Rijksoverheid

Wettenpocket Wet op het voortgezet onderwijs

Titel regeling
Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019; Wet overige OCW-subsidies; Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS; Wet op het primair onderwijs; Wet primair onderwijs BES; Wet op de expertisecentra; Wet op het voortgezet onderwijs; Wet voortgezet onderwijs BES; Wet educatie en beroepsonderwijs; Wet educatie en beroepsonderwijs BES; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013; Erfgoedwet; Kaderwet SZW-subsidies; Kaderwet VWS-subsidies; Wet voortgezet onderwijs 2020
Geldend vanaf
23-7-2022
Geselecteerde elementen
Volledig
Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 juli 2019, nr. 9161960, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van opleidingsscholen (Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aspirant-opleidingsschool: partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden, waarvoor:

    • a. niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;

    • b. gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;

    • c. op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;

    • d. in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of

    • e. subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;

  • beoordelingsgerichte peer review: peer review uitgevoerd door de commissie beoordelingsgerichte peer review die gericht is op de beoordeling van de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingsschool aan de hand van de criteria opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1.1.1, onder w.1 en w.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of het instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onder y, van de WHW;

  • bve: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • commissie beoordelingsgerichte peer review: commissie beoordelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 20a;

  • DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;

  • DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

  • hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder b en d van de WHW;

  • lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding tot leraar po, leraar vo, of leraar bve;

  • Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie als bedoeld in artikel 5.2 van de WHW;

  • ontwikkelingsgerichte peer review: peer review georganiseerd door een opleidingsschool die is gericht op kwaliteitsontwikkeling en kwaliteitsborging met gebruikmaking van het Kwaliteitskader Samen Opleiden en Inductie dat op de website van DUS-I is gepubliceerd;

  • opleidingsschool: partnerschap, niet zijnde een aspirant-opleidingsschool, tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden;

  • po: primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra;

  • school: uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • schooljaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend;

  • student:

    • a. degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;

    • b. degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;

    • c. degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;

    • d. degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;

    • e. degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;

    • f. degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;

    • g. degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of

    • h. degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;

  • studiepunt: studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid, van de WHW;

  • vo: voortgezet onderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Hoofdstuk 2. Subsidie voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen

§ 2.1. Algemeen

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

De Minister kan subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4 als tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van studenten en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur.

Artikel 4. Penvoerderschap

  • 1. Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool treedt één bevoegd gezag op als penvoerder.

  • 2. De penvoerder is de subsidieontvanger.

  • 3. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 4. Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 mei gemeld bij DUO, indien het een opleidingsschool betreft of een aspirant-opleidingsschool die subsidie ontvangt voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid. De wijziging treedt in werking met ingang van 1 augustus volgend op de datum waarop de wijziging aan de Minister is doorgeven.

  • 5. Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 oktober gemeld bij DUS-I, indien het een aspirant-opleidingsschool betreft die subsidie ontvangt voor de eerste twee schooljaren als bedoeld in artikel 14.

Artikel 5. Subsidieplafonds

  • 1. In het schooljaar 2021–2022 is een bedrag van € 35.772.000 beschikbaar voor:

    • a. subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en

    • b. subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  • 1a. In het schooljaar 2022–2023 is een bedrag van € 44.389.000 beschikbaar voor:

    • a. subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en

    • b. subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  • 2. Het subsidieplafond voor het schooljaar 2023–2024 voor opleidingsscholen en aspirant- opleidingsscholen als bedoeld in het eerste lid zal worden bekendgemaakt door wijziging van deze regeling.

  • 3. In het schooljaar 2022–2023 is een bedrag van € 6,5 miljoen beschikbaar voor subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren, bedoeld in artikel 15, eerste lid.

Artikel 6. Verantwoording

  • 1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 2. De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 7. Besteding subsidie

Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

§ 2.2. Bijzondere bepalingen subsidie opleidingsscholen

Artikel 8. Subsidieaanvraag

  • 1. De subsidie aan een opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt.

  • 2. Een subsidieaanvraag voor een opleidingsschool wordt ingediend uiterlijk op 30 september van het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Aanvragen die later worden ingediend, worden afgewezen.

  • 3. De aanvraag wordt ingediend met behulp van het formulier ‘Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen’ dat daarvoor op de website van DUO beschikbaar is gesteld.

  • 4. In het jaar waarin de opleidingsschool de ontwikkelingsgerichte peer review, bedoeld in artikel 10, eerste lid, organiseert, gaat de aanvraag in aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS vergezeld van het rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review.

Artikel 9. Subsidiebedrag en verdeling subsidie

  • 1. De opleidingsscholen en de aspirant-opleidingsscholen in het derde en vierde schooljaar waarin subsidie wordt verleend krijgen een vast subsidiebedrag voor de ontwikkeling en instandhouding van de basisinfrastructuur. De vaste voet bedraagt, conform bijlage 2, € 100.000.

  • 2. Naast de vaste voet krijgen de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen in het derde en vierde schooljaar waarin subsidie wordt verleend een subsidie per student, bedoeld in artikel 8, derde lid. De hoogte van de subsidie bedraagt, conform bijlage 2, € 955 per student.

  • 3. De bedragen die de opleidingsscholen krijgen op grond van het eerste en tweede lid van dit artikel worden verrekend met het bedrag op grond van de overgangsregeling, bedoeld in artikel 21a. De overgangsregeling geldt voor opleidingsscholen en aspirant opleidingsscholen in het derde en vierde jaar die voor het schooljaar 2019–2020 zijn gestart.

  • 4. Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022 wordt overschreden, ontvangen opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen de vaste voet, bedoeld in het eerste lid. Daarnaast ontvangen de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen een verrekening op grond van de overgangsbepaling, bedoeld in artikel 21a. Vervolgens verdeelt de Minister het resterende bedrag voor de subsidie per student, bedoeld in het tweede lid, evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger, conform bijlage 2, een gelijk bedrag per student ontvangt.

  • 5. Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag in de schooljaren na schooljaar 2021–2022 zou worden overschreden, ontvangen opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen de vaste voet, zoals bedoeld in het eerste lid. Vervolgens verdeelt de Minister het resterende bedrag voor de subsidie per student, zoals bedoeld in het tweede lid, evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger, conform bijlage 2, een gelijk bedrag per student ontvangt.

Artikel 10. Subsidieverplichtingen

  • 1. Een opleidingsschool organiseert ten minste iedere zes jaar een ontwikkelingsgerichte peer review, met dien verstande dat de eerste ontwikkelingsgerichte peer review wordt georganiseerd binnen vier jaar na de beoordelingsgerichte peer review waarmee de basiskwaliteit is vastgesteld. De ontwikkelingsgerichte peer review vindt plaats door een onafhankelijk panel bestaand uit in ieder geval vertegenwoordigers van ten minste twee andere opleidingsscholen.

  • 2. De opleidingsschool maakt een rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review.

  • 3. In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS houdt de subsidieontvanger een administratie bij:

    • a. waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal opgeleide studenten in een schooljaar wordt geregistreerd;

    • b. die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en

    • c. die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in a genoemde gegevens.

Artikel 11. Vaststelling en betaling

  • 1. De Minister stelt de subsidie direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid.

  • 2. Het subsidiebedrag wordt in twee gedeelten aan de subsidieontvanger betaald. Het eerste gedeelte bedraagt 53,95% van het totaalbedrag en wordt betaald in november van het schooljaar. Het tweede gedeelte bedraagt 46,05% van het totaalbedrag en wordt betaald in februari van hetzelfde schooljaar.

Artikel 12. Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverstrekking worden geweigerd, indien:

    • a. de opleidingsschool het rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 10, eerste lid, niet of niet tijdig aanlevert;

    • b. het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt lager is dan 60 per schooljaar;

    • c. niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs vallen;

    • d. niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO; of

    • e. de aspirant-opleidingsschool aan het einde van de aspirant fase niet voldoet aan de vereiste basiskwaliteit.

  • 2. De minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, advies aan DUO.

  • 3. De minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, advies aan de commissie beoordelingsgerichte peer review. Het advies van de commissie beoordelingsgerichte peer review wordt gebaseerd op de criteria opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

§ 2.3. Bijzondere bepalingen subsidie aspirant-opleidingsscholen

Artikel 13. Criterium doelgroep aspirant-opleidingsschool

Een aspirant-opleidingsschool komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien van de opleidingsplaatsen binnen de aspirant-opleidingsschool:

  • a. ten minste 60% zich bevindt op scholen in het po;

  • b. ten minste 60% zich bevindt op scholen in het vo; of

  • c. ten minste 60% zich bevindt op scholen in het bve.

Artikel 14. Hoogte subsidiebedrag eerste twee schooljaren

Aan een aspirant-opleidingsschool wordt voor de eerste twee schooljaren eenmaal een vast subsidiebedrag verstrekt van € 500.000.

Artikel 15. Subsidieaanvraag eerste twee schooljaren

  • 1. Een subsidieaanvraag voor de eerste twee schooljaren van een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 oktober 2022.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een samenwerkingsovereenkomst, die de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool bevat, en waarin in ieder geval:

      • 1°. een beschrijving is opgenomen van de gezamenlijke visie van de deelnemende partijen op het opleiden van aanstaande leraren en een daarbij passende leeromgeving;

      • 2°. de inzet van middelen is vastgesteld die de deelnemende partijen hierbij inbrengen; en

      • 3°. is vastgelegd welke partij als penvoerder optreedt.

    • b. een ontwikkelplan dat voldoet aan de criteria, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 3. Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier ‘Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen’ dat daarvoor beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.

Artikel 16. Beoordeling subsidieaanvragen en verdeling beschikbare middelen

  • 2. Vervolgens rangschikt de Minister de aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie. In het schooljaar 2022–2023 komen voor subsidie in aanmerking:

  • 3. Indien op basis van de rangschikking twee of meerdere aanvragen van gelijke geschiktheid worden geacht, geeft de Minister voorrang aan de eerst-ontvangen aanvraag.

  • 4. Indien binnen een categorie aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in het tweede lid, minder aanvragen dan het maximum voor subsidie in aanmerking komen, wordt het resterende bedrag aangewend voor toewijzing van de eerstvolgende hoogst gerangschikte aanvraag uit de andere categorieën.

Artikel 17. Vaststelling en betaling subsidie eerste twee schooljaren

  • 2. Het subsidiebedrag voor de eerste twee schooljaren voor aspirant-opleidingsscholen wordt in twee gelijke delen betaald, uiterlijk in de maand december van de eerste twee schooljaren.

Artikel 18. Subsidieverstrekking voor een derde of vierde schooljaar

  • 1. De subsidie voor het derde en vierde schooljaar van een aspirant-opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt. Daarbij zijn de artikelen 9, eerste en tweede lid, 10 en 12 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bij toepassing van artikel 9, tweede lid, worden de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of vierde schooljaar subsidie hebben aangevraagd, op gelijke voet in de evenredige verdeling betrokken.

Artikel 18a. Beoordeling basiskwaliteit aspirant-opleidingsschool

  • 1. De Minister beoordeelt de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool in het vierde jaar van de aspirantfase, bedoeld in artikel 19, eerste lid.

  • 2. De Minister vraagt hierover advies aan de commissie beoordelingsgerichte peer review. De commissie beoordelingsgerichte review brengt binnen acht weken advies uit aan de Minister, in de vorm van een rapport van de beoordelingsgerichte peer review.

  • 3. Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool als voldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool voor het daaropvolgende schooljaar in aanmerking voor subsidie als opleidingsschool als bedoeld in paragraaf 2.2.

Artikel 18b. Verlenging aspirantfase

  • 1. Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool op grond van artikel 18a als onvoldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool niet in aanmerking voor subsidie als opleidingsschool op grond van paragraaf 2.2. In plaats daarvan kan aan de desbetreffende aspirant-opleidingsschool, onder overeenkomstige toepassing van artikel 18, voor een vijfde en zesde schooljaar als aspirant-opleidingsschool subsidie worden verstrekt.

  • 2. De Minister beoordeelt de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool als bedoeld in het eerste lid, opnieuw in het zesde jaar van de verlengde aspirantfase. Artikel 18a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool na toepassing van het tweede lid als voldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool voor het daaropvolgende schooljaar in aanmerking voor subsidie als opleidingsschool als bedoeld in paragraaf 2.2.

  • 4. Indien de Minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool na toepassing van het tweede lid als onvoldoende beoordeelt, komt de aspirant-opleidingsschool voor het daaropvolgende schooljaar niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 19. Subsidieverplichtingen

  • 1. Een aspirant-opleidingsschool die vanaf het schooljaar 2019–2020 of vanaf een later schooljaar op grond van deze regeling subsidie ontvangt, neemt in het vierde jaar van de aspirantfase deel aan een beoordelingsgerichte peer review.

  • 2. Artikel 10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor een derde of een vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.

Artikel 20. Weigeringsgronden

  • 2. De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor het derde en vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.

§ 2.4. Commissie beoordelingsgerichte peer review

Artikel 20a. Samenstelling en taken commissie beoordelingsgerichte peer review

  • 1. Er is een commissie beoordelingsgerichte peer review, die bestaat uit vijfentwintig deskundigen op het gebied van Samen Opleiden en een voorzitter. De leden van de commissie worden benoemd door de Minister.

  • 2. De commissie heeft tot taak:

    • a. te adviseren over subsidieaanvragen van aspirant-opleidingsscholen;

    • b. het begeleiden van aspirant-opleidingsscholen;

    • c. het uitvoeren van beoordelingsgerichte peer review.

Artikel 20b. Ondersteuning commissie beoordelingsgerichte peer review

DUS-I voert het secretariaat van de commissie beoordelingsgerichte peer review.

Artikel 20c. Werkwijze commissie beoordelingsgerichte peer review

  • 1. De werkwijze van de commissie wordt gepubliceerd op de website van DUS-I.

  • 2. De commissie functioneert bij de uitvoering van haar taken in een wisselende samenstelling van ten minste twee commissieleden bij het adviseren over subsidieaanvragen en het uitvoeren van de beoordelingsgerichte peer review.

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

De Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt ingetrokken.

Artikel 21a. Overgangsbepaling

  • 1. In het schooljaar 2020–2021 wordt de hoogte van het subsidiebedrag berekend aan de hand van het absolute verschil in het subsidiebedrag op grond van het financieringsmodel dat van toepassing was in het schooljaar 2019–2020 en het financieringsmodel, bedoeld in artikel 9 eerste en tweede lid. Dit absolute verschil wordt berekend aan de hand van de opgave van studentenaantallen op 1 oktober 2019. Indien het oude subsidiebedrag hoger ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 85% toegevoegd op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9. Indien het oude subsidiebedrag lager ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 85% in mindering gebracht op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9.

  • 2. In het schooljaar 2021–2022 wordt de hoogte van het subsidiebedrag berekend aan de hand van het absolute verschil in het subsidiebedrag op grond van het financieringsmodel dat van toepassing was in het schooljaar 2019–2020 en het huidige financieringsmodel, bedoeld in artikel 9 eerste en tweede lid. Dit absolute verschil wordt berekend aan de hand van de opgave van studentenaantallen op 1 oktober 2019. Indien het oude subsidiebedrag hoger ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 60% toegevoegd op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9. Indien het oude subsidiebedrag lager ligt dan het nieuwe subsidiebedrag, wordt van het absolute verschil, conform bijlage 2, 60% in mindering gebracht op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9.

Artikel 21b. Aanvullende subsidie schooljaar 2021–2022

Elke opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool in het derde en vierde leerjaar die in schooljaar 2021–2022 in aanmerking komt voor subsidie als bedoeld in artikel 9, ontvangt in aanvulling op die subsidie een bedrag van € 30.000,-. Dit aanvullende bedrag is bestemd voor het stimuleren van de groei van de studentaantallen binnen de opleidingsschool, onderscheidenlijk de aspirant-opleidingsschool in het derde en vierde schooljaar.

Artikel 21c. Overgangsbepaling

Opleidingsscholen die vóór het schooljaar 2019–2020 reeds subsidie ontvingen op grond van de Subsidieregeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, organiseren vóór 31 december 2025 een eerste ontwikkelingsgerichte peer review.

Artikel 22. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 29 juli 2019 en vervalt met ingang van 29 juli 2024.

Artikel 23. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Bijlage 1. behorende bij artikel 19, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Hieronder zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan een opleidingsschool aan het eind van de aspirantfase beoordeeld wordt. Onder een opleidingsschool wordt verstaan, conform de omschrijving in het kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie en in navolging van de eerdere omschrijving van NVAO (2009), een partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden’. De criteria zijn gebaseerd op de vier waarborgen uit het Kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie van december 2021:

https://www.platformsamenopleiden.nl/wp-content/uploads/2022/01/Kwaliteitskader-Samen-Opleiden-en-Inductie-en-werkwijze-peer-review-2.pdf

Een aspirant opleidingsschool heeft gedurende vier jaar toegewerkt naar de in het kwaliteitskader geformuleerde basiskwaliteit voor Samen Opleiden. Bij de beoordelingsgerichte peer review wordt aan de hand van een kritische reflectie beoordeeld of deze basiskwaliteit gerealiseerd en geborgd is bij de vier waarborgen:

  • Lerende leraar

  • Leeromgeving

  • Organisatie

  • Kwaliteitscultuur

Waarborg

Basiskwaliteit

Lerende leraar

Het partnerschap heeft een gezamenlijk en gedragen beeld van het beroep van leraar en heeft dat vertaald in een visie op het leren en opleiden van leraren.

• Het partnerschap heeft een geëxpliciteerde visie op het opleiden van aankomende leraren. Hierin is in ieder geval (ook) een gedeelde visie opgenomen op de wijze waarop leraren zich ontwikkelen tijdens hun loopbaan.

• De visie op het opleiden van aankomende leraren sluit aan bij het beroepsbeeld dat het partnerschap heeft van de leraar.

Leeromgeving

Het partnerschap heeft op basis van de visie op het leren van de leraar, een samenhangende en consistente leeromgeving gerealiseerd. Deze leeromgeving ondersteunt (aankomende) leraren in hun leer- en ontwikkelproces als professional. Er is sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid, verbinding tussen theorie en praktijk, en samenhang en verbinding tussen het leren op het opleidingsinstituut en op de werkplek.

• Er is een gezamenlijk opleidingsprogramma voor verschillende groepen aankomende leraren.

• Het is transparant hoe dit programma gezamenlijk wordt uitgevoerd in de praktijk.

• Doelstellingen, programma’s en beoordelingswijzen zijn vastgelegd.

• De werkplek is een professionele leeromgeving waarin aankomende en startende leraren zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Organisatie

Het partnerschap heeft verantwoordelijkheden en benodigde competenties van de verschillende actoren vastgelegd, afgestemd en ingebed in de organisatiestructuur/HRM. Zo is deze structuur een adequate basis voor het realiseren van de gezamenlijke visie en de daarmee samenhangende leeromgeving.

• Het partnerschap heeft een overleg- en afsprakenstructuur voor de verschillende actoren, waarin de gezamenlijkheid tot uitdrukking komt.

• De verantwoordelijkheden en benodigde competenties van de verschillende actoren binnen het partnerschap zijn vastgesteld en ingebed in de organisatiestructuur.

• Voor de verschillende actoren in het partnerschap is een aanpak uitgewerkt op professionele ontwikkeling.

Kwaliteitscultuur

Bij een kwaliteitscultuur wordt vanuit een gedeelde visie in een open dialoog met alle actoren gewerkt aan het oog hebben voor kwaliteit én de verbetering daarvan binnen het partnerschap. Uitgangspunt bij het creëren van een kwaliteitscultuur is dat het partnerschap ‘het goede, zoals geformuleerd bij waarborg 1, 2 en 3, concreet uitvoert en daarin goed wil zijn’. Dit betekent dat regelmatig een open gesprek wordt gevoerd over aandachtspunten, zoals: Is wat we willen bereiken (waarborg 1) nog actueel en relevant? Bereiken we daadwerkelijk wat we willen bereiken? Doen we wat we willen doen en is dat effectief (waarborg 2)? Is dat op de goede manier georganiseerd (waarborg 3)? En doen we dit voldoende in gezamenlijkheid? Aan dat gesprek, waarin het geven en ontvangen van feedback centraal staat, nemen diverse actoren (ook aankomende leraren) deel. Er wordt in de gesprekken gebruikgemaakt van gegevens die door middel van verschillende kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethodieken zijn verzameld.

• Het partnerschap gebruikt een systematiek om de basiskwaliteit te bewaken én de continue ontwikkeling van het partnerschap te borgen.

• Om dit te bereiken worden regelmatig de volgende vragen besproken:

– Doen we het goede? Hoe weten we dat?

– Vinden anderen dat ook (bijvoorbeeld via audits met externen, ontwikkelingsgerichte peer review)?

– Wat doen we met die wetenschap?

• Om deze vragen te beantwoorden wordt gebruikgemaakt van onderzoeksuitkomsten.

• Op basis van de antwoorden worden vervolgstappen afgesproken, uitgevoerd, geëvalueerd en bijgesteld.

Beoordelingscriteria

Voor de beoordeling van basiskwaliteit kijkt de commissie naar:

  • 1. De concrete beschrijving van basiskwaliteit per waarborg;

  • 2. de samenhang tussen de waarborgen;

  • 3. de uitvoering in de praktijk van wat is beschreven;

  • 4. de gezamenlijkheid in die uitvoering.

Weging:

De commissie adviseert over de basiskwaliteit bij alle waarborgen aan de hand van de bovengenoemde vier criteria. De beoordeling van elk waarborg dient voldoende te zijn. Een nadere uitwerking van de wijze waarop de basiskwaliteit per waarborg wordt beoordeeld, is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen.

Bijlage 2. behorende bij de artikelen 9 en 21a, eerste en tweede lid, van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019

Rekenregel financieringsmodel 2020

  • 1. Formule, behorende bij artikel 9, eerste en tweede lid

    Als Qt≤ Bt, dan geldt:

    x1,t (st)=€ 100.000+(€ 955*st)

  • 2. Formule, behorende bij artikel 9, vijfde lid

    Als Qt> Bt, dan geldt:

    XB1,t (Nt, STt, st Bt) = € 100.000+(((Bt-(€ 100.000* Nt ))/STt)*st)

  • 3. Formule, behorende bij artikel 9, vierde lid

    Als t=2020, dan geldt:

    XB1,2020 (N2020, ST2020, s2020, B2020, OR2020) = € 100.000+(((B2020-(€ 100.000* N2020-OR2020))/ST2020)*s2020)

    Als t=2021, dan geldt:

    XB1,2021 (N2021, ST2021, s2021, B2021, OR2021) = € 100.000+(((B2021-(€ 100.000* N2021-OR2021))/ST2021)*s2021)

  • 4. Formule, behorende bij artikel 21a, eerste lid

    Als t=2020, dan geldt:

    x2,2020 = x1,2020+((x0,2020- x1,2020)*0,85)

    Als t=2020 en Qt> Bt dan geldt:

    x2,2020 = XB1,2020+((x0,2020- x1,2020)*0,85)

  • 5. Formule, behorende bij artikel 21a, tweede lid

    Als t=2021, dan geldt:

    x2,2021 = x1,2021+((x0,2020- x1,2020)*0,60)

    Als t=2021 en Qt> Bt dan geldt:

    x2,2021 = XB1,2021+((x0,2020- x1,2020)*0,60)

Toelichting

Qt = totaalbedrag van de subsidie naar opleidingsscholen in het schooljaar (t/ t+1), berekend volgens artikel 9 eerste en tweede lid, en artikel 21A. Dit is de som van alle x2,t (voor 2020 en 2021), x1,t (na 2021 en als het subsidieplafond niet wordt overschreden) of XB1,t (na 2021 en als het subsidieplafond wordt overschreden).

ORt: totaalbedrag overgangsregeling. Dit is de som van de individuele bedragen op basis van de overgangsregeling. Voor 2020 is dit de som van de volgende formule: (x0,2020- x1,2020)*0,85. Voor 2021 is dit de som van de volgende formule: (x0,2020- x1,2020)*0,60.

STt = totaal aantal studenten op de opleidingsscholen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (studentenaantal totaal in schooljaar t-1/t).

st = studentaantal van de opleidingsschool in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (studentenaantal in schooljaar t-1/t).

Nt = aantal opleidingsscholen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt toegekend (aantal opleidingsscholen in schooljaar t-1/t).

x0,2020 = bedrag per opleidingsschool op basis van de staffelsystematiek (oude financieringssystematiek) in schooljaar 2020/2021.

XB1,t = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1) indien het subsidieplafond wordt overschreden.

x1,t = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1).

x2,t = bedrag per opleidingsschool op basis van de nieuwe financieringssystematiek in schooljaar (t/ t+1) + overgangsregeling.

Als Qt≤ Bt

x1 is afhankelijk van:

  • st: het aantal studenten op een opleidingsschool in schooljaar (t-1/t).

Als Qt> Bt

XB1 is afhankelijk van:

  • Nt: het aantal opleidingsscholen in schooljaar (t-1/t)

  • STt: het totaal aantal studenten van alle opleidingsscholen in schooljaar (t-1/t)

  • st: het aantal studenten op een opleidingsschool in schooljaar (t-1/t)

  • Bt: het subsidieplafond op tijdstip t

  • ORt: totaalbedrag overgangsregeling (de som van de individuele bedragen op basis van de overgangsregeling).

Oude financieringsmodel

Aantal studenten

Tegemoetkoming per jaar

60-139

€  200.000

140-179

€  280.000

180-219

€  320.000

220-259

€  340.000

260-299

€  380.000

300-339

€  420.000

340-379

€  460.000

380 en meer

€  500.000

Bijlage 3. behorende bij artikel 16, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Beoordelingscriteria aspirant-opleidingsscholen

Deze tabel bevat een samenvatting van de criteria. Elk van de criteria wordt uitgewerkt op drie onderdelen:

  • de vertaling van de te realiseren basiskwaliteit (zoals opgenomen in het kwaliteitskader) naar het partnerschap;

  • de huidige stand van zaken;

  • het ontwikkelpad van de huidige stand van zaken naar de basiskwaliteit (zoals opgenomen in het kwaliteitskader).

I. Lerende leraar

  • a. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de lerende leraar naar het partnerschap.

  • b. beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de lerende leraar binnen het partnerschap.

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de lerende leraar tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

II. Leeromgeving

  • a. Beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de huidige leeromgeving binnen het partnerschap.

  • b. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de leeromgeving naar het partnerschap

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de leeromgeving tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

III. Organisatie

  • a. Beschrijving van de stand van zaken van de huidige organisatie binnen het partnerschap.

  • b. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de organisatie naar het eigen partnerschap

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de organisatie tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

IV. Kwaliteitscultuur

  • a. Beschrijving van de stand van zaken van de huidige kwaliteitscultuur binnen het partnerschap.

  • b. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de kwaliteitscultuur naar het eigen partnerschap

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit (zoals opgenomen in het Kwaliteitskader) voor de kwaliteitscultuur tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

Weging:

De Minister toetst alle aanvragen aan de bovengenoemde vier criteria. De gemiddelde beoordeling van deze criteria dient voldoende te zijn. Een nadere uitwerking van bovenstaande criteria en de wijze waarop wordt beoordeeld, is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen.

Bijlage 4. behorende bij artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Het ontwikkelplan van de aspirant-opleidingsschool bevat in ieder geval:

  • 1. een lijst van deelnemende opleidingen, besturen en scholen (inclusief status accreditatie, laatste inspectieoordeel);

  • 2. een opgave van de beoogde studentenaantallen (per onderwijssector) aan het einde van de ontwikkelperiode;

  • 3. een (concept)beschrijving van de beoogde structuur van de opleidingsschool (inclusief rollen schoolopleider en werkplekbegeleider*);

  • 4. een beschrijving waarin wordt aangegeven op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool al denkt te voldoen aan de kaders genoemd in bijlage 1 bij deze regeling en op welke onderdelen de aspirant-opleidingsschool zich nog gaat ontwikkelen in de ontwikkelperiode (inclusief hiervoor benodigde activiteiten en planning).

Bij de beschrijving van punt 4 worden in ieder geval de volgende producten uit het kader, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, benoemd:

  • opleidingsplan (standaard 1)

  • gezamenlijke visie op professionalisering (standaard 2)

  • gezamenlijke visie op HR-beleid

  • kwaliteitszorgplan (standaard 4)

Specifiek wordt hierbij aangegeven hoe gewerkt wordt aan de benodigde kwalificatie van het personeel.

Het ontwikkelplan is maximaal 20 A4 groot

* De schoolopleider is de algemeen begeleider van studenten en coördinator van de praktijkopleiding op de school die ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van begeleiding en beoordeling.

De werkplekbegeleider is de begeleider van studenten tijdens het werkplekleren in de praktijk.