Rijksoverheid

Wettenpocket Wet op het voortgezet onderwijs

Titel regeling
Besluit bekostiging WVO 2021
Type
AMvB
Wetsfamilie
Besluit bekostiging WVO 2021; Wet op het voortgezet onderwijs; Wet voortgezet onderwijs BES; Wet educatie en beroepsonderwijs BES; Wet register onderwijsdeelnemers
Geldend vanaf
14-5-2022
Geselecteerde elementen
Volledig
Besluit van 15 april 2021, houdende voorschriften inzake berekening, toekenning en het beheer van de bekostiging voor scholen voor voortgezet onderwijs (Besluit bekostiging WVO 2021)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2021, nr. WJZ/26388334 (8374), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 6h, tweede lid, 77, derde lid, 79, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, 81, 82, derde lid, 96n, eerste lid, 96r, 106, 110a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 149, tweede lid, 152, tweede lid, 153, derde lid, en 154, van de Wet voortgezet onderwijs BES, de artikelen 2.2.1, derde lid, en 2.2.5, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 maart 2021, nr. W05.21.0034/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 13 april 2021, nr. WJZ/27464360 (8374), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • aanvullende bekostiging: aanvullende bekostiging als bedoeld in de artikelen 79a, 82 en 83 van de wet;

  • accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • bijzondere school: bijzondere school als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • eerste schooldag: 1 augustus of de dag waarop het onderwijs aan de school in enig schooljaar is aangevangen;

  • havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de wet;

  • hoofdvestiging: hoofdvestiging als bedoeld in artikel 73a van de wet;

  • leerwegondersteunend onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 10e van de wet;

  • mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 9 van de wet;

  • nevenvestiging: nevenvestiging als bedoeld in artikel 73b van de wet;

  • nieuwkomer: leerling die:

    • a. vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 is,

    • b. als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven bij een school,

    • c. geen Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs of Europees secundair onderwijs volgt, en

    • d. op de teldatum korter dan twee jaar in Nederland verblijft;

  • Onze Minister: Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

  • openbare school: openbare school als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • ouders: met het gezag over de leerling belaste ouders, voogden of verzorgers;

  • praktijkonderwijs: praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de wet;

  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • scholengemeenschap: gemeenschap van twee of meer scholen voor voortgezet onderwijs;

  • school: school voor voortgezet onderwijs;

  • schooljaar: tijdvak van 1 augustus van enig kalenderjaar tot en met 31 juli van het daarop volgende kalenderjaar;

  • teldatum: datum van 1 oktober, bedoeld in artikel 81 van de wet;

  • uitkering: een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid of een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet,

  • verticale scholengemeenschap: verticale scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • vbo: voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10b van de wet;

  • vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 21 van de wet;

  • vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 van de wet;

  • wet: Wet op het voortgezet onderwijs.

Hoofdstuk 2. Vaststelling omvang bekostiging

Artikel 2. Bekostiging school of scholengemeenschap

  • 1. Een vestiging van een school of scholengemeenschap komt in aanmerking voor het bedrag, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel a, van de wet indien:

    • a. sprake is van een hoofdvestiging of een nevenvestiging, waaraan door Onze Minister een registratienummer als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers is toegekend; en

    • b. bij die vestiging op de teldatum ten minste 130 leerlingen of, indien sprake is van een vestiging waaraan uitsluitend praktijkonderwijs wordt verzorgd, 60 leerlingen, staan ingeschreven.

  • 2. Bij het bepalen van het bedrag per vestiging, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de hoofdvestiging van een school en een bedrag voor een nevenvestiging.

  • 3. Bij het bepalen van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; en

    • b. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo.

  • 4. Een hoofd- of nevenvestiging van een scholengemeenschap komt in aanmerking voor aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 82, derde lid, van de wet, indien aan die vestiging onderwijs wordt verzorgd in alle leerjaren van het vwo, havo, mavo en vbo. De hoogte van deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 3. Vaststellen van de bekostiging

  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks voor elke school of scholengemeenschap de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 80 van de wet vast.

  • 2. Onze Minister stelt voor elke school of scholengemeenschap die daarvoor in aanmerking komt het bedrag van de aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 82 en 83 vast.

  • 3. De bekostiging bedoeld in het eerste lid komt tot stand door het aantal vestigingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 8, te vermenigvuldigen met de bedragen per vestiging en per leerling, bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de wet, waarbij de uitkomst van deze vermenigvuldigingen bij elkaar wordt opgeteld.

Artikel 4. Aanvang bekostiging; startbekostiging

  • 1. Het Rijk verstrekt de bekostiging, bedoeld in de artikelen 79 en 79a van de wet, met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt.

  • 2. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 79 en 79a van de wet, verstrekken gedurende een periode van ten hoogste vier maanden voorafgaand aan de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.

Artikel 5. Vermindering bekostiging in verband met verrekening kosten werkloosheidsuitkeringen en suppleties arbeidsongeschiktheid

  • 1. Onze Minister brengt op de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de wet voor een school voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:

    (PI/PL) x (A + B + C + D)

    In deze formule wordt verstaan onder:

    PI: de bekostiging, bedoeld in artikel 79 van de wet van de desbetreffende school voor het desbetreffende kalenderjaar;

    PL: de bekostiging, bedoeld in artikel 79 van de wet, van alle scholen voor het desbetreffende kalenderjaar;

    A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;

    B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;

    C: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij ten aanzien van de verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages kunnen worden vastgesteld;

    D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een school die de taken beëindigt, anders dan op grond van een samenvoeging, een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 42c van de wet indien het een openbare school betreft, en artikel 50 van de wet indien het een bijzondere school betreft, of een splitsing, indien het bevoegd gezag van deze school niet tevens een andere school onder zijn bestuur heeft.

  • 2. Onze Minister brengt tevens op de bekostiging van een school of samenwerkingsverband voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:

    • a. de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, niet heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de wet, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen; en

    • b. een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school of samenwerkingsverband voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij het percentage bedoeld in het eerste lid, onder c, en het in dit onderdeel bedoelde percentage samen 100 bedraagt.

  • 3. De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op hele eurocenten.

  • 4. Indien een school is opgeheven, wordt het desbetreffende bevoegd gezag belast indien deze nog ten minste één andere school onder zijn bestuur heeft.

  • 5. Over het moment en de wijze van in mindering brengen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 6. Bekostiging scholen voortgezet onderwijs in verticale scholengemeenschappen

In afwijking van artikel 2, tweede lid, wordt er voor een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap in het bedrag per vestiging geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdvestiging en een nevenvestiging. De hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap die voldoet aan artikel 2, eerste lid, komt in aanmerking voor het op grond van artikel 2, tweede lid, vastgestelde bedrag voor een nevenvestiging.

Artikel 7. Toepassing op cursussen

Onze Minister bepaalt de wijze waarop de artikelen 79 en 79a van de wet en de hoofdstukken 1 en 2 van toepassing zijn op een cursus als bedoeld in artikel 75 van de wet, verbonden aan een school of scholengemeenschap, in verband met de aard, inhoud, omvang of duur van de cursus.

Hoofdstuk 3. Leerlingentelling

Artikel 8. Leerlingentelling

  • 1. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de wet worden, onverminderd de artikelen 9, 10, 11, 12 en 15 de leerlingen meegeteld die op de teldatum:

    • a. op die school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven; of

    • b. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen tijdelijk buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.

  • 2. Een leerling telt voor één school mee voor de bekostiging.

Artikel 9. Leerlingen die niet worden meegeteld

  • 1. Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld:

    • a. leerlingen die vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd;

    • b. leerlingen die al met goed gevolg eindexamen aan een school voor vwo, havo, mavo of vbo hebben afgelegd en zich voorbereiden op het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school, met dien verstande dat het afleggen van het eindexamen in een bepaalde leerweg van het vmbo door een leerling die al met goed gevolg het eindexamen heeft afgelegd van een andere leerweg van het vmbo niet wordt aangemerkt als het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school;

    • c. leerlingen die deelnemen aan het onderwijs in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet; en

    • d. voor zover het betreft de bekostiging bedoeld in de artikelen 79, eerste lid, onderdeel b, en 79a van de wet: nieuwkomers die op de teldatum korter dan 1 jaar in Nederland zijn.

  • 2. Als geldige reden voor verzuim als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt:

    • a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969;

    • b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.

Artikel 10. Telling leerlingen in leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8, 9 en 11 wordt een leerling meegeteld voor de aanvullende bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 79a, eerste lid, van de wet, indien:

    • a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat de leerling aangewezen is op leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs; of

    • b. er sprake is van een tijdelijke plaatsing als bedoeld in artikel 27, lid 2f, van de wet.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8 en 9 wordt een leerling in het praktijkonderwijs meegeteld voor de aanvullende bekostiging voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 79a, tweede lid, van de wet, indien:

    • a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs; of

    • b. er sprake is van een tijdelijke plaatsing als bedoeld in artikel 27, lid 2f, van de wet.

Artikel 11. Telling leerlingen binnen samenwerkingsovereenkomst VO-BVE

  • 2. In afwijking van het eerste lid, tellen leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in artikel 29 van de wet en aansluitend op grond van artikel 3 van het Besluit samenwerking VO-BVE voor een of meer vakken voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.

  • 3. In afwijking van het eerste lid en van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, tellen leerlingen die op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit samenwerking VO-BVE voor een of meer vakken voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.

Artikel 12. Voorschriften aan meetellen onderwijstijd op andere school of instelling

  • 1. Voor de toepassing van artikel 6h, eerste lid, van de wet is vereist dat tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel van een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een schriftelijke overeenkomst over de uitvoering daarvan wordt gesloten.

  • 2. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval afspraken over:

    • a. de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan;

    • b. de vakken waarin de leerling onderwijs zal ontvangen;

    • c. het aantal lesuren per week per vak dat ten minste wordt aangeboden; en

    • d. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling.

  • 3. Een leerling kan gedurende een termijn van ten hoogste drie maanden aaneengesloten het volledige onderwijsprogramma volgen op een school of instelling als bedoeld in het eerste lid. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, bevat dan in elk geval afspraken over:

    • a. de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan;

    • b. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling; en

    • c. het bedrag voor de bekostiging dat het bevoegd gezag van de school of scholengemeenschap waar de leerling is ingeschreven betaalt aan het bevoegd gezag van de school of instelling, bedoeld in het eerste lid, waarmee de overeenkomst wordt gesloten.

  • 4. Het derde lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een overeenkomst met een school waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

  • 5. Indien voor de toepassing van artikel 6h, eerste lid, van de wet, scholen, scholengemeenschappen dan wel instellingen binnen hetzelfde bevoegd gezag zijn betrokken, maakt dit bevoegd gezag afspraken met deze betrokken scholen, scholengemeenschappen of instellingen over de onderdelen, genoemd in het tweede of derde lid.

Hoofdstuk 4. Leerlingenadministratie

Artikel 13. Inhoud leerlingenadministratie

  • 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor:

    • a. een overzichtelijke administratie van de inschrijving van leerlingen;

    • b. de beschikbaarheid van de uitschrijving en het verzuim van leerlingen; en

    • c. de beschikbaarheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.

Artikel 14. Inschrijving

  • 1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Les- en cursusgeldwet schrijft het bevoegd gezag van een school een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 27, lid 2f, van de wet.

  • 2. Het bevoegd gezag schrijft de leerling in met ingang van:

    • a. de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt; of

    • b. 1 augustus van het schooljaar, indien de leerling de school voor het eerst op de eerste schooldag van het schooljaar bezoekt.

Artikel 15. Uitschrijving

  • 1. Het bevoegd gezag schrijft de leerling uit met ingang van:

    • a. 31 juli van het schooljaar, indien de leerling de school op de laatste schooldag van dat schooljaar heeft bezocht; of

    • b. de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van een school waarop de leerling stond ingeschreven, binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school voor ander onderwijs, wijzigt het bevoegd gezag de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de dag van inschrijving op die andere school of die school voor ander onderwijs.

Artikel 16. Bewaren van de gegevens

De gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven.

Hoofdstuk 5. Betaling van de bekostiging

Artikel 17. Betaalritme en in mindering brengen bedragen

  • 1. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 3, eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.

  • 2. Onze Minister kan op de in artikel 3, eerste lid, bedoelde bekostiging verwachte bedragen als bedoeld in artikel 96m, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de wet in mindering brengen.

  • 3. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt in een keer betaald dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.

Artikel 18. Terugmelding gegevens aantal leerlingen op de teldatum; accountantscontrole

  • 1. Voor de vaststelling van de bekostiging zendt Onze Minister jaarlijks voor 15 januari volgend op de teldatum aan het bevoegd gezag overzichten van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging voor het daarop volgende kalenderjaar in aanmerking wordt genomen.

  • 2. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli volgend op de teldatum bij Onze Minister in:

    • a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers van de leerlingen op de teldatum die het aan Onze Minister heeft gemeld; of

    • b. indien de in onderdeel a bedoelde gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens; en

    • c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld:

    • a. een model voor de in het tweede lid, onderdelen a en c, bedoelde verklaringen;

    • b. een leidraad voor de controle door de accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

  • 4. Indien voor 1 juli in enig jaar aanvullende bekostiging is vastgesteld, dient het bevoegd gezag voor die datum bij Onze Minister een verklaring in omtrent de juistheid van de in voorkomende gevallen voor de vaststelling van de aanvullende bekostiging aan Onze Minister gemelde gegevens. Het tweede lid, onderdelen b en c, en het derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19. Bekendmaking en latere wijziging bekostiging

  • 1. Onze Minister maakt het bedrag voor de bekostiging, bedoeld in artikel 80 en 82, van de wet bekend voorafgaand aan het kalenderjaar, waarop dit betrekking heeft. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de bekostiging of aanvullende bekostiging.

  • 2. Onze Minister kan de bekostiging wijzigen wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 20. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling verminderingen

  • 1. Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de bekostiging, bedoeld in artikel 5, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de bekostiging.

  • 2. De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt zo snel mogelijk na afloop van het desbetreffende kalenderjaar plaats.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het in mindering brengen van bekostiging.

Artikel 21. Afwijking wegens bijzondere inrichting onderwijs

Ten behoeve van een school of scholengemeenschap met een bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan dat wordt afgeweken van de artikelen 1 tot en met 20. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Hoofdstuk 6. Boekhouding, financieel beheer en financiële controle

Artikel 22. Boekhouding

  • 1. De boekhouding van een school is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen omtrent het gevoerde financiële beheer.

  • 2. Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van Onze Minister nadere financiële informatie met betrekking tot de school. De wijze waarop deze informatie wordt verstrekt, kan bij ministeriële regeling worden geregeld.

  • 3. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 23. Vaststelling begroting

  • 1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende begrotingsjaar een begroting vast voor de school.

  • 2. De begroting bevat een raming van de baten en lasten van de school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van het Rijk te ontvangen bekostiging komen overeen met de voor het desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde bekostiging.

  • 3. Het bevoegd gezag doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.

  • 4. Af- en overschrijving op de uitgavenposten van de begroting kunnen door het bevoegd gezag geschieden overeenkomstig door het bevoegd gezag vastgestelde regels.

  • 5. Indien Onze Minister het bevoegd gezag daarom verzoekt, wordt de vastgestelde begroting aan Onze Minister overgelegd.

  • 6. Bij ministeriële regeling kan een model voor de inrichting van de begroting worden vastgesteld.

Artikel 24. Jaarverslag

  • 1. Het jaarverslag, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt ingericht overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks ten behoeve van de school een jaarverslag vast over het afgelopen jaar.

  • 3. In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbekostiging. De jaarrekening omvat ook de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met betrekking tot de besteding van toegekende aanvullende bekostiging.

  • 4. Het bevoegd gezag zendt het vastgestelde jaarverslag voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar aan Onze Minister. Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan Onze Minister op diens verzoek inzage wordt geboden in de controlerapporten en de controledossiers van de accountant.

  • 5. Indien het bevoegd gezag meer dan één school in stand houdt, wordt voor deze scholen een gezamenlijke balans en een gezamenlijke exploitatierekening vastgesteld. Bij de jaarrekening is een bijlage gevoegd die inzicht biedt in het bestedingspatroon ten aanzien van de afzonderlijke scholen van het bevoegd gezag.

  • 6. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de inrichting van de jaarrekening vastgesteld.

  • 7. Bij ministeriële regeling kan een leidraad worden vastgesteld over de inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant.

Artikel 25. Vermelding aanvullende bekostiging in jaarrekening

  • 1. Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende bekostiging is verstrekt onder de voorwaarde dat deze bekostiging voor het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de jaarrekening van de school in hoeverre deze bekostiging voor dat doel is besteed.

  • 2. Indien verrekening plaatsvindt of zal plaatsvinden van het daadwerkelijk bestede bedrag met de vastgestelde aanvullende bekostiging, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.

Artikel 26. Onderzoek vanwege de minister en correctie bekostiging

  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar:

    • a. de jaarverslaggeving;

    • b. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging;

    • c. de rechtmatigheid van de bestedingen; en

    • d. de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 103, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 103, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 27. Betaling correcties

Een in artikel 26, tweede lid, bedoelde correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 26, tweede lid, door Onze Minister betaald.

Hoofdstuk 7. Samenvoeging, afsplitsing en opheffing scholen en beëindiging bekostiging

Artikel 28. Afwijken teldatum en leerlingentelling bij aanvang en beëindiging bekostiging

  • 1. In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan daarbij nadere voorschriften geven.

  • 2. Onze Minister kan in verband met de aanvang of de beëindiging van de bekostiging van een school, van een scholengemeenschap of van een profiel aan een school voor vbo afwijken van de artikelen 8 en 9.

Artikel 29. Dóórlopen bekostiging in geval van samenvoeging of afsplitsing per 1 augustus

Bij samenvoeging van scholen als bedoeld in artikel 72 van de wet of afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar worden de bekostiging op grond van artikel 79 van de wet, en de aanvullende bekostiging van alle bij de samenvoeging betrokken scholen dan wel van de bij de afsplitsing betrokken scholengemeenschap gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.

Artikel 30. Opheffing van een school

Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school daarvan mededeling aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, en indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gelegen.

Artikel 31. Verrekening exploitatie-overschot bij opheffing school

  • 1. Indien een school wordt opgeheven anders dan in verband met samenvoeging met een andere school of de aanspraak op bekostiging voor een school verloren gaat, stort het bevoegd gezag het exploitatie-overschot terug in ’s Rijks kas. Het neemt daarbij het derde lid in acht.

  • 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder exploitatie-overschot verstaan:

    • a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt;

    • b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten; en

    • c. voor zover het een bijzondere school betreft, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.

  • 3. Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het exploitatie-overschot tussen het Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Hoofdstuk 8. Samenwerkingsverbanden

Artikel 32. Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband

  • 1. Het samenwerkingsverband neemt in het ondersteuningsplan een datum op wanneer wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen, bedoeld in artikel 17a, achtste lid, onderdeel g, van de wet. Deze vaststelling vindt in ieder geval plaats in de periode tussen 1 februari en 1 juni.

  • 2. Indien een meer dan gemiddelde toename, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, draagt het samenwerkingsverband voor het aantal leerlingen dat na 1 februari toelaatbaar is verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven.

  • 3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 4. De overdracht, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de teldatum.

Artikel 33. Vaststelling van de aanvullende bekostiging voor regionale ondersteuning door samenwerkingsverbanden

[Vervallen]

Artikel 34. Van overeenkomstige toepassing

Hoofdstuk 6 is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 35. Wijziging Bekostigingsbesluit WVO BES

[Wijzigt het Bekostigingsbesluit WVO BES.]

Artikel 36. Wijziging Besluit register onderwijsdeelnemers

[Wijzigt het Besluit register onderwijsdeelnemers.]

Artikel 37. Wijziging Besluit vbo-groen in een AOC 2016

[Wijzigt het Besluit vbo-groen in een AOC 2016.]

Artikel 38. Wijziging Uitvoeringsbesluit WEB

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.]

Artikel 39. Wijziging Uitvoeringsbesluit WEB BES

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB BES.]

Artikel 40. Intrekking besluiten

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • a. het Bekostigingsbesluit WVO;

  • b. het Formatiebesluit WVO;

  • c. het Besluit van 18 juli 1995, houdende vaststelling van een nieuw Formatiebesluit voor de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o. en wijziging van het Bekostigingsbesluit W.V.O., het Besluit onderwijsvoorrangsgebieden en het Uitvoeringsbesluit W.C.B.O., in verband met invoering van lump-sum-bekostiging, alsmede wijziging van een aantal besluiten in verband met het harmoniseren van de teldata (invoering lump-sum-bekostiging v.w.o.-a.v.o.-v.b.o.; harmonisatie teldata) (Stb. 1995, 370);

  • d. het Besluit van 21 februari 1998, houdende wijziging en hernieuwde vaststelling van het Bekostigingsbesluit W.V.O. alsmede wijziging of intrekking van enkele andere besluiten, in hoofdzaak in verband met invoering van bestemmingsbedragen, aanpassing van controlebepalingen, aanpassing aan de Wet educatie en beroepsonderwijs en aan de gewijzigde wettelijke bepalingen met betrekking tot de huisvesting (wijzigingen van uiteenlopende aard alsmede hernieuwde vaststelling Bekostigingsbesluit W.V.O.) (Stb. 1998, 117);

  • e. het Besluit van 2 juni 1998 tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur naar aanleiding van het totstandbrengen van een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra en toevoeging van een tweede deel aan de Wet op het voortgezet onderwijs en in verband met het onderwijs in allochtone levende talen (Stb. 1998, 413);

  • f. het Besluit van 22 januari 1999, houdende voorschriften van overgangsrechtelijke aard in verband met de invoering van leerwegen in middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs (regeling overgangsmaatregelen mavo-vbo) (Stb. 1999, 44);

  • g. het Besluit van 26 februari 2003, houdende wijziging van het Bekostigingsbesluit WEC, het Formatiebesluit WEC, het Onderwijskundig besluit WEC, het Bekostigingsbesluit WPO, het Formatiebesluit WPO en het Bekostigingsbesluit W.V.O. in verband met de invoering van leerlinggebonden financiering (Stb. 2003, 108);

  • h. het Besluit van 17 januari 2005, houdende actualisering van het Bekostigingsbesluit W.V.O., het Formatiebesluit W.V.O. en het Besluit RVC's, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging mede in verband met vereenvoudiging van de bekostigingsbepalingen in de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede opneming in het Bekostigingsbesluit W.V.O. van regels voor de berekening van de rijksbijdrage voor kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voor hun taken bij leer-werktrajecten vmbo (Stb. 2005, 62);

  • i. het Besluit van 22 mei 2015 tot wijziging van onder meer het Uitvoeringsbesluit WEB inzake technische wijzigingen in verband met onder meer de overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Stb. 2015, 170) (Stb. 2015, 214).

Artikel 41. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging WVO 2021.

Artikel 42. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 15 april 2021

Willem-Alexander

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob