Rijksoverheid

Wettenpocket Burgerlijk Wetboek Boek 7

Titel regeling
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003; Algemene wet inzake rijksbelastingen; Douanewet; Invorderingswet 1990; Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven; Grondwet; Wet bescherming persoonsgegevens; Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet; Wet kinderopvang; Wet financiering sociale verzekeringen; Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen; Wet geldstelsel BES; Belastingwet BES; Burgerlijk Wetboek Boek 7; Wet tegemoetkomingen loondomein
Geldend vanaf
1-1-2021
Geselecteerde elementen
Volledig
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003

De Staatssecretaris van Financiën, voorzover nodig in overeenstemming met de Minister van Justitie,

Gelet op de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 53, tweede lid, 56 en 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 4, tweede lid, 15, tweede lid, en 18 van de Douanewet en de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, 5, tweede lid, en 63a van de Invorderingswet 1990;

Besluit:

Artikel 1

Deze regeling berust op de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 39, 56 en 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, 5, tweede lid, en 63a van de Invorderingswet 1990, artikel 34a, tweede lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, artikel 1, onderdelen h en i, van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten, artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, artikel 1, onderdeel t, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1, onderdeel g, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet tegemoetkomingen loondomein, artikel 252a, tweede lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1.3, onderdelen k en l, en 8.1 van de Belastingwet BES.

Hoofdstuk 1. Organisatie van de Belastingdienst

Artikel 2

  • 1. Er is een rijksbelastingdienst onder de naam Belastingdienst. Deze dienst is belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen en met andere bij of krachtens de wet opgedragen taken.

  • 2. De Belastingdienst staat onder het gezag van de Minister van Financiën.

Artikel 3

  • 1. De organisatie van de Belastingdienst bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a1.

      • Belastingdienst/Particulieren;

      • Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf;

      • Belastingdienst/Grote ondernemingen;

    • a2. Belastingdienst/Caribisch Nederland;

    • b1. Belastingdienst/Douane Landelijk Kantoor;

    • b2. Douaneregio’s:

      • Belastingdienst/Douane Amsterdam;

      • Belastingdienst/Douane Arnhem;

      • Belastingdienst/Douane Breda;

      • Belastingdienst/Douane Eindhoven;

      • Belastingdienst/Douane Groningen;

      • Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven;

      • Belastingdienst/Douane Schiphol Cargo;

      • Belastingdienst/Douane Schiphol Passagiers;

    • c1. Belastingdienst/Centrale administratieve processen (B/CAP);

    • c2. Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD);

    • d.

      • Belastingdienst/Informatievoorziening (B/IV);

      • Belastingdienst/Klantinteractie en Services (B/KI&S);

      • Belastingdienst/Central Liaison Office (B/CLO);

    • e.

      - Centrale dienst voor in- en uitvoer (CDIU);

      - Douane informatiecentrum (DIC);

      - Douane Laboratorium;

    • f.

      - Belastingdienst/Toeslagen.

  • 2. De organisatieonderdelen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a1 en a2, zijn belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen, andere dan bedoeld in het derde lid en andere dan de motorrijtuigenbelasting en de belasting zware motorrijtuigen, doch met dien verstande dat deze onderdelen wel mede zijn belast met de invordering van de motorrijtuigenbelasting en de belasting zware motorrijtuigen. Deze onderdelen zijn mede belast met de uitvoering van de basisregistratie inkomen.

  • 3. De organisatieonderdelen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a2, b1 en b2, zijn belast met de heffing en invordering van:

    • a. de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer;

    • b. de accijnzen;

    • c. de omzetbelasting bij invoer, tenzij artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepassing vindt, alsmede de algemene bestedingsbelasting;

    • d. de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak;

    • e. de kolenbelasting, voor zover deze wordt geheven ter zake van de invoer, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, onderdeel m, en 35 van de Wet belastingen op milieugrondslag.

  • 4. De B/CAP is belast met de heffing en invordering van de motorrijtuigenbelasting en de belasting zware motorrijtuigen en is mede belast met de heffing en invordering van overige rijksbelastingen. De B/CAP is mede belast met de uitvoering van de basisregistratie inkomen.

  • 5. De Belastingdienst/Toeslagen is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van:

    • a. het kindgebonden budget, bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget;

    • b. de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

    • c. de zorgtoeslag, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag;

    • d. de huurtoeslag, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 3a

  • 1. De in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1 en b2, genoemde organisatieonderdelen zijn mede belast met de heffing en invordering van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, tenzij:

    • a. de belasting wordt voldaan door de vergunninghouder, bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, of

    • b. teruggaaf op verzoek wordt verleend.

  • 2. De in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1 en b2, genoemde organisatieonderdelen zijn mede belast met de heffing en invordering van de omzetbelasting, indien artikel 7, zesde lid, of artikel 17h, tweede of derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepassing vindt.

Artikel 4

  • 1. De Belastingdienst staat onder leiding van de directeur-generaal Belastingdienst, bijgestaan door een directieteam (het directieteam Belastingdienst).

  • 2. De organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, c1, c2, d en f, staan, met uitzondering van de B/CLO, elk onder leiding van een algemeen directeur. Het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, staat onder leiding van een directeur.

Hoofdstuk 2. Aanwijzing van functionarissen

Artikel 5

  • 1. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1 en c1, de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, en de algemeen directeur Douane zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 en artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES.

  • 2. De directeur-generaal Belastingdienst is inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 voorzover het de belastingaangelegenheden betreft die verband houden met het Koninklijk Huis.

Artikel 5a

  • 1. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1 en c1, de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, en de algemeen directeur Douane zijn inspecteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 1, onderdeel g, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen.

  • 2. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a1 en c1, en de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1, onderdeel h onderscheidenlijk onderdeel i, van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten.

  • 3. De algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel c1, genoemde organisatieonderdeel is inspecteur als bedoeld in artikel 252a, tweede lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1 en c1, zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet tegemoetkomingen loondomein.

Artikel 5b

De directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, is belastingdeurwaarder als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel l, van de Belastingwet BES.

Artikel 6

De algemeen directeur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen is inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 54, onderdelen f en g, van de Mijnbouwwet.

Artikel 6a

[Vervallen]

Artikel 7

De algemeen directeur Belastingdienst/Particulieren is directeur als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990.

Artikel 8

De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, c1 en c2, de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, en de algemeen directeur Douane oefenen het bestuur van ’s Rijks belastingen uit. De algemeen directeuren en de directeur kunnen ambtenaren aanwijzen die namens hen de bevoegdheden van het bestuur van ’s Rijks belastingen uitoefenen.

Artikel 9

  • 1. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1 en c1, de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, en de algemeen directeur Douane zijn ambtenaar als bedoeld in artikel 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

  • 2. Als functionarissen als bedoeld in artikel 76, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden aangewezen de ambtenaren van de Belastingdienst (contactambtenaren) die door de in het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn aangewezen om namens hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit te oefenen.

Artikel 9a

De ambtenaren van de Belastingdienst die daartoe door de directeur-generaal Belastingdienst zijn aangewezen, zijn inspecteur als bedoeld in artikel 94 van de Wet op het notarisambt.

Artikel 10

De verplichtingen die ingevolge de artikelen 47, 47a, 48, 49, 50, 53 en 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 58, 59, 60 en 62 van de Invorderingswet 1990 en de artikelen 8.83, 8.84, 8.85, 8.87 en 8.91 van de Belastingwet BES bestaan jegens de inspecteur en de ontvanger, gelden mede jegens de directeur van de FIOD alsmede jegens de door deze directeur aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.

Hoofdstuk 3. Ressortering onder functionarissen

Artikel 11

  • 1. Natuurlijk personen, lichamen en entiteiten ressorteren:

    • a. met inachtneming van de woonplaats van een natuurlijk persoon dan wel de vestigingsplaats van een lichaam of entiteit, voor de heffing en invordering, bedoeld in:

      • 1°. artikel 3, tweede lid: onder de algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a1;

      • 2°. artikel 3, derde lid: onder de algemeen directeur Douane en onder een van de douaneregio's;

    • b. voor de heffing en invordering, bedoeld in artikel 3, vierde lid, en voor de uitvoering van de basisregistratie inkomen: onder de directeur van de B/CAP; tenzij in dit hoofdstuk dan wel op grond van het derde lid anders is bepaald.

  • 2. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a1, de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a2, en de algemeen directeur Douane kunnen voor de toepassing van deze regeling bepalen dat een natuurlijk persoon of een lichaam al dan niet tezamen met een of meer daarmee direct of indirect in bestuurlijk, financieel, administratief of maatschappelijk opzicht verbonden natuurlijke personen of lichamen als een entiteit wordt beschouwd.

  • 3. De algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1 en c1, en de algemeen directeur Douane kunnen nadere richtlijnen geven omtrent het bepaalde in dit hoofdstuk en kunnen afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 4. De woonplaats van een natuurlijk persoon en de vestigingsplaats van een lichaam of een entiteit worden naar de omstandigheden beoordeeld.

  • 5. In afwijking in zoverre van dit hoofdstuk, ressorteert een natuurlijk persoon die, een lichaam dat of een entiteit die belasting- of inhoudingsplichtig is op grond van de Belastingwet BES of de Douane- en Accijnswet BES onder de directeur van de Belastingdienst/Caribisch Nederland.

Artikel 11a

[Vervallen]

Artikel 12

[Vervallen]

Artikel 13

[Vervallen]

Artikel 13a

[Vervallen]

Artikel 14

[Vervallen]

Artikel 15

[Vervallen]

Artikel 16

[Vervallen]

Artikel 17

[Vervallen]

Artikel 18

Met betrekking tot de uitvoering van artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 35a van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992, zoals dat artikel luidde op 31 december 2002, en artikel 8, vierde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, ressorteert de natuurlijk persoon, het lichaam, de entiteit of de administratieplichtige onder de directeur van de B/CAP.

Artikel 19

  • 1. De onder de NAVO vallende organisaties, met uitzondering van het NATO CI Agency te Den Haag, alsmede de in Nederland gestationeerde buitenlandse NAVO-militairen, ressorteren onder:

    • a. de algemeen directeur van de Belastingdienst/Particulieren (kantoor Den Haag): met betrekking tot de directe belastingen, de inkomstenbelasting en de omzetbelasting op diensten; en

    • b. onder de algemeen directeur Douane:, met betrekking tot alle andere rijksbelastingen.

  • 2. Onder de algemeen directeur, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, en de algemeen directeur Douane ressorteren de personeelsleden van de daar genoemde organisaties en hun partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, kinderen en andere inwonende gezinsleden van deze personeelsleden, alsmede gewezen personeelsleden van deze organisaties, of hun nagelaten betrekkingen die van de desbetreffende organisatie een pensioen ontvangen en gewezen personeelsleden van deze organisaties die van de desbetreffende organisatie geen pensioen ontvangen, indien en zolang een tijdens de actieve periode ontstaan verlies als bedoeld in artikel 3.150 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet is verrekend.

Artikel 20

  • 1. De volgende instellingen of personen die op grond van internationaal recht geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van belasting, ressorteren onder de algemeen directeur van de Belastingdienst/Particulieren (kantoor Den Haag):

    • a. United Nations:

      • 1°. International Residual Mechanism for Criminal Tribunals (IRMCT);

      • 2°. International Court of Justice (ICJ);

      • 3°. Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology (UNU-MERIT);

      • 4°. Special Tribunal for Lebanon;

      • 5°. Residual Special Court for Sierra Leone, ’s-Gravenhage;

      • 6°. Interregional Crime and Justice Research Institute – Centre for Artificial Intelligence and Robotics (UNICRI);

      • 7°. Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA);

      • 8°. United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR);

    • b. International Criminal Court (ICC);

    • c. Permanent Court of Arbitration (PCA);

    • d. Hague Conference on Private International Law (HCCH);

    • e. NATO CI Agency;

    • f. European Union:

      • 1°. Vertegenwoordiging van de Europese Commissie;

      • 2°. Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement;

      • 3°. European Police Office (Europol);

      • 4°. European Union’s Judicial Cooperation Unit (Eurojust);

      • 5°. European Commission Joint Research Centre Petten;

      • Europees Geneesmiddelenbureau (EMA);

      • 7°. Kosovo Specialist Chambers and Specialist Prosecutors Office;

      • 8°. Galileo Reference Centre (GRC);

      • 9°. Europese Investeringsbank (EIB);

    • g. Office of the High Commissioner on National Minorities of the Organisation for Security and Cooperation in Europe (HCNM/OSCE);

    • h. European Organisation for the Safety of Air Navigation (Eurocontrol);

    • i. European Space Agency / European Space Research and Technology Center (ESA/ESTEC);

    • j. European Patent Organisation (EPO);

    • k. Technical Centre for Agriculture and Rural Cooperation (CTA);

    • l. Iran-United States Claims Tribunal;

    • m. International Organisation for Migration (IOM);

    • n. Common Fund for Commodities (CFC);

    • o. Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW);

    • p. het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba;

    • q. het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao;

    • r. het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten;

    • s. diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen;

    • t. International Development Law Organization (IDLO);

    • u. International Institute for Democracy and Electoral Assistance (International IDEA);

    • v. International Commission on Missing Persons (ICMP).

  • 2. De volgende instellingen ressorteren voor de heffing en invordering van omzetbelasting onder de algemeen directeur van de Belastingdienst/Particulieren (kantoor Den Haag):

    • a. de Nederlandse Taalunie;

    • b. Benelux Office for Intellectual Property;

    • c. de Volksbund Deutsche Kriegsgräber Fürsorge;

    • d. de Amerikaanse Militaire Begraafplaats te Margraten;

    • e. Commonwealth War Graves Commission te Ieper;

    • f. Joint Institute for Very Long Baseline Interferometry - European Research Infrastructure Consortium (JIV-ERIC);

    • g. Common Language Resources and Technology Infrastructure - European Research Infrastructure Consortium (CLARIN ERIC);

    • h. The European Advanced Translational Research Infrastructure in Medicine - European Research Infrastructure Consortium (EATRIS-ERIC);

    • i. e-Science and Technology European Infrastructure for Biodiversity and Ecosystem Research - European Research Infrastructure Consortium (LifeWatch ERIC).

  • 3. De volgende instellingen ressorteren voor de heffing en invordering van omzetbelasting en van de in artikel 3, derde lid, bedoelde rijksbelastingen onder de algemeen directeur van de Belastingdienst/Particulieren (kantoor Den Haag):

    • a. internationale organisaties en NAVO-onderdelen gevestigd, dan wel gelegerd in andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede de daaraan verbonden personeelsleden;

    • b. internationale organisaties gevestigd buiten het grondgebied van de Europese Unie.

  • 4. Onder de algemeen directeur, genoemd in het eerste en derde lid, ressorteren de personeelsleden van de daar genoemde organisaties en hun partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, kinderen en andere inwonende gezinsleden van deze personeelsleden, alsmede gewezen personeelsleden van deze organisaties, of hun nagelaten betrekkingen die van de desbetreffende organisatie een pensioen ontvangen en personeelsleden van in Nederland gevestigde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen, met uitzondering van honoraire consuls, alsmede personeelsleden van de in het tweede lid genoemde instellingen voorzover zij in aanmerking komen voor diplomatieke vrijstellingen van belastingen.

  • 5. Onder de algemeen directeur, genoemd in het eerste lid, ressorteren de Nederlandse leden van het Europees Parlement en hun partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 21

[Vervallen]

Artikel 22

[Vervallen]

Artikel 23

[Vervallen]

Artikel 24

[Vervallen]

Artikel 25

[Vervallen]

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 26

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst wordt ingetrokken.

Artikel 26a

Artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op de kindertoeslag, bedoeld in artikel 6a van de Wet op het kindgebonden budget.

Artikel 26b

[Vervallen]

Artikel 27

  • 1. Een functionaris die na inwerkingtreding of wijziging van deze regeling is aangewezen als directeur, inspecteur of ontvanger, treedt in de plaats van de functionaris die als zodanig vóór inwerkingtreding of wijziging van deze regeling was aangewezen of zonder inwerkingtreding of wijziging van deze regeling aangewezen zou zijn geweest. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een ambtenaar die is aangewezen om het bestuur van ‘s Rijks belastingen uit te oefenen, alsmede met betrekking tot een functionaris die na inwerkingtreding of wijziging van deze regeling is belast met de leiding van het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel f. Onder functionaris of ambtenaar wordt mede verstaan een groep van functionarissen of ambtenaren.

  • 2. Beslissingen die zijn of worden genomen door de directeur, inspecteur of ontvanger die als zodanig vóór inwerkingtreding dan wel wijziging van deze regeling bevoegd was dan wel zonder inwerkingtreding of wijziging van deze regeling bevoegd zou zijn geweest, worden geacht te zijn genomen door de directeur, inspecteur of ontvanger die als zodanig op grond van deze regeling bevoegd is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beslissingen van een ambtenaar die vóór inwerkingtreding dan wel wijziging van deze regeling bevoegd was dan wel zonder inwerkingtreding van deze regeling bevoegd zou zijn geweest om het bestuur van ‘s Rijks belastingen uit te oefenen.

  • 3. Verplichtingen die na inwerkingtreding of wijziging van deze regeling jegens een andere functionaris gelden dan vóór inwerkingtreding dan wel wijziging van deze regeling, gelden mede jegens de functionaris jegens wie de verplichtingen golden tot inwerkingtreding of wijziging van deze regeling alsmede jegens de door die functionaris aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.

Artikel 27a

Artikel 6a, aanhef en onderdeel a, zoals dat artikel op 31 december 2015 luidde, is van overeenkomstige toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 4l van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, zoals dat artikel op 31 december 2015 luidde, in verband met rentebetalingen die zijn gedaan na 31 december 2015.

Artikel 28

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.

Artikel 29

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën,

S.R.A. van Eijck

Bijlage Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003

[Vervallen]