Rijksoverheid

Wettenpocket Wetboek van Strafrecht

Titel regeling
Binnenvaartregeling
Type
Ministeriele-regeling
Wetsfamilie
Binnenvaartregeling; Binnenvaartwet; Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; Binnenvaartbesluit; Wet geluidhinder; Scheepvaartverkeerswet; Wet milieubeheer; Wetboek van Strafrecht; Arbeidstijdenwet; Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Wetboek van Strafvordering
Geldend vanaf
8-7-2020
Geselecteerde elementen
Volledig
Binnenvaartregeling

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de Herziene Rijnvaartakte met bijbehorende protocollen, alsmede op verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PbEG L 175); richtlijn nr. 76/135/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 inzake wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG L 021); verordening (EEG ) nr. 2919/85/ van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280); richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322); verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373); richtlijn nr. 91/672/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PbEG L 373); verordening (EEG) nr. 3912/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 395); verordening (EEG) nr. 1356/96 van de Raad van de Europese Unie van 8 juli 1996 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor het vervoer van goederen of personen over de binnenwateren, tussen Lid-Staten, om voor dit vervoer het vrij verrichten van diensten te verzekeren (PbEU L 175); richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235); richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255); verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 september 2006 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren en houdende intrekking van richtlijn nr. 80/1119/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 264); richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEU L 389); verordening (EG) nr. 425/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 april 2007 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren (PbEU L 103);
alsmede gelet op de artikelen 1, eerste lid, 2, 6, tweede, derde en vijfde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, tweede lid, 13, eerste lid, 14 eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 21, tweede lid, 22, eerste en vierde lid, 24, derde lid, 29, tweede lid, onderdeel c, 31, eerste lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste lid, 40, tweede lid, 43, eerste lid, en 48, vierde lid, van de Binnenvaartwet en 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;
alsmede gelet op de artikelen 2, tweede lid, onderdeel c, 3, eerste lid, 5, 7, onderdeel c, onder 3°, 11, eerste en tweede lid, 12, tweede lid, onderdeel e, 17, tweede en derde lid, 18, eerste lid, 19, 20, eerste en vijfde lid, onderdeel b, 23, derde lid, 24, 25, tweede lid, 26, zesde lid, 29, eerste en tweede lid, 30, tweede lid, 31, 32 en 33, eerste lid, van het Binnenvaartbesluit;
In overeenstemming met de colleges van gedeputeerde staten van Fryslân, Groningen en Overijssel voor artikel 10.4, eerste lid;
alsmede in overeenstemming met de colleges van burgemeester en wethouders van Aalsmeer en Amsterdam voor artikel 10.4, tweede lid;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

    • bevoegde autoriteit: autoriteit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 of bedoeld in artikel 1.18;

    • besluit: Binnenvaartbesluit;

    • CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk (Z-H);

    • duwbak: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, geschikt om te worden geduwd en dat:

      • 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk

      • 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn;

    • duwstel: hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;

    • ES-TRIN: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2017/1;

    • gekoppeld samenstel: samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;

    • hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;

    • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    • open rondvaartboot: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 20 meter en dat:

      • a. is ingericht en bestemd uitsluitend voor rondvaarten met een niet-onderbroken vaarduur van ten hoogste twee uren,

      • b. geen gesloten opbouw heeft,

      • c. geen doorlopend dek heeft, en

      • d. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4;

    • patrouillevaartuig: schip voor zover ingezet voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak;

    • richtlijn 87/540/EEG: richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322);

    • richtlijn 96/50/EG: richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235);

    • rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, zoals ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat:

      • a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord,

      • b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen,

      • c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn,

      • d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en

      • e. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4;

    • RosR: bij resolutie van 7 december 2017 (protocol 2017-II-20) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde Reglement onderzoek schepen op de Rijn;

    • Rsp: bij resolutie van 2 juni 2010 (protocol 2010-I-8) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgesteld Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;

    • verordening (EEG) 2919/85: verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280).

  • 2. Waar in deze regeling de aanduiding ‘jaar’ wordt gebruikt in relatie tot vaartijd, wordt hieronder verstaan 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode 365 opeenvolgende dagen worden maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. 250 Vaardagen in de zee- of kustvaart dan wel de visserij gelden als één jaar vaartijd.

§ 2. Binnenwateren

Artikel 1.2

Binnenwateren zijn de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen de langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van:

  • het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse kust ter plaatse van Upleward,

  • vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'.5 N en 006°55'.9 E,

  • vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop van de strekdam van Borkum,

  • vandaar via de noordelijkste punten van Rottumeroog, Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand, naar het oostelijkste punt van Schiermonnikoog, en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van Schiermonnikoog,

  • vandaar naar het noordelijkste punt van de zandplaat Het Rif,

  • vandaar naar het oostelijkste punt van Ameland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland,

  • vandaar naar het oostelijkste punt van Terschelling en voorts langs de noordelijke kustlijn naar het westelijkste punt van dit eiland,

  • vandaar naar het noordelijkste punt van Vlieland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland,

  • vandaar naar het noordelijkste punt van Texel en voorts langs de westelijke kust tot het snijpunt van de kustlijn en de lijn tussen het Loodsmansduin te Texel, met de coördinaten 53°01'.3 N en 004°43'.7 E, en het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E op het eiland Noorderhaaks,

  • vandaar naar het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E,

  • vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts langs de kust van Noord- en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen de hoofden van IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan de Haringvlietdam,

  • vandaar langs de zeezijde van deze dam en de zeezijde van de buitenhaven van Stellendam, naar Goeree en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de Brouwersdam,

  • vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Schouwen en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de afsluiting in de Oosterschelde,

  • vandaar langs de zeezijde van deze afsluiting, over de havenhoofden van de vluchthaven Neeltje Jans en de Noordland Buitenhaven (Roompotsluis), naar Noord-Beveland en voorts langs de kustlijn hiervan naar de Veersedam,

  • vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Walcheren en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de lichtopstand de Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en 003°33'.1 E, bij Vlissingen,

  • vandaar naar de lichtopstand Nieuwe Sluis, met de coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in Zeeuws-Vlaanderen en voorts langs de noordwestelijke kust hiervan over de hoofden van de haven van Cadzand-Bad naar het punt van grensovergang tussen Nederland en België.

Artikel 1.3

De zones, bedoeld in artikel 2 van de wet zijn:

  • a. de zones 2, 3 en 4 genoemd in bijlage I van richtlijn (EU) 2016/1629;

  • b. de zone R, die de binnenwateren omvat, bedoeld in onderdeel a, waarvoor een certificaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, volgens de bewoordingen van dat artikel bij het in werking treden van de wet.

§ 3. Algemene bepalingen met betrekking tot documenten

Artikel 1.4

  • 1. Onverminderd het bepaalde in het Rsp ten aanzien van het aanvragen van Rijnpatenten en Radarpatenten wordt voor het aanvragen van een krachtens de wet vereist document de wijze van aanvragen toegepast die de afgevende instantie voorschrijft.

  • 2. De afgevende instantie, bedoeld in het eerste lid, kan voor een verloren geraakt of door slijtage ongeldig geworden document een gewaarmerkt afschrift verstrekken, dat in de plaats treedt van het oorspronkelijke document.

Artikel 1.5

  • 1. De verplichting tot het aan boord hebben van documenten, afgegeven ingevolge of krachtens de wet, geldt niet voor de volgende vaartuigen:

    • a. bokken;

    • b. kranen;

    • c. baggermolens;

    • d. hopperzuigers;

    • e. elevatoren;

    • f. schepen zonder verblijven, zoals duwbakken, dekschuiten, pontons;

    • g. open rondvaartboten, behalve ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs en mits het certificaat van onderzoek ter plaatse waar de rondvaarten beginnen, aanwezig is;

    • h. binnenschepen waarvoor ingevolge artikel 785, tweede lid, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geen verplichting tot teboekstelling bestaat, behalve motorboten als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs.

  • 2. De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde schepen geldt alleen indien:

    • a. op het schip een metalen plaat is aangebracht waarop staan vermeld het certificaatnummer, de zone, onderscheidenlijk zones waarvoor het certificaat van onderzoek geldig is en de datum tot welke het certificaat geldig is;

    • b. de vermeldingen, bedoeld in onderdeel a, in goed leesbare letters en cijfers met een diepte van ten minste 6 mm zijn ingehakt en de metalen plaat, bedoeld in onderdeel a, een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm heeft en op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats is bevestigd;

    • c. de overeenstemming tussen de vermeldingen op de plaat en de aantekeningen in het certificaat is bevestigd door een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport door middel van het aanbrengen van een stempel op de plaat;

    • d. bij gebruik van het schip op de in Nederland gelegen binnenwateren het certificaat bij de eigenaar van het schip in bewaring is; en

    • e. bij grensoverschrijding het certificaat aan boord is van het schip dat het duwstel, gekoppeld samenstel of de sleep voortbeweegt.

§ 4. Voorschriften voor de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek

Artikel 1.6

  • 1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het RosR met de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.1 bij deze regeling en wordt aangehaald als: Reglement onderzoek schepen op de Rijn.

  • 2. Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid handelt de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 1.19, overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van het RosR.

  • 3. De minister maakt de dienstinstructies, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant.

Artikel 1.7

  • 1. De gezagvoerder van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met 1.05, en hoofdstuk 8a van het RosR en van de hoofdstukken 3 tot en met 31, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 10.07, derde lid, 15.01, derde en vierde lid, 17.15, tweede en derde lid, 19.05, eerste lid, en 21.06, eerste lid, van bijlage 1.1a en van de artikelen 2.02, eerste lid, tweede lid, derde alinea, en derde lid, 3.01, 3.02, 3.03, 3.04, 3.06, tweede, derde en zesde lid, 3.05, eerste lid, onderdeel a, 3.10, 3.11, eerste, tweede en derde lid, 3.12 en 3.13, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Rsp.

  • 2. De eigenaar van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met 1.05, 2.08, eerste lid, 2.09, eerste lid, en hoofdstuk 8a van het RosR en van de hoofdstukken 3 tot en met 31, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 10.07, derde lid, 15.01, derde en vierde lid, 17.15, tweede en derde lid, 19.05, eerste lid, en 21.06, eerste lid, van bijlage 1.1a en van artikel 3.14, eerste lid, van het Rsp.

  • 3. De werkgever van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 2.02, eerste lid, tweede lid, derde alinea, en derde lid, 3.01, 3.02, 3.03, 3.04, 3.06, tweede, derde en zesde lid, 3.05, eerste lid, onderdeel a, 3.10, 3.11, eerste tot en met derde lid, 3.12 en 3.13, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Rsp.

  • 4. Een lid van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart, niet zijnde de gezagvoerder, is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3.04, 3.05, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid en 3.06, tweede, derde en vierde lid, van het Rsp.

  • 5. Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de krachtens artikel 1.06, eerste lid, van het RosR of artikel 1.02 van het Rsp aangebrachte tijdelijke afwijkingen.

Artikel 1.8

Op de goedkeuring en installatie van een tachograaf als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van bijlage 1.9 is bijlage A3 van het Rsp van toepassing, alsmede bijlage 1.4.

Artikel 1.9

  • 1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het Rsp, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.9.

  • 2. Onverminderd het eerste lid is op de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, van toepassing:

    • a. hoofdstuk 7, paragrafen 1 en 2;

    • b. mits tijdens de vaart de Duits-Nederlandse grens in de ene of de andere richting niet wordt overschreden:

      • 1°. de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 2.9;

      • 2°. de omschrijving van zeeschepen in artikel 5.10;

      • 3°. de vrijstellingen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5;

      • 4°. de rusttijden bedoeld in het Arbeidstijdenbesluit vervoer, hoofdstuk 5 Binnenvaart.

Artikel 1.10

In plaats van een patent als bedoeld in artikel 6.02, derde lid, onderdeel b, van het in bijlage 1.9 opgenomen Rsp, volstaat voor de vaart op de Rijn benedenstrooms van het Spijksche Veer, met inbegrip van de Waal en de Lek:

  • a. een klein vaarbewijs;

  • b. een ingevolge artikel 7.11 erkend bewijs van vaarbekwaamheid; of

  • c. een Militair vaarbewijs, geldig voor het besturen van een klein legervaartuig op rivieren, kanalen en meren, afgegeven door het Genie opleidingscentrum.

Artikel 1.11

  • 1. Met het radarpatent, bedoeld in artikel 6.04, tweede lid, van het Rsp wordt gelijkgesteld:

    • a. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het Besluit reglement radarpatenten zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het Besluit Patentreglement Rijn;

    • b. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1965, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn (Stb. 660), zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het Besluit Reglement radarpatenten;

    • c. het radardiploma binnenvaart, afgegeven krachtens de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart;

    • d. het radardiploma Rijn- en binnenvaart, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, van de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart;

    • e. het radarbrevet, afgegeven krachtens het koninklijk besluit tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart van 15 oktober 1993 (Belgisch Staatsblad, 2757).

  • 2. Met het radarpatent, bedoeld in artikel 6.04, tweede lid, van het Rsp, worden, voor de vaart op de scheepvaartwegen, bedoeld in artikel 4.06, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, gelijkgesteld:

    • a. de stuurliedendiploma’s, afgegeven krachtens de Wet op de zeevaartdiploma’s, met uitzondering van het diploma stuurman kustsleepvaart en het diploma stuurman beperkte kleine handelsvaart;

    • b. het bewijs van bevoegdheid van radarwaarnemer en het bewijs van bevoegdheid van radarnavigator, ter verkrijging van het diploma, bedoeld in onderdeel a;

    • c. het bewijs van bevoegdheid, afgegeven krachtens annex II/2, II/3 en II/4 van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (Trb. 1981, 144);

    • d. het radardiploma ruime wateren, afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.

  • 3. Als gelijkwaardig examenbewijs, als bedoeld in artikel 8.04, derde lid, van het Rsp, worden erkend de volgende diploma’s met de codering van het Centraal Register Beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid, van de Wet educatie beroepsonderwijs:

    • a. het diploma stuurman/schipper, met coderingen 10651, 91900, 95630 of 25510, dan wel het bewijsstuk dat het onderdeel radar van deze opleiding met succes is afgesloten;

    • b. het diploma kapitein, met coderingen 10650, 93110, 95640 of 25511, dan wel het bewijsstuk dat het onderdeel radar van deze opleiding met succes is afgesloten.

Artikel 1.12

De examens ter verkrijging van een radarpatent worden afgenomen met inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn goedgekeurd door de minister.

Artikel 1.13

[Vervallen]

Artikel 1.14

  • 1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek voldoen de kleur, de sterkte van de lichten, alsmede de goedkeuring van de navigatielantaarns aan de eisen van richtlijn (EU) 2016/1629.

  • 2. Navigatielantaarns die zijn goedgekeurd met inachtneming van de in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983 (Stb. 389), bedoelde voorschriften worden geacht te zijn goedgekeurd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorschriften.

Artikel 1.15

Typen van radarapparatuur die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze radarapparatuur tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is.

Artikel 1.16

Typen van bochtaanwijzers die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze bochtaanwijzers tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is.

Artikel 1.17

  • 1. De inbouw of vervanging, alsmede de reparatie en het onderhoud van radarinstallaties en bochtaanwijzers mogen slechts worden uitgevoerd door bedrijven, die door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

  • 2. De erkenning kan aan een door de bevoegde autoriteit te bepalen termijn worden verbonden en kan door deze worden ingetrokken indien de keuringsvoorwaarden bedoeld in bijlage V, delen I en II, van bijlage 1.1a niet langer vervuld zijn.

  • 3. De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mee welke bedrijven zijn erkend.

Artikel 1.17a

Het Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus, het daarmee vergelijkbare visualiseringssysteem en de elektronische binnenvaartkaarten moeten aan de in bijlage 1.10 opgenomen minimumeisen voldoen.

Artikel 1.18

  • 1. De bevoegde autoriteit in de zin van de in de artikelen 1.6 en 1.9 bedoelde reglementen is de minister.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit:

    • a. de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken in artikel 2.18 van het RosR;

    • b. de voorzitter van de commissie van deskundigen in de artikelen 2.11, eerste lid, 2.12, tweede lid, 2.20, eerste, tweede en derde lid, en 2.21, eerste, tweede, derde en vierde lid van het RosR en de artikelen, 8a.01, 8a.02, achtste lid, 8a.03, eerste en tweede lid, 8a.04, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 8a.05, eerste, tweede en derde lid, 8a.06, derde lid, 8a.08, eerste, derde en vierde lid, 8a.09, 8a.10, eerste, tweede en derde lid, 8a.11, eerste lid, 8a.12, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 25.01, tweede lid, onderdeel h, van bijlage 1.1a;

    • c. de hoofdingenieurs-directeuren van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Zuid-Holland, ieder voor zover het zijn ambtsgebied betreft, in de artikel 2.11, eerste lid, van het RosR en de artikelen 5.03, eerste lid en 23.01 van bijlage 1.1a;

    • d. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering in de artikelen 2.11, eerste lid.

  • 3. In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het Rsp:

    • a. De inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport in de artikelen 3.03, eerste lid, onder a, 3.06, eerste, derde en vierde lid, 3.13, tweede en vierde lid, 5.02, onderdeel a, 5.03, aanhef, 5.04, eerste lid, 5.08, eerste tot en met derde lid en 3.03, eerste lid, onder a, 3.06, eerste, derde en vierde lid en 3.13, tweede en vierde lid;

    • b. de in artikel 10.2 aangewezen ambtenaren alsmede de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012 in de artikelen 7.24, eerste lid en 7.25;

    • c. de voorzitter van de commissie van deskundigen in artikel 3.13, tweede en vierde lid;

    • d. de Dienst wegverkeer in bijlage A3, onderdeel B, punt 1, van het Rsp;

    • e. De ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering in artikel 3.03, eerste lid, onder a.

  • 4. De in het eerste en derde lid bedoelde bevoegde autoriteiten voeren het Rsp uit overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van dat reglement.

  • 5. De minister maakt de in het vierde lid bedoelde dienstinstructies bekend in de Staatscourant.

§ 5. De commissie van deskundigen en de technische commissie

Artikel 1.19

  • 1. Er is een commissie van deskundigen.

  • 2. Van deze commissie maken deel uit:

    • a. als deskundigen: de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die zijn belast met het onderzoek van schepen en de afgifte van certificaten van onderzoek, alsmede de hoofdingenieur-directeur van de directie Oost-Nederland van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;

    • b. als deskundige, uitsluitend belast met de afgifte van vaartijdenboeken voor de Rijnvaart en de daarbij behorende verklaringen: de hoofdinspecteur Toezichtseenheid Binnenvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport;

    • c. als voorzitter: de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport;

    • d. als plaatsvervangend voorzitter: de plaatsvervangend inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

  • 3. Een besluit genomen door de voorzitter of een deskundige van de commissie wordt gelijkgesteld met een besluit genomen door de commissie van deskundigen.

Artikel 1.20

  • 1. Er is voor de duur van vijf jaar een technische commissie.

  • 2. Van deze commissie maken als lid deel uit:

    • a. vertegenwoordigers van de classificatiebureau’s die als zodanig door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn erkend;

    • b. vertegenwoordigers van de overige keuringsinstanties die in opdracht van de minister onderzoek van schepen verrichten;

    • c. een vertegenwoordiger van het Deelorgaan Binnenvaart van de Overlegorganen Verkeer en Waterstaat.

  • 3. Deze commissie staat onder voorzitterschap van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

  • 4. De werkwijze van deze Commissie is nader geregeld in een door de minister goedgekeurd reglement van orde.

§ 6. Rijnvaartverklaring

Artikel 1.21

Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen en personen tussen twee punten gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, bevindt de Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit of een gewaarmerkt afschrift daarvan, als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, zich aan boord van het schip waarvoor het is afgegeven.

§ 7. Doorwerking toekomstige wijzigingen van Europese richtlijnen

Artikel 1.22

Een wijziging van richtlijn (EU) 2016/1629 gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Eisen aan ondernemers en bemanningsleden

§ 1. Bewijs vakbekwaamheid voor ondernemers in de binnenvaart

Artikel 2.1

Artikel 6, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

  • a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer dan 200 metrieke ton bedraagt;

  • b. vervoer van:

    • 1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden gebruikt voor het beroepsvervoer van personen;

    • 2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd; of

    • 3°. aan de vervoerder toebehorende goederen, mits het totale gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn.

Artikel 2.2

De vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, wordt aangetoond door middel van:

  • a. de volgende diploma’s:

    • 1°. het vakdiploma Ondernemer in de binnenvaart van het CBR,

    • 2°. het diploma MBO Rijn- en Binnenvaart,

    • 3°. het diploma Kapitein binnenvaart niveau 3 of niveau 4, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen met de codes 10650, 93110 of 95640;

  • b. een op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven vergunning voor het beroepsvervoer van goederen; of

  • c. het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid.

Artikel 2.3

Voor de examens ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is een door de minister goedgekeurd examenreglement van toepassing.

Artikel 2.4

  • 1. Natuurlijke personen die bewijzen dat zij voor het tijdstip, bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 87/540/EEG, in een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte het beroep van ondernemer van nationaal of internationaal goederenvervoer over de binnenwateren wettelijk hebben uitgeoefend, voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en ontvangen van de minister op aanvraag een desbetreffend bewijsstuk.

  • 2. Als bewijsstuk van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld het document overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 2.1 bij deze regeling.

Artikel 2.5

  • 1. Aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, behoeft gedurende een jaar niet te worden voldaan door:

    • a. de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, gezamenlijke erfgenamen van de overleden houder van een bewijs van vakbekwaamheid;

    • b. een, door of namens de houder van een bewijs van vakbekwaamheid, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de houder van een bewijs van vakbekwaamheid.

  • 2. De termijn, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onder a of b. De minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste 26 weken verlengen.

Artikel 2.6

De minister kan op aanvraag een ontheffing als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de wet, verlenen aan een persoon die aantoonbaar beschikt over een praktijkervaring van ten minste drie jaar in het dagelijks beheer van de betrokken onderneming, indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 87/540/EEG.

Artikel 2.7

De houder van een bewijs van vakbekwaamheid draagt er zorg voor dat dit bewijs op één van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd:

  • a. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van het binnenschip; of

  • b. aan de hand van de gegevens uit het handelsregister bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007.

Artikel 2.8

Een wijziging van richtlijn 87/540/EEG gaat voor de toepassing van de artikelen 2.4 en 2.6 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 2. Bekwaamheidseisen voor bemanningsleden

Artikel 2.9

  • 1. Dit artikel is van toepassing op de bemanningsleden van schepen als bedoeld in artikel 12 van het besluit, niet zijnde veerboten, varend op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren, mits tijdens de vaart de Duits-Nederlandse grens op de Rijn bij het Spijksche Veer niet in de ene of de andere richting wordt overschreden.

  • 2. Een schipper is:

    • a. in het bezit van een groot patent als bedoeld in het Rsp of een krachtens artikel 9.02, eerste lid, van dat reglement geldig Rijnschipperspatent;

    • b. in het bezit van een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet;

    • c. in het bezit van een document als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet; of

    • d. krachtens artikel 31 van de wet vrijgesteld of ontheven van de verplichting in het bezit te zijn van een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, mits de aan de vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen door hem worden nageleefd.

  • 3. Een stuurman:

    • a. is in het bezit van een beperkt groot vaarbewijs of voldoet aan de vereisten van matroos, en

    • b. heeft een beroepservaring van ten minste twee jaar vaartijd als matroos in de binnenvaart.

  • 4. Een machinist is:

    • a. ten minste 18 jaar en in het bezit van een maritiem diploma zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder de nummers 91943, 91941, 91931 of 91932, dan wel in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; of

    • b. ten minste 19 jaar en heeft een beroepservaring van ten minste 2 jaar als volmatroos op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen.

  • 5. Een volmatroos voldoet aan de vereisten van matroos en heeft een beroepservaring van ten minste één jaar vaartijd als matroos in de binnenvaart.

  • 6. Een matroos is:

    • a. ten minste 17 jaar en in het bezit van:

      • 1°. het diploma matroos binnenvaart, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen met codes 10652, 25509, 91880 tot en met 91882 en 95620,

      • 2°. het diploma kapitein, stuurman-schipper of bootman, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder de respectieve nummers 10650, 25511, 93110, 95640, 10651, 25510, 91900, 95630, 10653, 25512 en 93030,

      • 3°. het diploma VMBO Rijn-, en binnen- en kustvaart van het Scheepvaart en Transport College te Rotterdam, het Maritiem College IJmuiden, of de Maritieme Academie Harlingen, waarbij voor de met ingang van 1 juli 2017 behaalde diploma’s de beroepsgerichte keuzevakken met de vakcodes 2105 tot en met 2108 op de bijbehorende cijferlijst moeten zijn vermeld en de toets matroosvaardigheden voldoende moet zijn afgesloten, dan wel

      • 4°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; of

    • b. ten minste 19 jaar en:

      • 1°. heeft een beroepservaring van ten minste drie jaar vaartijd als lid van een dekbemanning, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaar in hetzij de binnenvaart, de zeevaart, de kustvaart of de visserij;

      • 2°. is in het bezit van de verklaring praktijkexamen matroos, ten bewijze dat het praktijkexamen matroos binnenvaart van het CBR met goed gevolg is afgelegd; of

      • 3°. is in het bezit van:

        • a. het diploma aspirant schipper afgegeven door het CBR;

        • b. een verklaring van het CBR dat Praktijktoets 1 van het praktijkexamen schipper binnenvaart, bedoeld in artikel 7.19a, met goed gevolg is afgelegd; en

        • c. een bewijsstuk dat er minimaal 60 dagen vaartijd zijn opgebouwd.

  • 7. Een lichtmatroos is:

    • a. tenminste 15 jaar, en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat de desbetreffende opleiding verzorgt, voor het door middel van schoolbezoek volgen van een opleiding voor matroos binnenvaart, schipper binnenvaart, kapitein binnenvaart, bootman, of schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder de respectieve nummers: 25509, 25510, 25511, 25564, en 25385; of

    • b. tenminste 15 jaar, en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat de cursus verzorgt, voor het schriftelijk of door middel van schoolbezoek volgen van de cursus aspirant schipper van de Maritieme Academie Harlingen, het Maritiem College IJmuiden, het Scheepvaart en Transportcollege te Rotterdam, het Maritiem Instituut de Ruyter te Vlissingen, het Berechja College op Urk, het Noorderpoortcollege te Groningen, en Edumar te Workum; of

    • c. tenminste 19 jaar en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat het praktijkexamen verzorgt, voor deelname aan het Praktijkexamen matroos binnenvaart van het CBR; of

    • d. tenminste 21 jaar en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat het praktijkexamen verzorgt, voor deelname aan het Praktijkexamen schipper binnenvaart van het CBR; of

    • e. tenminste 21 jaar en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat het praktijkexamen verzorgt, voor deelname aan het Praktijkexamen schipper rondvaartboot beperkt vaargebied van het CBR; of

    • f. tenminste 15 jaar, en in het bezit van een schriftelijk bewijs van een door een bevoegde autoriteit in het buitenland erkende opleiding, die opleidt tot een gelijkwaardig diploma als dat kan worden behaald voor de onder a genoemde opleidingen en de onder b genoemde cursus.

  • 8. Een deksman is ten minste 16 jaar.

  • 9. Houders van een groot patent, een overeenkomstig Richtlijn 96/50/EG afgegeven vaarbewijs, een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 1 van Richtlijn 91/672/EEG of een aan het grote patent als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs mogen naast de functie van stuurman ook de functies van deksman, matroos en volmatroos uitoefenen

Artikel 2.10

  • 1. Op de bemanningsleden van veerboten is dit artikel van toepassing.

  • 2. Een schipper:

    • a. is ten minste 21 jaar,

    • b. voldoet aan de vereisten die op grond van artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a tot en met c, worden gesteld aan een schipper, en

    • c. is in het bezit van:

      • 1°. een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de korte opleiding schipper-machinist met beperkt werkgebied of een andere door de minister erkende opleiding alsmede de opleiding Zoute Veren, nautische Module heeft gevolgd,

      • 2°. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd, of

      • 3°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

  • 3. Een stuurman:

    • a. is ten minste 21 jaar,

    • b. voldoet aan de vereisten die op grond van artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a tot en met c, worden gesteld aan een schipper, en

    • c. is in het bezit van een door de minister erkend:

      • 1°. getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een E.H.B.O.-opleiding heeft gevolgd, of

      • 2°. buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd.

  • 4. Een eerste machinist is ten minste 21 jaar en is in het bezit van:

    • a. een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg heeft gevolgd:

      • 1°. de opleiding MTS-Werktuigbouw alsmede de opleiding Zoute Veren, technische Module,

      • 2°. de opleiding Machinist Binnenvaart B aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module, of

      • 3°. een andere door de minister erkende opleiding;

    • b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of

    • c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

  • 5. Een tweede machinist is ten minste 19 jaar en is in het bezit van:

    • a. een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de opleiding machinist binnenvaart B heeft gevolgd, hetzij een andere door de minister erkende opleiding;

    • b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of

    • c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

  • 6. Een matroos is ten minste 19 jaar en is in het bezit van:

    • a. een door de minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd;

    • b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of

    • c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

  • 7. Een lichtmatroos is ten minste 18 jaar en is in het bezit van een door de minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel van een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd.

  • 8. Voor de examens ter verkrijging van de diploma’s Zoute Veren Nautische Module of Technische Module, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onder 1°, en het vierde lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, is een door de minister goedgekeurd examenreglement en examenprogramma van toepassing.

Artikel 2.11

De bekwaamheid voor een functie aan boord kan te allen tijde worden aangetoond:

  • a. door de schipper door middel van het vaarbewijs; of

  • b. door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje bedoeld in artikel 5.11.

Artikel 2.12

  • 1. Als document ter beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties van een migrerende beroepsbeoefenaar voor de beroepen stuurman binnenvaart, machinist binnenvaart, matroos, volmatroos en matroos-motordrijver wordt vastgesteld het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11.

  • 2. Op een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties die het beroep matroos, matroos-motordrijver, volmatroos of stuurman binnenvaart wenst uit te oefenen in Nederland, is het eerste lid van toepassing.

Hoofdstuk 3. Technische voorschriften

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 3.1

In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:

  • Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat:

    • a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,

    • b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en

    • c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;

  • niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden;

  • skûtsje: zeilend passagiersschip:

    • a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,

    • b. dat is gebouwd voor 1950, en

    • c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.

§ 2. Technische eisen voor schepen op de zones 2, 3 en 4

Artikel 3.2

  • 1. Binnenschepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit die worden gebruikt op de zones 2, 3 en 4, voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 1.1a.

  • 2. Bij de toepassing van dit artikel handelt de minister overeenkomstig de Instructies voor de toepassing van bijlage 1.1a zijn vastgesteld.

Artikel 3.3

Onverminderd artikel 3.2, eerste lid, voldoen passagiersschepen op de zone 2 aan de technische voorschriften, genoemd in bijlage 3.1.

Artikel 3.4

  • 1. In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, bedraagt voor duwstellen met een lengte van ten hoogste 86 meter de minimaal te behalen snelheid ten opzichte van het water ten minste:

    • a. 11 km/h op zone 3-wateren;

    • b. 10 km/h op zone 4-wateren, tenzij daar een maximumsnelheid van minder dan 10 km/h geldt. In dat geval stelt de minister voor het betreffende duwstel een andere minimaal te behalen snelheid vast.

  • 2. In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, is het toegestaan om een duwstel, met een lengte van ten hoogste 86 meter en van een duwsteven voorzien, op de zones drie en vier zonder hekankers te gebruiken en te volstaan met de in artikel 13.01, eerste lid, van bijlage 1.1a, bedoelde boegankers.

  • 3. Artikel 3.2 is niet van toepassing op:

    • a. Amsterdamse dekschuiten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.2;

    • b. rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.3;

    • c. open rondvaartboten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.4;

    • d. skûtsjes, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.5;

    • e. veerponten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.6;

    • f. veerboten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.7;

    • g. bunkerstations, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.8;

    • h. patrouillevaartuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.9;

    • i. kleine drijvende werktuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.12.

§ 3. Technische eisen voor schepen op de zone R

Artikel 3.5

  • 1. Onverminderd artikel 1.6, eerste lid, kunnen binnenschepen op de zone R eveneens voldoen aan de technische voorschriften, bedoeld in bijlage 1.1a, voor zover zij over een Uniebinnenvaartcertificaat beschikken, ten bewijze van de volledige conformiteit van het binnenschip met de in bijlage 1.1a en de in bijlage V bij richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde technische voorschriften, waarvan de gelijkwaardigheid met de bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften is vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke voorschriften en procedures.

§ 4. Certificaten en uniek Europees scheepsidentificatienummer

Artikel 3.6

  • 1. Voor binnenschepen waarvan de kiel op 30 december 2008 of later is gelegd, verstrekt de minister het certificaat van onderzoek, indien hem na technisch onderzoek voor de ingebruikneming van het binnenschip is gebleken dat het voldoet aan de voorschriften van bijlage 1.1a.

  • 2. Voor binnenschepen waarvan de kiel voor 30 december 2008 is gelegd, wordt het certificaat van onderzoek door de minister afgegeven als het voldoet aan de voorschriften van bijlage 1.1a, met inachtneming van de voor het binnenschip geldende overgangsbepalingen.

  • 3. Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde technisch onderzoek of bij een in opdracht van de eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek wordt in voorkomend geval nagegaan of het binnenschip voldoet aan artikel 3.4.

  • 4. Indien uit een door een erkend classificatiebureau afgegeven verklaring blijkt, dat een binnenschip geheel of ten dele voldoet aan de voorschriften, opgenomen in bijlage 1.1a of in de overige bij deze regeling behorende bijlagen, kan de minister van een onderzoek geheel of gedeeltelijk afzien.

Artikel 3.7

Voor de binnenschepen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met d, g en j, van het besluit wordt het certificaat van onderzoek afgegeven als Uniebinnenvaartcertificaat.

Artikel 3.8

  • 1. De aanvraag van een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de eigenaar van het binnenschip.

  • 2. Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van het binnenschip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de minister bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd.

  • 3. Indien het binnenschip is onderzocht door of is gebouwd onder toezicht van een op basis van artikel 14 van de wet aangewezen classificatiebureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd.

  • 4. Indien ingevolge de artikelen 3.14 of 3.15 een hellingproef is vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens over de stabiliteit van het binnenschip bij verschillende beladingstoestanden.

Artikel 3.9

  • 1. Het certificaat van onderzoek, het voorlopig certificaat van onderzoek, het Uniebinnenvaartcertificaat, het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, alsmede het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat in samenhang met een certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor de bestemming en voor de zones waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is bevonden.

  • 2. Het Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 8 van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van bijlage 1.1a.

  • 3. Het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 9 van het besluit wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel III, van bijlage 1.1a.

  • 4. Het voorlopig certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 10 van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel II, van bijlage 1.1a.

  • 5. Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt, voor de schepen bedoeld in artikel 3.4, door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van bijlage 1.1a.

  • 6. Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt voor bunkerstations door de minister afgegeven volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.10.

  • 7. Het certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte, wordt door de minister afgegeven volgens het model van bijlage B bij het RosR 1995.

Artikel 3.10

Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat bedoeld in artikel 10 van het besluit, wordt afgegeven wanneer de deugdelijkheid van het binnenschip, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.

Artikel 3.11

  • 1. De geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat, het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat en het certificaat van onderzoek bedraagt voor nieuwe schepen:

    • a. vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen;

    • b. tien jaar voor andere binnenschepen.

  • 2. De geldigheidsduur wordt in de in het eerste lid bedoelde certificaten aangetekend.

  • 3. Voor binnenschepen die reeds vóór het onderzoek in bedrijf waren, stelt minister de geldigheidsduur van het certificaat voor elk geval afzonderlijk vast, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, doch niet langer dan in het eerste lid bepaald.

Artikel 3.12

De minister houdt overeenkomstig deel I, bijlage 3, onderdeel VI, van bijlage 1.1a een register bij van alle door hem op grond van deze paragraaf afgegeven certificaten van onderzoek.

Artikel 3.13

  • 1. Het certificaat van onderzoek vermeldt het uniek Europees scheepsidentificatienummer dat is toegekend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de plaats van teboekstelling of de thuishaven van het binnenschip is gelegen.

  • 2. Aan binnenschepen die niet uit een der lidstaten van de Europese Unie afkomstig zijn, kent de minister het uniek Europees scheepsidentificatienummer toe.

  • 3. De eigenaar van het binnenschip brengt het in het certificaat van onderzoek vermelde scheepsidentificatienummer op het binnenschip aan en verwijdert dit zodra het ongeldig is geworden.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op pleziervaartuigen.

§ 5. Het onderzoek van schepen voor het certificaat van onderzoek

Artikel 3.14

  • 1. Een te onderzoeken binnenschip wordt onbeladen, gereinigd en voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden.

  • 2. De commissie van deskundigen bezichtigt het binnenschip bij een eerste onderzoek op het droge. Dit kan achterwege blijven indien een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of indien een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de minister al voor andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft verricht. Bij periodieke onderzoeken of onderzoeken overeenkomstig artikel 3.16 kan de commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen.

  • 3. Bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting, doet de commissie van deskundigen een proefvaart plaatsvinden.

  • 4. De commissie van deskundigen kan, eveneens tijdens de bouw, extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen.

  • 5. De eigenaar van het binnenschip verleent verdere medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen of door proefvaarten te houden.

Artikel 3.15

  • 1. Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip, indien het een eerste onderzoek betreft, aan een hellingproef onderworpen.

  • 2. Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de minister toestaan dat een hellingproef achterwege blijft.

  • 3. Voor de beoordeling van de stabiliteit van andere schepen dan in het eerste lid genoemd, kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden indien de inrichting of de bijzondere bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft.

  • 4. De hellingproef wordt, behalve bij schepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter, door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de commissie van deskundigen.

  • 5. Bij passagiersschepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter kan voldoende stabiliteit worden aangetoond door het uitvoeren van een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen, bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks.

  • 6. Bij de in het vijfde lid bedoeld stabiliteitsproef wordt het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3,75 personen per vierkante meter, overeenkomend met 285 kg per vierkante meter, wordt verkregen.

  • 7. Bij de in het zesde lid bedoelde gewichtsverplaatsing mag de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden bedragen. Het resterende vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,20 meter en 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,10 meter.

Artikel 3.16

  • 1. Indien naar aanleiding van omstandigheden als in bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet een onderzoek plaatsvindt als bedoeld in dat artikel omvat dit een onderzoek van de constructie, de werktuigen en uitrusting van het binnenschip, voor zover deze betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld.

  • 2. Indien het een onderzoek van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip betreft kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden.

  • 3. Indien het onderzoek andere schepen dan de in het tweede lid genoemde betreft is artikel 3.15, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, het binnenschip aan de bij of krachtens artikel 8 van de wet gestelde voorschriften voldoet, geeft de minister een nieuw certificaat van onderzoek af of verlengt de geldigheidsduur van het certificaat.

Artikel 3.17

Indien een certificaat van onderzoek door de minister is afgegeven, deelt de eigenaar elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een binnenschip alsmede elke wijziging van het uniek Europees scheepsidentificatienummer, van de teboekstelling of van de thuishaven aan de minister mee. Hij legt daarbij het certificaat van onderzoek ter wijziging voor.

Artikel 3.18

  • 1. Voor afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek kan een binnenschip aan een periodiek onderzoek worden onderworpen.

  • 2. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vastgesteld. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat en wordt ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven.

  • 3. Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur, als bedoeld in het tweede lid, het certificaat van onderzoek door een nieuw wordt vervangen, wordt het oude certificaat teruggezonden aan de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven.

  • 4. In uitzonderingsgevallen kan de minister op een met redenen omkleed verzoek besluiten de geldigheidsduur van het door hem afgegeven certificaat van onderzoek zonder onderzoek met ten hoogste zes maanden te verlengen. Deze verlenging wordt in het certificaat vermeld.

Artikel 3.19

  • 1. De minister onderzoekt ook schepen die niet onder de reikwijdte van richtlijn (EU) 2016/1629 of van het RosR vallen, indien zij ter onderzoek worden aangeboden.

  • 2. Als uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat het schip voldoet aan richtlijn (EU) 2016/1629 of aan het RosR, geeft de minister een certificaat van onderzoek af.

Artikel 3.20

  • 1. Als bijlage 1.1a bepaalt dat op een binnenschip bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de minister de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit binnenschip van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel toestaan dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 als gelijkwaardig zijn erkend.

  • 2. Zolang het comité, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, in het kader van de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, nog geen aanbeveling inzake gelijkwaardigheid overeenkomstig het eerste lid heeft gedaan, kan de minister een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven.

  • 3. Binnen een maand na afgifte van het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, overeenkomstig artikel 9, onder g, van richtlijn (EU) 2016/1629, stelt de minister, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, met opgave van de naam en het unieke Europees scheepsidentificatienummer van het binnenschip, het comité, bedoeld in het tweede lid, in kennis van de aard van de afwijking en van het land waar het binnenschip is te boek gesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.

  • 4. Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan de minister op grond van een aanbeveling van het comité, bedoeld in het tweede lid, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, voor een binnenschip met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de bepalingen van bijlage II bij die richtlijn, een Uniebinnenvaartcertificaat afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid bieden.

§ 6. Erkenning van documenten van deugdelijkheid

Artikel 3.21

  • 1. Voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen voor de in Nederland gelegen zone 2, erkent de minister voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c, van het besluit, scheepsattesten afgegeven op grond van richtlijn 2009/100/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (Pb L 259), indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regels voor zone 2.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten, met dien verstande dat de erkenning voor zone 2 slechts geldt indien de veerboot tevens voldoet aan de voorschriften van bijlage 3.7.

Artikel 3.22

  • 1. De minister kan voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c, van het besluit, een document erkennen dat door een bevoegde autoriteit van een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip.

  • 2. Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het schip.

  • 3. Het document van deugdelijkheid wordt erkend voor de in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 indien het document naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op die wateren.

  • 4. De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten.

Artikel 3.23

Met het certificaat voor passagiersschepen, veerboten, patrouillevaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt gelijkgesteld een document van deugdelijkheid afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen.

§ 7. Erkenning keuringsinstanties

Artikel 3.24

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • keuringsinstantie: krachtens artikel 14, eerste lid, van de Binnenvaartwet voor het verrichten van onderzoek aangewezen rechtspersoon;

  • NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004): de met de desbetreffende aanduiding overeenkomende norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft;

  • onderzoek: onderzoek ten behoeve van de certificering van binnenschepen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Binnenvaartwet.

Artikel 3.25

  • 1. De minister wijst als keuringsinstantie aan rechtspersonen, die:

    • a. naar zijn oordeel in staat zijn het onderzoek, waar dan ook in Nederland, te verrichten;

    • b. zijn ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • c. beschikken over een vestiging of vertegenwoordiging in Nederland; en

    • d. beschikken over een accreditatieverklaring, afgegeven door de Raad voor Accreditatie of een andere accreditatie-instelling die erkend is in een lidstaat van de Europese Unie, waaruit blijkt dat de werkzaamheden bedoeld in artikel 3.27, conform NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004) worden uitgevoerd.

  • 2. Rechtspersonen die nog niet aan het eerste lid, onderdeel d, voldoen, kunnen voorlopig worden aangewezen, indien zij de aanvraag voor accreditatie hebben ingediend bij de Raad voor Accreditatie en blijkens een verklaring van de Raad redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende rechtspersoon zal voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Een voorlopige aanwijzing is ten hoogste een jaar geldig.

Artikel 3.26

Een keuringsinstantie wordt aangewezen voor het onderzoek van een of meer in de bijlage 3.11 opgenomen pakketten van scheepstypen.

Artikel 3.27

De aangewezen keuringsinstantie is belast met het volledige onderzoek, onverminderd haar bevoegdheid om met inachtneming van de voorwaarden voor accreditatie, onderdelen van het onderzoek uit te besteden aan derden.

Artikel 3.28

De aangewezen keuringsinstantie voert het onderzoek uit met inachtneming van de voorschriften ingevolge de Binnenvaartwet en, indien van toepassing, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, alsmede de beleidsregels, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet.

Artikel 3.29

De aangewezen keuringsinstantie meldt ernstige mankementen die aan een schip worden geconstateerd onverwijld aan de minister, indien de eigenaar niet bereid is deze onverwijld te herstellen.

Artikel 3.30

  • 1. De aangewezen keuringsinstantie neemt deel in de commissie, bedoeld in artikel 1.20.

  • 2. De keuringsinstantie verstrekt de minister onvoorwaardelijk en kosteloos informatie, benodigd voor het uitoefenen van toezicht. Deze omvat in ieder geval de door de accrediterende instelling opgestelde auditrapporten.

  • 3. De keuringsinstantie verleent de minister onvoorwaardelijk medewerking aan audits en steekproeven.

  • 4. De keuringsinstantie verstrekt de minister jaarlijks voor 1 maart een schriftelijke rapportage, overeenkomstig de daarvoor door de minister te stellen voorschriften of aanwijzingen, over de in het voorgaande kalenderjaar verrichtte onderzoeken.

Artikel 3.31

  • 1. De aangewezen keuringsinstantie stelt de minister tenminste dertien weken voor de voorgenomen datum van beëindiging van haar werkzaamheden van dit voornemen in kennis.

  • 2. De keuringsinstantie stelt de minister onverwijld in kennis van:

    • a. wijzigingen van het ter zake van de keuringsinstantie in het handelsregister ingeschrevene met betrekking tot haar naam en adresgegevens;

    • b. wijziging, voornemen tot schorsing, schorsing of beëindiging van haar accreditatie.

Artikel 3.32

De minister kan de aanwijzing van een keuringsinstantie intrekken, indien:

  • a. de betrokken keuringsinstantie niet meer voldoet aan de artikelen 3.25 of 3.30;

  • b. de betrokken keuringsinstantie in strijd handelt met deze regeling; of

  • c. de betrokken keuringsinstantie door handelen of nalaten te handelen naar het oordeel van de minister gevaar voor de veiligheid of het milieu veroorzaakt.

Hoofdstuk 4. Meetbrief

§ 1. Algemeen

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • belanghebbende: eigenaar van het binnenschip of degene die namens de eigenaar optreedt;

  • ligger: register waarin de minister elke meetbrief inschrijft die hij uitreikt, alsmede de datum van de uitreiking, de naam en het Europese scheepidentificatienummer van het binnenschip of andere gegevens waardoor een binnenschip kan worden geïdentificeerd;

  • maximum toelaatbare waterverplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tot het vlak van de grootste toegelaten diepgang;

  • meetbrief: meetbrief, afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst;

  • Overeenkomst: op 15 februari 1966 te Genève ondertekende en op 14 september 1967 goedgekeurde Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (Trb. 1967, 43);

  • verplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tussen het vlak van inzinking van het lege binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten diepgang.

Artikel 4.2

De meting van binnenschepen heeft tot doel:

  • a. de verplaatsing vast te stellen, evenals, indien nodig, een deel van de verplaatsing in samenhang met de inzinking;

  • b. indien het binnenschip bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: het mogelijk te maken het gewicht van de lading volgens de inzinking te bepalen;

  • c. indien het binnenschip niet bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: de maximum toelaatbare waterverplaatsing en de waterverplaatsing in lege toestand te bepalen.

Artikel 4.3

  • 1. De minister onderhoudt een ligger tot inschrijving van de gemeten binnenschepen.

  • 2. De minister houdt van de afgifte, de verlenging en de intrekking van de meetbrief en van de hermeting aantekening in de ligger.

§ 2. Aanvraag van de meting en de voorwaarden waaronder de meting plaatsheeft

Artikel 4.4

  • 1. De meting, hermeting of controle-meting wordt uitgevoerd op aanvraag van de belanghebbende door de minister of de daartoe door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.

  • 2. Degene die de meting heeft aangevraagd, volgt gedurende de meting alle voorschriften op van de minister met betrekking tot de ligging van het vaartuig op het vlak van inzinking van het lege vaartuig en de eventuele verplaatsing van losse voorwerpen en verschaft de nodige hulp bij de meting en bij het aanbrengen van de ijkmerken of de ijkplaten en stelt daartoe een deugdelijke roeiboot met ten minste twee personen beschikbaar.

Artikel 4.5

  • 1. De ligplaats van het te meten binnenschip of van het binnenschip waarvan de meting gecontroleerd wordt, is in stil, bij voorkeur zoet water en zodanig, dat het vaartuig van alle zijden toegankelijk is.

  • 2. Indien in brak of zout water wordt gemeten, wordt de lege diepgang gecorrigeerd.

  • 3. Het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig behoort tot de uitrusting van het vaartuig.

  • 4. Zaken die niet behoren tot die, welke volgens het derde lid en volgens artikel 4.7 aanwezig zijn, bevinden zich niet aan boord.

  • 5. Is de uitrusting niet volledig, dan wordt zij voor de meting aangevuld.

  • 6. Het schip is voor de meting behoorlijk schoon; op de bodem is geen water aanwezig.

  • 7. Het vaartuig ligt gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stil.

  • 8. Zolang niet aan de dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt de meting niet verricht.

§ 3. Meting

Artikel 4.6

  • 1. Voor de meting van een binnenschip worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenschip is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het lege vaartuig.

  • 2. Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van centimeters rekenkundig afgerond.

  • 3. Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters tot op millimeters in aanmerking genomen.

  • 4. Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, rekenkundig afgerond tot duizendsten.

  • 5. Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van een kubieke decimeter verwaarloosd.

Artikel 4.7

  • 1. Het vlak van inzinking van het lege vaartuig, is het vlak overeenkomende met het wateroppervlak, indien:

    • a. het binnenschip geen brandstof of verplaatsbare ballast aan boord heeft maar slechts de uitrusting, de proviand en de bemanning die normaal aan boord zijn als het vaartuig vaart; alsmede water dat niet door gebruikelijke middelen uit het ruim kan worden verwijderd en de drinkwatervoorraad, die 0,5% van de grootste verplaatsing van het vaartuig niet aanzienlijk mag overschrijden;

    • b. de werktuigen, ketels, pijpleidingen en installaties, nodig voor de voortstuwing, voor de noodzakelijke hulpwerktuigen, of voor verwarming of koeling, water, olie of andere vloeistoffen bevatten waarvan zij in gewone omstandigheden worden voorzien om dienst te kunnen doen;

    • c. het binnenschip zich in zoet water bevindt met een soortelijk gewicht gelijk aan 1.

  • 2. Indien het binnenschip zich bij de meting niet in de toestand, bedoeld in het eerste lid bevindt, of niet in omstandigheden die leiden tot dezelfde inzinking en ongeveer dezelfde trimligging, worden het verschil in belasting en het verschil in soortelijk gewicht van het water in aanmerking genomen bij het maken van de berekeningen.

  • 3. De gewichten aan boord die behoren bij de lege inzinking worden in de meetbrief vermeld.

Artikel 4.8

  • 1. Het vlak van de grootste toegelaten diepgang wordt vastgesteld overeenkomstig de voor dat binnenschip geldende regels van artikel 4.06, tweede lid, van bijlage 1.1a.

  • 2. Voor binnenschepen die bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste lid bepaald.

  • 3. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits aan de minister wordt aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het tweede lid.

  • 4. Voor binnenschepen die niet zijn bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan overeenkomstig het eerste lid bepaald.

Artikel 4.9

Op de meting is bijlage 4.1 van toepassing.

§ 4. Hermeting

Artikel 4.10

  • 1. De belanghebbende kan binnen zesentwintig weken na de afgifte van de meetbrief bij de minister hermeting verzoeken. De hermeting is beslissend.

  • 2. De hermeting en zonodig de vernieuwing van de ijkmerken of de ijkplaten geschieden kosteloos, indien het verschil met de eerste meting meer bedraagt dan:

    • a. 1 procent voor de verplaatsingscijfers van maximaal 500 kubieke meter;

    • b. 5 kubieke meter voor de verplaatsingscijfers van meer dan 500 kubieke meter tot maximaal 2000 kubieke meter;

    • c. 0,25 procent voor de verplaatsingscijfers van meer dan 2000 kubieke meter.

    Het verschil wordt bepaald over een zelfde laadhoogte.

  • 3. De minister geeft in de in het tweede lid genoemde gevallen een nieuwe meetbrief af, waarin de onderscheidingstekenen en het volgnummer van inschrijving in de ligger van de eerste meetbrief worden overgenomen.

  • 4. Is het verschil met de eerste meting gelijk aan of minder dan de percentages of het aantal kubieke meters, vermeld in het tweede lid, dan wordt de eerste meting als juist aangemerkt en is de belanghebbende voor de hermeting de voor de meting gestelde vergoeding verschuldigd.

Artikel 4.11

  • 1. De belanghebbende geeft bij hermeting de bij de vorige meting behorende meetbrief aan de minister af.

  • 2. Indien het een meetbrief betreft die in het buitenland is afgegeven, geeft de minister de bevoegde autoriteit in de andere staat hiervan kennis onder bijvoeging van de ingetrokken meetbrief.

Artikel 4.12

Op de hermeting is bijlage 4.1 van toepassing.

§ 5. Meetbrief

Artikel 4.13

  • 1. De minister verstrekt de meetbrief uiterlijk zeven werkdagen na de meting.

  • 2. De meetbrief wordt vastgesteld overeenkomstig het model in de Overeenkomst.

  • 3. Op de meetbrief worden de zones als bedoeld in artikel 1.3, waarin het binnenschip bestemd is te varen, vermeld.

Artikel 4.14

  • 1. De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien jaar, te rekenen van de datum van afgifte.

  • 2. De vervaldatum wordt op de meetbrief vermeld.

Artikel 4.15

  • 1. De geldigheidsduur van een meetbrief wordt op verzoek van de belanghebbende verlengd, indien bij een controlemeting blijkt dat de gegevens van de meetbrief nog juist zijn. Daartoe worden de volgende afmetingen van het binnenschip gecontroleerd:

    • a. de lengte en de breedte, alsmede de inzinking van het lege vaartuig ter plaatse van elk ijkmerk;

    • b. ingeval het vaartuig blijvende vervormingen heeft: enkele breedten aan de hand van de laatste meting, om na te gaan of de vervormingen vóór of na de laatste meting zijn ontstaan.

  • 2. De geldigheidsduur van de meetbrief kan overeenkomstig het eerste lid worden verlengd:

    • a. indien het een binnenschip betreft dat bestemd of gebruikt is voor het vervoer van goederen: voor een periode van ten hoogste tien jaar;

    • b. indien het een ander binnenschip betreft dan bedoeld in onderdeel a: voor een periode van ten hoogste vijftien jaar.

  • 3. Van de uitkomst van de controle en van de datum waarop de geldigheidsduur van de meetbrief is verlengd, houdt de minister aantekening in de ligger.

  • 4. Tenzij de betreffende bij de Overeenkomst aangesloten staat zulks niet toestaat, kan de geldigheidsduur van een door een van zijn bureaus van meting afgegeven meetbrief voor een vaartuig, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, worden verlengd, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 5. Van de uitkomst van de controle van een in het buitenland gemeten binnenschip alsmede van de datum waarop de geldigheidsduur van een dergelijke meetbrief is verlengd, wordt kennis gegeven aan de minister. Laatstgenoemde geeft daarna aan zijn ambtgenoot in het andere land hiervan kennis.

Artikel 4.16

  • 1. De meetbrief vervalt:

    • a. door het verstrijken van de geldigheidsduur;

    • b. wanneer het binnenschip een verbouwing ondergaat die van invloed is op de ligging van het vlak van inzinking van het lege vaartuig, op de verplaatsing dan wel op de in de meetbrief vermelde afmetingen;

    • c. wanneer het binnenschip, een andere bestemming krijgt of anders gebruikt wordt dan waarvoor de meetbrief is afgegeven;

    • d. wanneer de meetbrief is gewijzigd door daartoe niet bevoegde personen;

    • e. wanneer aan het binnenschip andere veranderingen dan wel blijvende beschadigingen zijn aangebracht, waardoor de omschrijving in de meetbrief niet meer juist is;

    • f. wanneer de meetbrief niet meer volledig is.

  • 2. Als een verbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt onder meer aangemerkt: het verlengen van het schip, het verhogen van het gangboord, het wijzigen van de positie van een of meer lichtranden of patrijspoorten onmiddellijk boven de lastlijn, alle in- en uitwendige verbouwingen aan de romp, laadhoofden en de bovenbouw van het schip en het plaatsen, verwijderen of veranderen van machines, ketels of de inventaris, voor zover daardoor het vlak van inzinking van het lege vaartuig of het vlak van de grootste toegelaten diepgang is verplaatst.

  • 3. Indien een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, zich voordoet, wordt de afgegeven meetbrief voor zover nodig vervangen of gewijzigd.

Artikel 4.17

  • 1. Indien de minister constateert, dat zich ten aanzien van een in Nederland geregistreerd binnenschip één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid, voordoet trekt hij de meetbrief in.

  • 2. Indien één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid, zich voordoet ten aanzien van een in het buitenland geregistreerd binnenschip, informeert de minister de bevoegde autoriteit in het land waar het binnenschip is geregistreerd. In de meetbrief van het desbetreffende binnenschip wordt een verklaring gehecht als vastgesteld door de minister.

Artikel 4.18

Een meetbrief, afgegeven door een bureau van meting van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst, wordt gelijkgesteld aan een meetbrief afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 4.19

  • 1. In geval van wijziging van de naam van een binnenschip wordt op verzoek van de belanghebbende de nieuwe naam op de meetbrief aangetekend.

  • 2. De minister maakt van deze aantekening melding in de ligger.

  • 3. Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, geeft de minister aan de bevoegde autoriteit van de andere staat van deze aantekening kennis.

  • 4. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening wordt door de minister geautoriseerd.

Artikel 4.20

  • 1. Onverminderd het in artikel 4.16, eerste lid, bepaalde, kunnen veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan bedoeld in artikel 4.17, op de meetbrief worden aangetekend. De aantekening geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door de minister.

  • 2. Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, is een schriftelijke machtiging van de bevoegde autoriteit die de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening.

  • 3. Zonder de in het tweede lid bedoelde schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief ook mogelijk met een geldigheid van niet meer dan drie maanden.

  • 4. Een aantekening als bedoeld in het tweede of derde lid wordt in de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief gewaarmerkt, waarbij tevens de duur van de voorlopige geldigheid wordt vermeld.

  • 5. De minister geeft de bevoegde autoriteit van de andere staat van de aantekening kennis.

Artikel 4.21

  • 1. Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgegeven omdat het origineel niet meer aanwezig is, bevat dit afschrift aan het hoofd de volgende zin: Dit afschrift treedt in plaats van het origineel, dat is verloren geraakt.

  • 2. De Minister kan een afschrift van de meetbrief verstrekken, indien dat moet worden gedeponeerd op een buitenlands hypotheekkantoor waar het schip is of zal worden ingeschreven. Dit wordt voor eensluidend afschrift ondertekend en bevat aan het hoofd de volgende zin: ‘Afschrift, bestemd voor nederlegging ten hypotheekkantore te .....’.

  • 3. De minister kan uittreksels van meetbrieven verstrekken.

Artikel 4.22

De belanghebbende levert bij verloren gaan, slopen of blijvend ongeschikt worden voor de vaart van een gemeten binnenschip de meetbrief in bij de minister.

§ 6. Ijkschalen, ijkplaten en ijkmerken

Artikel 4.23

Binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, kunnen bij meting of hermeting van ijkschalen worden voorzien, indien de belanghebbende dit verzoekt.

Artikel 4.24

  • 1. De ijkmerken of de ijkplaten worden door de belanghebbende zodanig onderhouden, dat zij steeds duidelijk zichtbaar zijn. De ijkmerken worden in lichte kleur op donkere achtergrond of in donkere kleur op lichte achtergrond aangebracht.

  • 2. Zijn één of meer ijkmerken of ijkplaten verloren geraakt, versleten of onzichtbaar geworden, dan worden deze, mits de meetbrief nog geldig is, op verzoek van belanghebbende door de minister door nieuwe vervangen.

Hoofdstuk 5. Vaartijden en bemanningssterkte

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 5.1

Behoudens paragraaf 5 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek.

Artikel 5.2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • bilgeboot: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel scheepsbedrijfsafval, als bedoeld in artikel 15.01, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, van deze schepen in te nemen;

  • bunkerschip: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden;

  • exploitatiewijze A1: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig artikel 5.4, eerste lid, 16 uur bedraagt;

  • exploitatiewijze A2: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, ten hoogste 18 uur bedraagt;

  • exploitatiewijze B: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, meer dan 18 uur bedraagt;

  • hotelschip: passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;

  • motorschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;

  • pompoverslagboot: schip dat langszij andere schepen of installaties gaat, met als doel droge bulkgoederen uit die schepen of installaties te zuigen;

  • rusttijd: de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze definitie;

  • sleepschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat:

    • 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk

    • 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn;

  • S1 en S2: standaarden S1 en S2 met betrekking tot uitrustingsvoorschriften voor schepen die met een minimumbemanning worden geëxploiteerd als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Rsp;

  • tachograaf: een registratieapparaat ter controle van de naleving van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften met betrekking tot de vaartijden van het schip, van een door de minister goedgekeurd model.

§ 2. Vaartijden en rusttijden

Artikel 5.3

  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren, bedoeld in artikel 1.2 is binnengevaren.

  • 2. Een schip dat de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van een vaartijdenboek als bedoeld in artikel 3.13 van het Rsp of een ander document, waaruit blijkt op welke wijze de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van het schip gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn vervuld.

Artikel 5.4

  • 1. Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 is artikel 3.10, tweede en derde lid, en artikel 3.13, vijfde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Ten aanzien van een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, is artikel 3.10, tweede en derde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing, indien het eerste lid in acht wordt genomen op het schip of de schepen die zorg dragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip.

Artikel 5.5

Bij wisseling en herhaling van exploitatiewijzen is artikel 3.12 van het Rsp van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Bemanningssterkte

Artikel 5.6

  • 1. De minimumbemanning van de navolgende categorieën van schepen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 3.15 van het Rsp, met dien verstande dat de stuurman in voetnoot 2 de bekwaamheid van schipper bezit bedoeld in artikel 2.9, tweede lid:

    • a. motorschepen;

    • b. duwboten;

    • c. passagiersschepen, niet zijnde stoomschepen, die zonder passagiers aan boord varen;

    • d. drijvende werktuigen die zelfvarend zijn tijdens transport;

    • e. bunkerschepen;

    • f. bilgeboten;

    • g. pompoverslagboten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid mag de minimumbemanning van bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten die volgens exploitatiewijze A2 varen worden vervangen door de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften voor:

    • a. de rusttijd van een bemanningslid bedraagt ten minste 12 uur, waarvan ten minste 6 uur ononderbroken in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van de voorafgaande ononderbroken rusttijd van 6 uur. De volgende periode dient uiterlijk om 00.00 uur aan te vangen;

    • b. de resterende rusttijd wordt opgenomen in ononderbroken blokken van tenminste 1 uur;

    • c. de rusttijd is buiten de vaartijd gelegen;

    • d. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld.

  • 3. Voor bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte van minder dan 35 meter die zijn ingezet op Nederlandse binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, geldt tevens dat de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1 kan worden vervangen door:

    • a. hetzij een schipper mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

      • 1°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per week;

      • 2°. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld;

      • 3°. het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarvoor op grond van artikel 3.14 van het BPR en RPR een teken moet worden gevoerd is niet toegestaan;

      • 4°. het bepaalde in artikel 6.30 en 6.32 van het Binnenvaartpolitiereglement respectievelijk het Rijnvaartpolitiereglement blijft onverkort van kracht;

      • 5°. De afstand tot de plaats van waaruit bunkeractiviteiten wordt bedreven bedraagt niet meer dan 30 km, gemeten over de vaarweg. De plaats van waaruit de bunkeractiviteiten wordt bedreven staat vermeld op het certificaat van onderzoek.

    • b. hetzij een schipper en een lichtmatroos mits de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder ten derde, in acht worden genomen.

  • 4. De minimumbemanning van hechte samenstellen, schepen voor dagtochten, stoomschepen voor dagtochten, hotelschepen, veerboten en sleepschepen wordt onderscheidenlijk vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen 5.1 tot en met 5.6.

  • 5. De minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die havendiensten verrichten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.7.

  • 6. De minimumbemanning van snelle veerponten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.8. De schipper is in het bezit van een radarpatent.

Artikel 5.7

  • 1. Op motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, indien zij met een minimumbemanning worden geëxploiteerd, is artikel 3.14 onderscheidenlijk artikel 3.18 van het Rsp van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften bedoeld in het eerste lid wordt door de minister in een verklaring vastgelegd.

  • 3. De verklaring, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, van het Rsp wordt met de in het tweede lid bedoelde verklaring gelijkgesteld.

Artikel 5.8

Voor de toepassing van deze paragraaf is artikel 2.02, eerste en tweede lid, met uitzondering van de derde alinea, van het Rsp van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.9

Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, maakt geen deel uit van de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de datum van de bevalling liggen.

Artikel 5.10

Ten aanzien van zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie A. 890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25 november 1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, met bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109) is artikel 3.20 van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder een persoon die houder is van het Rijnschipperspatent een persoon wordt verstaan die in het bezit is van een document als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.

§ 4. Controlemiddelen

Artikel 5.11

  • 1. Ten aanzien van het dienstboekje zijn de artikelen 3.05 en 3.06 van het Rsp, alsmede de terzake op grond van artikel 1.03 van dat reglement vastgestelde dienstinstructies van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

    • a. als plaatselijk bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3.06, tweede lid, de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt aangewezen;

    • b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan.

  • 2. Een vervangend exemplaar treedt in de plaats van een eerder afgegeven dienstboekje en wordt niet eerder afgegeven dan nadat het geheel of ten dele onleesbaar geworden exemplaar, waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de minister.

  • 3. De aanvrager wiens eerder uitgereikt dienstboekje verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af. Op bladzijde 1 van het vervangende exemplaar van het dienstboekje wordt aangetekend dat de hiervoor bedoelde verklaring is afgelegd.

Artikel 5.12

  • 1. Ten aanzien van het vaartijdenboek is artikel 5.11, tweede en derde lid, alsmede artikel 3.13 van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. als autoriteit de voorzitter van de commissie van deskundigen wordt aangewezen;

    • b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan; en

    • c. de uitzondering voor sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren niet van toepassing is.

  • 2. Wanneer bij de overdracht van een schip de overdragende partij het bij het schip behorende vaartijdenboek niet levert, kan dit bewijs van aangifte worden vervangen door een door de koper en de minister te ondertekenen verklaring.

  • 3. Indien het volgnummer, bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, van het Rsp, van het te vervangen vaartijdenboek onbekend is bij de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt het nieuwe vaartijdenboek voorzien van het volgnummer 1.

Artikel 5.13

  • 1. Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot veerboten, veerponten en open rondvaartboten.

  • 2. De gezagvoerder van een veerboot of een veerpont, onderscheidenlijk van een open rondvaartboot draagt er zorg voor dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, onderscheidenlijk ten kantore een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden vermeld:

    • a. de naam van het schip;

    • b. het begin en einde van de veerdienst van het schip;

    • c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer;

    • d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert.

Artikel 5.14

  • 1. Bij uitvoering van exploitatiewijze A1 of A2 met een tachograaf is bijlage A3 van het Rsp van toepassing, alsmede bijlage 1.4.

  • 2. Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf bewaart de gezagvoerder de registraties van de tachograaf gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord.

§ 5. Vrijstellingen

Artikel 5.15

  • 1. Motorschepen met een lengte van minder dan 55 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. hetzij:

      • 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper;

      • 2°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per kalenderweek;

      • 3°. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten minste 12 uur;

      • 4°. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van 12 uur waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen;

      • 5°. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar reserve-toplicht aanwezig;

      • 6°. het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord worden bewaard;

      • 7°. vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADN een certificaat van goedkeuring als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen is vereist, is niet toegestaan;

      • 8°. er wordt niet gevaren op de Westerschelde;

      • 9°. het schip voldoet aan artikel 5.7, en

      • 10°. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer dan 33 meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het stuurhuis aanwezig;

    • b. hetzij:

      • 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of deksman;

      • 2°. er wordt slechts tussen 22.00 en 06.00 gevaren indien de onder 1° bedoelde lichtmatroos of deksman 18 jaar of ouder is; en

      • 3°. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7° tot en met 10°, worden in acht genomen.

  • 2. Een wisseling van de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, naar de exploitatiewijze A1, A2 of B, is slechts toegestaan indien:

    • a. de schipper is afgelost, of

    • b. bij controle kan worden aangetoond dat het voor de exploitatiewijze A1, A2 of B bestemde bemanningslid dat niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht heeft genomen, en de voor deze exploitatiewijzen voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt.

  • 3. Van de exploitatiewijze A1, A2 of B mag slechts naar de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, worden overgegaan, indien de voor de vaart onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling voorgeschreven schipper onmiddellijk voor de wisseling geen deel heeft uitgemaakt van de bemanning van het schip, dan wel bij controle kan worden aangetoond dat de schipper, indien deze niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 12 uur buiten de vaartijd van het schip in acht heeft genomen.

  • 4. Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, voor een identieke vaart worden ingezet indien de schipper wordt vervangen door een andere schipper.

  • 5. Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, derde en vierde lid, geschiedt door middel van het vaartijdenboek van het schip.

Artikel 5.16

Patrouillevaartuigen zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en paragraaf 4.

Artikel 5.17

  • 1. Passagiersschepen die in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit:

      • 1°. voor de passagiersschepen uit groep 4 die ten hoogste 600 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1;

      • 2°. voor de passagiersschepen uit groep 3 die ten hoogste 250 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1;

      • 3°. voor de passagiersschepen uit groep 2 die ten hoogste 75 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en

    • b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.

  • 2. Passagiersschepen uit groep 1, met een lengte van maximaal 45 meter, die ten hoogste 40 personen aan boord hebben en in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar;

    • b. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van ten minste 16 uur, waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen: en

    • c. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.

  • 3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers artikel 5.15, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in artikel 14.02, van bijlage 1.1a gestelde eisen.

Artikel 5.18

  • 1. Rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper.

  • 2. Open rondvaartboten zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper.

Artikel 5.19

Schepen, bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, voor zover zij in exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, in bijlage 5.2 onderscheidenlijk bijlage 5.4 voorgeschreven minimumbemanning, mits de bemanning bestaat uit:

  • a. een schipper, en

  • b. een lichtmatroos of deksman, die ten minste 18 jaar is.

Artikel 5.20

Van de artikelen 5.6, vierde lid, en 5.7, eerste lid, zijn vrijgesteld schepen die:

  • a. een minimumbemanning hebben van één schipper;

  • b. zijn bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning;

  • c. zijn bestemd of gebruikt voor de sportvisserij en varen op, dan wel op weg zijn van of naar, de binnenwateren ingedeeld in zone 2 en varen in exploitatiewijze A1.

Artikel 5.21

  • 1. Onverminderd artikel 5.15 wordt ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;

    • b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;

    • c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en

    • d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 2. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos;

    • b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;

    • c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en

    • d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 3. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en

    • b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 4. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;

    • b. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur;

    • c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip;

    • d. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;

    • e. het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan artikel 7.13, van bijlage 1.1a; en

    • f. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 5. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één matroos; en

    • b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid onder e en f.

  • 6. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;

    • b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;

    • c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en

    • d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 7. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos;

    • b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;

    • c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en

    • d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 8. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en

    • b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 9. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;

    • b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder b tot en met e; en

    • c. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

  • 10. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos; en

    • b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.

  • 11. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en

    • b. de voorschriften, bedoeld in het het vierde lid, onder e en f.

  • 12. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

    • a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee matrozen; en

    • b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.

Hoofdstuk 6. Geneeskundig onderzoek

Artikel 6.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • aanvrager: degene die in aanmerking wenst te komen voor de afgifte van:

    • a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 6.04, eerste lid van het Rsp,

    • b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, of de artikelen 3.03 en 3.04 van het Rsp;

    • c. een vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype als bedoeld in artikel 7.6; of

    • d. een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9;

  • arts: deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet en de artikelen 7.01, derde lid, onderdeel a, 7.02, derde lid, onderdeel a, 7.03, tweede lid, onderdeel a, en 7.04, eerste lid, onderdeel c, van het Rsp;

  • scheidsrechter: deskundige, bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet;

  • medisch adviseur scheepvaart: medisch adviseur scheepvaart van de Minister, of diens plaatsvervanger;

  • geneeskundig onderzoek: onderzoek, bedoeld in artikel 6.4, ter verkrijging van:

    • a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 6.04, eerste lid, van het Rsp,

    • b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, alsmede de artikelen 3.03 en 3.04 van het Rsp;

  • eigen verklaring: verklaring, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het besluit.

Artikel 6.2

  • 1. Een arts is de geneeskundige die bij beschikking op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet zeevarenden is aangewezen of de instelling die bij beschikking op grond van artikel 28, eerste lid, van de Binnenvaartwet is aangewezen.

  • 2. Een scheidsrechter is de geneeskundige die bij beschikking op grond van artikel 42, eerste lid, van de Wet zeevarenden is aangewezen. De scheidsrechter is niet degene door wie het eerste onderzoek is verricht.

Artikel 6.3

  • 1. De aanvrager wendt zich voor een geneeskundig onderzoek tot een arts, niet zijnde de behandelend arts van de aanvrager.

  • 2. De arts gaat niet tot een geneeskundig onderzoek over dan nadat de aanvrager zich heeft gelegitimeerd en de arts in het register Shipexam van de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft kunnen vaststellen dat hij gezien de eerdere uitslagen of aantekeningen gerechtigd is de keuring te verrichten.

Artikel 6.4

  • 1. De arts verricht het geneeskundig onderzoek op basis van de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1.

  • 2. Indien ingevolge bijlage 6.I een medisch rapport is voorgeschreven, dan wel bij twijfel of de aanvrager voldoet aan de keuringseisen, vraagt de arts de benodigde geneeskundige informatie op bij de behandelend arts. Bij het ontbreken van voldoende informatie verwijst de arts de aanvrager voor een deelonderzoek door naar een specialist.

  • 3. Het geneeskundig onderzoek wordt door de arts afgerond na ontvangst van de informatie van de behandelend arts of de uitslag van het specialistisch deelonderzoek.

  • 4. De arts maakt uitsluitend gebruik van het keuringsformulier en de formulieren voor de geneeskundige verklaring en het bericht van afkeuring die hem door de medisch adviseur scheepvaart kosteloos worden verstrekt.

  • 5. De arts bewaart het keuringsformulier en eventuele andere stukken betrekking hebbende op het onderzoek, gedurende vijftien jaar.

Artikel 6.5

  • 1. De aanvrager is geschikt als hij voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts vermeldt bij geschiktheid van de aanvrager de uitslag van het geneeskundig onderzoek op de geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.2 en verstrekt de geneeskundige verklaring aan de aanvrager.

  • 2. Bij tijdelijke geschiktheid van de aanvrager verstrekt de arts de aanvrager een geneeskundige verklaring van tijdelijke geschiktheid.

  • 3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, vindt een volgende keuring plaats door dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts.

Artikel 6.6

  • 1. De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.3. De arts deelt de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij een scheidsrechter.

  • 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, verzendt de arts nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld, aan de medisch adviseur scheepvaart. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.

  • 3. De aanvrager die een heronderzoek wenst, richt zich daarvoor tot een scheidsrechter onder toezending van de verklaring van medische ongeschiktheid.

  • 4. Ten aanzien van het heronderzoek zijn de artikelen 6.3, tweede lid, en 6.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat reeds door de arts in orde bevonden onderdelen van de keuring niet behoeven te worden herhaald, tenzij over de uitslag twijfel bestaat bij de scheidsrechter. Het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de reeds ter beschikking staande gegevens.

  • 5. Indien de scheidsrechter na het heronderzoek van oordeel is dat de aanvrager medisch ongeschikt is, doet de medisch adviseur scheepvaart na ontvangst van de verklaring van medische ongeschiktheid hiervan mededeling aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.

Artikel 6.7

De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager tijdelijk ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van tijdelijke ongeschiktheid. In afwijking van artikel 6.6, eerste lid, deelt de arts de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts.

Artikel 6.8

Indien nog geen heronderzoek heeft plaatsgevonden, is een geneeskundige verklaring, waarop is aangegeven dat de aanvrager geschikt is en die is afgegeven nadat hij door een andere arts ongeschikt is bevonden, ongeldig.

Artikel 6.9

De aanvrager die met toepassing van artikel 26, eerste lid, van het besluit, een eigen verklaring overlegt aan het CBR, maakt daartoe gebruik van het door het CBR vastgesteld model.

Artikel 6.10

  • 1. Indien alle vragen van de eigen verklaring met ‘nee’ zijn beantwoord, stuurt de aanvrager de ingevulde en ondertekende eigen verklaring samen met de aanvraag voor het vaardocument naar de instantie die belast is met de afgifte van het vaarbewijs dat hij aanvraagt.

  • 2. Indien ten minste een van de vragen van de eigen verklaring met ‘ja’ is beantwoord wordt deze voorzien van een aantekening van een arts naar eigen keuze waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijkt.

  • 3. De aanvrager zendt de eigen verklaring, indien het tweede lid van toepassing is, ter beoordeling aan:

    • a. de medisch adviseur scheepvaart indien de eigen verklaring betrekking heeft op het klein vaarbewijs, dan wel het groot vaarbewijs; of

    • b. de keuringsartsen voor het klein vaarbewijs indien de eigen verklaring betrekking heeft op dat vaarbewijs.

Artikel 6.11

  • 1. In het geval, bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, verklaart de beoordelaar de aanvrager geschikt of ongeschikt op basis van de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1. In geval van twijfel kan de beoordelaar de aanvrager oproepen voor een nader onderzoek. Indien nodig kan de beoordelaar de aanvrager doorverwijzen voor een deelonderzoek naar een specialist.

  • 2. De aanvrager is geschikt als hij naar het oordeel van de beoordelaar voldoet aan de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1. In dat geval verstrekt de beoordelaar de aanvrager een geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.2.

  • 3. De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. In het geval, dat de beoordelaar de aanvrager ongeschikt verklaart, zendt de beoordelaar de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, onder mededeling van de mogelijkheid van heronderzoek.

  • 4. In het geval, bedoeld in het derde lid, zendt de beoordelaar de medisch adviseur scheepvaart nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld.

  • 5. De aanvrager die ongeschikt is verklaard en een heronderzoek wenst, wendt zich tot een scheidsrechter die niet reeds bij de beoordeling van de eigen verklaring was betrokken. Ten aanzien van het heronderzoek zijn de artikelen 6.3, tweede lid, en 6.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de ter beschikking staande gegevens.

  • 6. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met de afgifte van onderscheidenlijk vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes.

  • 7. De keuringsartsen voor het klein vaarbewijs doen melding van de afkeuring aan de instantie belast met de afgifte van klein vaarbewijzen.

Artikel 6.12

De resultaten van het geneeskundig onderzoek worden door de arts, volgens de instructies van de medisch adviseur scheepvaart binnen de door deze vast te stellen termijn, aangetekend in het digitale register Shipexam van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Artikel 6.13

De Minister kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen.

Hoofdstuk 7. Vaarbewijzen, radarpatenten en ICC’s

§ 1. Vaarbewijzen en vrijstellingen

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • klein vaarbewijs I: klein vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;

  • klein vaarbewijs II: klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;

  • beperkt groot of groot vaarbewijs A: beperkt groot of groot vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;

  • beperkt groot of groot vaarbewijs B: beperkt groot of groot vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;

  • groot pleziervaartbewijs I: groot pleziervaartbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;

  • groot pleziervaartbewijs II: groot pleziervaartbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;

  • ICC: internationaal certificaat van competentie als bedoeld in resolutie 40, nr. TRANS/SC.3/147, van de Working Party on Inland Transport van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, van 16 oktober 1998, overeenkomstig bijlage 7.5 bij deze regeling.

Artikel 7.2

Behoudens de paragrafen 1 en 2 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek.

Artikel 7.3

Het klein, beperkt groot en groot vaarbewijs worden vastgesteld volgens de modellen opgenomen in bijlage 7.3.

Artikel 7.4

  • 1. Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, voor schepen gebezigd ten behoeve van reiniging van grachten en soortgelijke wateren.

  • 2. Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen c en d, van het besluit, voor Belgische redeboten op de Westerschelde en in de daarmee in open verbinding staande havens en voorhavens.

  • 3. Een vaarbewijs is niet vereist voor schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen b en d, van het besluit, die deelnemen aan wedstrijden op binnenwateren die voor het openbaar scheepvaartverkeer niet toegankelijk zijn.

Artikel 7.5

Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1.1, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs of een vrijstellingsbewijs als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, onderdeel a en indien het schip vaart op de binnenwateren van zone 4, dan wel op de Beulakerwiede of de Belterwiede;

Artikel 7.6

  • 1. Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit, is niet van toepassing voor rondvaartboten van het Amsterdams grachtentype, als bedoeld in artikel 1.1 voor zover varend op de binnenwateren van zone 3 of zone 4, en voor zover de schipper in het bezit is van:

    • a. het vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; en

    • b. een verklaring van de vaarwegbeheerder houdende de vermelding voor welke wateren, behorende tot zone 3, het vrijstellingsbewijs geldt alsmede de voorwaarden waaronder op deze wateren mag worden gevaren.

  • 2. Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstellingsbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van:

    • a. het diploma Schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen met de codes 95050 of 25385, en een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.4.1, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 vaardagen als lichtmatroos heeft behaald; of

    • b. de Verklaring praktijkexamen schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, ten bewijze dat het Praktijkexamen schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype, beperkt vaargebied van het CBR, met goed gevolg is afgelegd, een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.4.1, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van tenminste 180 vaardagen heeft behaald, ten minste een klein vaarbewijs I en een marifoon certificaat; en

    • c. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan dertien weken

  • 3. Het praktijkexamen ter verkrijging van de Verklaring praktijkexamen schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt afgenomen met inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn goedgekeurd door de minister.

  • 4. Op de aanvraag van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstellingsbewijs is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Op het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstellingsbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn op de houder van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstellingsbewijs artikel 27, tweede lid, en artikel 28 van het besluit van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Het in het eerste lid bedoelde vrijstellingsbewijs is aan boord van het schip.

Artikel 7.7

  • 1. De artikelen 14, eerste lid, en 15, eerste lid, van het besluit, zijn niet van toepassing op gierponten, kabelponten en andere niet-vrijvarende veerponten op de rivieren, kanalen en meren indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs, en:

    • a. de veerpont is uitgerust met een marifooninstallatie en de schipper in het bezit is van een bedieningscertificaat; of

    • b. de veerpont is uitgerust met een radarinstallatie en de schipper in het bezit is van het certificaat Radaropleiding voor objectenpersoneel van de vakopleiding Transport en Logistiek, van de Maritieme academie, van het Scheepvaart- en Transportcollege STC of een getuigschrift van een andere door de Minister aangewezen of erkende opleiding.

  • 2. De artikelen 14, eerste lid, en 15, eerste lid, van het besluit zijn niet van toepassing op schepen die in het kader van hulpverlening op zee of op de binnenwateren, dan wel in het kader van het oefenen voor die hulpverlening:

    • a. worden bestuurd door medewerkers van een reddingmaatschappij; of

    • b. dienen als sleepduwboot voor schepen met een lengte van meer dan 20 meter.

  • 3. Artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van het besluit is niet van toepassing op het voeren van sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 20 meter of het daarmee slepen, langszij vastgemaakt meevoeren of duwen van een schip met een lengte van minder dan 20 meter indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs.

Artikel 7.8

  • 1. Artikel 15, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen met een lengte van 25 tot 40 meter, indien de schipper in het bezit is van:

    • a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; of

    • b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.

  • 2. Artikel 15, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit zijn niet van toepassing voor pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 25 meter, indien de schipper in het bezit is van:

    • a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4, voorzien van de aantekening ‘40 meter plus’; of

    • b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011.

  • 3. Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:

    • a. degene die geslaagd is voor het examen CWO groot motorschip van het CBR;

    • b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend diploma;

    • c. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of

    • d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.

  • 4. Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan:

    • a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in werking treden van de wet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of

    • b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig.

  • 5. In afwijking van het derde lid wordt:

    • a. het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs I afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip:

      • een groot vaarbewijs B;

      • een beperkt groot vaarbewijs B.

    • b. het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs II afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip:

      • een groot vaarbewijs A;

      • een beperkt groot vaarbewijs A;

      • een zeilbewijs;

      • een groot patent;

      • een klein patent.

  • 6. In afwijking van het vierde lid wordt:

    • a. het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs I afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip:

      • een groot vaarbewijs B;

      • een beperkt groot vaarbewijs B.

    • b. het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs II afgegeven aan de houder van de volgende ongeldig geworden documenten, indien het betreffende document zijn geldigheid op geen andere wijze verloren heeft dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip:

      • een groot vaarbewijs A;

      • een beperkt groot vaarbewijs A;

      • een zeilbewijs;

      • een groot patent;

      • een klein patent.

  • 7. In afwijking van het derde tot en met zesde lid wordt:

    • a. het in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs I afgegeven aan de houder van:

      • een geldig groot vaarbewijs B;

      • een geldig beperkt groot vaarbewijs B.

    • b. het in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs II afgegeven aan de houder van:

      • een geldig groot vaarbewijs A;

      • een geldig beperkt groot vaarbewijs A;

      • een geldig zeilbewijs;

      • een geldig groot patent;

      • een geldig klein patent.

  • 8. De in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen worden afgegeven voor rivieren, kanalen en meren aan de aanvrager die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet houder is van een klein vaarbewijs I, onderscheidenlijk voor alle binnenwateren aan de aanvrager die op dat tijdstip houder is van een klein vaarbewijs II.

  • 9. De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot pleziervaartbewijs II.

  • 10. De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.

  • 11. De in het derde lid, onderdelen c en d, of de in het vierde lid bedoelde personen kunnen tot 1 juli 2011 een aanvraag ter verkrijging van een groot pleziervaartbewijs indienen.

  • 12. Op het groot pleziervaartbewijs zijn artikel 30 van de wet alsmede artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

  • 13. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het groot pleziervaartbewijs artikel 26 van het besluit van overeenkomstige toepassing.

  • 14. Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van het schip.

Artikel 7.9

  • 1. De artikelen 14, eerste lid, onderdelen a, b en c, onder 1°, en 15, eerste lid, alsmede 16 van het besluit, zijn niet van toepassing op schepen, bestemd of gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van personen en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, indien de schipper in het bezit is van een zeilbewijs overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4.

  • 2. Van artikel 16 van het besluit zijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs.

  • 3. Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van:

    • a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR of de Stichting OnderwijsFonds voor de Scheepvaart, dan wel het diploma Stuurman Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool;

    • b. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan dertien weken; en

    • c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.11, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen.

  • 4. Het in het derde lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.

  • 5. Op de aanvraag van het zeilbewijs is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Op het zeilbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn op de houder van het zeilbewijs artikel 27, tweede lid, en artikel 28 van het besluit van overeenkomstige toepassing.

  • 8. Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.

  • 9. Het zeilbewijs is aan boord van het schip.

Artikel 7.9a

  • 1. De in artikel 22, tweede en derde lid, van het besluit bedoelde geneeskundige verklaring die naast het vaarbewijs wordt getoond, is een verklaring afgegeven overeenkomstig het model in bijlage 6.2 en gewaarmerkt door de instantie die het vaarbewijs afgeeft.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, tweede lid, van het besluit kan ook worden volstaan met een op 50-jarige, 55-jarige en 60-jarige leeftijd verkregen vaarbewijs. De geneeskundige verklaring hoeft in dat geval niet naast het vaarbewijs te worden getoond.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, derde lid, van het besluit kan ook worden volstaan met een na het bereiken van de 65-jarige leeftijd jaarlijks verkregen vaarbewijs. De geneeskundige verklaring hoeft in dat geval niet naast het vaarbewijs te worden getoond.

Artikel 7.9b

  • 1. Als vaarbewijs als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, worden aangewezen het groot vaarbewijs A, het groot vaarbewijs B, het beperkt groot vaarbewijs A, het beperkt groot vaarbewijs B, het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, het vrijstellingsbewijs, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, het zeilbewijs, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, alsmede een erkend buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 7.11.

  • 2. Als categorieën vaarbewijzen, bedoeld in de artikelen 48, vijfde lid, en 49, tweede lid, van de wet, worden aangewezen het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, alsmede erkende buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 en 1.4.

§ 2. Erkenningen

Artikel 7.10

  • 1. De minister kan een bewijs van vaarbekwaamheid erkennen voor de vaart op rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle binnenwateren, voor zover het bewijs naar zijn oordeel voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken wateren.

  • 2. De in artikel 17, tweede lid, van het besluit bedoelde, krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven, bewijzen van vaarbekwaamheid zijn:

    • a. het groot patent als gelijkwaardig aan het groot vaarbewijs, het beperkt groot vaarbewijs en het klein vaarbewijs;

    • b. het klein patent als gelijkwaardig aan het beperkt groot vaarbewijs en het klein vaarbewijs;

    • c. het sportpatent als gelijkwaardig aan het klein vaarbewijs.

Artikel 7.11

De in bijlage 7.1 genoemde buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid worden erkend als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit.

Artikel 7.12

De in bijlage 7.2 genoemde bewijzen van vaarbekwaamheid onderscheidenlijk getuigschriften worden erkend voor gehele respectievelijk gedeeltelijke vrijstelling van het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om een schip te voeren, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.

Artikel 7.12a

De geneeskundige verklaringen van artsen behorend tot of aangesteld door de in bijlage1 bij dienstinstructie nr. 2 van de Centrale Commissie voor de Rijnscheepvaart vermelde instanties worden erkend als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de wet.

§ 3. Radarpatenten

Artikel 7.13

Onverminderd het gestelde in artikel 1.9 zijn de bepalingen met betrekking tot de radarpatenten van het Rsp en de artikelen 1.11 en 1.12 van overeenkomstige toepassing op de andere binnenwateren dan de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek.

§ 4. Examens

Artikel 7.14

In deze paragraaf wordt onder examinator verstaan de instellingen of personen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet.

Artikel 7.15

  • 1. Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs I heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

    • a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op rivieren, kanalen en meren;

    • b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen;

    • c. de veiligheidsmaatregelen;

    • d. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater en elementaire meteorologie;

    • e. het varen, manoeuvreren en de onder bijzondere omstandigheden te nemen maatregelen.

  • 2. Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs II heeft betrekking op de in het eerste lid genoemde onderwerpen alsmede op:

    • a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard;

    • b. het gebruik van nautische bescheiden;

    • c. de koers- en plaatsbepaling;

    • d. meteorologie.

Artikel 7.16

  • 1. Het examen ter verkrijging van het beperkt groot vaarbewijs A en het groot vaarbewijs A heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd in deel 1 van hoofdstuk A en hoofdstuk C van bijlage II van richtlijn nr. 96/50/EG.

  • 2. Het examen ter verkrijging van het beperkt groot vaarbewijs B en het groot vaarbewijs B, heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd in deel 2 van hoofdstuk A en hoofdstuk C van bijlage II van richtlijn nr. 96/50/EG.

  • 3. Een wijziging van bijlage II van richtlijn nr. 96/50/EG gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 7.17

  • 1. Nadat het examen ter verkrijging van het vaarbewijs met gunstig gevolg is afgelegd, wordt de verklaring, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet, afgegeven.

  • 2. De verklaring vermeldt voor welk van de in artikel 13 van het besluit bedoelde vaarbewijzen het examen is afgelegd.

Artikel 7.18

  • 1. Om voor de afgifte van een beperkt groot vaarbewijs dan wel een groot vaarbewijs in aanmerking te komen beschikt de aanvrager over de verklaring, bedoeld in artikel 7.17, en toont hij daarnaast aan, dat hij een vaartijd heeft doorlopen van ten minste drie onderscheidenlijk vier jaren.

  • 2. Als vaartijd, bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking de ervaring die de aanvrager na het bereiken van de 16-jarige leeftijd heeft opgedaan als lid van:

    • a. de dekbemanning van een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart; of

    • b. de dekbemanning van een binnenschip met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart, op de binnenwateren van de Europese Unie of op binnenwateren die de buitengrens van de Unie overschrijden.

  • 3. Als vaartijd als bedoeld in het eerste lid komt voor degene die dienst doet of heeft gedaan als registerloods tevens in aanmerking het in een periode van 48 maanden op binnenwateren ten minste gedurende 64 dagreizen besturen van een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart.

  • 4. De beoordeling van de vaartijd geschiedt door de minister.

Artikel 7.19

  • 1. Indien de aanvrager aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid van de dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart ter zee, of van een schip met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart ter zee, wordt voor elk jaar van deze ervaring de periode, bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, verminderd met een jaar, doch met ten hoogste een vaartijd van twee jaren, waarbij 250 zeedagen als een jaar vaartijd als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, gelden.

  • 2. Indien de aanvrager houder is van een diploma van een opleiding voor de binnenvaart, waarvan praktijkstages deel uitmaken, wordt de periode, bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, verminderd met de duur van deze opleiding, doch met ten hoogste een vaartijd van drie jaren.

  • 3. Indien de aanvrager die dienst doet of heeft gedaan als registerloods aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid van de dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart ter zee, wordt voor elk geheel jaar van deze ervaring de periode, bedoeld in artikel 7.18, derde lid, verminderd met negen maanden en wordt het vereiste aantal dagreizen waarop een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart, bestuurd wordt, verminderd met twaalf dagreizen, doch tot niet minder dan een vaartijd van twaalf maanden waarin tenminste gedurende zestien dagreizen een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart, is bestuurd.

Artikel 7.19a

De vaartijd bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, wordt verminderd met drie jaar voor de aanvrager die:

  • a. houder is van de verklaring praktijkexamen vaartijd, ten bewijze dat hij met goed gevolg het praktijkexamen schipper binnenvaart van het CBR heeft afgelegd; of

  • b. met goed gevolg een praktijkexamen, dat bij internationale regeling of door een bevoegde autoriteit in het buitenland en door de minister is erkend, heeft afgelegd.

Artikel 7.20

  • 1. De examinator biedt ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid examens af te leggen. Hij maakt tijdig bekend voor welk tijdstip en bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt tevens welke vergoeding voor het afleggen van het examen verschuldigd is, alsmede de wijze van betaling.

  • 2. De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe geschikte locaties. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van zaken bij het examen. Onder meer worden maatregelen getroffen om bedrog te voorkomen.

  • 3. Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben voorgedaan stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op omtrent het voorgevallene.

  • 4. De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden gedurende een jaar na afloop van het examen.

Artikel 7.21

  • 1. De examens ter verkrijging van een klein vaarbewijs, een beperkt groot vaarbewijs, een groot vaarbewijs, een verklaring praktijkexamen vaartijd en een verklaring praktijkexamen matroos worden afgenomen met inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn goedgekeurd door de minister.

  • 2. De minister keurt het examenreglement en het examenprogramma slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen bevatten dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar behoren worden onderzocht.

§ 5. Vervanging en afgifte van duplicaten van vaarbewijzen

Artikel 7.22

  • 1. Een aanvraag tot afgifte van een duplicaat wordt door de houder van het vaarbewijs ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het vaarbewijs, onder vermelding van de reden.

  • 2. De aanvrager wiens eerder uitgereikt vaarbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af.

  • 3. Voor zover het vaarbewijs nog aanwezig is, wordt dit tegelijk met de aanvraag overgelegd.

  • 4. Indien de houder van een verloren geraakt vaarbewijs dit weer tot zijn beschikking heeft gekregen, levert hij dit vaarbewijs onverwijld in bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het vaarbewijs.

Artikel 7.23

  • 1. Bij naamswijziging van de houder van het vaarbewijs, en indien de geldigheidsduur van het vaarbewijs niet langer dan een jaar verstreken is, kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vaarbewijs voorzien van de gewijzigde gegevens worden afgegeven.

  • 2. Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder van het vaarbewijs ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het vaarbewijs, onder vermelding van de reden.

  • 3. Bij de aanvraag wordt het te vervangen vaarbewijs ingeleverd.

§ 6. Gegevensverstrekking

Artikel 7.24

  • 1. De instanties die belast zijn met de afgifte van vaarbewijzen stellen de Landelijke eenheid alsmede de dienst Zeehavenpolitie van de regionale eenheid Rotterdam onverwijld schriftelijk in kennis van:

    • a. de ongeldigverklaring voor de gehele of gedeeltelijke geldigheidsduur van een vaarbewijs;

    • b. de ongeldigverklaring van een groot pleziervaartbewijs als bedoeld in artikel 7.8;

    • c. de ongeldigverklaring van een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9;

    • d. de ongeldigverklaring van een vrijstellingsbewijs als bedoeld in artikel 7.6.

  • 2. Van de in het eerste lid bedoelde in kennis stelling wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan de houder van het vaarbewijs.

§ 7. ICC’s

Artikel 7.25

De instantie die het klein vaarbewijs afgeeft verstrekt op aanvraag, namens de minister, aan de houder van onderscheidenlijk een geldig klein vaarbewijs I of II, een geldig groot pleziervaartbewijs I of II, een certificaat Theoretische Kustnavigatie van het Koninklijk Nederlands Watersportverbond of een diploma als bedoeld in bijlage 7.2, § 3, onderscheidenlijk het:

  • a. gecombineerde klein vaarbewijs I / ICC inland;

  • b. gecombineerde klein vaarbewijs II / ICC inland + coastal;

  • c. gecombineerde groot pleziervaartbewijs I / ICC inland;

  • d. gecombineerde groot pleziervaartbewijs II / ICC inland + coastal;

  • e. ICC coastal.

Hoofdstuk 8. Overige documenten

Artikel 8.1

De Minister verstrekt een Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a van het besluit, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5 van de bijlage bij verordening (EEG) 2919/85.

Artikel 8.2

  • 1. De Rijnvaartverklaring wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.1 bij deze regeling.

  • 2. De verklaring bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de bijlage bij verordening (EEG) 2919/85 wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.2 bij deze regeling.

Artikel 8.3

  • 1. De Minister verstrekt een bewijs van toelating, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de herziene Rijnvaartakte.

  • 2. Het bewijs van toelating wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.3 bij deze regeling.

Artikel 8.3a

Van de verplichting bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Binnenvaartbesluit, zijn vrijgesteld veerponten die de stroom dwars oversteken.

Artikel 8.4

Als geëigend document, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, zijn aangewezen de attesten, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373).

Artikel 8.5

De houder van een document van toelating draagt er zorg voor dat dit document op een van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd:

  • a. aan boord van het binnenschip, waarvoor het document is afgegeven; of

  • b. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van dat binnenschip.

Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek

Artikel 9.1

Het registratienummer, bedoeld in artikel 30 van het besluit, wordt op het binnenschip aangebracht op de plaats en wijze, bedoeld in artikel 2.01, eerste lid, onder a, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.01, derde lid, van dat reglement.

Artikel 9.2

Degene die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan de vervoersactiviteit van een onderneming bestaande uit het bedrijfsmatig vervoer van goederen, anders dan bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming, met vaartuigen met een laadvermogen van 50 ton of meer, alsmede de personen bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, zijn verstrekken periodiek over één of meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek nader vast te stellen tijdvakken en uiterlijk binnen veertien dagen na afloop daarvan aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een opgave van:

  • a. de datum van het vervoer;

  • b. de soorten van vervoer;

  • c. de scheepsgegevens;

  • d. het land, de regio of het gebied en de plaats van lading en lossing, respectievelijk het land, de regio of het gebied en plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart;

  • e. de afstand tussen de plaats of plaatsen van lading en de plaats of plaatsen van lossing, respectievelijk de afstand tussen de plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart;

  • f. het gewicht, uitgedrukt in tonnen, van de vervoerde goederen;

  • g. de aard van de vervoerde goederen;

  • h. het aantal beladen en lege containers naar grootte;

  • i. het identificatienummer, klasse en cijfer van de vervoerde stof in geval van vervoer van gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 10. Toezicht en handhaving

Artikel 10.1

Als ambtenaren in de zin van artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht en opsporing.

Artikel 10.2

Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet worden aangewezen de ambtenaren, onderscheidenlijk medewerkers, van:

  • a. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Amsterdam N.V.;

  • b. het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • c. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V.;

  • d. de Arbeidsinspectie.

Artikel 10.3

  • 1. Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de in artikel 10.4 genoemde provincies, gemeenten onderscheidenlijk waterschappen die daartoe door het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur als zodanig zijn aangesteld.

  • 2. Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur stelt slechts ambtenaren aan die naar zijn oordeel voldoende bekwaam zijn ter zake van de wet en van toezicht of opsporing.

Artikel 10.4

Hoofdstuk 11. Bestuurlijke boete

Artikel 11.1

  • 1. De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en zesde lid, 7, eerste lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13, vierde lid, 21, eerste lid, 22, negende lid, 23, eerste lid, 25, vierde lid en vijfde lid28, zevende lid, 31, vierde lid, 33, tweede lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 38, zevende lid, 43, tweede lid, en 46, tweede lid, van de wet zijn opgenomen in tabel 1 in bijlage 11.1 bij deze regeling.

  • 2. De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen 39c, derde lid, en 39e, van de wet zijn opgenomen in tabel 2 in bijlage 11.1 bij deze regeling.

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen en wijzigingen in andere regelingen

§ 1. Overgangsbepalingen

Artikel 12.1

  • 1. Op binnenschepen die niet onder het toepassingsbereik van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot het vaststellen van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301) vielen, maar wel onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen, is artikel 29, tweede, derde en vierde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 van toepassing.

  • 2. Als tekortkomingen die geen klaarblijkelijk gevaar opleveren als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn (EU) 2016/1629 worden in ieder geval de tekortkomingen gerekend die voor binnenschepen als bedoeld in het eerste lid voortvloeien uit de tot het in werking treden van de wet toegepaste overgangsbepalingen van het Binnenschepenbesluit zoals dat op dat moment luidde.

Artikel 12.2

Ten aanzien van een binnenschip waarvan het vlak van de grootste toegelaten diepgang bij de laatste meting is vastgesteld volgens artikel 5 van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het besluit van 23 maart 1998, houdende wijziging van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, kan bij hermeting het vlak van de grootste toegelaten diepgang op verzoek van de belanghebbende worden vastgesteld met toepassing van dat artikel, mits het vaartuig sinds de laatste meting geen verbouwing heeft ondergaan die van invloed kan zijn op de vaststelling van dat vlak.

Artikel 12.3

  • 1. Klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen, afgegeven krachtens deze regeling tot 1 januari 2020 blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken.

  • 2. Dienstboekjes, vaartijdenboeken, Rijnpatenten, attesten en andere documenten, afgegeven vóór 1 juli 2011 op grond van hoofdstuk 23 van het RosR 1995, het Patentreglement Rijn of het Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen, blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken.

Artikel 12.4

Ambtenaren die op het moment voor inwerkingtreding van de wet krachtens aanwijzing door de Minister bevoegd waren tot toezicht op de naleving of tot opsporing van het bepaalde bij of krachtens de Binnenschepenwet, de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, de Wet vervoer binnenvaart of de Herziene Rijnvaartakte, behouden die bevoegdheid tot 31 december 2009 of zoveel eerder als zij ingevolge hoofdstuk 10 worden aangewezen onderscheidenlijk van hun bevoegdheid tot toezicht of opsporing worden ontheven.

Artikel 12.5

De tot 1 juli 2009 door de Stichting Commissie Watersport Opleidingen te Nieuwegein afgegeven diploma’s CWO groot motorschip alsook het door Scouting Nederland afgegeven diploma Machtiging voor bootleiding (MBL) M3 en het tot 1 januari 2020 door de Stichting VAMEX afgegeven diploma CWO groot motorschip gelden als het in artikel 7.8, derde lid, onderdeel a, bedoelde door het CBR afgegeven diploma.

§ 2. Wijzigingen in andere regelingen

Artikel 12.6

[Wijzigt de Regeling bemanning zeegaande zeilschepen.]

Artikel 12.7

[Wijzigt de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen.]

Artikel 12.8

[Wijzigt de Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen.]

Artikel 12.9

[Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.]

Artikel 12.10

[Wijzigt de Regeling aanwijzing wetgeving ex art. 4:2, tweede lid, Besluit politiegegevens.]

Artikel 12.11

[Wijzigt de Regeling tarieven scheepvaart 2005.]

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Artikel 13.1

Deze regeling treedt gelijktijdig in werking met de Binnenvaartwet.

Artikel 13.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Binnenvaartregeling.

Deze regeling zal in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

De

Staatssecretaris

van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa

Bijlage 1.1. Reglement onderzoek schepen op de Rijn

Reglement onderzoek schepen op de Rijn

Bijlage 1.1a. Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

Bijlage 1.2. : Patentreglement Rijn als bedoeld in artikel 1.9

[Vervallen]

Bijlage 1.3. : Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen (RVP) als bedoeld in artikel 1.13

[Vervallen]

Bijlage 1.4. Voorschriften met betrekking tot typegoedkeuring en installatie tachografen Rijnvaart als bedoeld in artikel 1.8

§ 1. Typegoedkeuring

Artikel 1

  • 1. De Dienst Wegverkeer beslist op een verzoek om typegoedkeuring van een tachograaf.

  • 2. De Dienst Wegverkeer brengt de goedgekeurde typen tachografen onmiddellijk ter kennis van het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

Artikel 2

De typegoedkeuring kan worden verleend indien de tachograaf voldoet aan de voorschriften van de bijlage A3 van het Rsp.

Artikel 3

De tachograaf wordt zodanig op het schip geïnstalleerd, dat alle met de tachograaf verband houdende bestanddelen deugdelijk tegen beschadiging zijn beschermd.

Artikel 4

  • 1. De Dienst Wegverkeer beslist op een verzoek om:

    • a. erkenning als installateur van tachografen;

    • b. erkenning als reparateur van tachografen.

  • 2. Een verzoek om erkenning wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 5

  • 1. Een erkenning wordt verleend aan in Nederland gevestigde fabrikanten of importeurs van tachografen.

  • 2. Als importeur wordt aangemerkt de door de fabrikant van tachografen contractueel erkende importeur.

Artikel 6

De Dienst Wegverkeer kan een erkenning als installateur of reparateur intrekken als aan de voorschriften in deze regeling of in het Rsp niet wordt voldaan.

Artikel 7

  • 1. Een aan een fabrikant of importeur van tachografen verleende erkenning als installateur of reparateur van tachografen geldt tevens voor de door hem op verzoek gemachtigde installateurs en reparateurs.

  • 2. Een machtiging mag eerst worden verleend als door deze installateurs en reparateurs wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 9.

Artikel 8

  • 1. De machtiging wordt door de erkende fabrikant of importeur ingetrokken indien blijkt dat aan de voorschriften bedoeld in artikel 9 niet wordt voldaan of de voorschriften bedoeld in artikel 3, dan wel de verplichting opgenomen in artikel 11 niet wordt nageleefd.

  • 2. Bij intrekking van de machtiging doet de fabrikant of importeur van tachografen daarvan onmiddellijk mededeling aan de Dienst Wegverkeer.

Artikel 9

  • 1. De installatie, het onderzoek of de reparatie van tachografen mag slechts geschieden door installateurs respectievelijk reparateurs die zijn voorzien van:

    • a. een verzegelinrichting voorzien van een verzegelnummer;

    • b. door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven gereedschap en testapparatuur.

  • 2. Het voor de installatie, het onderzoek of de reparatie van de tachograaf aangewezen personeel dient met goed gevolg een door de fabrikant of importeur van tachografen georganiseerde cursus te hebben gevolgd inzake constructie, functioneren, installatie, onderzoek en reparatie van tachografen.

  • 3. Het personeel volgt vervolgens tenminste eenmaal in de drie jaren een herhalingscursus.

  • 4. Een door de fabrikant of importeur afgegeven bewijs van deelname aan de cursus is in het bedrijf bij de installateur respectievelijk reparateur aanwezig.

Artikel 10

De fabrikant of importeur van tachografen die in het bezit is van een erkenning als installateur of reparateur van tachografen is verplicht zorg te dragen dat:

  • a. aan de hem gemachtigde installateurs en reparateurs een verzegelnummer wordt toegekend;

  • b. aan de Dienst Wegverkeer een opgave wordt verstrekt van de door hem gemachtigde installateurs en reparateurs alsmede van het door hem gebezigde verzegelnummer of de door hem aan de gemachtigde installateurs en reparateurs toegekende verzegelnummers;

  • c. aan de minister van de door hem aangebrachte wijzigingen van het bepaalde in onderdeel b onmiddellijk mededeling wordt gedaan;

  • d. de door hem gemachtigde installateurs en reparateurs in het bezit zijn van:

    • 1°. de voorschriften bedoeld in artikel 3,

    • 2°. door hem uitgevaardigde technische instructies, werkaanwijzingen en mededelingen; en

  • e. door hem wordt toegezien op de naleving van de voorschriften door de door hem gemachtigde installateurs en reparateurs.

Artikel 11

Van de verklaring bedoeld in de bijlage A3, onderdeel B, punt 6, van het Rsp bewaart de installateur een afschrift gedurende zeven jaren na dagtekening daarvan.

Bijlage 1.5. : Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart, als bedoeld in artikel 1.14, eerste lid

[Vervallen]

Bijlage 1.6. : Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties voor de Rijnvaart, als bedoeld in artikel 1.15, eerste lid

[Vervallen]

Bijlage 1.7. : Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart, als bedoeld in artikel 1.16, eerste lid

[Vervallen]

Bijlage 1.8. : Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de rijnvaart, als bedoeld in de artikelen 1.15, eerste lid, en 1.16, eerste lid

[Vervallen]

Bijlage 1.9. als bedoeld in artikel 1.9

Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (Rsp)

Bijlage 1.10. Minimumeisen aan Inland ECDIS-apparatuur in de informatiemodus en daarmee vergelijkbare visualiseringssystemen bij het gebruik van Inland AIS-gegevens aan boord van schepen

1. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor de elektronische binnenvaartkaarten

Minimumeisen:

  • de elektronische binnenvaartkaarten geven op nauwkeurige wijze de contouren van de rivier en van de vaargeul weer en zijn op de officiële elektronische binnenvaartkaarten gebaseerd;

  • de elektronische binnenvaartkaarten zijn opgeslagen in het visualiseringssysteem aan boord van het schip.

Aanbeveling:

de meest recente officiële elektronische navigatiekaarten gebruiken.

2. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor het apparaat voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten

Minimumeisen:

  • het apparaat voor het visualiseren van elektronische kaarten is door middel van een betrouwbare kabelverbinding aan het Inland AIS-apparaat aangesloten;

  • tijdens de vaart van het schip is het apparaat uitsluitend voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten bestemd;

  • de gevisualiseerde informatie is vanuit de stuurstand goed zichtbaar.

Aanbevelingen:

  • het visualiseringssysteem van elektronische kaarten voldoet aan de eisen betreffende de geldende standaard voor Inland ECDIS in de informatiemodus;

  • een aanvullend afzonderlijk visualiseringssysteem van elektronische kaarten voor de informatiemodus gebruiken, indien het schip met een Inland ECDIS-apparaat in de navigatiemodus is uitgerust.

3. Minimumeisen aan en aanbevelingen voor de software waarmee elektronische binnenvaartkaarten gevisualiseerd kunnen worden

Minimumeisen:

  • de software geeft de correcte en actuele positie van het eigen schip op de elektronische binnenvaartkaart weer;

  • de software geeft op de elektronische binnenvaartkaart de correcte en actuele positie van de andere schepen weer;

  • de software biedt de mogelijkheid de gedetailleerde lijst met AIS-informatie, als bedoeld in artikel 4.07, vierde lid, van het Rijnvaartpolitiereglement, van een gekozen schip weer te geven.

Aanbevelingen:

  • de software voor het visualiseren van elektronische binnenvaartkaarten voldoet aan de eisen betreffende de navigatiemodus van de geldende Inland ECDIS-Standaard;

  • de software voor het visualiseren van een elektronische binnenvaartkaart oriënteert deze zodanig dat het schip de as van de vaarweg volgt.

Bijlage 2.1. Model bewijsstuk historische vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid

244732.png

Bijlage 3.1. Aanvullende voorschriften voor passagierschepen op zone 2 als bedoeld in artikel 3.3

Artikel 1

Het vrijboord bedraagt ten minste 0,40 m.

Artikel 2

De veiligheidsafstand bedraagt ten minste:

  • a. voor schepen die geen schottendek hebben, tot het laagste punt van het boord 80 cm.;

  • b. tot niet waterdicht afsluitbare openingen 60 cm.;

  • c. tot onderzijde van poorten en ramen, die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend 30 cm.

Artikel 3

Voor passagiersschepen wordt de totale massa P van het boeganker berekend volgens de formule:

P = k.B.T + 4.Af [kg]

In deze formule betekent:

k: de coëfficiënt als bedoeld in bijlage II van richtlijn 2006/87/EG, artikel 10.01 tweede lid;

Af: het frontale windvangend oppervlak in m2.

Artikel 4

Naast de in bijlage 1.1a voorgeschreven uitrusting hebben schepen in zone 2 de volgende uitrusting aan boord:

  • a. een gecompenseerd kompas;

  • b. bijgewerkte zeekaarten van de gebieden waar het schip vaart;

  • c. geschikte middelen voor het kaartpassen;

  • d. geschikte middelen voor het bepalen van de waterdiepte;

  • e. een radio-ontvanger waarmee de weerberichten kunnen worden ontvangen.

Artikel 5

Er is een radiotelefonie-installatie aanwezig waardoor gesprekken in het openbare verkeer mogelijk zijn.

Artikel 6

Op geen enkele plaats van de scheepshuid is de volgens artikel 19.02, eerste lid, onderdelen a of b, van bijlage 1.1a berekende waarde minder dan 4 mm.

Artikel 7

Passagiersschepen die op de zone 2 varen zijn voorzien van een aantekening in het certificaat van onderzoek waaruit blijkt dat zij voldoen aan de aanvullende voorschriften in deze bijlage.

Artikel 8

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.2. Technische eisen voor Amsterdamse dekschuiten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel a

Artikel 1

Deze bijlage is van toepassing in het havengebied van Amsterdam, Zaanstad, Beverwijk en Velsen, met inbegrip van het Noordzeekanaal, de Zaan, de Knollendammervaart en het Noordhollandsch Kanaal vanaf het IJ tot de kruising met de Knollendammervaart, met dien verstande dat de grenzen van dit gebied aan oostelijke zijde gevormd worden door de Oranjesluizen, aan de westelijke zijde door de sluizen van IJmuiden en op het Amsterdam-Rijnkanaal door de monding van het Lozingskanaal.

Artikel 2

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen Amsterdamse dekschuiten aan bijlage 1.1a met uitzondering van de artikelen 8.08, 13.01, 13.02, 13.07, 13.08, eerste lid, en 14.02, tweede en vierde lid.

Artikel 3

De buitenzijde van het dek van een Amsterdamse dekschuit is voorzien van een voetlijst van tenminste 0,03 m hoogte en een reling van ten minste 0,90 m hoogte. De reling mag wegneembaar zijn.

Artikel 4

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.3. Technische eisen voor rondvaartboten van het Amsterdams grachtentype als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel b

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • CNG: aardgas;

  • CNG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van CNG;

  • ECE-Reglement nr. 67: de publicatie ‘Uniform provisions concerning the approval of specific equipment of motorvehicles using liquefied petroleumgases in their propulsion system’, vastgesteld door de Economic Commission for Europe en uitgegeven door de Verenigde Naties;

  • ISO 2604-2: de publicatie ‘Steel products for pressure purposes; Quality requirements Part 2: Wrought seamless tubes’, uitgegeven door de International Organization for Standardization;

  • NEN-EN 10204: de publicatie ‘Metallic products; Types of inspection documents’, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie instituut.

Artikel 2. Toepassing van de richtlijn

  • 1. Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype aan bijlage 1.1a bij deze regeling met uitzondering van de artikelen 3.03, eerste lid, 7.02, 7.03, achtste lid, en 8.01, derde lid, voor zover van toepassing op de hoofdmotor, 9.02, 13.01, 13.02, eerste lid, onder d, en tweede lid, onder c, d, e, g en h, 13.03, 13.04, 13.05, eerste lid, en 14.02, tweede lid en vierde lid, betreffende hekwerk of verschansing, 14.04, 14.13, 19.01, vierde lid, 19.02, tweede tot en met zestiende lid, 19.05, 19.06, eerste lid, onderdeel c, tweede tot en met elfde lid, dertiende lid en zeventiende lid, 19.09, 19.10, vierde tot en met achtste lid, 19.11, vijfde lid, achtste lid, onderdeel d, tiende, elfde, dertiende, zestiende en zeventiende lid, 19.12, tweede tot en met negende lid, 19.13 en 19.14.

  • 2. Rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype die slechts varen op wateren van zone 4, hoeven in aanvulling op het eerste lid, niet te voldoen aan artikel 5.06.

Artikel 3. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers

  • 1. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt zodanig vastgesteld dat aan de voorschriften met betrekking tot de stabiliteit en het vrijboord wordt voldaan.

  • 2. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers is niet groter dan het aantal voor passagiers beschikbare zitplaatsen.

  • 3. Voor de zitplaatsen wordt gerekend met een breedte van ten minste 0,45 m per persoon. De onderlinge vrije afstand tussen banken of zitplaatsen bedraagt ten minste 0,30 m.

Artikel 4. Beveiliging van passagiers

Indien passagiers plaats kunnen nemen in een open kuip of op een open dek, worden de vaste verschansingen of relingen ten minste 0,20 m binnen de buitenzijde van het schip, berghouten daarbij inbegrepen, geplaatst.

Artikel 5. Toegangen, uitgangen en verbindingswegen

  • 1. De vrije doorgang van de toegangen bedraagt minimaal 0,80 m. De vrije breedte van het gangpad tussen de stoelen bedraagt op een hoogte van 0,90 m en meer boven de vloer ten minste 0,70 m. Tot een hoogte van 0,90 m boven de vloer bedraagt deze breedte nergens minder dan 0,60 m.

  • 2. In het achterschip is een nooduitgang met een vrije doorgang van ten minste 0,80 m aangebracht. De nooduitgang mag worden vervangen door ten minste twee uitwerpbare noodluiken in het dak, die elk een vrije opening van ten minste 0,36 m2 hebben. Daarbij bedraagt de kleinste afmeting niet minder dan 0,50 m.

  • 3. Indien een passagiersaccommodatie door middel van waterdichte schotten en waterdichte deuren van beperkte hoogte wordt onderverdeeld in waterdichte compartimenten kunnen deze compartimenten veilig worden verlaten. Daarbij mag de vluchtweg vanuit het ene via een ander compartiment lopen.

Artikel 6. Ramen

De constructie van de ramen is van voldoende sterkte, afhankelijk van de hoogte boven de geladen lastlijn en van de zone van het vaarwater.

Artikel 7. Reddingsboeien

  • 1. Per elk toegestaan aantal van 25 passagiers, alsmede voor het aantal dat daarboven resteert, is ten minste een reddingboei overeenkomstig de Europese norm EN 14 144:2002 aanwezig. Het aantal reddingboeien behoeft echter niet meer dan vier te bedragen.

  • 2. Voor alle passagiers zijn individuele of collectieve reddingmiddelen aan boord. Drijvende zitkussens worden als reddingmiddel beschouwd indien zij:

    • a. een draagvermogen in zoet water van ten minste 7,5 kg hebben;

    • b. bestand zijn tegen olie, olieproducten en temperaturen tot 50°C;

    • c. van een grijplijn zijn voorzien, en

    • d. niet aan het schip zijn bevestigd.

Artikel 8. Brandbestrijdingsmiddelen

Indien de rondvaartboot is voorzien van een CNG-installatie is de ruimte waarin de voortstuwingsmotor is geplaatst voorzien van een vast opgestelde brandblusinstallatie.

Artikel 9. Ankergerei

Bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 zijn de schepen voorzien van een anker met een gewicht van ten minste 50 kg en een ankerketting of ankerdraad met een lengte van ten minste 30 m. Het ankergewicht mag worden verminderd bij toepassing van bijzondere ankertypen met verhoogde houdkracht.

Artikel 10. Schotten

  • 1. De volgende waterdichte schotten, die reiken tot de bovenkant van het scheepsboord zijn aangebracht:

    • a. een aanvaringsschot, gelegen op ten minste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn;

    • b. een schot tussen de machinekamer en de passagiersruimte;

    • c. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven. Op schepen met een lengte van 25 m of minder mag het achterpiekschot achterwege worden gelaten.

  • 2. Indien de rondvaartboot is voorzien van een CNG-installatie zijn doorvoeringen door schotten gasdicht.

    Doorvoeringen door het machinekamerschot zijn vervaardigd van een toegelaten onbrandbaar materiaal.

Artikel 11. Buitenboordaansluitingen

Buitenboordaansluitingen zijn direct op de huid voorzien van een afsluiter. Dit geldt niet voor toiletten die zijn voorzien van een metalen pot, gemonteerd op een dikwandige stalen pijp, zodanig dat de bovenrand van de pot een veiligheidsafstand van ten minste 0,40 m heeft.

Artikel 12. Voortstuwingsinstallaties

  • 1. Het vermogen van de voortstuwingsinstallatie is zodanig, dat het volbeladen schip bij vol vermogen varende, tot stilstand kan komen in een vaarweg van ten hoogste twee maal de lengte van het schip.

  • 2. Vanaf de stuurstand moet afgelezen kunnen worden:

    • a. de temperatuur van het koelwater en de druk van de smeerolie van voortstuwingsmotoren en

    • b. het toerental van voortstuwingsmotoren of schroefassen.

  • 3. Indien de voortstuwingsmotor gebruik maakt van brandstof met een vlampunt beneden 55 °C:

    • a. wordt CNG gebruikt als brandstof; en

    • b. wordt de voortstuwingsmotor voorzien van brandstof door middel van een CNG-installatie.

  • 4. Indien een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype tijdens de bouw voorzien wordt van een CNG-installatie, zijn de constructietekeningen voor de aanvang van de bouw goedgekeurd door de minister.

  • 5. Indien een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype voorzien wordt van een CNG-installatie zijn de constructietekeningen van de CNG-installatie zelf en de constructietekeningen voor de inbouw daarvan, voor aanvang van de inbouw, goedgekeurd door de minister.

  • 6. De goedkeuring, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt verleend indien naar het redelijk oordeel van de minister de veiligheid van de rondvaartboot en de opvarenden, voor zover deze verband houdt met de constructie en wijze van inbouw van de CNG-installatie, voldoende gewaarborgd zal zijn.

Artikel 13. Onderdelen van de CNG-installatie

  • 1. De CNG-installatie bevat uitsluitend de onderdelen, bedoeld in dit artikel.

  • 2. De CNG-installatie bestaat ten minste uit de volgende onderdelen:

    • a. een CNG-tank;

    • b. een overdrukbeveiliging ten behoeve van de CNG-tank;

    • c. een automatische tankafsluiter;

    • d. een manometer;

    • e. een warmtewisselaar en drukregelaar, eventueel gecombineerd;

    • f. een automatische afsluitklep;

    • g. een vulaansluiting;

    • h. een terugslagklep in de vulleiding;

    • i. gasleidingen;

    • j. een inspuitstuk of gasmengstuk; en

    • k. gasvoerende verbindingen tussen de onderdelen van de CNG-installatie.

  • 3. De volgende onderdelen kunnen deel uitmaken van de CNG-installatie:

    • a. een handafsluiter;

    • b. gasslangen;

    • c. een gasregeleenheid;

    • d. een CNG-filtereenheid;

    • e. een druk- of temperatuursensor; of

    • f. elektrische voorzieningen.

  • 4. In het gedeelte van de CNG-installatie waar de druk lager is dan 50 kPa kunnen extra onderdelen ten behoeve van het goed functioneren van de motor worden aangebracht.

Artikel 14. Eisen aan de toelating van onderdelen voor de CNG-installatie

  • 1. De onderdelen, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder a tot en met h, en derde lid, onder a en e, voldoen aan de voor de desbetreffende onderdelen vastgestelde normen van het op het moment van installatie geldende ECE-Reglement Nr. 67.

  • 2. De onderdelen, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder i en j, en derde lid, onder b, c en d, voldoen aan de voor de desbetreffende onderdelen vastgestelde normen van het op het moment van installatie geldende ECE-Reglement Nr. 67, voor zover deze onderdelen gebruikt worden in een gedeelte van de CNG-installatie waar de druk hoger kan zijn dan 50 Kpa.

  • 3. Onderdelen waarvoor in het op het moment van installatie geldende ECE-Reglement Nr. 67 geen normen zijn opgenomen en die gebruikt worden in een gedeelte van de CNG-installatie waar de druk hoger kan zijn dan 50 Kpa zijn goedgekeurd door de minister.

  • 4. De onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn voorzien van een geldig goedkeuringsmerk ECE-Reglement Nr. 67, tenzij dit als gevolg van aard of functie van het onderdeel niet mogelijk is.

  • 5. Een onderdeel als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt vermeld op een aan boord aanwezige lijst, onder vermelding van de gegevens van het goedkeuringsmerk, genoemd in het vierde lid.

  • 6. Een onderdeel als bedoeld in het derde lid wordt vermeld op een aan boord aanwezige lijst, onder vermelding van de merknaam en de typeaanduiding en voorzien van een stempel ten teken van de goedkeuring, bedoeld in het derde lid.

Artikel 15. Drukbestendigheid

De onderdelen van de CNG-installatie zijn bestand tegen de hoogste druk die onder normale bedrijfsomstandigheden kan optreden in het gedeelte van de CNG-installatie waar een onderdeel is aangebracht.

Artikel 16. Combinaties van onderdelen

  • 1. De functies van de onderdelen, bedoeld in artikel 14, eerste, tweede en derde lid, worden niet in één onderdeel gecombineerd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, kunnen de functies van de volgende onderdelen in één onderdeel worden gecombineerd:

    • a. de overdrukbeveiliging ten behoeve van de CNG-tank, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder b, met de automatische tankafsluiter, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder c;

    • b. de warmtewisselaar en drukregelaar, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder e, met de automatische afsluitklep, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder f;

    • c. de CNG-filtereenheid, genoemd in artikel 13, derde lid, onder d, met de onderdelen, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder c, d, e, f, g en j, alsmede met de onderdelen, genoemd in artikel 13, derde lid, onder a, c, en e;

    • d. de druk- of temperatuursensor, genoemd in artikel 13, derde lid, onder e, met de onderdelen, genoemd in artikel 13, tweede lid, onder c, d, e, f, g, en j, alsmede met de onderdelen, genoemd in artikel 13, derde lid, onder a, c, en d.

Artikel 17. Constructie

  • 1. De levering van de onderdelen van de CNG-installatie en de inbouw daarvan geschieden door dezelfde leverancier.

  • 2. De inbouw geschiedt in overeenstemming met de constructietekeningen, genoemd in artikel 12, vierde of vijfde lid.

  • 3. De onderdelen van de CNG-installatie zijn deugdelijk bevestigd.

  • 4. De CNG-installatie vertoont geen lekkage.

  • 5. De CNG-installatie is zodanig ingebouwd dat de bescherming tegen beschadiging optimaal is.

  • 6. Geen deel van de CNG-installatie bevindt zich binnen een afstand van 0,1 meter van een uitlaat of vergelijkbare hittebron, tenzij het deel door middel van een schild afdoende tegen de hitte is beschermd.

  • 7. Op de CNG-installatie wordt niets aangesloten dat geen verband heeft met het goed en veilig functioneren van de voortstuwingsmotor.

  • 8. De onderdelen, genoemd in artikel 14, zijn zodanig ingebouwd dat controle eenvoudig is en de goedkeuringsmerken leesbaar zijn.

Artikel 18. Bijzondere constructie-eisen

  • 1. Indien door het falen van een onderdeel van de CNG-installatie een ander onderdeel van de CNG-installatie boven de ontwerpdruk kan worden belast, is een drukbeveiliging aangebracht die de gastoevoer naar het als gevolg van het falen te hoog belaste deel in voorkomende gevallen automatisch afsluit. De afsluiter bevindt zich in een gedeelte van de installatie dat niet door een te hoge druk kan worden belast.

  • 2. Een automatische afsluitklep sluit de brandstoftoevoer af, tenzij de motor draait of gestart wordt.

  • 3. Een automatische afsluitklep sluit de brandstoftoevoer af, indien de gasdruk voor de motor te hoog wordt. De gasdruk wordt bewaakt door middel van een drukschakelaar of een instrument met dezelfde werking. De afstelling is zodanig dat de gasdruk veilig is, maar voldoende hoog om de motor het gas stabiel en nagenoeg volledig te laten verbranden.

Artikel 19. Cng-tanks

  • 1. CNG-tanks bevinden zich niet in de motorkamer.

  • 2. Aansluitingen op CNG-tanks bevinden zich in de ruimte waarin de CNG-tanks zijn geplaatst.

  • 3. De ruimte waarin de CNG-tanks zijn geplaatst wordt voldoende geventileerd. De luchtinlaat bevindt zich aan de ene zijde bovenin de ruimte. Het afzuigkanaal bevindt zich op niet meer dan 50 mm van de bodem, diagonaal tegenover de luchtinlaat aan de andere zijde van de ruimte.

  • 4. De ventilatieopeningen in de ruimte waarin de CNG-tanks zijn geplaatst, zijn voorzien van door de minister goedgekeurde vlamkerende roosters.

  • 5. De capaciteit van de ventilatie is voldoende om de lucht in de ruimte tenminste 20 keer per uur volledig te verversen.

  • 6. Het ventilatiesysteem is zodanig uitgevoerd dat vonkvorming en elektrostatische oplading zijn uitgesloten.

  • 7. Ventilatieopeningen aan de buitenzijde van de rondvaartboot ten behoeve van de luchtinlaat bevinden zich aan de bovenzijde van de opbouw.

  • 8. De capaciteit van de CNG-tanks is niet groter dan vereist voor één dagreis.

  • 9. De hoofdkranen van de CNG-tanks kunnen vanuit de stuurstand worden gesloten.

  • 10. CNG-tanks zijn goedgekeurd bij de meest recente periodieke keuring, bedoeld in artikel 32, derde lid.

Artikel 20. Overdrukbeveiliging CNG-tank

  • 1. De overdrukbeveiliging is in de CNG-tank of in een appendage op de tank aangebracht.

  • 2. De werking van de appendage belemmert het functioneren van de overdrukbeveiliging niet.

  • 3. Eventuele overdruk wordt direct naar buiten afgevoerd en niet op een lager punt dan aan de bovenzijde van de opbouw afgeblazen.

Artikel 21. Automatische tankafsluiter

  • 1. De automatische tankafsluiter is op de CNG-tank aangebracht.

  • 2. De automatische tankafsluiter is uitgevoerd:

    • a. als één component waarin een automatische afsluitklep en een handbediende afsluitklep is ondergebracht, zonodig tevens voorzien van een overdrukbeveiliging; of

    • b. als een samenstel van twee componenten bestaande uit een handbediende tankafsluiter, al dan niet voorzien van een overdrukbeveiliging, en een automatische afsluitklep, waarbij de handafsluiter direct na de CNG-tank en de automatische afsluitklep direct op de handafsluiter is aangebracht.

Artikel 22. Automatische afsluitklep

  • 1. In de gasleiding van de CNG-tank naar de drukregelaar is zo dicht mogelijk bij de drukregelaar een automatische afsluitklep aangebracht.

  • 2. Indien meerdere drukregelaars zijn aangebracht kan de automatische afsluitklep voor de laatste drukregelaar zijn geplaatst.

Artikel 23. Cng-motorkamer

Artikel 19, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de ruimte waarin de voortstuwingsmotor van een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype, voorzien van een CNG-installatie, is geplaatst.

Artikel 24. Gasdetectie

  • 1. In ruimten waar lekkage van CNG kan ontstaan is een gasdetectie-installatie aangebracht.

  • 2. De gasdetectie-installatie geeft optisch en akoestisch alarm nabij de stuurstand indien de hoeveelheid CNG in de ruimte 10% van de onderste explosiegrens bereikt.

  • 3. De gasdetectie-installatie is uiterlijk zes maanden geleden gecontroleerd op correcte werking en in orde bevonden.

Artikel 25. Gastoevoerleiding

  • 1. In het gedeelte van de gastoevoerleiding van de CNG-tanks naar de motor, dat is aangebracht onder het passagiersverblijf, bevinden zich geen flenzen of koppelingen.

  • 2. Het gedeelte van de gastoevoerleiding van de CNG-tanks naar de motor dat is aangebracht onder het passagiersverblijf bevindt zich in een voldoende geventileerde mantelpijp.

Artikel 26. Manometer

  • 1. De manometer is aangebracht in het gedeelte van de CNG-installatie waar de ongeregelde tankdruk kan worden gemeten.

  • 2. De manometer is eenvoudig afleesbaar.

Artikel 27. Vulaansluiting

De vulaansluiting van een CNG-tank:

  • a. bevindt zich aan dek in de buitenlucht; en

  • b. is beschermd tegen vuil en water.

Artikel 28. Gasleidingen- en slangen

  • 1. Een gasleiding voor CNG waarin de druk hoger kan zijn dan 2500 Kpa:

    • a. heeft een buitendiameter van niet meer dan 12 mm;

    • b. is van naadloos roestvast staal; en

    • c. voldoet aan de op het moment van installatie voor dergelijke gasleidingen geldende normen van ISO 2604-2.

  • 2. Een gasleiding voor CNG waarin de druk hoger kan zijn dan 50 Kpa:

    • a. is van naadloos roestvast staal of naadloos koper;

    • b. heeft een buitendiameter van niet meer dan 12 mm; en

    • c. heeft een wanddikte van tenminste 0,8 mm.

  • 3. Ten aanzien van een roestvaststalen gasleiding als bedoeld in het eerste lid is voorzien in een inspectiecertificaat volgens de op het moment van afgifte van het certificaat geldende normen van NEN-EN 10204 – 3.1.B, of een gelijkwaardig testrapport.

  • 4. Indien het gebruik van gasleidingen om constructietechnische redenen niet goed mogelijk is, is het toegestaan over korte afstanden gebruik te maken van door de minister goedgekeurde gasslangen.

  • 5. Gasslangen zijn niet langer dan één jaar geleden geproduceerd. Indien alleen het productiejaar is vermeld, geldt 31 december van dat jaar als productiedatum.

Artikel 29. Bevestiging gasleidingen en gasslangen voor CNG

  • 1. Gasleidingen voor CNG worden niet bevestigd met aluminium bevestigingsmiddelen of door middel van lassen of solderen.

  • 2. Gasleidingen zijn niet onderhevig aan spanning of trillingen anders dan die van het binnenschip zelf.

  • 3. Gasslangen zijn niet onderhevig aan spanningen.

  • 4. Roestvaststalen gasleidingen worden vast ingebouwd met tenminste iedere 0.60 m een bevestigingspunt.

  • 5. Koperen gasleidingen worden vast ingebouwd met tenminste iedere 0.40 m een bevestigingspunt.

  • 6. Op bevestigingspunten is de gasleiding voorzien van beschermend materiaal.

Artikel 30. Gasvoerende verbindingen

  • 1. Gasvoerende soldeerverbindingen en gasvoerende snijringverbindingen in gasleidingen voor CNG zijn niet toegestaan.

  • 2. Roestvaststalen gasleidingen worden verbonden door middel van roestvaststalen fittingen.

  • 3. Lasverbindingen tussen roestvaststalen gasleidingen zijn toegestaan indien uit röntgenonderzoek gebleken is dat de verbindingen veilig zijn, blijkens een daarvan getuigend certificaat afgegeven door een daartoe door de minister erkende instantie.

  • 4. Koperen gasleidingen worden verbonden door middel van een fitting van corrosiebestendig metaal.

  • 5. Verdeelblokken zijn van corrosiebestendig metaal.

  • 6. Stalen gasleidingen worden aangesloten door middel van daartoe geschikte knelringverbindingen.

  • 7. Koperen gasleidingen worden aangesloten door middel van daartoe geschikte dubbelconische ringen of dubbele flenzen.

  • 8. Het aantal verbindingen is zo klein mogelijk.

  • 9. De verbindingen zijn op een voor controle toegankelijke plaats aangebracht.

Artikel 31. Handafsluiters

  • 1. De CNG-installatie heeft ten hoogste twee handafsluiters.

  • 2. Een handafsluiter dient als:

    • a. extra veiligheidsafsluiter; of

    • b. testafsluiter.

  • 3. De handafsluiter, genoemd in het tweede lid, onder a, is gemonteerd voor de automatische afsluitklep.

  • 4. De handafsluiter, genoemd in het tweede lid, onder b, is voldoende beveiligd tegen gebruik door onbevoegden.

Artikel 32. Onderhoud

  • 1. Het onderhoud van de CNG-installatie geschiedt conform een met de fabrikant of de leverancier van de CNG-installatie overeengekomen onderhoudsprogramma.

  • 2. Het onderhoudsprogramma voorziet tenminste in een regelmatige controle van de CNG-installatie.

  • 3. Het onderhoudsprogramma voorziet in een periodieke keuring van de CNG-tanks en vermeldt de daarbij toe te passen testmethode en de afkeuringscriteria.

  • 4. Een kopie van de beschrijving van het onderhoudsprogramma wordt binnen drie maanden na ingebruikname van de CNG-installatie toegezonden aan de minister.

  • 5. De minister kan het onderhoudsprogramma aanpassen voor zover uitvoering van het onderhoudsprogramma de veiligheid van het gebruik van de CNG-installatie naar zijn redelijk oordeel onvoldoende waarborgt.

  • 6. De resultaten van een controle als bedoeld in het tweede lid en de resultaten van een periodieke keuring als bedoeld in het derde lid worden aangetekend bij de beschrijving van het onderhoudsprogramma, onder vermelding van de datum waarop de controle of de keuring is gehouden of geëindigd en de naam van degene onder wiens verantwoordelijkheid de controle of de keuring heeft plaatsgevonden. Deze ondertekent de aantekening.

  • 7. Indien een CNG-tank geheel of gedeeltelijk wordt afgekeurd stelt de eigenaar de minister hiervan onverwijld op de hoogte.

  • 8. De beschrijving van het onderhoudsprogramma bevindt zich aan boord.

Artikel 33. Vrij uitzicht vanuit de stuurstand

  • 1. Het uitzicht vanuit de stuurstand is in alle richtingen voldoende vrij.

  • 2. Het uitzicht naar achter kan met behulp van betrouwbare optische hulpmiddelen mogelijk worden gemaakt.

Artikel 34. Lensinrichting

Voor de dompelpomp is een capaciteit van 3000 l/uur voldoende.

Artikel 35. Overgangsbepalingen

  • 1. De artikelen 6, 9, 10, eerste lid, 11 en 12, eerste en tweede lid, van deze bijlage zijn niet van toepassing bij het onderzoek van rondvaartboten waarvan het tijdstip van aanvang van de bouw gelegen is voor 22 december 1990, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de minister voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de minister in overeenstemming met het bevoegde districtshoofd van de arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.

  • 2. Indien op rondvaartboten waarvan het tijdstip van aanvang van de bouw gelegen is voor 22 december 1990 niet aan de regelen van artikel 5 wordt voldaan, kan de minister het maximaal toegestane aantal passagiers op het schip ofwel in de betrokken ruimte beperken.

  • 3. De artikelen 12, vierde en zesde lid, 17, eerste en tweede lid, en 32 derde lid, zijn niet van toepassing op rondvaartboten waarvan het tijdstip van aanvang van de bouw gelegen is voor 1 juli 1996.

  • 4. De artikelen 12, vijfde en zesde lid, 17, eerste en tweede lid, en 32, derde lid, zijn niet van toepassing op rondvaartboten waarvan het tijdstip van aanvang van de inbouw van de CNG-installatie gelegen is voor 1 juli 1996.

Artikel 36. Wederzijdse erkenning

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.4. Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c

Artikel 1

  • 1. Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen open rondvaartboten aan bijlage 1.1a bij deze regeling met uitzondering van de artikelen 3.03, eerste tot en met vijfde lid, 3.04, tweede tot en met zevende lid, 7.03, achtste lid, 7.09, 8.05, eerste en dertiende lid, 8.08, 8.09, tweede lid, 9.02, eerste en derde lid, 13.01, 13.02, 13.03, eerste lid, 13.04, 13.05, eerste lid, 14.02, tweede en vierde lid, 14.04, 14.08, 14.13, 19.01, vierde lid, 19.02, tweede en vijfde lid, 19.03, 19.05, 19.06, 19.08, 19.09, 19.10, tweede tot en met achtste lid, tiende en elfde lid, 19.11, tweede lid, achtste tot en met elfde lid en zeventiende lid, 19.12, 19.13 en 19.14.

  • 2. Open rondvaartboten die slechts door een buitenboordmotor worden aangedreven, hoeven in aanvulling op het eerste lid, niet te voldoen aan artikel 7.04 tweede lid, 8.04 en aan artikel 8.05, zesde lid en tiende tot en met twaalfde lid.

  • 3. Open rondvaartboten die slechts varen op wateren van zone 4 hoeven in aanvulling op het eerste en tweede lid, niet te voldoen aan artikel 5.06.

Artikel 2. Schotten

  • 1. Open rondvaartboten met een lengte van meer dan 10 meter op de lengtewaterlijn, zijn voorzien van een waterdicht aanvaringsschot, gelegen op ten minste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn. Het schip is voor dit aanvaringsschot met een waterdicht dek afgesloten.

  • 2. Voor houten open rondvaartboten die worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren van de zone 4 kan worden afgeweken van hetgeen in het eerste lid is bepaald.

  • 3. Op open rondvaartboten met een vast in het schip opgestelde voortstuwingsmotor is deze motor geheel door een brandvertragende omkasting omsloten.

Artikel 3. Stabiliteit

Open rondvaartboten moeten bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 na vollopen voldoende reservedrijfvermogen bezitten. Dit reservedrijfvermogen wordt voldoende geacht indien het schip in volgelopen toestand nog een vrijboord van ten minste 0,05 m heeft.

Artikel 4. Veiligheidsafstand

Voor open rondvaartboten kan ontheffing van artikel 19.04, eerste lid, van bijlage 1.1a worden verleend.

Artikel 5. Ten hoogste toegestane aantal passagiers

  • 1. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt zodanig vastgesteld dat aan de voorschriften met betrekking tot de stabiliteit en het vrijboord wordt voldaan.

  • 2. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers is niet groter dan het aantal voor passagiers beschikbare plaatsen.

  • 3. Voor de zitplaatsen wordt gerekend met een breedte van tenminste 0,40 m per persoon.

Artikel 6. Beveiliging tegen vallen

  • 1. Op open rondvaartboten wordt bij gebruik op binnenwateren van de zone 4 de voor passagiers bestemde, niet afgesloten gedeelten van dekken, welke geheel bezet zijn met dwarsscheeps geplaatste vast opgestelde zitbanken, voorzien van vaste verschansingen of relingen met een hoogte van tenminste 0,30 m, gemeten boven de zitting van de bank.

  • 2. Dekken en gangboorden zijn vlak, bieden veiligheid tegen uitglijden en zijn vrij van obstakels waarover men kan struikelen. Zij zijn zodanig uitgevoerd dat er geen water op kan blijven staan.

Artikel 7. Uitgangen

  • 1. Op open rondvaartboten met een opbouw is een vrij middenpad over de gehele lengte van het voor passagiers bestemde gedeelte aanwezig. Dit middenpad heeft een breedte van ten minste 0,45 m.

  • 2. Op open rondvaartboten met een opbouw is zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het voor passagiers bestemde gedeelte een uitgang met een vrije breedte van ten minste 0,50 m aanwezig. Eén van de uitgangen mag zijn vervangen door twee nooduitgangen, ieder met een vrije doorgang van ten minste 0,60 cm. breedte en ten minste 0,80 cm. hoogte.

  • 3. Het aan en van boord gaan van de passagiers geschiedt op veilige wijze. Zo nodig zijn handgrepen en traptreden aangebracht.

Artikel 8. Motorinstallatie

  • 1. Op open rondvaartboten mag voor buitenboordmotoren brandstof met een vlampunt van 55 °C of lager worden gebruikt.

  • 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, mag de brandstoftank geen grotere inhoud dan 25 liter hebben. De tank bevindt zich buiten het voor passagiers bestemde gedeelte.

  • 3. Bij een elektrisch gedreven voortstuwing zijn de accubatterijen aan de bovenzijde zodanig afgedekt, dat zij beschermd zijn tegen aanraking, vallende voorwerpen en druipwater.

Artikel 9. Lensinrichting

  • 1. Op open rondvaartboten met een lengte van 7 meter of minder op de lengtewaterlijn zijn ten minste twee geschikte hoosvaten aanwezig.

  • 2. Open rondvaartboten met een lengte van meer dan 7 meter op de lengtewaterlijn zijn van een handlenspomp voorzien. Bij een lengte van 12 meter of minder op de lengtewaterlijn is de diameter van de aansluiting tenminste 38 mm en bij een lengte boven 12 meter tenminste 50 mm.

Artikel 10. Ankergerei

Open rondvaartboten zijn bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 van een anker met ankertros van voldoende lengte voor het betrokken vaarwater voorzien. Het gewicht van dit anker bedraagt ten minste 25 kg.

Artikel 11. Reddingmiddelen

  • 1. Bij een ten hoogste toegestaan aantal passagiers van 25 of minder is ten minste één reddingboei en bij een aantal van meer dan 25 zijn ten minste twee reddingboeien aanwezig. De reddingboeien zijn overeenkomstig de Europese norm EN 14 144:2002 en zijn voorzien van een lijn met een lengte van ten minste 20 m en zodanig opgeborgen, dat zij voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  • 2. Voor alle passagiers zijn individuele of collectieve reddingmiddelen aan boord. Drijvende zitkussens worden als reddingmiddel beschouwd indien zij:

    • a. een draagvermogen in zoet water van ten minste 7,5 kg hebben;

    • b. bestand zijn tegen olie, olieproducten en temperaturen tot 50°C;

    • c. van een grijplijn zijn voorzien en

    • d. niet aan het schip zijn bevestigd.

  • 3. Er kan voor open rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van zone 4 een ontheffing van het bepaalde in het tweede lid verlenen.

Artikel 12. Draagbare blustoestellen

  • 1. In de nabijheid van de motorinstallatie is een draagbaar blustoestel met een vulgewicht van ten minste 4 kg aanwezig.

  • 2. Losse overkappingen zijn vervaardigd van een toegelaten onbrandbaar materiaal.

Artikel 13. Overige uitrusting

Aan boord is ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig:

  • a. een vaarboom/bootshaak;

  • b. geschikte verbandtrommel;

  • c. voldoende trossen voor meren en slepen;

  • d. indien tussen zonsondergang en zonsopgang wordt gevaren: een geschikte draagbare elektrische lantaarn in waterdichte uitvoering.

Artikel 14. Overgangsbepalingen

  • 1. De artikelen 2, 9, tweede lid, tweede volzin, en 10 zijn niet van toepassing bij het onderzoek van rondvaartboten waarvan het tijdstip van aanvang van de bouw gelegen is voor 22 december 1990, mits voorzieningen zijn getroffen die naar het redelijk oordeel van de minister voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de minister in overeenstemming met het bevoegde districtshoofd van de arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.

  • 2. Indien op rondvaartboten waarvan het tijdstip van aanvang van de bouw gelegen is voor 22 december 1990 niet aan de eisen van artikel 7 wordt voldaan, kan de minister een afwijking daarvan toestaan onder beperking van het ten hoogste toegestane aantal passagiers op het schip ofwel in de betrokken ruimte, mits voorzieningen zijn getroffen die naar het redelijk oordeel van de minister voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden.

  • 3. De artikelen opgenomen in kolom 2 van artikel 11.02 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit zijn, in aanvulling op artikel 42, tweede lid, van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4, overeenkomstig de artikelen 3, tweede lid, en 7 van deze regeling, met dien verstande dat naar het redelijk oordeel van de minister geen reden tot twijfel bestaat aan de veiligheid van de opvarenden en aan de stabiliteit van het beladen schip, en dat de omstandigheden die op grond van eerdere lokale verordeningen zijn aanvaard, overeenkomstig van toepassing zijn.

Artikel 15

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.5. Technische eisen voor skûtsjes als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel d

Artikel 1

Deze bijlage is van toepassing op de binnen de provincies Friesland, Groningen en Drenthe gelegen wateren van de zones 3 en 4.

Artikel 2

  • 1. Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen skûtsjes aan hoofdstuk 3 tot en met 15a van bijlage 1.1a.

  • 2. Artikel 19.06, tiende lid, onderdeel a, van bijlage 1.1a is niet van toepassing op skûtsjes.

Artikel 3

  • 1. Aan beide zijden van het schip is over de volledige lengte van de luikenkap een handrail aangebracht.

  • 2. Op regelmatige afstanden zijn grijplijnen over de luikenkap gespannen.

  • 3. Op de boeiing zijn zetboorden geplaatst.

  • 4. Tijdens de vaart is het dragen van een reddingvest verplicht. Dit gebod is op een bord op een voor een ieder duidelijk zichtbare plaats op het schip aangebracht.

  • 5. De luikenkap is voorzien van een markering van de grens waar de hoogte van de giek boven het hoogste deel van de luikenkap ten minste 0,80 m bedraagt. In de nabijheid van deze markering is op een voor ieder duidelijk zichtbare wijze een bord aangebracht met het opschrift: ‘Niet toegankelijk voor passagiers’.

Artikel 4

Bij gebruik van buitenboordmotoren zijn brandstoftanks van deze motoren zodanig op of buiten het schip geplaatst, dat ze niet kunnen verschuiven en brandstof zich niet in het schip kan verzamelen.

Artikel 5

  • 1. Bedrijfsmatig vervoer van passagiers is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 mei tot en met 30 september.

  • 2. Een met passagiers ondernomen vaartocht bedraagt maximaal twee en een half uur.

  • 3. Het certificaat vermeldt de in het eerste en tweede lid bedoelde voorschriften.

  • 4. Naast de in hoofdstuk 5 voorgeschreven minimumbemanning zijn twee extra bemanningsleden aan boord die zijn voorzien van een dienstboekje.

Artikel 6

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.6. Technische eisen voor veerponten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel e

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

De begripsbepalingen van artikel 1.01 van bijlage 1.1a zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Artikel 1.2. Toepassing van bijlage 1.1a

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen veerponten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 15 alsmede hoofdstuk 24a van bijlage 1.1a, met uitzondering van de volgende artikelen:

  • a. 3.03, eerste tot en met vijfde lid;

  • b. 4.01 tot en met 4.03;

  • c. hoofdstuk 5;

  • d. uitsluitend voor niet-vrijvarende veerponten, hoofdstuk 6;

  • e. 7.02, 7.09, 7.10 en 7.11;

  • f. uitsluitend voor veerponten met een uitwendige voortstuwingsmotor, 13.02, eerste lid, onderdeel d;

  • g. 13.02, tweede lid, onderdeel d, en 13.04, eerste lid;

  • h. 14.13;

  • i. uitsluitend voor zover het passagiersruimten betreft, 15.02, vierde tot en met zesde lid, en achtste tot en met elfde lid;

  • j. 19.02, tweede tot en met dertiende lid, 19.03, 19.04 en 19.05, tweede lid;

  • k. uitsluitend wat de hoogte betreft, 19.06, derde lid, onderdeel c, en vijfde lid, onderdeel b;

  • l. 19.06, zevende lid, achtste lid en zeventiende lid, 19.08, tweede lid, derde lid en vijfde tot en met negende lid, 19.09, tiende lid, en 19.11, zestiende lid;

  • m. uitsluitend voor veerponten in de zone 4, 19.11, achttiende lid; en

  • n. 19.12, tweede tot en met tiende lid.

Hoofdstuk 2. Schotten

Artikel 2.1. Schotten algemeen

  • 1. Naast de in artikel 2.6 voorgeschreven schotten zijn de dwarsschotten aanwezig die op grond van de lekberekening volgens artikel 3.1 noodzakelijk zijn. Deze dwarsschotten zijn waterdicht en tot het schottendek opgetrokken. Bij ontbreken van een schottendek moeten zij tot de bovenkant van het scheepsboord vanaf hetwelk het vrijboord wordt gemeten, zijn opgetrokken.

  • 2. De ruimten bestemd voor passagiers zijn door waterdichte schotten van de machinekamers, ketelruimen en laadruimen gescheiden.

Artikel 2.2. Openingen en deuren in schotten

  • 1. Het aantal openingen in de volgens artikel 2.1 voorgeschreven schotten wordt zo gering gehouden als op grond van de bouwwijze en voor de normale bedrijfsvoering van het schip toelaatbaar is. De waterdichte functie van de schotten wordt door de openingen niet nadelig beïnvloed. In het aanvaringsschot zijn geen openingen en deuren toegestaan. In schotten die de ruimten bestemd voor passagiers van machinekamers scheiden, zijn deuren niet toegestaan.

  • 2. Met de hand te bedienen waterdichte deuren die niet op afstand kunnen worden bediend, zijn slechts toegestaan op plaatsen die niet voor passagiers toegankelijk zijn. Zij worden slechts voor passage kortstondig geopend en blijven overigens voortdurend gesloten. Aan beide zijden van de deuren is het opschrift aangebracht: ‘Deur onmiddellijk na passeren sluiten’. Het snel en veilig kunnen sluiten wordt door geschikte inrichtingen gewaarborgd.

  • 3. Deuren die langere tijd moeten kunnen openstaan of die zich op voor passagiers toegankelijke plaatsen bevinden, moeten zowel ter plaatse aan beide zijden van het schot, als ook vanaf een goed toegankelijke plaats boven het schottendek kunnen worden gesloten. Na sluiting door de afstandsbediening moet de deur ter plaatse opnieuw kunnen worden geopend en op veilige wijze gesloten. De duur van het sluiten is voldoende om ongevallen te verhinderen, maar bedraagt niet meer dan 60 seconden. Vlak voor en tijdens het sluiten wordt bij de deur automatisch een akoestisch alarmsignaal gegeven. Het bedienen van de deur en het alarmsignaal moet ook onafhankelijk van het boordnet kunnen geschieden. Ter plaatse van de afstandsbediening wordt aangegeven of de deur open dan wel gesloten is.

  • 4. Alle deuren in schotten en hun bedieningsinrichtingen bevinden zich in een veilige zone. Deze zone wordt naar buiten begrensd door verticale vlakken die op een afstand van 1/5 van de breedtewaterlijn evenwijdig aan de huidbeplating, gemeten op de lijn van de grootste inzinking, lopen.

Artikel 2.3. Doorvoeringen van pijpleidingen

  • 1. Pijpleidingen met open uitmondingen en ventilatiekanalen zijn zo aangelegd, dat daardoor in lekke toestand van het schip geen water van de ene naar de andere afdeling of tank kan stromen.

  • 2. Indien verschillende afdelingen via pijpleidingen of ventilatiekanalen met elkaar in open verbinding staan, worden deze op een geschikte plaats tot boven de ongunstigste lastlijn in lekke toestand geleid. Wanneer dit bij pijpleidingen niet het geval is, worden in deze leidingen op de doorboorde schotten afsluiters aangebracht die op afstand van boven het schottendek kunnen worden bediend.

  • 3. Wanneer een pijpleiding binnen een afdeling geen open uitmonding heeft, wordt de pijpleiding bij beschadiging van deze afdeling als onbeschadigd beschouwd, indien zij binnen de in artikel 2.2, vierde lid, omschreven veilige zone loopt en de afstand tot de scheepsbodem meer dan 0,50 m bedraagt.

  • 4. Kabeldoorvoeringen zijn zodanig uitgevoerd, dat de dichtheid van de schotten niet wordt aangetast.

Artikel 2.4. Sprongen en nissen in schotten

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

Artikel 2.5. Aantekening in het certificaat

Indien de in artikel 2.2 bedoelde openingen en deuren zijn toegestaan, wordt in het certificaat het volgende bedrijfsvoorschrift opgenomen:

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

Artikel 2.6. scheepsromp

  • 1. De volgende waterdichte schotten, die reiken tot tegen het dek of, wanneer er geen dek is, tot aan de bovenkant van de scheepsboord, zijn aangebracht:

    • a. een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven;

    • b. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven.

  • 2. Op schepen met een lengte van 25 m of minder is het toegestaan het achterpiekschot achterwege te laten.

Hoofdstuk 3. Waterdichte indeling

Artikel 3.1. Waterdichte indeling

  • 1. Voor veerponten wordt het drijfvermogen in geval van lek voor alle voorziene beladingstoestanden voldoende geacht indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • a. het schip voldoet aan de eencompartimentsstandaard. Hieronder wordt verstaan dat de plaatsing van de waterdichte schotten zodanig is, dat het schip na het vollopen van iedere willekeurige waterdichte afdeling niet inzinkt tot boven de indompelingsgrenslijn en dat aan onderdeel f wordt voldaan. Bij de lekberekening wordt rekening worden gehouden met de aard van de bouw, zoals asymmetrische ruimten;

    • b. als indompelingsgrenslijn wordt aangenomen een lijn op de zijde van het schip, die ligt op tenminste 10 cm onder het schottendek, respectievelijk onder het laagste niet waterdichte punt van het scheepsboord. Waterdichte vensters onder de indompelingsgrenslijn zijn toegestaan, wanneer zij niet geopend kunnen worden en voldoende sterk zijn.

      Wanneer een doorlopend schottendek ontbreekt, wordt ter voldoening aan de regelen van het eerste lid een doorlopende indompelingsgrenslijn aangenomen die ligt op tenminste 10 cm onder het laagste punt waar de scheepshuid en de schotten niet meer waterdicht zijn;

    • c. in het algemeen wordt gerekend met een permeabiliteit van 95%.

      Indien door een berekening kan worden aangetoond dat de gemiddelde permeabiliteit van een bepaalde afdeling kleiner dan 95% is, kan die berekende waarde worden toegepast. Het is niet toegestaan de waarde van de permeabiliteit lager te nemen dan:

      • 1°. voor passagiers- en bemanningsverblijven: 95%;

      • 2°. voor machinekamers en ketelruimen: 85%;

      • 3°. voor laad-, bagage- en voorraadruimen: 75%;

      • 4°. voor dubbele bodems, oliebunkers en andere tanks, al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het afgeladen schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95%;

    • d. tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot gelden als waterdichte afdeling, als bedoeld in onderdeel a, slechts die ruimten die een lengte hebben van tenminste 10% van de lengtewaterlijn, echter niet minder dan 4 m.

      Indien een waterdichte afdeling langer is dan hierboven is voorgeschreven en zodanig is onderverdeeld, dat waterdichte onderafdelingen zijn ontstaan, tussen welke de minste lengte eveneens aanwezig is, is het toegestaan deze voor de lekberekening in aanmerking te nemen;

    • e. Het is toegestaan dat de lengte van de eerste afdeling achter het aanvaringsschot kleiner is dan 10% van de lengtewaterlijn of 4 m.

      In dat geval worden bij de lekberekening de voorpiek en de daarop volgende afdeling als gelijktijdig gevuld beschouwd. De afstand, gemeten tussen de loodlijn door het voorste snijpunt van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking (voorloodlijn) en het achterste dwarsschot van de eerste afdeling achter het aanvaringsschot, is niet kleiner dan 10% van de lengtewaterlijn of 4 m.

      De afstand tussen het aanvaringsschot en de voorloodlijn is niet kleiner dan 4% van de lengtewaterlijn en niet groter dan 4% van de lengte Lwl vermeerderd met 2 m;

    • f. aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit in lekke toestand wordt geacht te zijn voldaan, wanneer wordt aangetoond dat voor alle stadia van het vervullen en voor de eindtoestand van het vervuld zijn, het oprichtende moment Ma groter is dan het kenterende moment Mk. Ma wordt berekend met de formule:

      Ma = MGrest. sin Ï•.V

      In deze formule betekent:

      MGrest: de gereduceerde metacenterhoogte in lekke toestand in m;

      Ï•: de hoek waarbij de eerste opening van de niet vervulde afdelingen water maakt of indien deze kleiner is de hoek waarbij het schottendek te water komt;

      V: de waterverplaatsing in tonnen.

      Mk wordt berekend met de formule;

      Mk = 0,2.Mp

      waarbij Mp overeenkomstig de volgende formule wordt berekend:

      Mp = 0,15 b.G.

      In deze formule betekent:

      b: de grootste nuttige breedte van het desbetreffende dek, gemeten op een hoogte van 0,5 m;

      G: het totale gewicht van het op dat dek toegestane aantal personen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op veerponten die zijn gebouwd of bestemd voor het vervoer van uitsluitend personen met inbegrip van voertuigen op twee wielen, met een lengtewaterlijn van minder dan 15 m in de zone 3 en met een lengtewaterlijn van minder dan 25 m in de zone 4.

  • 3. De in eerste lid, onderdeel d en e, voorgeschreven kleinste lengten van waterdichte afdelingen zijn niet van toepassing op veerponten waarvan de lengtewaterlijn minder dan 25 m bedraagt.

  • 4. Veerponten die niet zijn voorzien van een vast dek, zijn in de zijden van luchtkasten voorzien, zodanig dat bij lek worden het reserve drijfvermogen een gelijkwaardige veiligheid biedt.

Hoofdstuk 4. Stabiliteit

Artikel 4.1. Stabiliteit algemeen

  • 1. Het bewijs van voldoende stabiliteit wordt geleverd door het overleggen van een berekening, gebaseerd op de resultaten van een hellingproef en, wanneer de inspecteur-generaal zulks verlangt, van een draaicirkelproef.

  • 2. Bij schepen met een lengtewaterlijn van ten hoogste 25 m kan voldoende stabiliteit, in plaats van door het in het derde lid bedoelde rekenkundig bewijs, worden aangetoond door een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen. Deze proef wordt gehouden bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks.

    Het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen moet zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip worden verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3 3/4 personen per m2, overeenkomende met 285 kg per m2, wordt verkregen.

    Bij deze proef bedraagt de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden. Het resterend vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 Breedtewaterlijn + 0,20 m en 0,05 Breedtewaterlijn + 0,10 m.

  • 3. Aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit wordt geacht te zijn voldaan, wanneer daaruit blijkt dat de slagzij van het schip in de beladingstoestanden als bedoeld in artikel 4.2 en onder gelijktijdige invloed van de in artikel 4.3 bedoelde kenterende momenten niet meer dan 12 graden bedraagt.

  • 4. De gelijktijdig door de dwarsscheepse verplaatsing van personen en door de belading met voertuigen veroorzaakte slagzij bedraagt daarbij niet meer dan 10 graden.

  • 5. Bij de in het derde lid bedoelde slagzij zijn resterend vrijboord en een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 5.1 aanwezig.

  • 6. Voor veerponten die zijn gebouwd of bestemd voor het vervoer van uitsluitend personen met inbegrip van voertuigen op twee wielen, met een lengte Lengtewaterlijn van ten hoogste 25 m kan voldoende stabiliteit in plaats van door het rekenkundig bewijs worden aangetoond door een stabiliteitsproef als bedoeld in het tweede lid.

  • 7. De in tweede lid bedoelde criteria voor het resterend vrijboord en de resterende veiligheidsafstand zijn van toepassing op veerponten in de zones 3 en 4. Bij veerponten in de zone 2 is het daar bedoelde resterend vrijboord en de daar bedoelde resterende veiligheidsafstand niet kleiner dan respectievelijk 0,05 Breedtewaterlijn + 0,25 m en 0,05 Breedtewaterlijn + 0,15 m.

Artikel 4.2. Beladingstoestanden

  • 1. Er wordt gerekend met de volledige uitrusting, alle bemanningsleden en het ten hoogste toegestane aantal passagiers. De brandstof- en drinkwatertanks worden half gevuld aangenomen.

  • 2. Bij veerponten, die zijn gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van personen als ook van voertuigen op meer dan twee wielen wordt het voor de in artikel 4.1, derde lid, bedoelde berekening aan te nemen gewicht van voertuigen en hun lading bepaald door het in artikel 5.2, tweede lid, genoemde laadvermogen te verminderen met het gewicht van de volledige uitrusting, alle bemanningsleden, het ten hoogste toegestane aantal passagiers en de maximale inhoud van brandstof- en drinkwatertanks.

  • 3. Het gewicht van de voertuigen en hun lading wordt over de veerpont verdeeld gerekend in evenredigheid met de beschikbare dekruimte en overeenkomstig de aard van de daarop toe te laten voertuigen.

  • 4. Wanneer een veerpont beschikt over twee of meer opstelstroken, wordt eveneens gerekend met een gewicht van voertuigen en hun lading en een verdeling daarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.5 .

  • 5. Voor de hoogte van het zwaartepunt van voertuigen en hun lading wordt boven het rijdek gerekend met 0,80 m voor personenauto’s en met 2,00 m voor vrachtauto’s, autobussen en dergelijke.

  • 6. Voor de in het derde en het vierde lid bedoelde beladingstoestanden wordt een trimberekening gemaakt voor de ongunstigste toestand waarbij het zwaarste op de veerpont toegestane voertuig zich tijdens het op- en afrijden op het einde van de rijbaan of op de laadklep bevindt.

Artikel 4.3. Kenterende momenten

  • 1. Voor veerponten wordt gerekend met de gelijktijdige invloed van de kenterende momenten ten gevolge van:

    • a. een dwarsscheepse verplaatsing van het ten hoogste toegestane aantal personen als bedoeld in artikel 4.4;

    • b. een winddruk als bedoeld in het derde lid;

    • c. een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven, als bedoeld in het vierde lid;

    • d. een belading met voertuigen als bedoeld in artikel 4.5.

  • 2. Voor niet-vrijvarende veerponten behoeft niet te worden gerekend met een kenterend moment ten gevolge van een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven.

  • 3. Het kenterend moment Mw veroorzaakt door de invloed van de winddruk, wordt berekend met de formule: Mw= Pw . F . ( hw + T/2)

    In deze formule betekent:

    pw: specifieke winddruk

    voor zone 2: 20 kg/m2;

    voor zone 3: 10 kg/m2;

    voor zone 4: 10 kg/m2;

    F: het zijdelings oppervlak van het schip boven het vlak van de grootste inzinking in m2;

    hw: de afstand van het zwaartepunt van het zijdelings oppervlak F boven het vlak van de grootste inzinking in m;

    T: de gemiddelde diepgang tot het vlak van de grootste inzinking in m.

  • 4. Het kenterend moment Mdr veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij roergeven, wordt berekend met de formule:

    Mdr= 0,5 . D/Lwl . (GK – T/2)

    In deze formule betekent:

    D: waterverplaatsing van het geladen schip in tonnen;

    Lwl: de lengte, gemeten op het vlak van de grootste inzinking:

    GK: de afstand van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip tot de bovenkant van de kiel in m;

    T: de gemiddelde diepgang tot het vlak van de grootste inzinking in m.

    Indien de slagzij van het geladen schip in de draaicirkel proefondervindelijk wordt vastgesteld, wordt de aldus verkregen waarde gerekend. Deze proef moet bij halve snelheid van het schip, bij volle belading en de onder deze omstandigheden kleinst mogelijk diameter van de draaicirkel worden uitgevoerd.

Artikel 4.4. Moment ten gevolge van verplaatsen van personen

  • 1. Het uitgangspunt voor de berekening is de ligging van het totale zwaartepunt der passagiers op hart schip.

  • 2. Voor de berekening van het moment wordt een verplaatsing van alle passagiers vanuit hart schip naar die zijde van het schip aangenomen, waarbij de arm van het moment het grootst is. Daarbij wordt gerekend met een dichtheid van 3,75 personen per m2 vrij dekoppervlak. Voor de bezetting van zitbanken wordt per passagier met een breedte van 0,50 m en een zitdiepte van 0,75 m gerekend.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, wordt bij veerponten met twee of meer opstelstroken, indien dit aanleiding geeft tot ongunstiger resultaat, het verplaatsen van personen gerekend naar dezelfde scheepszijde als het plaatsen van de voertuigen zoals genoemd in artikel 4.5 .

Artikel 4.5. Moment tengevolge van belading met voertuigen

  • 1. Wanneer een veerpont die is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van personen en van voertuigen op meer dan twee wielen, en die een veerdienst onderhoudt over de binnenwateren van zone 2, 3 en 4, beschikt over twee of meer opstelstroken, wordt voor de stabiliteit een percentage van het maximaal toegestane gewicht van voertuigen en hun lading asymmetrisch opgesteld in rekening gebracht afhankelijk van het aantal opstelstroken. Dit percentage bedraagt:

    • a. bij twee opstelstroken: 50%, te rekenen op één der opstelstroken;

    • b. bij drie opstelstroken: 67%, gelijk verdeeld te rekenen over twee naast elkaar gelegen opstelstroken;

    • c. bij vier opstelstroken: 75%, gelijk verdeeld te rekenen over drie naast elkaar gelegen opstelstroken.

  • 2. Bij meer dan vier opstelstroken bepaalt de minister het in rekening te brengen percentage.

Hoofdstuk 5. Veiligheidsafstand en vrijboord

Artikel 5.1. Resterend vrijboord en resterende veiligheidsafstand

  • 1. Bij ligging van de veerpont veroorzaakt door de in artikel 4.3 genoemde kenterende momenten zijn een resterend vrijboord en een resterende veiligheidsafstand aanwezig volgens het bepaalde in het tweede en derde lid.

  • 2. Bij veerponten waarvan de patrijspoorten of ramen in de scheepshuid waterdicht en voldoende sterk zijn en alle openingen in de scheepshuid tegen elk ongewenst binnendringen van water zijn beveiligd, bedraagt het resterende vrijboord ten minste 0,20 m. Voor de getrimde toestand als bedoeld in artikel 4.2, zesde lid, mag het resterend vrijboord aan het uiteinde van de veerpont zijn verminderd tot 0,10 m.

  • 3. Bij veerponten waarvan de patrijspoorten of ramen in de scheepshuid kunnen worden geopend of waarbij onbeveiligde openingen in de scheepshuid aanwezig zijn, bedraagt de resterende veiligheidsafstand tot die openingen ten minste 0,10 m. In dit geval geldt bovendien dat het resterende vrijboord ten minste 0,20 m bedraagt.

Artikel 5.2. Vrijboord en veiligheidsafstand

  • 1. Het vrijboord is ten minste gelijk aan de som van:

    • a. de inzinking, die overeenkomstig de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat; en

    • b. het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 5.1 .

  • 2. Het vrijboord bedraagt voor veerponten in de zones 3 en 4 ten minste 0,30 m. Voor veerponten in de zone 2 bedraagt het vrijboord ten minste 0,40 m.

  • 3. De veiligheidsafstand is ten minste gelijk aan de som van:

    • a. de inzinking die overeenkomstig de volgens de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en

    • b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 5.1 .

  • 4. De veiligheidsafstand mag niet minder bedragen dan:

    • a. tot openingen die niet waterdicht afsluitbaar zijn:

      • 1°. in zone 2: 0,60 m;

      • 2°. in zone 3: 0,30 m;

      • 3°. in zone 4: 0,30 m;

    • b. tot de onderzijde van patrijspoorten en ramen die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend:

      • 1°. in zone 2: 0,30 m;

      • 2°. in zone 3: 0,25 m;

      • 3°. in zone 4: 0,20 m;

    • c. voor open veerponten zonder schottendek, tot het laagste punt van de bovenkant van het boord:

      • 1°. in zone 2: 0,80 m;

      • 2°. in zone 3: 0,50 m;

      • 3°. in zone 4: 0,40 m;

    • d. voor onzinkbare open veerponten van het type landingsvaartuig ter plaatse van de klep, mits deze in gesloten toestand langs de staande kanten en de onderkant waterdicht afsluitbaar is:

      • 1°. in zone 2: 0,60 m;

      • 2°. in zone 3: 0,40 m;

      • 3°. in zone 4: 0,30 m.

Artikel 5.3. Vlak van de grootste inzinking en laadvermogen

  • 1. Het vlak van de grootste inzinking wordt zodanig vastgesteld, dat zowel aan de voorschriften van de artikelen 4.1 tot en met 5.2, als aan de van toepassing zijnde voorschriften van de artikelen 2.1 tot en met 5.2 wordt voldaan.

  • 2. De minister kan voor een bepaalde veerpont of voor een bepaald vaargebied uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord of een grotere veiligheidsafstand vaststellen, indien dit naar zijn oordeel uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is.

  • 3. Het laadvermogen, behorend bij de in het eerste lid bedoelde grootste inzinking, wordt rekenkundig bepaald, gebaseerd op de resultaten van een hellingproef, of, voor veerponten als bedoeld in artikel 4.1, zesde lid, gebaseerd op de resultaten van een stabiliteitsproef.

Hoofdstuk 6. Ten hoogste toegestane aantal passagiers

Artikel 6.1. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers

  • 1. Het vlak van de grootste inzinking wordt zodanig vastgesteld, dat zowel aan de voorschriften van de artikelen 4.1 tot en met 5.2, als aan de van toepassing zijnde voorschriften van de artikelen 2.1 tot en met 5.2 wordt voldaan.

  • 2. Voor de berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt de som genomen van de vrije gedeelten van de dekoppervlakken die normaal voor passagiers zijn bestemd. Daarbij worden niet meegerekend de slaapvertrekken en toiletten, alsmede de ruimten die blijvend of tijdelijk voor de bedrijfsvoering van het schip dienen, ook al zijn deze voor passagiers toegankelijk. Voorts worden de ruimten onder het hoofddek niet meegerekend. In het hoofddek verzonken ruimten met grote vensters bovendeks mogen echter wel in aanmerking worden genomen.

  • 3. Van de som van de volgens het tweede lid berekende oppervlakken moeten worden afgetrokken:

    • a. de oppervlakken van gangen, trappen en andere verbindingswegen;

    • b. de oppervlakken onder trappen;

    • c. de oppervlakken die blijvend door uitrustingsstukken en meubilair worden ingenomen en

    • d. de oppervlakken onder bijboten, reddingboten, reddingvlotten en dergelijke, ook wanneer deze zo hoog zijn geplaatst, dat de passagiers zich daaronder kunnen ophouden.

  • 4. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt berekend door het aantal vierkante meters van het volgens het tweede en derde lid bepaalde vrije dekoppervlak te vermenigvuldigen met de factor 2,5. Bij schepen met een lengte lwl kleiner dan 25 m mag deze factor op 2,8 worden gesteld.

Hoofdstuk 7. Constructie

Artikel 7.1. Constructie

  • 1. De voor passagiers toegankelijke dekken, landgangen en de rijdekken zijn zodanig geconstrueerd, dat zij een gelijkmatige belasting van ten minste 4000 N/m2 kunnen dragen.

  • 2. De voor voertuigen bestemde dekken, laadkleppen en dergelijke worden bovendien berekend voor de maximaal toegelaten asbelastingen en wieldrukken.

  • 3. De toelaatbare spanningen in de constructie worden berekend in overeenstemming met de voorschriften van een erkend onderzoekingsbureau.

  • 4. Niet-vrijvarende veerponten zijn zodanig gebouwd en ingericht dat de veiligheid van de vaart is gewaarborgd. Zij moeten op veilige wijze onmiddellijk tot stoppen gebracht kunnen worden.

    De kabels, trommels, overbrengingen en dergelijke voorzieningen zijn zodanig geplaatst en afgeschermd dat zij geen gevaar voor de passagiers en de bemanning vormen.

  • 5. Open dekken zijn van voldoende spuimogelijkheden voorzien teneinde overkomend water en hemelwater snel te kunnen afvoeren.

  • 6. De dekken die zijn bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen moeten ten minste een beschikbare breedte b in mm hebben volgens onderstaande formules:

    • a. bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 0 tot 450 mm:

      b = r . n + 500

    • b. gemeten tussen de wanden, verschansingen of hekwerken bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 450 mm of meer:

      b = r . (n – 2) + 2 . s gemeten tussen de opstaande randen van de voetpaden (stoepen, trottoirs), met dien verstande dat b voor slechts een enkele opstelstrook tussen de opstaande randen 5 mm bedraagt.

      In deze formules betekent:

      • n: het aantal opstelstroken,

      • r: breedte opstelstrook voor personenauto’s 2150 mm, voor vrachtauto’s, bussen e.d. 3050 mm,

      • s: breedte opstelstrook voor personenauto’s 1950 mm, voor vrachtauto’s, bussen e.d. 2850 mm.

      De maten r en s gelden voor een hoogte vanaf het rijdek van 2000 mm voor personenauto’s en 3000 mm voor vrachtauto’s, bussen e.d.

    Indien op de voor voertuigen bestemde dekken markeringstrepen worden aangebracht, geldt:

    • a. Indien een dek meer dan twee gemarkeerde opstelstroken heeft bevinden de markeringsstrepen van de buitenste opstelstroken zich op een afstand van ten minste 2400 mm voor personenauto’s en 3300 mm voor vrachtauto’s, bussen e.d. van een wand, verschansing of hekwerk bevinden.

      Bij aanwezigheid van een verhoogd voetpad, stoep of trottoir moet echter tevens de afstand van de markeringsstreep tot de opstaande rand tenminste 1950 respectievelijk 2850 mm bedragen. De breedte van de opstelstroken wordt gemeten op het hart van de markeringsstrepen.

      Mits de markeringsstrepen zich duidelijk onderscheiden, zijn verschillende indelingen voor verschillende soorten voertuigen mogelijk.

    • b. Op plaatsen waar door aanwezige constructies niet kan worden voldaan aan de onder a bedoelde minst vereiste breedte een opstelverbod. Dit wordt door markeringen op het dek aangegeven.

  • 7. De maximum toelaatbare asbelasting en wieldruk zijn goed zichtbaar op een geschikte plaats aangegeven behoudens het geval dat het dek geconstrueerd is voor alle volgens het Wegenverkeersreglement toegestane voertuigen.

Hoofdstuk 8. Uitrusting

Artikel 8.1. Reddingsmiddelen

  • 1. Op de veerponten in de zones 3 en 4 is het toegestaan de voorgeschreven reddingsmiddelen te vervangen door gemeenschappelijke reddingsmiddelen.

  • 2. In afwijking van artikel 19.09, vierde lid, van bijlage 1.1a kan de minister op veerponten in de zone 4, afhankelijk van de aard van het vaarwater en van de verkeersomstandigheden, minder reddingsmiddelen toestaan. In elk geval zijn voor ten minste 25% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers reddingmiddelen aan boord aanwezig.

Artikel 8.2. Brandbestrijding

Veerponten die zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn, op of in de onmiddellijke nabijheid van het rijdek, voorzien van ten minste twee draagbare blustoestellen. De in de artikelen 13.03 en 19.12, eerste lid, van bijlage 1.1a bedoelde draagbare blustoestellen worden daartoe meegerekend.

Artikel 8.3. Luidsprekers

Op veerponten met een lengtewaterlijn van 35 m of meer, zijn luidsprekers aanwezig waarmee alle passagiers kunnen worden bereikt.

Artikel 8.4. Instructies voor passagiers

  • 1. Op veerponten die bestemd zijn voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen zijn duidelijk zichtbare borden aangebracht, waarop instructies voor de bestuurders van voertuigen goed leesbaar zijn geplaatst met betrekking tot het afzetten van de motor, indien aanwezig, en het op de rem zetten van het voertuig.

  • 2. Door middel van markeringen en aanduidingsborden wordt aangegeven dat het gebruik van uitgangen, looppaden en vluchtwegen niet mag worden belemmerd door bagage, fietsen en dergelijke.

Artikel 8.5. Ankergerei

  • 1. Vrijvarende veerponten die aan het voor- en achterschip zijn voorzien van volledig identieke voortstuwingsmiddelen en stuurinrichtingen zijn aan elk scheepseinde voorzien van ten minste één anker.

  • 2. Niet-vrijvarende veerponten aan één der scheepseinden zijn voorzien van ten minste één anker.

  • 3. In gevallen als genoemd in het eerste en tweede lid, bedraagt het totale gewicht van de ankers aan een scheepseinde ten minste P, waarbij de waarde P wordt vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van artikel 13.01, tweede lid, van bijlage 1.1a.

  • 4. Daarbij is elk anker voorzien van een ankerketting, tros of kabel, waarvan de lengte en de breeksterkte worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen voor boegankerkettingen, trossen of kabels van artikel 13.01, tiende, elfde en twaalfde lid, van bijlage 1.1a.

    Hierbij moet in de formule voor de waarde P’ het bepaalde theoretische gewicht van het betreffende anker worden genomen.

Artikel 8.6. Bijboot

Indien de veerpont in ledige toestand een waterverplaatsing heeft van meer dan 75m3 dient er een bijboot aanwezig te zijn.

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen

Artikel 9.1. Manoeuvreereigenschappen

Het schip moet over voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen beschikken.

Artikel 9.2. Vrij uitzicht

Op niet-vrijvarende veerponten is de opstelling van de voertuigen zodanig dat het uitzicht tijdens de vaart in alle richtingen voldoende is.

Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen

Artikel 10.1. Overgangsbepalingen

  • 1. De artikelen 4.1, 4.2 , 4.3, 4.4 , 4.5 , 6.1 , 7.1, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 8.5 van deze bijlage zijn niet van toepassing bij het onderzoek van schepen die voor 1 januari 1991 in de vaart waren, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het oordeel van de minister voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en opvarenden, dan wel naar het oordeel van de minister in overeenstemming met de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.

  • 2. De artikelen 5.1, 5.2 en 5.3 van deze bijlage zijn niet van toepassing bij het onderzoek van schepen die voor 1 januari 1991 in de vaart waren, met dien verstande dat het dek voldoende waterdicht is afgesloten en er bovendien naar het oordeel van de minister in overeenstemming met de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Arbeidsinspectie geen reden tot twijfel bestaat aan de stabiliteit van de beladen veerpont en dat de omstandigheden die op grond van de desbetreffende bestaande bepalingen van algemene politieverordeningen en provinciale verordeningen, van kracht zijnde tot het moment van inwerkingtreding van deze regeling, zijn aanvaard.

  • 3. Op veerponten die tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2011 zijn voorzien van een certificaat van onderzoek zijn van toepassing:

    • a. bijlage 3.6 van de Binnenvaartregeling zoals deze luidde op 31 december 2010;

    • b. deze bijlage, uitgezonderd:

      • 1°. hoofdstukken 2 tot en met 6;

      • 2°. uitsluitend voor niet-vrijvarende veerponten hoofdstuk 7;

      • 3°. de artikelen 8.5 en 9.3; en

      • 4°. artikel 1.2 voor wat betreft de artikelen 15.01, 15.05, eerste, derde en vierde lid, 15.06, eerste lid, tweede lid, derde lid, onderdelen a, b, d tot en met g, vierde lid, vijfde lid, onderdeel a, c tot en met g, zesde lid, negende tot en met het zestiende lid, achttiende en negentiende lid, 15.07, 15.08, eerste en vierde lid, 15.09, eerste tot en met negende en elfde lid, 15.10, 15.11, eerste tot en met vijftiende en, uitsluitend voor zone 3, zeventiende lid, 15.12, eerste lid, en 15.13 tot en met 15.15 van richtlijn 2006/87/EG.

Artikel 10.2.

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.7. Technische eisen voor veerboten als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel f

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

De begripsbepalingen in artikel 1.01 van bijlage 1.1a zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

Artikel 1.2. Toepassing van bijlage 1.1a

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde, voldoen veerboten aan hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 19 alsmede hoofdstuk 33 van bijlage 1.1a met uitzondering van de artikelen:

4.01 tot en met 4.03, 19.02, tweede tot en met dertiende lid, 19.03, 19.04, 19.05, tweede lid, 19.07, 19.09, eerste lid, tweede alinea.

Hoofdstuk 2. Schotten

Artikel 2.1. Schotten algemeen

  • 1. Naast de in artikel 2.6 voorgeschreven schotten zijn de dwarsschotten aanwezig, die op grond van de lekberekening volgens artikel 3.1 noodzakelijk zijn. Deze dwarsschotten zijn waterdicht en tot het schottendek opgetrokken. Bij ontbreken van een schottendek moeten zij tot de bovenkant van het scheepsboord vanaf hetwelk het vrijboord wordt gemeten, zijn opgetrokken.

  • 2. De ruimten bestemd voor passagiers zijn door waterdichte schotten van de machinekamers, ketelruimen en laadruimen gescheiden.

Artikel 2.2. Openingen en deuren in schotten

  • 1. Het aantal openingen in de volgens artikel 2.1 voorgeschreven schotten wordt zo gering gehouden als op grond van de bouwwijze en voor de normale bedrijfsvoering van het schip toelaatbaar is. De waterdichte functie van de schotten wordt door de openingen niet nadelig beïnvloed. In het aanvaringsschot zijn geen openingen en deuren toegestaan. In schotten die de ruimten bestemd voor passagiers van machinekamers scheiden, zijn deuren niet toegestaan.

  • 2. Met de hand te bedienen waterdichte deuren die niet op afstand kunnen worden bediend, zijn slechts toegestaan op plaatsen die niet voor passagiers toegankelijk zijn. Zij worden slechts voor passage kortstondig geopend en blijven overigens voortdurend gesloten. Aan beide zijden van de deuren is het opschrift aangebracht: ‘Deur onmiddellijk na passeren sluiten’. Het snel en veilig kunnen sluiten wordt door geschikte inrichtingen gewaarborgd.

  • 3. Deuren die langere tijd moeten kunnen openstaan of die zich op voor passagiers toegankelijke plaatsen bevinden, moeten zowel ter plaatse aan beide zijden van het schot, als ook vanaf een goed toegankelijke plaats boven het schottendek kunnen worden gesloten. Na sluiting door de afstandsbediening moet de deur ter plaatse opnieuw kunnen worden geopend en op veilige wijze gesloten. De duur van het sluiten is voldoende om ongevallen te verhinderen, maar bedraagt niet meer dan 60 seconden. Vlak voor en tijdens het sluiten wordt bij de deur automatisch een akoestisch alarmsignaal gegeven. Het bedienen van de deur en het alarmsignaal moet ook onafhankelijk van het boordnet kunnen geschieden. Ter plaatse van de afstandsbediening wordt aangegeven of de deur open dan wel gesloten is.

  • 4. Alle deuren in schotten en hun bedieningsinrichtingen bevinden zich in een veilige zone. Deze zone wordt naar buiten begrensd door verticale vlakken die op een afstand van 1/5 van de breedtewaterlijn evenwijdig aan de huidbeplating, gemeten op de lijn van de grootste inzinking, lopen.

Artikel 2.3. Doorvoeringen van pijpleidingen

  • 1. Pijpleidingen met open uitmondingen en ventilatiekanalen zijn zo aangelegd, dat daardoor in lekke toestand van het schip geen water van de ene naar de andere afdeling of tank kan stromen.

  • 2. Indien verschillende afdelingen via pijpleidingen of ventilatiekanalen met elkaar in open verbinding staan, worden deze op een geschikte plaats tot boven de ongunstigste lastlijn in lekke toestand worden geleid. Wanneer dit bij pijpleidingen niet het geval is, worden in deze leidingen op de doorboorde schotten afsluiters aangebracht die op afstand van boven het schottendek kunnen worden bediend.

  • 3. Wanneer een pijpleiding binnen een afdeling geen open uitmonding heeft, wordt de pijpleiding bij beschadiging van deze afdeling als onbeschadigd beschouwd, indien zij binnen de in artikel 2.2, vierde lid, omschreven veilige zone loopt en de afstand tot de scheepsbodem meer dan 0,50 m bedraagt.

  • 4. Kabeldoorvoeringen zijn zodanig uitgevoerd, dat de dichtheid van de schotten niet wordt aangetast.

Artikel 2.4. Sprongen en nissen in schotten

In een dwarsschot is het toegestaan een sprong of nis aan te brengen, mits alle delen van de sprong binnen de in artikel 2.2, vierde lid, bedoelde veilige zone zijn gelegen.

Artikel 2.5. Aantekening in het certificaat

Indien de in artikel 2.2 bedoelde openingen en deuren zijn toegestaan, wordt in het certificaat het volgende bedrijfsvoorschrift opgenomen:

‘Door een daartoe strekkende opdracht aan het personeel wordt verzekerd, dat alle openingen en deuren in waterdichte schotten in geval van gevaar onverwijld waterdicht worden gesloten’.

Hoofdstuk 3. Waterdichte indeling

Artikel 3.1. Waterdichte indeling

  • 1. Voor veerboten wordt het drijfvermogen in geval van lek voor alle voorziene beladingstoestanden voldoende geacht indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • a. het schip voldoet aan de eencompartiments-standaard. Hieronder wordt verstaan dat de plaatsing van de waterdichte schotten zodanig is, dat het schip na het vollopen van iedere willekeurige waterdichte afdeling niet inzinkt tot boven de indompelingsgrenslijn en dat aan onderdeel f wordt voldaan. Bij de lekberekening wordt rekening worden gehouden met de aard van de bouw, zoals asymmetrische ruimten;

    • b. als indompelingsgrenslijn wordt aangenomen een lijn op de zijde van het schip, die ligt op tenminste 10 cm onder het schottendek, respectievelijk onder het laagste niet waterdichte punt van het scheepsboord. Waterdichte vensters onder de indompelingsgrenslijn zijn toegestaan, wanneer zij niet geopend kunnen worden en voldoende sterk zijn.

      Wanneer een doorlopend schottendek ontbreekt, wordt ter voldoening aan de regelen van het eerste lid een doorlopende indompelingsgrenslijn aangenomen die ligt op tenminste 10 cm onder het laagste punt waar de scheepshuid en de schotten niet meer waterdicht zijn;

    • c. in het algemeen wordt gerekend met een permeabiliteit van 95%.

      Indien door een berekening kan worden aangetoond dat de gemiddelde permeabiliteit van een bepaalde afdeling kleiner dan 95% is, kan die berekende waarde worden toegepast. Het is niet toegestaan de waarde van de permeabiliteit lager te nemen dan:

      • 1°. voor passagiers- en bemanningsverblijven: 95%;

      • 2°. voor machinekamers en ketelruimen: 85%;

      • 3°. voor laad-, bagage- en voorraadruimen: 75%;

      • 4°. voor dubbele bodems, oliebunkers en andere tanks, al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het afgeladen schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95%;

    • d. tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot gelden als waterdichte afdeling, als bedoeld in onderdeel a, slechts die ruimten die een lengte hebben van tenminste 10% van de lengtewaterlijn, echter niet minder dan 4 m.

      Indien een waterdichte afdeling langer is dan hierboven is voorgeschreven en zodanig is onderverdeeld, dat waterdichte onderafdelingen zijn ontstaan, tussen welke de minste lengte eveneens aanwezig is, is het toegestaan deze voor de lekberekening in aanmerking te nemen;

    • e. Het is toegestaan dat de lengte van de eerste afdeling achter het aanvaringsschot kleiner is dan 10% van de lengtewaterlijn of 4 m.

      In dat geval worden bij de lekberekening de voorpiek en de daarop volgende afdeling als gelijktijdig gevuld beschouwd. De afstand, gemeten tussen de loodlijn door het voorste snijpunt van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking (voorloodlijn) en het achterste dwarsschot van de eerste afdeling achter het aanvaringsschot, is niet kleiner dan 10% van de lengtewaterlijn of 4 m.

      De afstand tussen het aanvaringsschot en de voorloodlijn is niet kleiner dan 4% van de lengtewaterlijn en niet groter dan 4% van de lengte Lwl vermeerderd met 2 m;

    • f. aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit in lekke toestand wordt geacht te zijn voldaan, wanneer wordt aangetoond dat voor alle stadia van het vervullen en voor de eindtoestand van het vervuld zijn, het oprichtende moment Ma groter is dan het kenterende moment Mk. Ma wordt berekend met de formule:

      Ma = MGrest. sin Ï•.V

      In deze formule betekent:

      MGrest: de gereduceerde metacenterhoogte in lekke toestand in m;

      Ï•: de hoek waarbij de eerste opening van de niet vervulde afdelingen water maakt of indien deze kleiner is de hoek waarbij het schottendek te water komt;

      V: de waterverplaatsing in tonnen.

      Mk wordt berekend met de formule;

      Mk= 0,2.Mp

      waarbij Mp overeenkomstig de volgende formule wordt berekend:

      Mp = 0,15 b.G.

      In deze formule betekent:

      b: de grootste nuttige breedte van het desbetreffende dek, gemeten op een hoogte van 0,5 m;

      G: het totale gewicht van het op dat dek toegestane aantal personen.

  • 2. Bij de vaststelling van de beladingstoestanden wordt rekening gehouden met het gestelde in artikel 2.2.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt bij de lekberekening uitgegaan van de volgende beladingsomvang:

    • a. in de zijden van het schip:

      • 1°. in de langsrichting 0,10 Lwl, echter niet minder dan 7,50 m,

      • 2°. in de breedterichting, horizontaal gemeten op het vlak van de grootste inzinking, 1,00 m,

      • 3°. in de hoogterichting, gerekend vanaf de basis, onbegrensd;

    • b. in het vlak van het schip:

      • 1°. in de langsrichting 0,10 Lwl, echter niet minder dan 7,50 m,

      • 2°. in de breedterichting 0,20 Bwl, echter niet minder dan 3,00 m,

      • 3°. in de hoogterichting 0,60 m, gemeten vanaf de basis.

        Onder lensputten wordt de hoogte tot 0,50 m verminderd; in dat geval bedraagt de inhoud van een lensput niet meer dan 0,05 m3.

  • 4. Alle langs- en dwarsschotten, alsmede dekken en tankbegrenzingen die zijn gelegen binnen de in het derde lid genoemde beladingsomvang worden als lek gerekend.

  • 5. Ongeacht de beladingsomvang, genoemd in het derde lid, voldoet het schip bovendien aan de ééncompartimentsstandaard zoals voorgeschreven in het eerste lid.

  • 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, worden deuren in waterdichte schotten onder het schottendek niet toegestaan. Wanneer naar het oordeel van de minister blijkt dat een deur in een waterdicht schot voor de bedrijfsvoering van het schip noodzakelijk is, kan hij voor zo’n een deur die geheel boven het vlak van de grootste inzinking is gelegen, ontheffing van dit voorschrift verlenen. De bepalingen van artikel 2.2 tweede, derde en vierde lid zijn op zulk een deur van toepassing. Bovendien is zo’n deur voorzien van een centrale sluitinrichting. In het stuurhuis is een optische signalering aanwezig door middel waarvan zichtbaar is of zulk een deur geopend dan wel gesloten en vergrendeld is.

Hoofdstuk 4. Stabiliteit

Artikel 4.1. Stabiliteit algemeen

  • 1. Het bewijs van voldoende stabiliteit wordt geleverd door het overleggen van een berekening, gebaseerd op de resultaten van een hellingproef en, wanneer de inspecteur-generaal zulks verlangt, van een draaicirkelproef.

  • 2. Bij schepen met een lengtewaterlijn van ten hoogste 25 m kan voldoende stabiliteit, in plaats van door het in het derde lid bedoelde rekenkundig bewijs, worden aangetoond door een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen. Deze proef wordt gehouden bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks.

    Het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen moet zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip worden verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3 3/4 personen per m2, overeenkomende met 285 kg per m2, wordt verkregen.

    Bij deze proef bedraagt de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden. Het resterend vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 Breedtewaterlijn + 0,20 m en 0,05 Breedtewaterlijn + 0,10 m.

  • 3. Aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit wordt geacht te zijn voldaan, wanneer daaruit blijkt dat de slagzij van het schip in de beladingstoestanden als bedoeld in artikel 4.2 en onder gelijktijdige invloed van de in artikel 4.3 bedoelde kenterende momenten niet meer dan 12 graden bedraagt.

  • 4. De gelijktijdig door de dwarsscheepse verplaatsing van personen en door de belading met voertuigen veroorzaakte slagzij bedraagt daarbij niet meer dan 10 graden.

Artikel 4.2. Beladingstoestanden

  • 1. Bij de stabiliteitsberekening, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, wordt gerekend met de volledige uitrusting, alle bemanningsleden en het ten hoogste toegestane aantal passagiers. De brandstof- en drinkwatertanks worden half gevuld aangenomen.

  • 2. Het voor de in artikel 4.1, derde lid, bedoelde berekening aan te nemen gewicht van voertuigen en hun lading wordt bepaald door het in artikel 5.3, tweede lid, genoemde laadvermogen te verminderen met het gewicht van de volledige uitrusting, alle bemanningsleden, het ten hoogste toegestane aantal passagiers en de maximale inhoud van brandstof- en drinkwatertanks.

  • 3. Het gewicht van de voertuigen en hun lading wordt over de veerboot verdeeld gerekend in evenredigheid met de beschikbare dekruimte en overeenkomstig de aard van de daarop toe te laten voertuigen.

  • 4. Indien meerdere dekken voor voertuigen beschikbaar zijn, wordt bovendien een berekening gemaakt met het benedenrijdek leeg en de overige rijdekken beladen met het volgens het derde lid reeds bepaalde gewicht aan voertuigen.

  • 5. Voor de aanvangstoestand behoeft geen rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige trim en slagzij van het schip.

Artikel 4.3. Kenterende momenten

  • 1. Voor veerboten wordt gerekend met de gelijktijdige invloed van de kenterende momenten ten gevolge van:

    • a. een dwarsscheepse verplaatsing van het ten hoogste toegestane aantal personen, als bedoeld in artikel 4.4;

    • b. een winddruk als bedoeld in het vierde lid, en

    • c. een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven als bedoeld in het vijfde lid.

  • 2. Daarnaast wordt gerekend met de gelijktijdige invloed van kenterende momenten ten gevolge van:

    • a. een dwarsscheepse verplaatsing van het ten hoogste toegestane aantal passagiers, als bedoeld in artikel 4.4;

    • b. een winddruk, als bedoeld in het vierde lid; en

    • c. een belading met een voertuig, als bedoeld in artikel 4.5, tweede lid.

  • 3. Bij de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen behoeft geen rekening te worden gehouden met de invloed van eventueel aanwezige dwarsschroeven.

  • 4. Het kenterend moment Mw veroorzaakt door de invloed van de winddruk, wordt berekend met de formule:

    Mw= Pw . F . ( hw + T/2)

    In deze formule betekent pw: specifieke winddruk:

    voor zone 2: 20 kg/m2;

    voor zone 3: 10 kg/m2;

    voor zone 4: 10 kg/m2;

    F: het zijdelings oppervlak van het schip boven het vlak van de grootste inzinking in m2;

    hw: de afstand van het zwaartepunt van het zijdelings oppervlak F boven het vlak van de grootste inzinking in m;

    T: de gemiddelde diepgang tot het vlak van de grootste inzinking in m.

  • 5. Het kenterend moment Mdr veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij roergeven, wordt berekend met de formule:

    Mdr= 0,5 . D/Lwl . (GK – T/2)

    In deze formule betekent:

    D: waterverplaatsing van het geladen schip in tonnen;

    Lwl: de lengte, gemeten op het vlak van de grootste inzinking:

    GK: de afstand van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip tot de bovenkant van de kiel in m;

    T: de gemiddelde diepgang tot het vlak van de grootste inzinking in m.

    Indien de slagzij van het geladen schip in de draaicirkel proefondervindelijk wordt vastgesteld, wordt de aldus verkregen waarde gerekend. Deze proef moet bij halve snelheid van het schip, bij volle belading en de onder deze omstandigheden kleinst mogelijk diameter van de draaicirkel worden uitgevoerd.

Artikel 4.4. Kenterend moment ten gevolge van verplaatsen van personen

  • 1. Bij de bepaling van het kenterend moment ten gevolge van een dwarsscheepse verplaatsing van personen, als bedoeld in artikel 4.3, eerste en tweede lid, onder a, wordt als uitgangspunt voor de berekening de ligging van het totale zwaartepunt van de passagiers op hart schip genomen.

  • 2. Voor de berekening van het moment wordt een verplaatsing van alle passagiers vanuit hart schip naar die zijde van het schip aangenomen, waarbij de arm van het moment het grootst is. Daarbij wordt gerekend met een dichtheid van 3,75 personen per m2 vrij dekoppervlak. Voor de bezetting van zitbanken wordt per passagier met een breedte van 0,50 m en een zitdiepte van 0,75 m gerekend.

Artikel 4.5. Belading met voertuigen

  • 1. Bij de in artikel 4.2 bedoelde belading met voertuigen wordt gerekend met een gelijkmatige verdeling over de rijdekken.

  • 2. De slagzij wordt berekend voor de ongunstigste toestand, waarbij het zwaarste op de veerboot toe te laten voertuig zich zo ver mogelijk uit hart schip bevindt. Hierbij worden de overige dekruimten leeg dan wel gelijkmatig belast gerekend als bedoeld in artikel 4.2, tweede, derde en vierde lid.

  • 3. De trim wordt berekend voor de ongunstigste toestand waarbij het zwaarste op de veerboot toe te laten voertuig zich zo ver mogelijk uit het scheepsmidden bevindt.

    Hierbij worden de overige dekruimten leeg dan wel gelijkmatig belast gerekend als bedoeld in artikel 4.2, tweede en derde lid.

  • 4. Voor de hoogte van het zwaartepunt van voertuigen en hun lading wordt boven het rijdek gerekend met 0,80 m voor personenauto’s en met 2,00 m voor vrachtauto’s, autobussen en dergelijke voertuigen.

Hoofdstuk 5. Veiligheidsafstand en vrijboord

Artikel 5.1. Resterend vrijboord en resterende veiligheidsafstand

  • 1. Bij de ligging van de veerboot veroorzaakt door de in artikel 4.3 bedoelde kenterende momenten zijn een resterend vrijboord als bedoeld in het tweede lid, en een resterende veiligheidsafstand als bedoeld het derde lid, aanwezig zijn.

  • 2. Bij veerboten waarvan de patrijspoorten of ramen in de scheepshuid voldoende sterk zijn en alle openingen in de scheepshuid tegen elk ongewenst binnendringen van water zijn beveiligd, bedraagt het resterende vrijboord ten minste 0,20 m. Voor de getrimde toestand, bedoeld in artikel 4.5, derde lid, mag het resterend vrijboord aan het uiteinde van de veerboot zijn verminderd tot 0,10 m.

  • 3. Bij schepen waarvan de patrijspoorten of ramen in de scheepshuid geopend kunnen worden of waarbij andere onbeveiligde openingen in de huid aanwezig zijn, moet de resterende veiligheidsafstand tot die openingen tenminste 0,10 m bedragen. In dit geval geldt bovendien de regel dat het resterend vrijboord tenminste 0,20 m moet bedragen.

Artikel 5.2. Vrijboord en veiligheidsafstand

  • 1. Het vrijboord is ten minste gelijk aan de som van:

    • a. de inzinking, vertikaal gemeten, die ontstaat ten gevolge van de slagzij volgens de voorschriften van de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3; en

    • b. het resterend vrijboord, bedoeld in artikel 5.1.

    Het vrijboord bedraagt ten minste 0,40 m.

  • 2. De veiligheidsafstand is ten minste gelijk aan de som van:

    • a. de inzinking, vertikaal gemeten, die ontstaat ten gevolge van de slagzij volgens de voorschriften van de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3; en

    • b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 5.1.

    De veiligheidsafstand tot openingen die niet waterdicht afsluitbaar zijn, bedraagt evenwel niet minder dan 0,60 m.

Artikel 5.3. Vlak van de grootste inzinking en laadvermogen

  • 1. Het vlak van de grootste inzinking wordt zodanig vastgesteld, dat zowel aan de artikelen 3.1 tot en met 5.2 wordt voldaan.

    De minister kan echter voor een bepaalde veerboot of voor een bepaald vaargebied uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord of een grotere veiligheidsafstand vaststellen.

  • 2. Het laadvermogen, behorend bij de in het eerste lid bedoelde grootste inzinking wordt rekenkundig bepaald, gebaseerd op de resultaten van een hellingproef.

Hoofdstuk 6. Ten hoogste toegestane aantal passagiers

Artikel 6.1. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers

  • 1. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt zodanig vastgesteld, dat zowel aan de artikelen 3.1 tot en met 5.2 wordt voldaan.

  • 2. Bovendien wordt het aantal passagiers afhankelijk gesteld van het beschikbare dekoppervlak overeenkomstig het vierde tot en met zesde lid met dien verstande dat dekruimte bestemd voor het vervoer van voertuigen met meer dan twee wielen niet voor het aantal passagiers wordt meegerekend.

  • 3. Onverminderd het in het eerste en tweede lid bepaalde vervoert een veerboot ten hoogste 1750 passagiers.

  • 4. Voor de berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt de som genomen van de vrije gedeelten van de dekoppervlakken die normaal voor passagiers zijn bestemd. Daarbij worden niet meegerekend de slaapvertrekken en toiletten, alsmede de ruimten die blijvend of tijdelijk voor de bedrijfsvoering van het schip dienen, ook al zijn ze voor passagiers toegankelijk. Voorts worden de ruimten onder het hoofddek niet meegerekend. In het hoofddek verzonken ruimten met grote vensters bovendeks mogen echter wel in aanmerking worden genomen.

  • 5. Van de som van de volgens het tweede lid berekende oppervlakken moeten worden afgetrokken:

    • a. de oppervlakken van gangen, trappen en andere verbindingswegen;

    • b. de oppervlakken onder trappen;

    • c. de oppervlakken die blijvend door uitrustingsstukken en meubilair worden ingenomen en

    • d. de oppervlakken onder bijboten, reddingboten, reddingvlotten en dergelijke, ook wanneer deze zo hoog zijn geplaatst, dat de passagiers zich daaronder kunnen ophouden.

  • 6. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt berekend door het aantal vierkante meters van het volgens het vierde en vijfde lid bepaalde vrije dekoppervlak te vermenigvuldigen met de factor 2,5. Bij schepen met een lengtelwaterlijn kleiner dan 25 m is het toegestaan deze factor op 2,8 te stellen.

Hoofdstuk 7. Constructie

Artikel 7.1. Constructie van dekken

  • 1. De voor passagiers toegankelijke dekken, landgangen en de rijdekken zijn zodanig geconstrueerd dat deze een gelijkmatige belasting van ten minste 4000 N/m2 kunnen dragen.

    Uitsluitend voor het vervoer van personenauto’s bestemde beweegbare dekken met een doorrijhoogte van ten hoogste 2,00 m worden geconstrueerd voor een gelijkmatige belasting van ten minste 2000 N/m2.

  • 2. De voor voertuigen bestemde vaste en beweegbare dekken, laadkleppen en dergelijke zijn bovendien berekend voor de maximaal toegelaten asbelastingen en wieldrukken.

  • 3. De toelaatbare spanningen in de constructie worden berekend in overeenstemming met de voorschriften van een aangewezen onderzoekingsbureau, in de zin van artikel 14, eerste lid, van de wet.

  • 4. Onder het schottendek bevinden zich geen voor voertuigen bestemde dekken.

  • 5. De voor voertuigen bestemde dekken worden zonder zeeg uitgevoerd.

  • 6. Onverminderd de voorschriften betreffende de veiligheidsafstand moeten openingen in het schottendek, indien dit een dek is dat is bestemd voor voertuigen, zijn voorzien van een drempel met een hoogte van ten minste 30 cm.

  • 7. Dekken die zijn bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een oppervlaktelaag met een zodanige stroefheid, dat bij een statische hoek van de veerboot van 15° voertuigen, in het bijzonder vrachtauto’s, bussen e.d., niet glijden.

  • 8. Dekken, in het bijzonder de voor voertuigen bestemde dekken, moeten van voldoende spuimogelijkheden zijn voorzien teneinde overkomend water, hemelwater en bluswater snel te kunnen afvoeren.

  • 9. De voor voertuigen bestemde dekken hebben ten minste een beschikbare breedte b in mm volgens onderstaande formules:

    • a. bij verhoogde voetpaden, bijvoorbeeld stoepen of trottoirs, met een breedte van 0 tot 450 mm:

      b = r . n + 500

      b wordt gemeten tussen de wanden, verschansingen of hekwerken,

  • b. bij verhoogde voetpaden, bijvoorbeeld stoepen of trottoirs, met een breedte van 450 mm of meer:

    b = r . (n – 2) + 2 . s

    b wordt gemeten tussen de opstaande randen van de voetpaden, bijvoorbeeld stoepen of trottoirs, met dien verstande dat b voor slechts een enkele opstelstrook tussen de opstaande randen s mm bedraagt.

    In deze formules betekent:

    n = het aantal opstelstroken;

    r = breedte opstelstrook voor personenauto’s 2150 mm, voor vrachtauto’s, bussen en dergelijke 3050 mm;

    s = breedte opstelstrook voor personenauto’s 1 950 mm, voor vrachtauto’s, bussen en dergelijke 2 850 mm.

    De maten r en s gelden voor een hoogte vanaf het rijdek van 2000 mm voor personenauto’s en 3000 mm voor vrachtauto’s, bussen e.d.

  • b. De opstelstroken op de voor voertuigen bestemde dekken moeten duidelijk gemarkeerd zijn. Indien een dek meer dan twee opstelstroken heeft moeten de markeringsstrepen van de buitenste stroken zich op een afstand van ten minste 2400 mm voor personenauto’s en 3300 mm voor vrachtauto’s, bussen e.d. van een wand, verschansing of hekwerk bevinden. Bij aanwezigheid van een verhoogd voetpad, bijvoorbeeld stoep of trottoir, moet echter tevens de afstand van de markeringsstreep tot de opstaande rand ten minste 1950 respectievelijk 2850 mm bedragen. De breedte van de opstelstroken wordt gemeten op het hart van de markeringsstrepen. Mits de markeringsstrepen zich duidelijk onderscheiden, zijn verschillende indelingen voor personenauto’s en vrachtauto’s, bussen e.d. mogelijk.

  • c. Op plaatsen waar door aanwezige constructies niet kan worden voldaan aan de onder a en b bedoelde breedte van de opstelstroken geldt een opstelverbod. Dit moet door markeringen op het dek zijn aangegeven. Een afwijking van dit voorschrift kan worden toegestaan, indien wordt aangetoond dat de voertuigen veilig kunnen worden verlaten.

  • 10. De maximum toelaatbare asbelasting en wieldruk zijn goed zichtbaar op een geschikte plaats aangegeven behoudens het geval dat het dek geconstrueerd is voor alle ingevolge het Wegenverkeersreglement toegestane voertuigen.

Artikel 7.2. Relingen, ramen en poorten

  • 1. Bij relingen zijn uitsluitend verticale stijlen met een onderlinge afstand van niet meer dan 100 mm toegestaan.

  • 2. In de scheepshuid worden onder het vrijboorddek geen ramen en poorten toegepast die geopend kunnen worden.

Hoofdstuk 8. Uitrusting

Artikel 8.1. Reddingmiddelen en noodontschepingsvoorzieningen

  • 1. Veerboten zijn voor alle opvarenden voorzien van gemeenschappelijke reddingmiddelen als bedoeld in artikel 19.09 van bijlage 1.1a. Daarbij moet echter het draagvermogen in zout water ten minste 750 N per toegestane persoon bedragen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde reddingmiddelen voldoen bovendien aan de volgende eisen:

    • a. zij bieden voldoende ruimte voor het zittend plaatsnemen van het ten hoogste toegestane aantal opvarenden;

    • b. zij zijn van een zodanige vorm dat zich in het water bevindende personen aan boord kunnen komen;

    • c. zij zijn voorzien van met de veerboot verbonden lijnen teneinde ontijdig afdrijven te voorkomen; en

    • d. zij zijn voorzien van middelen om de aandacht op zich te vestigen, zoals bijvoorbeeld met de mond aangeblazen seinmiddelen.

  • 3. Veerboten zijn aan beide scheepszijden voorzien van noodontschepingsplaatsen die te allen tijde vanaf de verblijfplaatsen voor de passagiers veilig kunnen worden bereikt.

    Toegangen naar noodontschepingsplaatsen voeren niet door ruimten die bestemd zijn voor het opstellen van voertuigen.

  • 4. Indien de verticale afstand tussen het dek van de noodontschepingsplaatsen en het vlak van de grootste inzinking meer bedraagt dan 2,00 m, zijn bij de noodontschepingsplaatsen noodontschepingsmiddelen aangebracht.

  • 5. Per scheepszijde zijn noodontschepingsmiddelen als bedoeld in het vierde lid volgens onderstaande tabel aanwezig, afhankelijk van het grootste aantal passagiers dat in geval van nood daarvan gebruik maakt.

    Dit aantal wordt bepaald overeenkomstig artikel 6.1.

    Grootste aantal passagiers

    Aantal ontschepingsladders

    Aantal ontschepingsglijbanen

    0 t/m 750

    1

    751 t/m 1000

    2

    1001 t/m 1375

    2

    1

    1376 t/m 1750

    2

    2

  • 6. Ontschepingsladders zijn van een zodanige lengte, dat zij in de meest ongunstige ligging van het schip in onbeschadigde toestand of in lekke toestand tot op de waterlijn reiken.

    Ontschepingsladders zijn als touwladders uitgevoerd. Daarbij bestaat een ladder uit ten minste vier verticale touwen op een onderlinge afstand van niet minder dan 60 cm en niet meer dan 80 cm. De onderlinge afstand van de horizontaal aangebrachte treden bedraagt niet meer dan 30 cm.

    Ontschepingsnetten met overeenkomstige afmetingen van andere constructies kunnen worden toegestaan.

  • 7. Ontschepingsglijbanen kunnen van vaste dan wel van zelfontvouwende uitvoering zijn. De breedte van elke glijbaan mag niet minder dan 60 cm en niet meer dan 80 cm bedragen.

    De lengte en de oppervlakteruwheid van de glijbanen wordt zodanig gekozen dat een voldoende doch niet te hoge glijsnelheid wordt gewaarborgd.

  • 8. De noodontschepingsmiddelen en de bijbehorende inrichtingen moeten van een door de minister goedgekeurde constructie of goedgekeurd type zijn.

Artikel 8.2. Persoonlijke beschermingsmiddelen

Veerboten zijn uitgerust met draagbare vluchtmaskers die een werkingsduur van ten minste 15 minuten hebben. Het aantal daarvan bedraagt ten minste vier vermeerderd met twee voor elk dek dat is bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen. De vluchtmaskers worden op een geschikte plaats aangebracht. Zij zijn voorzien van duidelijke aanwijzingen met betrekking tot het gebruik.

Artikel 8.3. Veiligheidsrol, veiligheidsplan en instructies voor passagiers

  • 1. Op veerboten zijn duidelijk en goed leesbaar instructies aangebracht voor passagiers in geval van calamiteiten.

    De inhoud en plaats van deze instructies worden in overleg met de minister vastgesteld.

  • 2. Op veerboten zijn duidelijk zichtbare borden aangebracht, waarop instructies voor de bestuurders van voertuigen goed leesbaar zijn geplaatst met betrekking tot het afzetten van de motor en het op de rem zetten van het voertuig.

  • 3. Door middel van markeringen en aanduidingsborden wordt aangegeven dat het gebruik van uitgangen, looppaden en vluchtwegen niet mag worden belemmerd door bagage, fietsen en dergelijke.

Artikel 8.4. Ankergerei

  • 1. Veerboten die aan het voor- en achterschip zijn voorzien van volledig identieke voortstuwingsmiddelen en stuurinrichtingen zijn aan elk scheepseinde voorzien van ten minste één anker.

  • 2. In een geval als genoemd in het eerste lid, bedraagt het totale gewicht van de ankers aan elk scheepseinde ten minste P, waarbij de waarde P wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 13.01, tweede lid, van bijlage 1.1a.

  • 3. Daarbij is elk anker voorzien van een ankerketting, tros of kabel, waarvan de lengte en de breeksterkte worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen voor boegankerkettingen, trossen en kabels van artikel 13.01, tiende, elfde, twaalfde en veertiende lid, van bijlage 1.1a.

    Hierbij wordt in de formule voor de waarde P’ het bepaalde theoretische gewicht van het betreffende anker genomen.

Artikel 8.5. Nautische apparatuur

Naast de in de richtlijn voorgeschreven uitrusting hebben veerboten de volgende uitrusting aan boord:

  • a. een goed functionerende radarinstallatie en bochtaanwijzer;

  • b. een clinometer in elk stuurhuis.

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen

Artikel 9.1. Machinekamers

  • 1. Veerboten die zijn bestemd of ingericht voor het vervoer van meer dan 300 passagiers, zijn voorzien van ten minste twee volledig gescheiden machinekamers voor de voortstuwing.

  • 2. Het vermogen van de in elk der in het eerste lid bedoelde machinekamers geïnstalleerde voortstuwingsinstallaties is zodanig dat daarmee een scheepssnelheid gelijk aan 0,6 maal de dienstsnelheid kan worden bereikt.

  • 3. De voortstuwingsinstallaties van de in het eerste lid bedoelde gescheiden machinekamers werken volledig onafhankelijk van elkaar.

Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen

Artikel 10.1

Op veerboten die tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2011 zijn voorzien van een certificaat van onderzoek zijn van toepassing:

  • a. bijlage 3.7 van de Binnenvaartregeling zoals deze luidde op 31 december 2010;

  • b. deze bijlage, uitgezonderd:

    • 1°. hoofdstukken 2 tot en met 6;

    • 2°. de artikelen 8.4 en 9.1; en

    • 3°. artikel 1.2 voor wat betreft de artikelen 15.01, 15.05 eerste, derde en vierde lid, 15.06, 15.08, 15.09 eerste lid, eerste alinea, tweede tot en met elfde lid, en 15.10 tot en met 15.15 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.

Artikel 10.2

Met de in deze bijlage vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in artikel 3.4, onderdeel g

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. De begripsbepalingen van artikel 1.01 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voorts wordt in deze bijlage verstaan onder:

    • benzine: de stof aangeduid in Deel 3, Tabellen A en C van Bijlage 1 van de VBG, als BENZINE of MOTORBRANDSTOF, Klasse 3, UN 1203;

    • bovendeks gelegen ladingzone: opslagruimten aan dek voor gevaarlijke stoffen, het gebied dat gevormd wordt met een straal van 1,00 m rond de opstelling van pompen voor de afgifte van benzine en het gebied dat gevormd wordt door de bovendeks gelegen bolsegmenten met een straal van 1,00 m rond de ventilatieopeningen van de kofferdammen en met een straal van 2,00 m rond de ventilatieopeningen van de ladingtanks;

    • bunkeren: het door middel van lossen leveren aan schepen van gasolie, dieselolie of benzine als brandstof ten behoeve van die schepen;

    • BRL (KIWA-beoordelingsrichtlijn): een door het College van Deskundigen Bodembeschermende Voorzieningen goedgekeurd document waarin eisen zijn opgenomen die door de certificeringsinstelling worden gehanteerd als grondslag voor de afgifte en instandhouding van certificaten;

    • CPR 9 -1: Richtlijn voor de ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof, uitgegeven door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen;

    • gasolie of dieselolie: de stof aangeduid in Deel 3, Tabellen A en C van Bijlage 1 van de VBG, als DIESELOLIE of GASOLIE of STOOKOLIE, LICHT, Klasse 3, UN 1202;

    • IEC-publicatie 245: de publicatie ‘Rubber insulated cables of rated voltages up to and including 450/750 Volts’; part 1: ‘General requirements’, part 2: ‘Test methods’ en part 4: ‘Cords and flexible cables’, uitgegeven door de International Electrotechnical Commission;

    • KIWA: KIWA N.V., gevestigd te Rijswijk;

    • laad- en losleidingen: alle leidingen en bijbehorende pompen, filters en afsluitinrichtingen waarin zich vloeibare- of gasvormige lading kan bevinden;

    • ladingtank: een met het bunkerstation vast verbonden tank bestemd of gebezigd voor de opslag van gasolie, dieselolie of benzine;

    • L × B × H: het product van de hoofdafmetingen van het bunkerstation in m3 volgens de meetbrief waarbij:

      L = de grootste lengte van de scheepsromp in m,

      B = de grootste breedte van de scheepsromp in m,

      H = de kleinste verticale afstand tussen de onderzijde van de kiel en het laagste punt van het dek in de zijde van het bunkerstation (holte) in de ladingzone in m;

    • lossen: uit de ladingtanks pompen van gasolie, dieselolie of benzine;

    • onderdeks gelegen ladingzone: het geheel der ruimte, gelegen tussen twee verticale vlakken loodrecht op het langsscheepse vlak van het bunkerstation, die de ladingtanks, de ladingtankruimte, de kofferdammen, de pompkamer, de zijtanks en de dubbele bodems omvat, waarbij deze vlakken in de regel samenvallen met de uiterste kofferdamschotten of met de schotten die de ladingtankruimte begrenzen, met dien verstande, dat de onderdeks gelegen dienstruimten niet tot de ladingzone worden gerekend;

    • VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen.

  • 3. In deze bijlage wordt onder de onderstaande begrippen verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in Deel 1, 1.2.1 van bijlage 1 van de VBG:

    • a. beperkt explosieveilige elektrische inrichting;

    • b. erkend veilige elektrische inrichting;

    • c. explosiegroep;

    • d. ontstekingsbeschermingssoorten:

      • 1°. EEx. (d): explosieveilige omhulling;

      • 2°. EEx. (ia): intrinsiekveilige stroomkring;

      • 3°. EEx. (p): overdruk omhulling;

    • e. temperatuurklasse;

    • f. SOLAS;

    • g. dienstruimte;

    • h. kofferdam;

    • i. ladingtankruimte;

    • j. onafhankelijke ladingtank;

    • k. pompkamer;

    • l. woning;

    • m. onbeschermd licht.

Artikel 2. Toepassing

Onverminderd het in deze bijlage bepaalde voldoen bunkerstations aan de hoofdstukken 3, 4, 8 met uitzondering van de artikelen 8.03 en 8.10, eerste en tweede lid, 9 met uitzondering van de artikelen 9.02 en 9.17, 10 met uitzondering van de artikelen 10.01, 10.02 en 10.03a tot en met 10.04, 11 en 12 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG.

Hoofdstuk 2. Constructie-eisen

Artikel 3. Materialen

  • 1. De scheepsromp en de ladingtanks zijn gebouwd van scheepsbouwstaal of ander ten minste gelijkwaardig metaal. De gelijkwaardigheid heeft betrekking op de mechanische eigenschappen alsmede op een zelfde bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur of vuur. De minister kan voor het materiaal van de scheepsromp en de ladingtanks andere, gelijkwaardige materialen toestaan.

  • 2. Onafhankelijke ladingtanks zijn gemaakt van scheepsbouwstaal of een materiaal met gelijkwaardige mechanische eigenschappen en eenzelfde bestendigheid tegen de inwerking van temperatuur en vuur.

  • 3. Delen van het bunkerstation die met de lading in aanraking kunnen komen, waaronder mede worden verstaan delen van de inrichting en de uitrusting, zijn van materiaal dat:

    • a. niet door de lading aangetast kan worden;

    • b. geen ontleding van de lading kan veroorzaken; en

    • c. geen schadelijke of gevaarlijke verbindingen kan vormen met de lading.

  • 4. Het gebruik van hout of aluminiumlegeringen in de ladingzone is uitsluitend toegestaan:

    • a. voor losse uitrustingsstukken;

    • b. voor de onderstopping van tanks die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;

    • c. voor de onderstopping van inrichtingen en uitrustingen;

    • d. voor onderdelen van machines;

    • e. voor onderdelen van de elektrische inrichting; en

    • f. voor onderdelen van de laad- en losinstallatie.

  • 5. Het gebruik van rubber in de ladingzone is uitsluitend toegestaan voor:

    • a. bekleding van ladingtanks en laad- en losleidingen;

    • b. afdichtingen;

    • c. elektrische leidingen;

    • d. laad- en losslangen; of

    • e. isolering van ladingtanks en laad- en losleidingen.

  • 6. Het gebruik van kunststoffen in de ladingzone is toegestaan voor de doeleinden, bedoeld in het vierde en het vijfde lid.

  • 7. De minister kan het gebruik in de ladingzone van kunststoffen, rubber, hout of aluminiumlegeringen voor andere doeleinden toestaan. De toestemming wordt aangetekend in het certificaat, onder vermelding van de soort stof en het doel waarvoor deze gebruikt wordt.

  • 8. In woningen en in overige verblijven vast ingebouwde materialen, met uitzondering van voor meubels gebruikte materialen, zijn moeilijk ontvlambaar en ontwikkelen in geval van brand geen gevaarlijke hoeveelheid rook of giftig gas.

  • 9. De in de ladingzone gebruikte verf veroorzaakt geen vonken in geval van slagbelasting of gelijksoortige belasting.

Artikel 4. Opslag in ladingtanks

De ladingtanks zijn gebouwd voor of aangepast aan opslag en levering van gasolie, dieselolie of benzine.

Artikel 5. Ladingtankruimten en ladingtanks

  • 1. De inhoud van een ladingtank is niet groter dan het aantal kubieke meters bepaald aan de hand van onderstaande tabel:

    L × B × H in m3

    Maximaal toelaatbare inhoud van de ladingtank in m3

    tot 600

    L × B × H × 0,3

    600–3750

    180 + (L × B × H – 600) × 0, 0635

    meer dan 3750

    380

  • 2. Onafhankelijke ladingtanks zijn tegen opdrijven beveiligd.

  • 3. Een pompput heeft niet meer dan 0,10 m3 inhoud.

  • 4. De maximaal toegestane hoeveelheid benzine per bunkerstation is 15 m3.

Artikel 6. Indeling

  • 1. Ladingtanks, kofferdammen en ladingtankruimten begrenzende schotten zijn waterdicht.

  • 2. Ladingtanks zijn van woningen, machinekamers en dienstruimten onder dek buiten de ladingzone of, indien deze ontbreken, van de scheepseinden, door middel van kofferdammen met een minimale breedte van 0,60 m gescheiden. Indien ladingtanks in een ladingtankruimte zijn opgesteld, zijn zij ten minste 0,60 m van de scheepseinden verwijderd.

  • 3. Indien de ladingtanks in een ladingtankruimte zijn opgesteld, zijn zij ten minste 0,50 m van de eindschotten van de ladingtankruimte verwijderd en kan in plaats van een kofferdam een eindschot, voorzien van een brandisolatie A-60 als bedoeld in voorschrift II-2/3 van SOLAS, zijn aangebracht.

  • 4. Aan de zijde waaraan de te bunkeren schepen afmeren is over de gehele lengte van de ladingtanks een zijtank met een minimale breedte van 0,60 m aangebracht. Indien ladingtanks in een ladingtankruimte zijn opgesteld, zijn zij ten minste 0,60 m van de zijde waaraan de te bunkeren schepen afmeren, verwijderd.

  • 5. Tussen woningruimten en overige ruimten is een brandisolatie A-60 als bedoeld in voorschrift II-2/3 van SOLAS aangebracht. De tanktop kan worden geïnspecteerd.

Artikel 7. Openingen van de ladingtanks

  • 1. Ladingtankopeningen bevinden zich in de bovendeks gelegen ladingzone.

  • 2. Ladingtankopeningen waarvan de doorsnede een oppervlakte heeft van meer dan 0,10 m2 bevinden zich ten minste 0,50 m boven het dek. Indien deze openingen zich lager dan 0,50 m boven dek bevinden, is de ladingtank voorzien van niveaumeting gecombineerd met een overvulbeveiliging.

  • 3. Iedere ladingtank of iedere groep van ladingtanks die door middel van een gasverzamelleiding met elkaar zijn verbonden is voorzien van veiligheidsinrichtingen ter voorkoming van ontoelaatbare over- en onderdruk, welke zo zijn gebouwd dat het binnendringen van water in de ladingtanks wordt verhinderd. De ladingtanks ten behoeve van gasolie en die ten behoeve van benzine zijn niet met elkaar verbonden.

  • 4. Van de veiligheidsinrichtingen, genoemd in het derde lid, van ladingtanks voor de opslag van benzine, is het onderdrukventiel voorzien van een vlamkerend rooster en is het overdrukventiel als vlamkerend snelafblaasventiel uitgevoerd. Het onderdrukventiel is afgesteld op 3 kPa onderdruk en het snelafblaasventiel op 4 kPa overdruk.

  • 5. Ladingtanks gelegen onder woning, winkel, kantoor of andere verblijven zijn door middel van een gasverzamelleiding met elkaar verbonden.

  • 6. De opening van de veiligheidsinrichtingen van ladingtanks bestemd voor de opslag van gasolie, bedoeld in het derde lid, bevindt zich ten minste 2,00 m boven het dek en is ten minste 3,00 m van de openingen van woningen en andere verblijven verwijderd.

  • 7. De opening van het overdrukventiel van ladingtanks bestemd voor de opslag van benzine, bedoeld in het derde lid, bevindt zich ten minste 5,00 m boven het dek en is ten minste 3,00 m van de openingen van woningen en andere verblijven verwijderd.

  • 8. De ladingtanks, bestemd voor de opslag van benzine, zijn voorzien van een dampretourleiding om tijdens het vullen van de ladingtanks de gassen naar de tankwagen, die de benzine levert of het tankschip, dat de benzine levert, terug te voeren. Bij belading vanuit een tankwagen is het systeem zo ontworpen dat het ontstaan van drukstoten zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het aansluitpunt van het dampretoursysteem is voorzien van een veerbelaste klep die het systeem gesloten houdt, ook indien het bijbehorend afsluitdeksel niet is aangebracht.

  • 9. Het aansluitpunt van de dampretourleiding is zodanig uitgevoerd dat het aansluiten van de vulslang op de dampretourleiding is uitgesloten.

Artikel 8. Laad- en losleidingen

  • 1. Laad- en losleidingen zijn vast ingebouwd.

  • 2. Laad- en losleidingen zijn van andere leidingen onafhankelijk.

  • 3. Laad- en losleidingen zijn voldoende buigzaam en hebben voldoende dichtheid en weerstand tegen de beproevingsdruk.

  • 4. Metalen koppelingen van de buigzame slangen naar de te bunkeren schepen zijn zodanig geaard, dat elektrostatische oplading wordt verhinderd.

  • 5. Laad- en losleidingen zijn zodanig uitgevoerd, dat in die leidingen achterblijvende vloeistof in de ladingtanks terugvloeit of op zo veilig mogelijke wijze kan worden verwijderd.

  • 6. Onder de ladingpompen en de voor het laden of lossen gebruikte aansluitingen zijn voorzieningen aangebracht om eventuele lekvloeistof op de vangen.

  • 7. Laad- en losleidingen onderscheiden zich duidelijk van andere leidingen.

  • 8. Aansluitingen van laad- en losleidingen zijn voorzien van een koppeling die voldoet aan de Europese norm EN 12 827.

  • 9. De onderdelen van de laad- en losleidingen zijn elektrisch geleidend met de scheepsromp verbonden.

  • 10. Het open of gesloten zijn van een afsluitinrichting van een laad- en losleiding wordt ondubbelzinnig en duidelijk kenbaar gemarkeerd.

  • 11. De installatie voor het afleveren van benzine voldoet aan CPR 9-1, Hoofdstuk 6.

  • 12. Pompen voor de afgifte van gasolie bevinden zich aan dek of in een daarvoor bestemde dienstruimte.

  • 13. Pompen en leidingen voor de afgifte van benzine bevinden zich aan dek of in een pompkamer. Indien de pomp zich aan dek bevindt, bedraagt de afstand tot de openingen van woningen en andere verblijven ten minste 6,00 m. De ruimte aan dek en de pompkamer worden tot de ladingzone gerekend.

Artikel 9. Druk in de laad- en losleidingen

  • 1. Laad- en losleidingen zijn aan de ingang en aan de uitgang van de pomp voorzien van inrichtingen voor het meten van de druk.

  • 2. De aanwijsschalen van de manometers hebben een diameter van ten minste 0,14 m.

  • 3. De druk in de laad- en losleidingen is afleesbaar vanaf de plaats waar de met die leidingen verbonden pompen worden bediend.

  • 4. De maximaal toegestane over- en onderdruk is door middel van een rode streep aangegeven.

Artikel 10. Inrichting kofferdammen

  • 1. Een kofferdam beslaat het gehele oppervlak van de eindschotten van de ladingtanks.

  • 2. Het van de ladingzone afgewende schot van de kofferdam is van scheepshuid tot scheepshuid en van scheepsbodem tot dek in één spantvlak aangebracht.

  • 3. De kofferdam, het middelste deel van een kofferdam of een andere ruimte in de onderdeks gelegen ladingzone mag als dienstruimte zijn ingericht, indien:

    • a. de dienstruimte begrenzende schotten verticaal tot op de bodem zijn aangebracht;

    • b. de dienstruimte slechts vanaf dek toegankelijk is; en

    • c. de dienstruimte, met uitzondering van de toegangs- en ventilatieopeningen, waterdicht is.

  • 4. Kofferdammen tussen machinekamers of dienstruimten en ladingtanks kunnen met behulp van een pomp met water gevuld en gelensd worden. Het vullen kan binnen 30 minuten plaats vinden.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing, indien het schot tussen de machinekamer of de dienstruimte en de kofferdam is voorzien van een brandisolatie A-60 als bedoeld in voorschrift II-2/3 van SOLAS.

  • 6. Kofferdammen worden niet via een vast aangebrachte leiding met een andere leiding van het bunkerstation buiten de ladingzone verbonden.

Artikel 11. Doorvoeringen

  • 1. Ladingtanks, kofferdammen, eindschotten van de ladingtankruimten en de ladingzone begrenzende schotten hebben onder dek geen andere openingen of doorvoeringen dan de in dit artikel genoemde.

  • 2. In de schotten tussen twee ladingtankruimten mogen doorvoeringen zijn aangebracht.

  • 3. In het schot tussen machinekamer en kofferdam of dienstruimte in de ladingzone mogen gasdichte en door een erkend onderzoekingsbureau toegestane doorvoeringen zijn aangebracht.

  • 4. Indien het bunkerstation is uitgerust met een pompkamer onder dek, mogen in het schot tussen ladingtanks onderling doorvoeringen aanwezig zijn, indien de laadleiding in de pompkamer direct op het schot van een afsluiter is voorzien. Deze afsluiter kan vanaf het dek worden bediend.

  • 5. Aandrijfassen van de lens- en ballastpompen in de ladingzone mogen door het schot tussen dienstruimte en machinekamer gevoerd worden, indien:

    • a. de dienstruimte voldoet aan de omschrijving in artikel 10, derde lid;

    • b. de doorvoering van de as door het schot gasdicht is;

    • c. de doorvoering door een erkend onderzoekingsbureau is toegestaan; en

    • d. op een bord de noodzakelijke bedrijfsaanwijzingen zijn aangegeven.

  • 6. Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone mogen elektrische kabels, hydrauliekleidingen en pijpleidingen voor meet-, regel- en alarminrichtingen worden gevoerd, indien de doorvoeringen gasdicht en door een erkend onderzoekingsbureau toegestaan zijn.

  • 7. Door het schot tussen machinekamer en dienstruimte in de ladingzone mogen pijpleidingen worden gevoerd, indien het leidingen tussen installaties in de machinekamer en de dienstruimte betreft, die in de dienstruimte geen openingen hebben en op het schot in de machinekamer zijn voorzien van een afsluiter.

  • 8. Vanuit de machinekamer mogen pijpleidingen door de dienstruimte in de ladingzone of door de kofferdam naar buiten worden gevoerd, indien zij in de dienstruimte of in de kofferdam in dikwandige uitvoering zijn uitgevoerd en in de dienstruimte of in de kofferdam geen flensverbindingen of openingen hebben.

Artikel 12. Toegangen

  • 1. Toegangsopeningen tot kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtanks, ladingtankruimten en andere betreedbare ruimten in de ladingzone hebben zodanige afmetingen, dat een persoon die een ademhalingsapparaat draagt onbelemmerd in en uit de ruimte kan komen.

  • 2. De minimale grootte van een toegangsopening is 0,36 m2 en de kleinste zijde 0,50 m.

  • 3. Ladingtanks mogen van ronde openingen met een minimale diameter van 0,70 m zijn voorzien. Bij ladingtanks met een inhoud van minder dan 10 m3 kan de diameter verminderd worden tot 0,60 m.

  • 4. Toegangsopeningen zijn zodanig, dat gewonde of buiten kennis zijnde personen zonder bijzondere moeilijkheden van de bodem van de desbetreffende ruimte kunnen worden gehaald.

  • 5. Dienstruimten onder dek in de ladingzone zijn zodanig ingericht, dat zij goed toegankelijk zijn en de daarin aanwezige inrichtingen ook door personen die een persoonlijke veiligheidsuitrusting dragen veilig kunnen worden bediend. Gewonde of buiten kennis zijnde personen kunnen zonder bijzondere moeilijkheden als gevolg van de inrichting uit de dienstruimte worden gehaald.

Artikel 13. Uitlaatgassenleidingen

  • 1. Uittrede-openingen van uitlaatgassenleidingen zijn ten minste 2,00 m van de ladingzone verwijderd.

  • 2. Uitlaatgassenleidingen van motoren zijn zodanig aangebracht, dat de uitlaatgassen zich van het bunkerstation verwijderen.

  • 3. Uitlaatgassenleidingen zijn niet in de ladingzone aangebracht.

  • 4. Uitlaatgassenleidingen zijn voorzien van een inrichting ter voorkoming van het uittreden van vonken.

Artikel 14. Brandstoftanks

  • 1. Indien het bunkerstation van ladingtankruimten is voorzien, kan de dubbele bodem van die ruimten als brandstoftank zijn ingericht, indien de dubbele bodem ten minste 0,60 m hoog is.

  • 2. Brandstofleidingen en openingen van brandstoftanks bevinden zich niet in ladingtankruimten.

  • 3. Ontluchtingsleidingen van brandstoftanks zijn tot 0,50 m boven het open dek gevoerd.

  • 4. De openingen van de overloopleidingen zijn voorzien van een door middel van een rooster of een geperforeerde plaat gevormde bescherming.

Artikel 15. Lens- en ballastinrichting

  • 1. Dubbele bodems in gebruik als brandstoftank zijn niet op het lenssysteem aangesloten.

  • 2. Indien de ballastpomp in de ladingzone is opgesteld, bevinden de standpijp en de buitenboordaansluiting voor het aanzuigen van ballastwater zich eveneens in de ladingzone.

  • 3. Een pompkamer onder dek kan in geval van nood met behulp van een van andere installaties onafhankelijke inrichting in de ladingzone worden gelensd. Deze lensinrichting is opgesteld buiten de pompkamer.

Artikel 16. Machinekamers

  • 1. Verbrandingsmotoren zijn buiten de ladingzone aangebracht.

  • 2. Machinekamers zijn vanaf het dek toegankelijk.

Artikel 17. Machines

  • 1. Ventilatieopeningen van machinekamers en inlaatopeningen van motoren zijn, indien de motoren de lucht niet direct vanuit de machinekamer aanzuigen, ten minste 2,00 m van de ladingzone verwijderd.

  • 2. Vonkvorming in de ladingzone is uitgesloten.

  • 3. De oppervlaktetemperaturen aan uitwendige delen en lucht- en uitlaatgassenkanalen van motoren die tijdens het laden en lossen worden gebruikt, zijn niet hoger dan die van temperatuurklasse T3.

  • 4. De ventilatie van de gesloten machinekamer is zodanig, dat bij een buitentemperatuur van 20 °C de gemiddelde temperatuur van de machinekamer niet hoger wordt dan 40 °C.

Artikel 18. Gevaar voor vonkvorming

Elektrisch geleidende verbindingen tussen het bunkerstation en de wal en het bunkerstation en het te bunkeren schip zijn zodanig, dat zij geen ontstekingsbron vormen.

Artikel 19. Inspectie, ventilatie en reiniging

  • 1. Kofferdammen, zijtanks, dubbele bodems, ladingtanks, ladingtankruimten en andere betreedbare ruimten in de ladingzone zijn zo ingericht, dat zij volledig kunnen worden gereinigd en geïnspecteerd.

  • 2. Uitgezonderd ruimten bestemd voor ballast, kunnen ruimten in de ladingzone worden geventileerd.

  • 3. Woningen en dienstruimten kunnen worden geventileerd. Aan de zijde waar de te bunkeren schepen afmeren, bevinden zich geen openingen of toegangen tot de woningen of dienstruimten.

  • 4. Van ruimten in de ladingzone kan van buitenaf worden vastgesteld of zij gasvrij zijn.

Artikel 20. Veiligheids- en controle-inrichtingen ten behoeve van het beladen van bunkerstations

  • 1. Iedere ladingtank is voorzien van:

    • a. een vulmerk met de vullingsgraad van 97%;

    • b. een niveau-alarminrichting die uiterlijk bij een inhoud van 90% in werking treedt.; en

    • c. indien dit overeenkomstig artikel 7, tweede lid, wordt vereist, een overvulbeveiliging die uiterlijk bij een inhoud van 97,5% in werking treedt of, indien vanuit een tankwagen wordt beladen, een beveiliging die uiterlijk bij een inhoud van 97,5%, mits de inhoud van de laadleiding en/of de laadslang nog in de te beladen ladingtank kan worden opgenomen, de toevoer naar de ladingtank automatisch en volledig afsluit.

  • 2. De vullingsgraad wordt in procenten bepaald met een fout van ten hoogste 0,5 procentpunt.

  • 3. De vullingsgraad wordt bepaald ten opzichte van de totale inhoud van de ladingtank inclusief de expansietrunk.

  • 4. De vullingsgraad wordt bepaald voor een temperatuur van de stof van 15 °C.

  • 5. De niveau-alarminrichting en de overvulbeveiliging schakelen aan boord een optisch en akoestisch alarm in.

  • 6. Het optisch alarm is waarneembaar vanaf iedere plaats waar de afsluiters van de ladingtanks worden bediend.

  • 7. Indien de bediening van de afsluiters van de ladingtanks zich in een controleruimte bevindt, is het optisch en akoestisch alarm van de niveau-alarminrichting zowel in de controleruimte als aan dek waarneembaar.

  • 8. Vanuit de controleruimte bestaat goed overzicht over de plaats van aansluiting van de laad- en losleidingen.

  • 9. De niveau-alarminrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet noodzakelijk, indien de inhoud van de ladingtank minder dan 10 m3 bedraagt.

  • 10. De beveiliging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, werkt onafhankelijk van de tankwagen en is van een door KIWA goedgekeurd type en voldoet aan BRL-K 636.

Artikel 21. Veiligheids- en controle-inrichtingen ten behoeve van het bunkeren

  • 1. Het bunkerstation beschikt over een snelsluitinrichting door middel waarvan het bunkeren kan worden onderbroken. Deze inrichting wordt met behulp van een besturingsinrichting door het binaire signaal van het deel van de overvulbeveiliging in de bunker van het te bunkeren schip gesloten. De snelsluitinrichting kan onafhankelijk van het binaire signaal worden gesloten.

  • 2. De besturingsinrichting zet het binaire signaal om in een signaal waarmee de snelsluitinrichting wordt gesloten.

  • 3. Stroomkringen voor de besturing van de snelsluitinrichtingen zijn in het ruststroom-principe uitgevoerd of worden door middel van andere geëigende maatregelen voor de controle op fouten beveiligd. Stroomkringen die niet volgens het ruststroom-principe kunnen worden geschakeld, zijn met betrekking tot hun goede werking gemakkelijk te controleren.

  • 4. Het binaire signaal kan aan de besturingsinrichting via intrinsiek veilige stroomkring met wandcontactdozen van een koppelingsinrichting als bedoeld in IEC-publicatie 309 voor gelijkstroom 40 tot 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur, worden overgebracht.

  • 5. De snelsluitinrichting stelt aan boord een optisch en akoestisch alarm in werking.

Hoofdstuk 3. Inrichting en uitrusting

Artikel 22. Speciale uitrusting

  • 1. Aan boord bevinden zich voor ieder lid van de bemanning een veiligheidsbril, een paar veiligheidshandschoenen, beschermende kleding en een paar veiligheidslaarzen. Deze bieden adequate bescherming tegen schadelijke effecten van gasolie, dieselolie of benzine.

  • 2. Indien lege ladingtanks of ladingtankruimten moeten worden betreden waar gebrek aan zuurstof is, bevinden zich twee apparaten voor van de buitenlucht onafhankelijke zuurstofvoorziening en twee veiligheidslijnen aan boord.

  • 3. Het bunkerstation is voorzien van een douche en een oog- en gezichtsbad op een direct vanuit de ladingzone toegankelijke plaats.

Artikel 23. Inrichting met betrekking tot het toegangsverbod en het rookverbod

Het bunkerstation is voorzien van duidelijke borden met het toegangsverbod en het rookverbod. De borden zijn aan beide zijden van het bunkerstation zowel overdag als ’s nachts duidelijk zichtbaar. Zo nodig wordt aan boord aangegeven waar en onder welke omstandigheden een verbod niet van kracht is.

Hoofdstuk 4. Elektrische installaties

Artikel 24. Elektrische inrichtingen

Elektrische inrichtingen verkeren in onberispelijke staat.

Artikel 25. Verdeelsystemen

  • 1. In ieder geïsoleerd verdeelsysteem is een automatische inrichting voor aardfoutcontrole met een optisch en akoestisch alarm ingebouwd. Uitval van deze inrichtingen wordt op de normaal daarvoor voorziene plaatsen gemeld.

  • 2. Uitgezonderd plaatselijk begrensde en buiten de ladingzone gelegen installatiedelen en de inrichting voor aardfoutcontrole, bedoeld in het eerste lid, zijn verdeelsystemen niet elektrisch geleidend verbonden met de scheepsromp.

Artikel 26. Typen en plaatsen van de elektrische inrichtingen

  • 1. In de ladingzone bevinden zich geen elektrische toestellen die niet voldoen aan de eisen voor explosiegroep IIA en temperatuurklasse T3.

  • 2. In ladingtanks en laad- en losleidingen bevinden zich geen elektrische inrichtingen, met uitzondering van intrinsiek veilige meet-, regel- en alarminrichtingen.

  • 3. In kofferdammen, ladingtankruimten en, indien aanwezig zijtanks en dubbele bodems, bevinden zich geen elektrische inrichtingen, met uitzondering van:

    • a. meet-, regel- en alarminrichtingen in erkend veilige uitvoering;

    • b. lichten in de ontstekingsbeschermingssoort EEx (d) of EEx (p).

  • 4. In de dienstruimten onder dek in de ladingzone bevinden zich geen elektrische inrichtingen met uitzondering van:

    • a. meet-, regel- en alarminrichtingen in erkend veilige uitvoering;

    • b. lichten in de ontstekingsbeschermingssoort EEx (d) of EEx (p);

    • c. motoren in erkend veilige uitvoering ten behoeve van de voor het bedrijf noodzakelijke installaties.

  • 5. Niet-intrinsiek veilig uitgevoerde schakel- en beveiligingsinrichtingen van installaties als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, bevinden zich buiten de ladingzone.

  • 6. De elektrische inrichtingen aan dek zijn ten minste beperkt explosieveilig.

  • 7. Accumulatoren bevinden zich buiten de ladingzone.

  • 8. Elektrische inrichtingen buiten de ladingzone, die niet ten minste beperkt explosieveilig zijn uitgevoerd, kunnen vanuit een centrale plaats aan boord worden uitgeschakeld.

  • 9. Niet-beperkt explosieveilig uitgevoerde generatoren die door een machine continu worden aangedreven, zijn voorzien van een schakelaar die de bekrachtiging van de generator uitschakelt. Een bord met de bedieningsvoorschriften is bij de schakelaar aangebracht.

  • 10. Uitval van de elektrische voeding van veiligheids- en controle-inrichtingen wordt direct, automatisch, optisch en akoestisch op de normaal daarvoor voorziene plaatsen gemeld.

Artikel 27. Aarding

  • 1. De bij normaal bedrijf niet onder spanning staande metalen delen van elektrische toestellen, metalen bewapeningen en mantels van kabels in de ladingzone zijn geaard of door de wijze van inbouw elektrisch geleidend met de scheepsromp verbonden.

  • 2. Ladingtanks zijn geaard.

Artikel 28. Elektrische kabels

  • 1. Kabels in de ladingzone zijn voorzien van een metalen omvlechting.

  • 2. Kabels en wandcontactdozen in de ladingzone en aan dek zijn beschermd tegen mechanische beschadiging.

  • 3. Uitgezonderd kabels ten behoeve van intrinsiek veilige stroomkringen en kabels voor de aansluiting van sein-, navigatie- en loopplankverlichting, bevinden zich geen losse kabels in de ladingzone.

  • 4. Kabels voor intrinsiek veilige stroomkringen maken uitsluitend deel uit van intrinsiekveilige stroomkringen.

  • 5. Kabels voor intrinsiek veilige stroomkringen liggen volledig gescheiden van kabels voor niet-intrinsiekveilige stroomkringen.

Artikel 29. Sein-, navigatie- en loopplankverlichting

  • 1. De kabels voor de aansluiting van sein-, navigatie- en loopplankverlichting zijn voorzien van mantelleidingen van het type H 07 RN-F als bedoeld in IEC-publicatie 245-66 of van ten minste gelijkwaardige mantelleidingen. De oppervlakte van de minimumdoorsnede van de geleidingsdraden is 1,5 mm2.

  • 2. De kabels zijn zo kort mogelijk en zodanig geplaatst, dat geen gevaar voor onbedoelde beschadiging bestaat.

  • 3. Wandcontactdozen voor de aansluiting van sein- en navigatieverlichting zijn vast aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de mast waaraan de verlichting is bevestigd.

  • 4. Wandcontactdozen voor de aansluiting van loopplankverlichting bevinden zich in de onmiddellijke nabijheid van de te verlichten loopplank.

  • 5. De wandcontactdozen staan niet onder spanning bij uitgeschakelde verlichting.

  • 6. Het insteken en uittrekken van de stekkers mag niet mogelijk zijn bij onder spanning staande wandcontactdozen.

Artikel 30. Draagbare lampen

Draagbare lampen in gebruik in de ladingzone en aan dek zijn voorzien van een eigen stroombron en zijn explosieveilig uitgevoerd.

Artikel 31. Verlichting

  • 1. Aan boord is adequate verlichting aanwezig om veilig te kunnen laden bij nacht of bij slecht zicht.

  • 2. Verlichting vanaf het dek geschiedt door goed bevestigde elektrische lampen die zo zijn geplaatst, dat zij niet kunnen worden beschadigd.

Hoofdstuk 5. Brandveiligheid

Artikel 32. Vuur en onbeschermd licht

  • 1. Verlichting aan boord is elektrisch.

  • 2. Verwarmings-, kook- en koeltoestellen zijn elektrisch.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kunnen voor verwarmingstoestellen en verwarmingsketels die zijn opgesteld in de machinekamer of in een speciaal daarvoor geschikte ruimte vloeibare brandstoffen met een vlampunt boven 55 °C worden gebruikt.

  • 4. Kook- en koeltoestellen bevinden zich uitsluitend in woningen en winkelruimten.

  • 5. Openingen van schoorstenen bevinden zich ten minste 2,00 m buiten de ladingzone.

  • 6. Schoorstenen zijn zodanig geconstrueerd, dat het naar buiten treden van vonken en het binnendringen van water wordt verhinderd.

Artikel 33. Brandblusvoorzieningen

  • 1. In aanvulling op de door artikel 10.03, eerste lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG vereiste draagbare blustoestellen zijn in de ladingzone nog ten minste twee extra draagbare blustoestellen aanwezig. Artikel 10.03, tweede lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG is op de extra blustoestellen van toepassing.

  • 2. Het bunkerstation is voorzien van een vast ingebouwd brandblussysteem.

  • 3. Het vast ingebouwde brandblussysteem, bedoeld in het tweede lid, voldoet, indien water als blusmiddel wordt gebruikt, aan de volgende kenmerken:

    • a. de installatie wordt gevoed door twee onafhankelijke brandblus- of ballastpompen of door een permanente walaansluiting;

    • b. in geval van voeding door pompen aan boord is één van deze pompen altijd bedrijfsgereed en zijn de pompen niet in dezelfde ruimte opgesteld;

    • c. aan dek zijn ten minste drie brandslangaansluitingen;

    • d. er zijn drie voldoende lange en op de brandslangaansluitingen passende brandslangen, voorzien van een straalpijp;

    • e. het sproeistuk heeft een diameter van ten minste 12 mm;

    • f. ten minste twee, niet van dezelfde brandslangaansluiting afkomstige waterstralen kunnen tegelijkertijd iedere plaats van het dek in de ladingzone bereiken;

    • g. de capaciteit van de installatie is ten minste voldoende om bij gelijktijdig gebruik van twee straalpijpen vanaf iedere plaats aan boord het bluswater een werpafstand te laten bereiken gelijk aan de scheepsbreedte; en

    • h. een veerbelaste terugslagklep garandeert, dat gassen niet door de brandblusinstallatie in woningen of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen komen.

Artikel 34. Brandmeldinstallatie

  • 1. Alle dienstruimten zijn voorzien van een doelmatige brandmeldinstallatie, waarmee de aanwezigheid van een brand, alsmede de plaats daarvan automatisch wordt gemeld.

  • 2. De brandmeldinstallatie is te allen tijde in bedrijf.

  • 3. De brandmeldinstallatie is eventueel voorzien van extra handbediende brandmelders, die echter niet in de plaats komen van de voorgeschreven automatische brandmelders.

  • 4. De werking van de brandmeldinstallatie is gebaseerd op het ruststroomprincipe. Verstoring hiervan geeft een optisch en akoestisch alarmsignaal op elk controlepaneel ten gevolg.

  • 5. De aanwezigheid van brand wordt centraal, op de normaal daarvoor voorziene plaats optisch en akoestisch gemeld.

  • 6. De brandmeldinstallatie is op één van de volgende wijzen uitgevoerd:

    • a. de brandmelders zijn op afstand individueel geïdentificeerd, of

    • b. de brandmelders zijn in secties gegroepeerd.

  • 7. Indien de brandmelders op afstand individueel zijn geïdentificeerd, ook genoemd het adresseerbare systeem, bevat het controlepaneel duidelijke informatie omtrent de ligging van elke gedetecteerde ruimte.

  • 8. Indien de brandmelders zijn gegroepeerd in secties, ook genoemd het niet-adresseerbare systeem, geldt:

    • a. het controlepaneel bevat duidelijke informatie omtrent de ligging van elke gemelde sectie;

    • b. een sectie mag zich niet over meer dan één dek uitstrekken. In het geval dat een gesloten trappenhuis zich over meer dekken uitstrekt, mag het trappenhuis als één sectie worden uitgevoerd;

    • c. voor elk der volgende ruimten geldt dat deze niet met andere ruimten tot één sectie mogen behoren:

      • 1°. een ruimte waar een verbrandingsmotor staat opgesteld;

      • 2°. een pompkamer;

      • 3°. een omsloten trappenhuis indien het trappenhuis meer dan twee dekken met elkaar verbindt;

      • 4°. een opslag van gevaarlijke stoffen;

      • 5°. een winkel.

Hoofdstuk 6. Bescheiden Aan Boord

Artikel 35. Documenten

De volgende documenten bevinden zich aan boord:

  • a. een geldig certificaat;

  • b. de schriftelijke instructies met betrekking tot de opslag van gasolie of dieselolie;

  • c. een bijgewerkt exemplaar van Bijlage 1 van de VBG;

  • d. een bijgewerkt exemplaar van de bijlage II van richtlijn 2006/87/EG en deze bijlage;

  • e. een beproevingenboek;

  • f. de geldige bewijzen van de beproeving van de brandblustoestellen, de brandslangen, de laad- en losslangen, de elektrische inrichtingen en, indien vereist, van de speciale uitrusting;

  • g. een tekening waarop de grenzen van de ladingzone en de in deze zone geïnstalleerde elektrische toestellen zijn aangegeven;

  • h. een lijst van in de ladingzone geïnstalleerde elektrische inrichtingen;

  • i. een lijst of schema met de buiten de ladingzone aanwezige elektrische toestellen die ingeval van een calamiteit uitgeschakeld worden;

  • j. de gebruiksaanwijzingen in de Nederlandse taal van de toestellen en installaties waarvan het gebruik speciale veiligheidsmaatregelen vereist; en

  • k. de documenten met betrekking tot de overvulbeveiliging en de installatie voor het afleveren van benzine, indien aanwezig.

Artikel 36. Schriftelijke instructies

  • 1. De instructies, bedoeld in artikel 35, onderdeel b, geven handelingsvoorschriften voor ongevallen en incidenten. Zij zijn op een voor alle personeelsleden toegankelijke plaats opgehangen.

  • 2. De personeelsleden zijn op de hoogte van de plaats waar de instructies zijn opgehangen, de inhoud en de wijze van uitvoering ervan.

  • 3. De instructies zijn gesteld in de Nederlandse taal.

  • 4. De instructies geven beknopt aan:

    • a. de aard van het gevaar dat de opslag van gasolie, dieselolie of benzine met zich meebrengt en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen;

    • b. de te nemen maatregelen en de te verlenen hulp, indien personen met gasolie, dieselolie of benzine in aanraking komen;

    • c. de te nemen maatregelen bij brand en de middelen of groepen van middelen die bij de brandbestrijding mogen worden gebruikt; en

    • d. de in geval van breuk of andere beschadiging van de tanks of bij het vrijkomen van de opgeslagen gasolie, dieselolie of benzine te nemen maatregelen, in het bijzonder, indien deze stoffen zich hebben verspreid.

Artikel 37. Verklaring bij brandblustoestellen

Het bewijs van beproeving van brandblustoestellen, bedoeld in artikel 35, onderdeel f, wordt tevens aangebracht op de toestellen.

Artikel 38. Bescheiden betreffende elektrische installaties

  • 1. De lijst, bedoeld in artikel 35, onderdeel h, vermeldt de plaats van opstelling, de wijze van bescherming, de ontstekingsbeschermingssoort, de goedkeuringsinstantie en het goedkeuringsnummer van de in de ladingzone geïnstalleerde elektrische inrichtingen.

  • 2. De bescheiden, bedoeld in artikel 35, onderdelen f, g, h en i, zijn voorzien van een stempel van goedkeuring van de minister.

  • 3. Indien bevorderlijk voor de overzichtelijkheid, kunnen daarvoor in aanmerking komende gegevens uit de bescheiden, bedoeld in artikel 35, onderdelen f, g, h en i, worden gecombineerd in één document met gegevens uit de bescheiden, bedoeld in artikel 35.

Hoofdstuk 7. Keuringen

Artikel 39. Tot keuren bevoegde personen

  • 1. De in dit hoofdstuk voorgeschreven keuringen of beproevingen worden verricht door daartoe door de minister aangewezen personen.

  • 2. Het resultaat van de keuring of beproeving wordt ondertekend aangetekend in het beproevingenboek, bedoeld in artikel 35, onderdeel e, door degene die de keuring of beproeving heeft uitgevoerd, met vermelding van de datum waarop die keuring of beproeving heeft plaatsgevonden of is geëindigd.

  • 3. Indien uit een keuring of beproeving blijkt, dat het gekeurde of beproefde niet voldoet aan de gestelde eisen, stelt degene die de keuring of beproeving heeft verricht de minister hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 40. Elektrische inrichtingen

In het derde jaar van geldigheid van het certificaat worden door een erkend installateur gekeurd:

  • a. de isolatieweerstand van de elektrische inrichtingen;

  • b. de aarding van de elektrische inrichtingen; en

  • c. de explosiebeveiligde elektrische inrichtingen.

Artikel 41. Uitrusting

  • 1. De brandblustoestellen, bedoeld in artikel 33, eerste lid, en de brandslangen, bedoeld in artikel 33, derde lid, worden eenmaal per twee jaar door een erkend installateur gekeurd.

  • 2. Laad- en losslangen worden eenmaal per jaar gekeurd.

  • 3. De speciale uitrusting, bedoeld in artikel 22 wordt gekeurd volgens de aanwijzingen van de fabrikant van de uitrusting. Artikel 39, eerste lid, is niet van toepassing.

Artikel 42. Beproeving van de druk

  • 1. Ladingtanks, kofferdammen en laad- en losleidingen worden eerst voor ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per elf jaar op druk beproefd.

  • 2. De beproevingsdruk voor de kofferdammen en open ladingtanks is ten minste 10 kPa overdruk.

  • 3. De beproevingsdruk van de laad- en losleidingen is ten minste 1000 kPa overdruk.

  • 4. De beproeving van de druk geschiedt volgens daartoe door de minister of een erkend onderzoekingsbureau uitgevaardigde voorschriften.

Artikel 43. Beproeving door de bemanning

De meetapparatuur wordt voor ieder gebruik conform de gebruiksaanwijzing door de gebruiker beproefd. Artikel 39 is niet van toepassing.

Artikel 44. Droogstaande keuring

De minister kan voor de verlenging van het certificaat afzien van een droogstaande keuring als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, indien de toestand van de romp een controle van binnenuit redelijkerwijs toelaat.

Hoofdstuk 8. Voorschriften voor laden, bunkeren en ontgassen

Artikel 45. Bunkercontrolelijst

  • 1. Indien geen snelsluitinrichting als bedoeld in artikel 21 op het bunkerstation of het te bunkeren schip aanwezig is, wordt voor aanvang van het bunkeren een bunkercontrolelijst volledig en in tweevoud ingevuld.

  • 2. De bunkercontrolelijst bevat de volgende gegevens:

    • a. de naam van het bunkerstation;

    • b. de naam en het uniek europees scheepsidentificatienummer van het te bunkeren schip;

    • c. de naam van de schipper of de gevolmachtigde van het te bunkeren schip;

    • d. de plaats waar en de datum waarop het bunkeren plaatsvindt;

    • e. de hoeveelheid te bunkeren gasolie, dieselolie of benzine in liters;

    • f. de pompsnelheid in liters per minuut; en

    • g. de hoeveelheid smeerolie die wordt overgepompt.