Rijksoverheid

Wettenpocket Wet op het voortgezet onderwijs

Titel regeling
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023; Wet overige OCW-subsidies; Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS; Wet op het primair onderwijs; Wet primair onderwijs BES; Wet op de expertisecentra; Wet op het voortgezet onderwijs; Wet voortgezet onderwijs BES; Wet educatie en beroepsonderwijs; Wet educatie en beroepsonderwijs BES; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013; Erfgoedwet; Kaderwet SZW-subsidies; Kaderwet VWS-subsidies; Wet voortgezet onderwijs 2020
Geldend vanaf
26-3-2022
Geselecteerde elementen
Volledig
Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 23 april 2019, nr. PO/7502274, houdende regels met betrekking tot subsidieverstrekking aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland voor de jaren 2019 tot en met 2023 (Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4, 5 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • afstandsonderwijs: onderwijs dat op afstand wordt verzorgd via schriftelijke, telefonische of elektronische media;

  • Europese school: school gesticht en in stand gehouden op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen;

  • mandaatbesluit: Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland;

  • minister: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;

  • onderwijsvoorziening: school of voorziening die onderwijs verzorgt in de Nederlandse taal en cultuur voor Nederlandse en Belgische leerlingen in de leeftijd van 2,5 tot en met 18 jaar en zich bevindt buiten het Nederlands en Belgisch grondgebied al dan niet in de vorm van afstandsonderwijs, met dien verstande dat in dat geval de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd, als de locatie van de onderwijsvoorziening wordt aangemerkt;

  • stichting: Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), statutair gevestigd te Leidschendam-Voorburg;

  • toezichthouder: toezichthouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

  • 1. Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

  • 2. Artikel 8.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister verstrekt aan de stichting voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2023 instellingssubsidie voor:

    • a. het ondersteunen van onderwijsvoorzieningen waaronder begrepen het onderhouden van een infrastructuur ten behoeve van kwaliteitsbewaking en lerarenbegeleiding;

    • b. het namens de minister nemen van besluiten inzake leerlinggebonden subsidie aan tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen;

    • c. het op verzoek van de minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese scholen in het kader van het bij het mandaatbesluit aan de stichting gemandateerde werkgeverschap van de Europese scholen; en

    • d. het namens de minister uitvoeren van de in het mandaatbesluit opgenomen activiteiten betreffende de Europese scholen.

  • 2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten wordt ten minste verstaan:

    • a. informatieverstrekking over het onderwijs aan ouders, scholen en overige belanghebbenden;

    • b. kwaliteitsbewaking en -bevordering door het adviseren en begeleiden van scholen op onderwijsinhoudelijk en bestuurlijk terrein; en

    • c. het bevorderen van professionalisering van leerkrachten en schoolleiding.

  • 3. De in het eerste lid, onder a, en onder b, bedoelde activiteiten zijn bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die wonen buiten het Nederlands of Belgisch grondgebied, en zijn gericht op hun terugkeer in en aansluiting bij het Nederlandstalig onderwijs in Nederland en België.

Artikel 4. Leerlinggebonden subsidie

  • 1. De minister verstrekt leerlinggebonden subsidie aan de rechtspersoon die een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening in stand houdt.

  • 2. Aan de directeur van de stichting wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten namens de minister inzake leerlinggebonden subsidie ten behoeve van Nederlandse en Belgische leerlingen die op 1 oktober van enig jaar staan ingeschreven bij een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening.

  • 3. De directeur kan ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende medewerkers.

  • 4. De leerlinggebonden subsidie per leerling is het bedrag dat de minister aan de stichting voor subsidieverstrekking verstrekt, gedeeld door het aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie.

Artikel 4a. Toekenning aanvullende leerlinggebonden subsidie

  • 1. In aanvulling op de leerlinggebonden subsidie, bedoeld in artikel 4, verstrekt de minister voor het kalenderjaar 2022 eenmalig een aanvullende subsidie aan rechtspersonen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, als compensatie van de leerlingendaling bij tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19.

  • 2. De hoogte van de subsidie per onderwijsvoorziening wordt berekend op basis van het verschil in hoogte van de door de onderwijsvoorziening in totaal ontvangen leerlinggebonden subsidie in 2019 ten opzichte van de ontvangen leerlinggebonden subsidie in 2020. Het subsidiebedrag per onderwijsvoorziening is gelijk aan de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 2019 stond ingeschreven met een bedrag per leerling van € 305 minus de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 2020 stond ingeschreven met een bedrag per leerling van € 350.

  • 3. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt, indien:

    • a. bij de onderwijsvoorziening op de teldatum van 1 oktober 2020 sprake is van een daling van 20% of meer van de door de onderwijsvoorziening ontvangen leerlinggebonden financiering ten opzichte van 1 oktober 2019; en

    • b. de onderwijsvoorziening op 1 september 2021 in stand is.

  • 4. De aanvullende subsidie bedraagt ten hoogste € 10.000 per onderwijsvoorziening.

  • 5. In aanvulling op het mandaat, bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt aan de directeur van de stichting voor het kalenderjaar 2022 tevens mandaat verleend voor het nemen van besluiten namens de minister inzake de aanvullende subsidie, bedoeld in dit artikel.

Artikel 5. Beoordeling toelating onderwijsvoorziening

  • 1. De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze toegankelijk is voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn.

  • 2. De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze bereid is zich onder het toezicht door de toezichthouder te plaatsen en om deze toegang te verlenen tot de onderwijsvoorziening.

  • 3. De stichting beoordeelt aan de hand van door haar vast te stellen criteria welke onderwijsvoorzieningen tot de ondersteuning bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, worden toegelaten.

  • 4. De criteria hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. de vorm en inrichting van het bestuur van de onderwijsvoorziening;

    • b. de kwaliteit van de inrichting van het onderwijs, zoals geoperationaliseerd in de geldende onderzoekskaders;

    • c. de minimum schoolgrootte;

    • d. de bevoegdheden en bekwaamheden van leraren; en

    • e. de aanwezigheid van een schoolplan en schoolgids die voldoen aan de door de stichting vastgestelde modellen voor de schoolgids en het schoolplan.

  • 5. De criteria worden eerst na overleg met de minister en na advies van de toezichthouder vastgesteld.

  • 6. De stichting publiceert de criteria op haar website.

Artikel 6. Toezichthouder

  • 1. Als toezichthouder als bedoeld in artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies en belast met het toezicht op de naleving van deze regeling wordt aangewezen: de inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht.

  • 2. De stichting draagt er zorg voor dat de toezichthouder zijn werkzaamheden zodanig kan uitvoeren dat hij in voldoende mate toezicht kan uitoefenen op de tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen.

  • 3. De minister stelt na overleg met de stichting en in overeenstemming met de toezichthouder vast wat in ieder geval behoort tot de werkzaamheden van de toezichthouder als bedoeld in het eerste lid. De toezichthouder hanteert bij haar toezichtactiviteiten de door de minister vastgestelde onderzoekskaders Nederlands onderwijs in het buitenland.

Artikel 7. Subsidieplafond

  • 1. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 2.293.674,– per kalenderjaar.

  • 5. Voor de verstrekking van de aanvullende subsidies, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, is ten hoogste € 174.000,– beschikbaar.

  • 6. Met ingang van het kalenderjaar 2020 worden de genoemde bedragen telkens bijgesteld met het percentage dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Minister van Financiën in het voorgaande kalenderjaar voor loonbijstelling heeft ontvangen.

Artikel 8. Egalisatiereserve

  • 1. De stichting vormt een egalisatiereserve als bedoeld in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

  • 2. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10% van het bedrag dat door de minister bij de beschikking tot verlening is bepaald.

Artikel 9. Subsidieaanvraag en betaling

  • 1. In afwijking van artikel 8.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS dient de stichting uiterlijk 6 weken voor de aanvang van het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de hand van een sluitende begroting en een activiteitenplan.

  • 2. In de begroting neemt de stichting in ieder geval een overzicht op van het aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarover de subsidie wordt verstrekt.

  • 3. Voor zover van toepassing in afwijking van artikel 8.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt de subsidie betaald in maandelijkse gelijke termijnen met uitzondering van de subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, deze zal uiterlijk op 1 februari in zijn geheel worden betaald.

Artikel 10. Subsidievaststelling

  • 1. Onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS neemt de stichting in het activiteitenverslag in ieder geval een overzicht op van het definitieve aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar waarop het activiteitenplan betrekking heeft.

  • 2. Een afschrift van het activiteitenverslag wordt gezonden aan de toezichthouder.

Artikel 11. ABP-status

  • 1. Het personeel dat wordt aangesteld in dienst van de stichting is deelnemer in de Stichting Pensioenfonds ABP in de zin van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het bepaalde in de Wet Privatisering ABP.

  • 2. Jaarlijks overlegt de stichting een verklaring dat alle over het voorafgaande kalenderjaar aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenbijdragen voor het personeel in dienst van de stichting zijn voldaan.

Artikel 12. Overgangsbepaling

  • 1. Belgische onderwijsvoorzieningen die op grond van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2014–2018 waren aangemerkt als onderwijsvoorziening, kunnen tot de ondersteuning toegelaten blijven zolang zij voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 5. Zij komen echter niet in aanmerking voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld in artikel 3, eerste lid onder b, of voor andere financiële middelen.

  • 2. Voor het kalenderjaar 2019 verstrekt de minister subsidie aan de stichting, zoveel mogelijk met inachtneming van deze regeling.

  • 3. Na inwerkingtreding van deze regeling berusten de Onderzoekskaders 2019, vastgesteld bij Besluit van de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, op artikel 6, derde lid, van deze regeling.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2018.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 december 2023.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob