorgverzekeraars gezamenlijk oordelen dat dit met het oog op het maken van goede afspraken wenselijk is, nodigt het college ook andere in de regio op de in artikel 5.4.1, tweede lid, van de wet genoemde terreinen werkzame organisaties en instanties uit voor overleg. Artikel 5.4.1, eerste, tweede en vierde lid, van de wet is op deze organisaties en instanties van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.3

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet door de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 5.4

  • 1. De gemeenteraad regelt bij verordening als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet, in ieder geval dat het college, voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, vaststelt:

    • a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en

    • b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Bij verordening als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet wordt geregeld dat de vaste prijs of de reële prijs voor een dienst ten minste is gebaseerd op de volgende kostprijselementen:

    • a. de kosten van de beroepskracht;

    • b. redelijke overheadkosten;

    • c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d. reis en opleidingskosten;

    • e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en

    • f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5. Het college beslist met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren.

Hoofdstuk 6. Wijziging van andere besluiten

Artikel 6.1

[Wijzigt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.]

Artikel 6.2

[Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.]

Artikel 6.3

[Wijzigt het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten.]

Artikel 6.4

[Wijzigt het Besluit bijzondere militaire pensioenen.]

Artikel 6.5

[Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen.]

Artikel 6.6

[Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.]

Artikel 6.7

[Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte.]

Artikel 6.8

[Wijzigt het Besluit maatschappelijke ondersteuning.]

Artikel 6.9

[Wijzigt het Besluit tijdelijke verruiming toepassingsbereik concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen.]

Artikel 6.10

[Wijzigt het Besluit Wfsv.]

Artikel 6.11

[Wijzigt de Reclasseringsregeling 1995.]

Artikel 6.12

[Wijzigt het Besluit van 11 december 1996, houdende uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen en wijziging van enige besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.]

Artikel 6.13

[Wijzigt het Bijdragebesluit zorg.]

Artikel 6.14

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.]

Artikel 6.15

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.]

Artikel 6.16

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi.]

Artikel 6.17

[Wijzigt het Veteranenbesluit.]

Artikel 6.18

[Wijzigt het Zorgindicatiebesluit.]

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1

Na inwerkingtreding van de wet berust het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 op artikel 1.1.2, vijfde lid, van de wet.

Artikel 7.2

Na inwerkingtreding van de wet berust het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling op artikel 3.3, derde lid, van de wet.

Artikel 7.3

  • 1. Gedurende een periode van een jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.1.3 is dat artikel niet van toepassing op werktoedelingen waarvan een AMHK aannemelijk kan maken dat die toedeling plaatsvindt aan een beroepsbeoefenaar die reeds binnen de betreffende organisatie werkzaam was op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.1.3.

  • 2. Indien en voor zover op een organisatie artikel 77a van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg tot de intrekking van dat artikel van toepassing was, geldt voor die organisatie als aanvangsdatum voor de in het eerste lid genoemde periode van een jaar, het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 77a van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Artikel 7.4

[Vervallen]

Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 8.1

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 8.2

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 27 oktober 2014

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M.J. van Rijn