Rijksoverheid

Wettenpocket Wet op het voortgezet onderwijs

Titel regeling
Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo 2020
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo 2020; Wet overige OCW-subsidies; Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS; Wet op het primair onderwijs; Wet primair onderwijs BES; Wet op de expertisecentra; Wet op het voortgezet onderwijs; Wet voortgezet onderwijs BES; Wet educatie en beroepsonderwijs; Wet educatie en beroepsonderwijs BES; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013; Erfgoedwet; Kaderwet SZW-subsidies; Kaderwet VWS-subsidies; Wet voortgezet onderwijs 2020
Geldend vanaf
15-12-2020
Geselecteerde elementen
Volledig
Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 april 2020, nr. VO-23989475, houdende regels voor de verstrekking van incidentele middelen voor leerlingendaling in het voortgezet onderwijs (Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo 2020)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

  • Minister: Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

  • samenwerkingsovereenkomst: ondertekende overeenkomst tussen alle betrokken partijen van de regio;

  • regio: aaneengesloten geografisch gebied bestaande uit het grondgebied van één of meer gemeenten;

  • school: school of verticale scholengemeenschap als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • vestiging: hoofdvestiging als bedoeld in artikel 73a of nevenvestiging als bedoeld in artikel 73b van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 1.2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 1.3. Weigeringsgronden

De Minister weigert subsidieverstrekking voor zover de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die uit de rijksbijdrage worden bekostigd of waarvoor door de Minister reeds uit anderen hoofde subsidie is verstrekt.

Hoofdstuk 2. Subsidie planvorming leerlingendaling

Artikel 2.1. Te subsidiëren activiteiten en subsidieplafond

  • 1. De Minister kan subsidie verstrekken aan een penvoerder van een regio als bedoeld in artikel 2.3 voor het maken van een meerjarig plan voor het toekomstbestendig maken van het onderwijsaanbod in de regio.

  • 2. Voor subsidieverstrekking als bedoeld in het eerste lid is in het kalenderjaar 2020 een bedrag van € 2,3 miljoen beschikbaar.

Artikel 2.2. Subsidiebedrag

Het subsidiebedrag per aanvraag is € 50.000,–.

Artikel 2.3. Penvoerder

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2.1, kan worden aangevraagd door een bevoegd gezag dat mede namens de partijen met wie de samenwerking wordt beoogd optreedt als penvoerder.

  • 2. Subsidie wordt aangevraagd door, verleend aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

Artikel 2.4. Subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.1 gaat vergezeld van:

    • a. een overzicht van de partijen met wie de samenwerking wordt beoogd;

    • b. een vermelding van de regio waarbinnen de samenwerking plaatsvindt;

    • c. een berekening waaruit blijkt dat de regio voldoet aan criterium 1, onderdeel a, nummer 5, van het beoordelingskader, opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling;

    • d. een document waaruit blijkt dat de penvoerder namens de beoogde samenwerkingspartners gemachtigd is om de subsidieaanvraag in te dienen.

  • 2. De berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gemaakt met gebruikmaking van een van de berekeningswijzen, genoemd in bijlage 1.

  • 3. De aanvraag kan worden ingediend van 8 juni 2020 tot en met 22 juni 2020.

  • 4. Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op de website www.dus-i.nl.

Artikel 2.5. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 2. Er mag geen overlap tussen regio’s bestaan. Indien tussen twee of meer regio’s overlap bestaat worden de penvoerders in de gelegenheid gesteld binnen 10 werkdagen hun aanvraag te herzien zodat niet langer sprake is van overlap. Indien de aanvragen niet worden herzien, worden de overlappende aanvragen afgewezen.

  • 3. Aanvragen die na 22 juni 2020 worden ingediend, worden afgewezen.

Artikel 2.6. Vaststelling en betaling subsidie

  • 1. De Minister stelt de subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag direct vast.

  • 2. De Minister betaalt het subsidiebedrag ineens.

  • 3. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 2.7. Verplichtingen en financiële verantwoording

  • 1. De activiteiten worden uiterlijk 31 januari 2021 afgerond.

  • 2. De verantwoording van een subsidie als bedoeld in artikel 2.1 geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 3. De subsidieontvanger stuurt uiterlijk 31 januari 2021 aan DUS-I een verslag van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt. Voor het verslag wordt gebruik gemaakt van het digitale format dat beschikbaar wordt gesteld op de website www.dus-i.nl.

Hoofdstuk 3. Subsidieaanvraag regionaal plan leerlingendaling

Artikel 3.1. Te subsidiëren activiteiten en subsidieplafond

  • 1. De Minister kan subsidie verstrekken aan een penvoerder van een regio als bedoeld in artikel 3.3 voor de uitvoering van een plan in de periode van schooljaar 2021/2022 tot en met schooljaar 2024/2025 dat is gericht op het tot stand brengen van een transitie naar een levensvatbaar en kwalitatief goed onderwijsaanbod dat de leerlingendaling in de regio kan opvangen.

  • 2. Voor subsidieverstrekking als bedoeld in het eerste lid is voor het kalenderjaar 2021 € 22,7 miljoen beschikbaar.

Artikel 3.2. Subsidiebedrag

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 700.000,– per regio.

  • 2. Kosten voor huisvesting als bedoeld in artikel 76c van de Wet op het voortgezet onderwijs komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.3. Penvoerder

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, wordt aangevraagd door een bevoegd gezag dat partij is bij een samenwerkingsovereenkomst. Het bevoegd gezag treedt op als penvoerder namens de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst.

  • 2. Subsidie wordt aangevraagd door, verleend aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

Artikel 3.4. Subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, gaat vergezeld van:

    • a. een overzicht van alle partijen die deelnemen aan de activiteiten;

    • b. een regiovisie die voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in criterium 1 van bijlage 1;

    • c. een activiteitenplan dat voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in criterium 2 van bijlage 1;

    • d. een meerjarenbegroting, die voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in criterium 4 van bijlage 1;

    • e. een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst waarin zij verklaren dat ze deelnemen aan de regio en dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder zullen worden verstrekt.

  • 2. De subsidieaanvraag kan worden ingediend van 15 februari tot en met 31 maart 2021.

  • 3. Aanvragen die na 31 maart 2021 worden ingediend, worden afgewezen.

  • 4. Er mag geen overlap tussen regio’s bestaan. Indien tussen twee of meer regio’s overlap bestaat worden de penvoerders in de gelegenheid gesteld binnen 10 werkdagen hun aanvraag te herzien zodat niet langer sprake is van overlap. Indien de aanvragen niet worden herzien, worden de overlappende aanvragen afgewezen.

  • 5. Voor de subsidieaanvraag en de overige in het eerste lid genoemde documenten wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier en de modellen die beschikbaar worden gesteld op de website www.dus-i.nl.

Artikel 3.5. Beoordeling

  • 1. De Minister beoordeelt een subsidieaanvraag, als bedoeld in artikel 3.4, aan de hand van het beoordelingskader, dat als bijlage 1, paragraaf 1 bij deze regeling is gevoegd.

  • 2. De Minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die de Minister adviseert over de beoordeling alsmede de rangschikking van de subsidieaanvragen.

Artikel 3.6. Rangschikking aanvragen

  • 1. Indien het totaal van de aanvragen dat voldoet aan de criteria, het subsidieplafond overschrijdt, wijst de Minister op basis van een rangschikking een of meer laagst gerangschikte aanvragen af.

  • 2. De aanvragen worden gerangschikt volgens de systematiek van bijlage 1, paragraaf 2.

Artikel 3.7. Verplichtingen

  • 1. De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3.1:

    • a. start uiterlijk op 1 oktober 2021 met de uitvoering van de activiteiten waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd;

    • b. zendt op uiterlijk 1 november 2022 een voortgangsrapportage over de periode 1 augustus 2021 tot 1 augustus 2022 aan de Minister; en

    • c. zendt op uiterlijk 1 oktober 2025 een eindrapportage over de gehele subsidieperiode aan de Minister.

  • 2. De voortgangsrapportage omvat ten minste een omschrijving van de bestede middelen, de voortgang ten aanzien van de geplande activiteiten, de gerealiseerde doelen over de betreffende periode en een nadere uitwerking van de activiteiten die nog zullen worden ondernomen om een tijdige realisatie binnen de subsidieperiode te waarborgen.

  • 3. Bij wijzigingen in het plan past de penvoerder in de voortgangsrapportage de geplande activiteiten aan. Een inhoudelijke wijziging kan opnieuw worden beoordeeld aan de hand van de criteria van het beoordelingskader. Het subsidiebedrag in de verleningsbeschikking kan alleen naar beneden worden bijgesteld. Indien daarvan sprake is ontvangt de penvoerder een herziene beschikking.

  • 4. De eindrapportage bestaat uit een activiteitenverslag en een financieel verslag. Het financieel verslag hoeft, in afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, niet te zijn voorzien van een controleverklaring.

  • 5. De Minister kan een formulier vaststellen ten behoeve van de voortgangsrapportage en de eindrapportage.

Artikel 3.8. Besteding subsidie

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 3.1, wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verstrekt. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.

  • 2. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt worden voor 1 augustus 2025 uitgevoerd.

Artikel 3.9. Verlening en betaling subsidie

  • 1. De subsidie wordt uiterlijk verleend op 1 september 2021.

  • 2. De Minister verleent een voorschot van 100% en bepaald daarbij het betaalritme.

Artikel 3.10. Verantwoording

  • 1. De financiële verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G2, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 2. De vaststelling vindt plaats binnen een jaar na de indiening van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1. Hardheidsclausule

De Minister kan de regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 4.2. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 4.3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Bijlage 1. Beoordelingskader behorende bij artikel 3.5 van de subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo 2020

Een subsidieaanvraag wordt beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria:

  • 1. Een regiovisie die ziet op een bereikbaar, kwalitatief goed en toekomstbestendig onderwijsaanbod in de regio.

  • 2. Een activiteitenplan voor het realiseren van een bereikbaar, kwalitatief goed en toekomstbestendig onderwijsaanbod in de regio.

  • 3. Uitvoerbaarheid en haalbaarheid.

  • 4. Voldoende onderbouwde en sluitende meerjarenbegroting.

Paragraaf 1

De criteria zijn in deze paragraaf nader uitgewerkt. In paragraaf 2 is uiteengezet hoe de beoordeling en rangschikking van de subsidieaanvragen plaatsvindt.

Criterium 1 Een regiovisie die ziet op een bereikbaar, kwalitatief goed en toekomstbestendig onderwijsaanbod in de regio

A. De regiovisie bevat een afbakening van de regio

  • 1. De regiovisie bevat een beschrijving van de gekozen regio;

  • 2. De regio omvat een aaneengesloten gebied bestaande uit het grondgebied van één of meer gemeenten;

  • 3. Op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen staat per gemeente ten minste 60% van alle leerlingen ingeschreven die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen;

  • 4. Tenminste 65% van de bevoegde gezagsorganen met één of meerdere vestigingen van scholen of scholengemeenschappen binnen die gemeente is bij de samenwerking betrokken.

  • 5. In de regio is sprake van (een verwachte) leerlingendaling in het voortgezet onderwijs van minimaal 10% in 5 jaar, waarbij het jaar van aanvraag onderdeel is van deze 5 jaar.

  • 6. Voor het berekenen van het percentage leerlingendaling in het voortgezet onderwijs kunnen de volgende berekeningen worden gebruikt:

    • a. De gemiddelde krimp op de deelnemende vestigingen over een periode van vijf jaar tussen 2015 en 2025 gebaseerd op de DUO-tellingen voor de jaren 2015 tot en met 2019 en de DUO-prognoses voor de jaren 2020 tot en met 2025; of

    • b. De krimp van de basisgeneratie gebaseerd op de CBS-gegevens van 1 januari 2019 in de gemeenten die samen de regio vormen, dat is afgemeten aan het verschil in het aantal x-jarigen en het aantal x-5-jarigen, waarbij x mag lopen van 12 tot en met 17 jaar.

  • 7. De regiovisie bevat een overzicht van de relevante partijen, inclusief een duiding van de partijen waarmee samengewerkt wordt in dit plan. De overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld zijn duidelijk weergegeven (welke partijen maken wel/niet deel uit van de samenwerking en waarom).

B. De regiovisie bevat een regionale analyse (wat is het uitgangspunt?).

  • 1. De regiovisie bevat een beschrijving van de problematiek en de urgentie daarvan als gevolg van leerlingendaling in de regio. Als maatstaf geldt het regionale onderwijsaanbod dat voor leerlingen beschikbaar is.

  • 2. In de regiovisie wordt beschreven waar verschraling van het onderwijsaanbod dreigt te ontstaan, waarbij in ieder geval aandacht dient te worden besteed aan keuzemogelijkheden voor leerlingen, reisafstanden en kwaliteit van het onderwijs.

  • 3. In de regiovisie wordt beschreven (indien van toepassing) welke scholen of vestigingen niet levensvatbaar zijn en wat de mogelijke risico’s daarvan zijn (als vuistregel geldt dat een school niet levensvatbaar is indien deze in zijn geheel onder de stichtingsnorm, als bedoeld in de artikelen 64 en 65 van de WVO, komt).

  • 4. In de regiovisie wordt beschreven wat een redelijke reisafstand voor leerlingen wordt geacht. Als vuistregel geldt dat een vestiging waarop minimaal één van de schoolsoorten vbo, mavo, havo of vwo die op die vestiging wordt aangeboden, of de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs, op niet meer dan 8 kilometer hemelsbreed gemeten afstand ligt van een andere vestiging waarop datzelfde onderwijs wordt aangeboden. Voor praktijkonderwijs geldt als vuistregel 20 km.

  • 5. De regioanalyse is onderbouwd met de kwantitatieve gegevens van de verwachte ontwikkeling van leerlingenaantallen van scholen in de komende 5 tot 15 jaar.

C. In de regiovisie wordt een beschrijving gegeven van de doelen om te komen tot een bereikbaar, kwalitatief goed en toekomstbestendig onderwijsaanbod.

  • 1. Op grond van de regiovisie worden keuzes gemaakt hoe een bereikbaar, kwalitatief goed en toekomstbestendig onderwijsaanbod gerealiseerd wordt.

  • 2. Er worden heldere SMART1-geformuleerde doelen gesteld voor het beoogde onderwijsaanbod in de regio voor de komende 5 tot 15 jaar. Duidelijk wordt gemaakt dat er sprake zal zijn van levensvatbare scholen (waarbij de stichtingsnormen, als bedoeld in de artikelen 64 en 65 van de WVO, als vuistregels worden gehanteerd). Indien sprake is van een school die niet aan deze normen voldoet dient gemotiveerd te worden waarom deze desondanks in stand wordt gehouden.

  • 3. Er worden heldere doelen gesteld voor de reisafstanden voor leerlingen. Als vuistregel geldt dat een vestiging waarop minimaal één van de schoolsoorten vbo, mavo, havo of vwo die op die vestiging wordt aangeboden, of de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs, op minder dan 8 kilometer hemelsbreed gemeten afstand ligt van een andere vestiging waarop datzelfde onderwijs wordt aangeboden.

  • 4. In de beschrijving dient sprake te zijn van een goede balans tussen doelmatigheid van het onderwijsaanbod en beschikbaarheid van scholen.

Criterium 2 Een activiteitenplan voor het realiseren van een bereikbaar, kwalitatief goed en toekomstbestendig onderwijsaanbod in de regio

A. Het plan bevat een overzicht van activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 1. Het activiteitenplan maakt duidelijk hoe de transitie van de huidige situatie naar een toekomstbestendig onderwijsaanbod wordt gerealiseerd.

  • 2. Het activiteitenplan is SMART geformuleerd en bevat een duidelijke koppeling met de regiovisie.

  • 3. Het activiteitenplan bevat acties om het beoogde onderwijsaanbod te kunnen realiseren.

  • 4. Het activiteitenplan bevat een realistische en onderbouwde activiteitenplanning met concrete mijlpalen.

  • 5. Het plan gaat in elk geval in op strategische personeelsplanning en huisvesting.

    • Wat betreft personeel wordt een overzicht van het huidige aantal fte (in vaste dienst en flexibele schil) gegeven, het verwachte natuurlijke verloop, en een schatting van de te verwachte benodigde fte over 10 jaar. Als er een overschot of een tekort wordt verwacht, wordt beschreven hoe dit wordt opgelost.

    • Indien het plan gevolgen heeft voor de huisvesting (leegstand, verbouwing, nieuwbouw, samenvoeging etc.), wordt beschreven hoe dat wordt opgelost. In dit geval dient de gemeente het plan mede te ondertekenen.

  • 6. In het plan wordt onderbouwd op welke wijze de regio na afloop van de subsidieperiode de aanpak van leerlingendaling met de reguliere bekostiging verwacht te financieren.

Criterium 3 Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

A. Samenwerkingsovereenkomst: Bij de aanvraag hoort een samenwerkingsovereenkomst te zijn gevoegd

  • 1. De samenwerkingsovereenkomst bevat een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van iedere partij.

  • 2. De samenwerkingsovereenkomst bevat een beschrijving van de verdeling van (financiële)middelen. De verdeling van de middelen dient aan te sluiten bij de begroting.

  • 3. De samenwerkingsovereenkomst wordt door alle betrokken partijen in de regio ondertekend. Indien het plan gevolgen heeft voor openbaar vervoer, dient de provincie het plan mede te ondertekenen. Indien er sprake is van samenwerking met een partner vanuit het primair onderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs dan dient deze het plan ook mede te ondertekenen.

B. De organisatie is zo ingericht dat een succesvolle uitvoering van het activiteitenplan mogelijk is

  • 1. Het plan bevat een beschrijving van de manier waarop de samenwerking wordt georganiseerd.

  • 2. Het plan bevat een goede projectstructuur en gegevens van de beoogde projectleider, die toeziet op het tijdig behalen van mijlpalen c.q. resultaten.

C. De risico’s en beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht

  • 1. Het plan bevat een duiding van mogelijke risico’s op de uitvoering met bijbehorende beheersmaatregelen en evaluatie van de voortgang van het plan.

  • 2. In het plan is opgenomen hoe de sturing op en monitoring alsmede verantwoording van de voortgang van het plan wordt uitgevoerd. Kwaliteitszorg is een wezenlijk onderdeel van het regionale plan.

D. In het plan komt naar voren hoe bij andere regionale trajecten om krimp en bijbehorende leerlingendaling het hoofd te bieden wordt aangesloten en maakt aannemelijk dat het plan niet leidt tot dubbele bekostiging van dezelfde activiteiten.

  • 1. Het plan bevat een beschrijving van de impact van het plan op reeds lopende regionale trajecten (zoals RIF of Sterk Techniekonderwijs). Daarbij wordt aangegeven hoe deze trajecten elkaar aanvullen en deze verschillen.

Criterium 4 Voldoende onderbouwde en sluitende meerjarenbegroting

A. Het plan bevat een realistische meerjarenbegroting van de kosten en de baten die aansluit op het activiteitenplan.

  • 1. Er is een inzichtelijke sluitende meerjarenbegroting, conform het format zoals beschikbaar gesteld door DUS-I voor de duur van de subsidieperiode, die voldoet aan artikel 3.5 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

  • 2. In de begroting is inzichtelijk welke kosten door de verschillende partijen worden gemaakt.

  • 3. In de begroting mogen geen kosten worden opgevoerd waarvoor al andere

  • 4. (reguliere) bekostiging of subsidie wordt ontvangen.

B. Doelstellingen worden op een zo efficiënt mogelijke manier bereikt.

  • 1. Uit de aanvraag blijkt dat de middelen (geld, tijd en mankracht) zo doelmatig mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken.

  • 2. Voor de berekening van de loonkosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 70,– incl. overheadkosten. Indien de aanvrager hiervan afwijkt dient dit onderbouwd te worden.

  • 3. Kosten van inhuur worden zo laag mogelijk gehouden.

Paragraaf 2

Beoordeling aanvraag

De beoordeling van de subsidieaanvraag geschiedt door een door de Minister in te stellen onafhankelijke beoordelingscommissie. De commissie beoordeelt de aanvraag aan de hand van het bovenstaande beoordelingskader op urgentie en kwaliteit. De aanvraag moet voldoen aan de vereisten in het beoordelingskader. Een aanvraag kan alleen worden goedgekeurd indien de commissie ieder criterium met een voldoende (minimaal een zes op een tienpunt-schaal) heeft beoordeeld. Hierbij is de urgentie van de uitvoering van het plan van doorslaggevend belang.

Rangschikken aanvragen

Ieder onderdeel (A,B,C, D) van de aanvraag wordt van een cijfer voorzien. De aanvraag dient op alle criteria een voldoende te scoren. Voor criterium 1 geldt dat alle subonderdelen van onderdeel A (afbakening van de regio) aan alle voorwaarden moeten voldoen. Voldoen deze onderdelen hieraan dan ontvangt de aanvrager voor dit onderdeel een voldoende (ofwel een 6). Omdat de onderdelen B en C van dit criterium inzicht moeten geven in de urgentie van de uitvoering van het plan weegt criterium 1 tweemaal zo zwaar als de overige criteria. De aanvragen worden gerangschikt op het totaalcijfer. Indien twee of meerdere aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt, beslist de Minister op basis van loting.

Criterium

Score

Weging

Criterium 1 onderdeel a

Onderdeel B

Onderdeel C

6

0–10

0–10

De totaalscore criterium 1 wordt vermenigvuldigd met twee.

Criterium 2

0–10

 

Criterium 3

0–10

 

Criterium 4

0–10

 
  • 1

    Onder SMART wordt verstaan: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden