Rijksoverheid

Wettenpocket Wet op het voortgezet onderwijs

Titel regeling
Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen
Type
Beleidsregel
Wetsfamilie
Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen; Wet op het primair onderwijs; Wet op de expertisecentra; Wet op het voortgezet onderwijs; Wet educatie en beroepsonderwijs; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; Algemene wet bestuursrecht; Wet voortgezet onderwijs 2020
Geldend vanaf
1-4-2022
Geselecteerde elementen
Volledig
Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 juni 2012, nr. WJZ/250065 (8243), met betrekking tot de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van financiële sancties bij onderwijsinstellingen (Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Gelet op artikel 164 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 146 van de Wet op de expertisecentra, artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en de artikelen 4:46, 4:48, 4:49, 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a. minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • b. onderwijsinstelling: instelling of school in de zin van een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet op het onderwijstoezicht, waar onderwijs wordt verzorgd.

Artikel 2

Deze beleidsregel regelt de wijze waarop de minister ten aanzien van de bekostigde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen gebruik maakt van zijn bevoegdheden, bedoeld in artikel 155 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 133 van de Wet op de expertisecentra, artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en de artikelen 4:46, 4:48, 4:49, 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3

  • 1. Onrechtmatig verkregen of onrechtmatig bestede bekostiging of subsidie wordt volledig teruggevorderd.

  • 2. Het eerste lid is eveneens van toepassing indien de vaststelling van de bekostiging of de subsidie nog niet heeft plaatsgevonden.

  • 3. De minister kan terugvordering achterwege laten of het bedrag van de terugvordering matigen, indien strikte toepassing zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 4. De minister kan bij herhaaldelijk onrechtmatig verkregen of onrechtmatig bestede bekostiging naast de terugvordering bedoeld in het eerste lid, tevens bekostiging inhouden met toepassing van artikel 4.

Artikel 4

  • 1. Bij het niet naleven van wettelijke voorschriften schort de minister maandelijks 15 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende studie-, school- of kalenderjaar op.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling drie maanden na het besluit tot opschorting, bedoeld in het eerste lid, nog steeds in verzuim is, houdt de minister maandelijks 15 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende studie-, school- of kalenderjaar in.

  • 3. Onverminderd artikel 5, kan de minister bij het stelselmatig niet naleven van wettelijke voorschriften een hoger percentage van opschorting of inhouding toepassen.

Artikel 5

  • 1. Indien het betreft het niet naleven van wettelijke voorschriften die de onderwijskwaliteit betreffen en het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling na een volgende periode van drie maanden na het besluit tot inhouding, bedoeld in artikel 4, tweede lid, nog steeds in verzuim is, houdt de minister maandelijks 30 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende studie-, school- of kalenderjaar in.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling na de toepassing van het eerste lid, alsnog blijft volharden in niet naleving van de voorschriften, houdt de minister maandelijks 100 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende studie-, school- of kalenderjaar in.

Artikel 5a

In afwijking van de artikelen 4 en 5 kan de minister de bekostiging meteen geheel inhouden indien het bevoegd gezag of de raad van toezicht niet voldoet aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 153 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 132 van de Wet op de expertisecentra, artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 3.1.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 9.9a, 10.3e of 11.7a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 6

De minister neemt een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, nadat het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling een redelijke termijn heeft gekregen om de tekortkoming te herstellen.

Artikel 7

De voorschriften, bedoeld in deze beleidsregel, laten onverlet de bevoegdheid van de minister om bekostiging of subsidie te weigeren op grond van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8

De minister kan opschorting of inhouding als bedoeld in de artikelen 4 en 5 achterwege laten of een lager percentage hanteren voor de opschorting of inhouding, indien strikte toepassing van die artikelen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 8a. Omhang

[Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden]

Artikel 9

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2012.

Artikel 10

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart