Rijksoverheid

Wettenpocket Wetboek van Strafrecht

Titel regeling
Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden
Type
Beleidsregel
Wetsfamilie
Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden; Wetboek van Strafrecht; Wetboek van Strafvordering
Geldend vanaf
1-3-2021
Geselecteerde elementen
Volledig
Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden

Samenvatting

Deze aanwijzing geeft regels voor de taken en verantwoordelijkheden van het openbaar ministerie (OM) bij:

  • 1. de uitvoering van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling bij meerderjarigen;1

  • 2. de toepassing van de bijzondere voorwaarden in de fase van de voorlopige hechtenis en de vordering van de bijzondere voorwaarden;

  • 3. de tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden en de procedurele regels voor het toezicht op de naleving.

Deze aanwijzing beoogt te bevorderen dat bijzondere voorwaarden adequaat worden toegepast met het oog op het terugdringen van recidive en het beschermen van de samenleving en het slachtoffer. Daarnaast beoogt de aanwijzing een goede aansluiting van de verschillende schakels binnen de executieketen te bewerkstelligen.

Het vorderen van bijzondere voorwaarden is aan de orde indien:

  • 1. herstel van geleden schade geboden is;

  • 2. beperking van de bewegingsvrijheid van verdachte geboden is;

  • 3. zorg en/of gedragsinterventie geboden is.

De in de wet genoemde bijzondere voorwaarden kunnen, op enkele voorwaarden na, onderdeel zijn van zowel de schorsingsbeschikking (voorlopige hechtenis) als het vonnis.

Achtergrond

Enerzijds bieden bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling of een schorsing van de voorlopige hechtenis ruimte voor een op de persoon toegesneden interventie met als doel gedragsverandering bij de veroordeelde of verdachte en bescherming van de maatschappij en het slachtoffer in het bijzonder. Anderzijds vormt de dreiging van het voorwaardelijke strafdeel of herleving van de voorlopige hechtenis een stevige stok achter de deur.

Het OM heeft als partij in het primaire proces een rol in de tenuitvoerlegging van de straffen en maatregelen die zijn opgelegd door de rechter of de officier van justitie.2 De minister is echter eindverantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en is belast met de feitelijke uitvoering van het toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden. Het OM is belast met het toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden in verband met het nemen van vervolgbeslissingen en komt dus in beginsel pas in beeld wanneer sprake is van een schending van voorwaarden. De reclassering licht met het oog daarop volgens art. 6:3:14 Sv het OM in over het gehouden toezicht. Bij een overtreding van voorwaarden doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan CJIB/AICE34en het OM (al dan niet via het CJIB/AICE). Met de inwerkingtreding van de wet USB5zijn de artikelen over de tenuitvoerlegging, die eerst verspreid stonden over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering, gecentraliseerd in het nieuwe Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering.

1. Algemene en bijzondere voorwaarden

1.1. Toepassingsbereik

De aanwijzing richt zich op het toepassen van algemene en bijzondere voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis (art. 80, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv)) en de voorwaardelijke straf. Alle in de wet genoemde bijzondere voorwaarden kunnen onderdeel zijn van zowel de schorsingsbeschikking als het vonnis, met uitzondering van enkele herstellende voorwaarden als bedoeld in paragraaf 2.3 van deze aanwijzing, die niet bij de schorsingsbeschikking kunnen worden gevorderd.

1.2. Algemene voorwaarden

Bij de voorwaardelijke straf geldt de volgende algemene voorwaarde: de veroordeelde maakt zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig aan een strafbaar feit;

Bij een schorsing onder voorwaarden wordt steeds opgenomen:

  • dat de verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;

  • dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

  • dat de verdachte, voor zover aan de schorsing voorwaarden zijn verbonden betreffende het gedrag van de verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. 6

1.3. Bijzondere voorwaarden

De wet onderscheidt veertien verschillende bijzondere voorwaarden. Deze kunnen we indelen in vijf

categorieën:

  • 1. Herstellende voorwaarden (schadevergoeding, waarborgsom);

  • 2. Vrijheidsbeperkende voorwaarden (locatie-/contactverbod, locatiegebod, meldplicht);

  • 3. Gedragsbeïnvloedende voorwaarden (verbod gebruik drugs en/of alcohol, gedragsinterventies);

  • 4. Op zorg gerichte voorwaarden (klinische zorg, ambulante zorg, maatschappelijke opvang);

  • 5. Overige voorwaarden (andere gedragsaanwijzingen).

In combinatie met een bijzondere voorwaarde kan de rechter de reclassering 7 opdracht geven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. In het geval van vrijheidsbeperkende voorwaarden heeft de politie een handhavende taak.

Aan een bijzondere voorwaarde kan tevens elektronisch toezicht worden verbonden (art. 14c lid 4 Sr).

Wanneer de rechter bijzondere voorwaarden oplegt en opdracht geeft tot reclasseringstoezicht, geldt van rechtswege, dat de veroordeelde

  • 1. Ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  • 2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat nodig acht.

2. Het vorderen van bijzondere voorwaarden

2.1. ‘Niemand weg zonder overleg’

Een aangehouden verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, wordt alleen met toestemming van de officier van justitie in vrijheid gesteld. Indien de (hulp)officier van justitie geen gronden ziet om een verdachte in verzekering te stellen, gaat het OM na of er gronden zijn voor het vorderen van voorlopige tenuitvoerlegging (tul) van eerder opgelegde sancties.

Lokaal maken OM, politie en reclassering afspraken in het kader van de vroeghulp en de mogelijkheid van vroeghulpbezoek (ook in het weekend). Zoveel mogelijk vindt dit plaats in het kader van de ZSM-werkwijze, waarbij de betrokken ketenorganisaties zo snel mogelijk na aanhouding hun informatie over de verdachte(n) delen, zodat een vlotte beoordeling van het strafrechtelijke vervolg en interventies ‘op maat’ kunnen plaatsvinden.

Op lokaal of regionaal niveau kunnen nadere afspraken worden gemaakt op basis van overeengekomen prioritaire thema’s of doelgroepen.

2.2. Het voorbereiden van de vordering van bijzondere voorwaarden

De officier van justitie die overweegt om te verzoeken om schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden of om bijzondere voorwaarden te vorderen op zitting, vraagt in een vroegtijdig stadium aan de reclassering advies daarover, ook indien sprake is van een lopend reclasseringstoezicht. Indien sprake is van een lopend reclasseringstoezicht verwerkt de reclassering de informatie over het verloop hiervan in het reclasseringsadvies. De reclassering betrekt tevens relevante informatie van ketenpartners (bijvoorbeeld via het Veiligheidshuis/Actiecentrum Zorg en Veiligheid), die betrokken zijn bij de verdachte en/of zijn maatschappelijk netwerk (bijvoorbeeld gezin, school).

In geval van een mogelijke stoornis vraagt de officier van justitie advies van het NIFP. Termijnen voor het aanleveren van reclasseringsrapporten zijn opgenomen in het landelijk strafprocesreglement. 8

Het OM maakt de zittingsdatum zo spoedig mogelijk aan de reclassering bekend om tijdige levering van het reclasseringsadvies mogelijk te maken. In de vordering worden de bijzondere voorwaarden specifiek benoemd. Voor het vorderen van voorwaarden met reclasseringstoezicht, is het voor de uitvoerbaarheid nodig dat de reclassering heeft geadviseerd. Het vorderen van voorwaarden met reclasseringstoezicht zonder dat de reclassering een advies heeft uitgebracht, kan slechts na instemming van de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie. Het OM is terughoudend met het eisen van bijzondere voorwaarden die niet door de reclassering in het advies zijn geadviseerd. Sommige voorwaarden kunnen bovendien slechts op advies van de reclassering of na instemming van de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie (hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.7 van deze aanwijzing).

Een contra-indicatie voor het vorderen van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden is aanwezig als:

  • 1. verdachten het onderzoek van de politie of de reclassering tegenwerken,

  • 2. verdachten interventies volledig afwijzen,

  • 3. verdachten geen enkele binding met landen binnen de Europese Unie hebben, en geen recht op zorg binnen Nederland.

Voor de wijze waarop bijzonder voorwaarden dienen te worden gevorderd wordt verwezen naar de Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen.

2.3. Herstellende voorwaarden

Deze voorwaarden worden gevorderd ten behoeve van financiële of materiële tegemoetkoming aan de slachtoffers van misdrijven. Bij gewelddadige vermogensdelicten als (woning)overvallen, straatroven en woninginbraken is in beginsel altijd sprake van schade. De officier van justitie overweegt in deze gevallen nadrukkelijk de vordering van een financiële of materiële tegemoetkoming ten behoeve van de slachtoffers van deze misdrijven.

Storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven kan worden gevorderd met name indien het slachtoffer zelf geen prijs stelt op schadevergoeding.

Geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade kan aan de orde zijn in het geval dat de veroordeelde bereid is de schade te herstellen. Niet alle slachtoffers stellen het daarvoor noodzakelijke contact met de dader op prijs. Hiermee moet bij de vordering rekening worden gehouden.

Storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom kan worden gevorderd wanneer er gegronde vrees voor herhaling bestaat.

In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis kan geen schadevergoeding, schadeherstel of storting in een schadefonds worden gevorderd. Het is wel mogelijk om storting van een waarborgsom te vorderen op grond van art. 80 lid 1 Sv.

2.4. Vrijheidsbeperkende voorwaarden

Een vrijheidsbeperkende voorwaarde wordt als bijzondere voorwaarde 9 gevorderd ter bescherming van de slachtoffers of de wijk waar het misdrijf is gepleegd. Een locatieverbod (waarbij de veroordeelde wordt verboden zich op een bepaalde locatie te bevinden), een locatiegebod (waarbij de veroordeelde bijvoorbeeld wordt verplicht om ’s nachts thuis te zijn), en een meldplicht (waarbij de veroordeelde zich op bepaalde momenten op een bepaalde plaats moet melden), dienen dit doel indirect.

Een vrijheidsbeperkende voorwaarde kan in combinatie met elektronisch toezicht worden gevorderd (zie § 2.9 hierna).

Een (combinatie van) vrijheidsbeperkende voorwaarde(n) kan onder andere passend zijn bij een veroordeling voor openbare geweldpleging (uitgaansgeweld, geweld bij voetbalwedstrijden) of een zedenmisdrijf.

De handhaving van een contactverbod kan versterkt worden door tevens een locatieverbod te vorderen voor bijvoorbeeld de leefomgeving van het slachtoffer. Vanuit het oogpunt van bescherming van het slachtoffer, is het van belang om rondom (de woon- of verblijfplaats van) degene met wie het contactverboden is, een gebied aan te wijzen dat niet betreden mag worden door degene die het contactverbod opgelegd heeft gekregen.

Het handhaven van een contactverbod, locatieverbod of locatiegebod is een gezamenlijke taak van de politie en de reclassering.

2.5. Gedragsbeïnvloedende voorwaarden

Deze bijzondere voorwaarden zien op het deelnemen van de veroordeelde aan bepaalde cursussen, opleidingen of andere gedragsinterventies. 10 Dit zijn interventies gericht op bijvoorbeeld sociale en cognitieve vaardigheden, agressieregulatie, alcohol- en drugsgebruik of arbeidsvaardigheden. In de vordering moet - bijvoorbeeld door te verwijzen naar openbaar toegankelijke informatie van de reclassering - worden gespecificeerd wat een interventie inhoudt en waarop de interventie zich richt.

2.6. Op zorg gerichte voorwaarden

Aan het vorderen van de op zorg gerichte voorwaarden ligt een indicatiestelling forensische zorg ten grondslag, waarin de aard en te verwachten duur van de behandeling en het beveiligingsniveau worden aangegeven. Voor de klinische (24-uurs) zorg geeft het NIFP een indicatiestelling af, voor de ambulante zorg de reclassering.

Het opnemen van deze indicatiestelling in de vordering volstaat. Indien de rechter een specifieke instelling of behandelaar wil noemen, dient aan de vordering tot zorg in een bepaalde instelling toegevoegd te worden ‘of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering’ (bij een ambulante behandeling en bij opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang) danwel ‘of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van DJI/DIZ na indicatiestelling door het NIFP/IFZ’ (bij een klinische opname). Indien de beoogde instelling bijvoorbeeld een lange wachttijd kent, kan dan de behandeling in een soortgelijke instelling plaatsvinden zonder tussenkomst van de rechter.

Bij een klinische opname geldt dat elke beslissing over de aard en duur exclusief aan de rechter is voorbehouden. 11 De officier kan in een vordering tot ambulante behandeling meenemen dat de rechter in het vonnis opneemt dat de verdachte een korte klinische opname kan ondergaan zonder nadere tussenkomst van de rechter. Dit kan de orde zijn bij bijvoorbeeld een ernstige verslaving of persoonlijkheidsstoornis. Deze korte opname kan uitsluitend onder bepaalde voorwaarden worden geëffectueerd, bijvoorbeeld bij terugval in verslaving.

Een behandeling kan ook het innemen van medicatie met zich brengen. Indien het gaat om behandeling van een verslaving, dan kan het meewerken aan middelencontrole onderdeel zijn van de behandeling. De weigering medicijnen in te nemen die de behandelaar nodig acht, of het weigeren mee te werken aan middelencontrole kan dan beschouwd worden als het niet voldoen aan de behandelvoorwaarde.

2.7. Overige voorwaarden

Deze ‘restcategorie’ is opgenomen om maatwerk te kunnen leveren ten aanzien van de invulling van de bijzondere voorwaarden in geval de standaardvoorwaarden niet toereikend zijn.

In het kader van de schorsingsbeschikking kunnen alleen voorwaarden worden gevorderd die te relateren zijn aan een specifieke grond voor de voorlopige hechtenis ex art. 67a Sv (te weten: vluchtgevaar, een geschokte rechtsorde 12 , gevaar voor recidive, collusiegevaar) dan wel aan het algemene doel van de voorlopige hechtenis, namelijk het onder bereik van justitie houden van de verdachte en het verzekeren van de uitvoering van de mogelijk op te leggen vrijheidsstraf (de doelcriteria).

Dit betekent in concreto dat in het kader van de schorsingsbeslissing van de ‘restcategorie’ de navolgende bijzondere voorwaarden kunnen worden gevorderd:

  • beperking van het recht Nederland te verlaten (reisverbod) (met/zonder elektronisch toezicht),

    NB daarmee samenhangend inleveren van paspoort/identiteitskaart,

  • meewerken aan een (psychologische/psychische) voorlichtingsrapportage,

  • meewerken aan een reclasseringsadvies,

  • volgen van een opleiding,

  • meewerken aan hulpverlening door een aanbieder uit het lokale zorgveld (zoals schuldhulpverlenging, maatschappelijk werk etc.),

  • geen andere huisvesting zonder toestemming,

  • meewerken aan middelencontrole,

  • verbod kansspelen,

  • vermijden contact met minderjarigen,

  • vermijden kinderporno,

  • verbod bepaalde werkzaamheden,

  • houdverbod dieren,

  • mediaverbod (indien dit in het belang van het lopende onderzoek is).

Andere voorwaarden kunnen alleen worden gevorderd indien deze aansluiten bij de doelcriteria van de schorsing van de voorlopige hechtenis en slechts op advies van de reclassering (wanneer sprake moet zijn van reclasseringstoezicht) of nadat de lokale reclasseringsofficier (of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie) daarmee heeft ingestemd (ongeacht of er sprake moet zijn van reclasseringstoezicht).

In het kader van de voorwaardelijke straf kunnen alleen voorwaarden worden gevorderd die strekken tot het voorkomen van strafbare feiten, dan wel een gedraging te betreffen waartoe de verdachte uit oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Bij deze modaliteit kunnen van de ‘restcategorie’ de navolgende bijzondere voorwaarden worden gevorderd:

  • volgen van een opleiding,

  • meewerken aan schuldhulpverlening,

  • meewerken aan hulpverlening door een aanbieder uit het lokale zorgveld (zoals schuldhulpverlenging, maatschappelijk werk etc.)

  • geen andere huisvesting zonder toestemming,

  • meewerken aan middelencontrole,

  • verbod kansspelen,

  • vermijden contact met minderjarigen,

  • vermijden kinderporno,

  • verbod bepaalde werkzaamheden,

  • houdverbod dieren.

Andere voorwaarden kunnen alleen worden gevorderd indien deze aansluiten bij de doelcriteria van de voorwaardelijke veroordeling en slechts op advies van de reclassering (wanneer sprake moet zijn van reclasseringstoezicht) of nadat de reclasseringsofficier (of bij diens afwezigheid een senior of officier van justitie) daarmee heeft ingestemd (ongeacht of er sprake moet zijn van reclasseringstoezicht).

2.8. Reclasseringstoezicht

Het (meewerken aan) reclasseringstoezicht houdt in dat:

  • de veroordeelde de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die door de reclassering worden gegeven in het kader van het toezicht,

  • de verdachte/veroordeelde medewerking verleent aan huisbezoeken,

  • de reclassering de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden controleert en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt,

  • de veroordeelde openheid geeft over zaken die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van het toezicht. Daarbij kan het gaan om zaken zoals huisvesting, dagbesteding, relaties, werk en financiën.

De officier van justitie dient bij het vorderen duidelijk te maken wat het reclasseringstoezicht inhoudt.

Bij de vordering dient de officier nadrukkelijk de toevoeging ‘toezicht te houden zolang de reclassering dat nodig acht’ te overwegen. Indien dit niet in het vonnis wordt opgenomen, kan het toezicht slechts voortijdig worden gestaakt door de rechter, op vordering van het OM of op verzoek van de veroordeelde (art. 6:6:19 Sv) door de opheffing van de opdracht aan de reclassering of verwijdering van de voorwaarden.

2.9. Elektronisch toezicht

Met het oog op het toezicht op of de ondersteuning van de naleving van de bijzondere voorwaarde(n) kan de officier van justitie elektronisch toezicht (ET) vorderen (art. 14c lid 4 Sr). 13 Dit houdt in dat met een technisch hulpmiddel, te weten een ‘enkelband’ (zender) in combinatie met een ontvanger, kan worden nagegaan waar de veroordeelde zich bevindt danwel of de veroordeelde zich binnen een bepaalde straal van een vast punt bevindt . ET is alleen zinvol in combinatie met (een) vrijheidsbeperkende voorwaarde(n), bijvoorbeeld een stadionverbod, een straat- of contactverbod of een locatiegebod (meestal het huisadres). In geval van verdenking van een ernstig zeden- of geweldsdelict (waaronder ernstig huiselijk geweld), overweegt de officier van justitie nadrukkelijk de toepassing van ET ter naleving van de gestelde (algemene en bijzondere) voorwaarden die beogen recidive te voorkomen. Voorts wordt hierbij meegewogen de dreiging die slachtoffers (kunnen) ondervinden. Ook bij (door jeugdigen of jongvolwassenen gepleegde) gewelddadige vermogensdelicten (waaronder (woning)overvallen, straatroven en woninginbraken) overweegt de officier van justitie nadrukkelijk de toepassing van ET ter naleving van de vrijheidsbeperkende voorwaarden. In dergelijke gevallen kan ET ingezet worden om een niet-crimineel dagritme te bevorderen (bijvoorbeeld overdag naar school, ’s nachts thuis) en/of (mogelijke) dreiging voor slachtoffers af te wenden.

De officier van justitie kan vooraf advies aan de reclassering vragen over de combinatie van de bijzondere voorwaarde(n) en ET. Ook kan de reclassering op eigen initiatief ET adviseren. In het reclasseringsadvies wordt expliciet aangegeven in welke mate het elektronisch toezicht de bewegingsvrijheid beperkt en uitvoerbaar is (haalbaarheidsonderzoek). De officier van justitie beslist met inachtneming van dat advies of ET in het concrete geval proportioneel is alvorens over te gaan tot vordering van ET.

De rechter bepaalt de duur van het ET. ET kan voor de gehele proeftijd aan de bijzondere voorwaarde worden verbonden, maar het is ook mogelijk om ET gedurende een gedeelte van de proeftijd aan de bijzondere voorwaarde te verbinden.

De reclassering is verantwoordelijk voor de uitvoering van het elektronisch toezicht.

2.10. Proeftijd (art. 14b Sr)

De wet bepaalt de maximale proeftijd. Het is mogelijk een kortere proeftijd te vorderen dan wettelijk mogelijk is. Bij het bepalen van de proeftijd dient acht te worden geslagen op het proportionaliteitsbeginsel en voorts in praktisch opzicht te worden afgestemd op de voorwaarden waaraan binnen proeftijd moet worden voldaan.

2.11. Dadelijke uitvoerbaarheid (art. 14e Sr)

Bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf en het daarbij horende reclasseringstoezicht kunnen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard in het geval ‘er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’. Nu ditzelfde criterium geldt bij het vaststellen van een proeftijd van tien jaren, ligt het in de rede om dan ook een langere proeftijd te overwegen.

Dadelijk uitvoerbare voorwaarden worden gestart direct na de einduitspraak in eerste aanleg, ook als hoger beroep wordt ingesteld en het vonnis dus nog niet onherroepelijk is. Dit is een wettelijke uitzondering op de schorsende werking van rechtsmiddelen (art. 6:1:16 Sv). De bescherming van de samenleving en slachtoffer(s) en de lichamelijke integriteit van personen prevaleert in dat geval boven het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging van een straf pas plaatsvindt nadat een uitspraak onherroepelijk is geworden.

In het geval van bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf met slachtoffer(s) kan een locatie- of contactverbod mogelijk in combinatie met reclasseringstoezicht en ET urgent zijn en moet de dadelijke uitvoerbaarheid worden gevorderd. Gezien de ernst van dit soort zaken kan het ook passend zijn een langere proeftijd dan twee jaar te vorderen.

Indien de officier overweegt de dadelijke uitvoerbaarheid van reclasseringsinterventies te vorderen, moet dit ondersteund worden door een reclasseringsadvies, waarin de dadelijke uitvoerbaarheid wordt gemotiveerd. De officier dient dan tevens de meldplicht (volgende dag melden bij reclassering) op te nemen in de vordering.

Het OM ontvangt, in die zaken waarin de rechter de dadelijke uitvoerbaarheid beveelt (art. 14e Sr), direct na de uitspraak de uitgesproken voorwaarden op schrift van de rechter in een ‘proces- verbaal van dadelijke uitvoerbaarheid’ en routeert dit zo spoedig mogelijk naar het AICE ter uitvoering van de straf.

Indien de verdachte niet bekend was met de zitting, laat het OM de kennisgeving als bedoeld in art. 366a Sv zo spoedig mogelijk na de zitting in persoon aan de verdachte betekenen (art. 366a lid 3 Sv). Bij overtreding van de voorwaarden kan de verdachte, die niet bekend was met de zitting, alleen worden aangehouden als betekening heeft plaatsgevonden.

Ook in hoger beroep kunnen dadelijk uitvoerbare voorwaarden worden gevorderd en opgelegd.

Wanneer er een dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden is uitgesproken en veroordeelde vervolgens in hoger beroep gaat, is het niet mogelijk om bij overtreding deze persoon aan te houden en de voorlopige tenuitvoerlegging te vorderen. 14 Een vordering tenuitvoerlegging is wel mogelijk, deze dient binnen 30 dagen op zitting te zijn gepland, conform ketenafspraken. Indien snel optreden bij overtreding gewenst is, overweegt het OM de vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr) te vorderen en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Bij deze maatregel kan een locatiegebod, locatieverbod of contactverbod worden opgelegd en kan bij overtreding wel worden aangehouden.

2.11.1. Start proeftijd bij dadelijke uitvoerbaarheid (art. 6:1:18 Sv)

De rechter kan ambtshalve of op vordering van het OM bepalen dat opgelegde voorwaarde(n) en het op de naleving van die voorwaarde(n) uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. De proeftijd gaat dan direct in op de dag van de einduitspraak of, bij afwezigheid van de verdachte ter zitting, op het moment van betekening van de kennisgeving.

2.11.2. Consequenties uitspraak in hoger beroep voor proeftijd

De uitspraak in hoger beroep kan verschillende consequenties hebben voor de opgelegde dadelijk uitvoerbare voorwaarde(n):

  • In het geval de dadelijk uitvoerbare voorwaarden worden overgenomen met dadelijke uitvoerbaarheid, lopen de dadelijk uitvoerbare voorwaarden en de proeftijd door.

  • In het geval de dadelijk uitvoerbare voorwaarden worden overgenomen zonder dadelijke uitvoerbaarheid, lopen de dadelijk uitvoerbare voorwaarden en de proeftijd niet door, maar start de proeftijd van deze voorwaarden vijftien dagen na het arrest of, als er betekend moet worden, vijftien dagen na de betekening, tenzij cassatie wordt ingesteld;

  • Worden andere dan in eerste aanleg opgelegde dadelijk uitvoerbare voorwaarden opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid, start de proeftijd daarvan op de datum van einduitspraak in hoger beroep;

  • Worden andere (niet dadelijk uitvoerbare) voorwaarden opgelegd, start de proeftijd vijftien dagen na het arrest of, als er betekend moet worden, vijftien dagen na de betekening, tenzij cassatie wordt ingesteld;

  • Worden geen voorwaarden opgelegd, dan worden de uitvoering van de dadelijk uitvoerbare voorwaarden en de proeftijd beëindigd.

3. Tenuitvoerlegging bijzondere voorwaarden

3.1. Verantwoordelijkheid van OM

De minister is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en is belast met de uitvoering van het feitelijke toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden. Het OM is belast met het toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden in verband met het nemen van vervolgbeslissingen. Het OM is bij deze taak afhankelijk van vele (uitvoerings)instanties, waaronder CJIB/AICE, reclasseringsinstanties en politie. De reclassering is uitvoerder van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden, ook wanneer de inzet van een elektronisch hulpmiddel onderdeel uitmaakt van de bijzondere voorwaarden. Daarnaast voert de reclassering verschillende gedragstrainingen uit. De politie levert een belangrijke bijdrage aan de handhaving van de vrijheidsbeperkende voorwaarden (locatie- en contactverboden, locatiegeboden, meldplicht politie). De officier van justitie kan van eenieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving (art. 6:3:14 lid 5 Sv). Het OM informeert de minister of er een vordering is ingediend.

3.2. Opdracht toezicht aan de reclassering en advies ZM en OM

Om voortvarendheid in de keten te bevorderen, geeft het OM de vrijgave voor tenuitvoerlegging van voorwaardelijke veroordelingen met bijzondere voorwaarden, zoals het reclasseringstoezicht, voorrang.

Indien de rechter reclasseringstoezicht heeft bevolen, geeft de minister (bij monde van het CJIB/AICE) de last aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Het OM geeft daarom de strafrechtelijke beslissing van de rechtbank zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk veertien dagen nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, door aan het CJIB/AICE 15 . Het openbaar ministerie voegt daarbij, in voorkomende gevallen, het advies van de rechter omtrent de tenuitvoerlegging.

Het openbaar ministerie kan bij of onverwijld na het verstrekken van de beslissing advies geven aan Onze Minister over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten. 16 . Het OM én de minister kunnen ambtshalve de door de rechter opgelegde last tot toezicht geven of de opdracht aan een andere aangewezen instelling geven.

Indien de rechter bepaalt dat de reclassering toezicht houdt ‘zolang de reclassering dat nodig acht’ en de reclassering gedurende de proeftijd van oordeel is dat het toezicht positief is verlopen en niet langer nodig is, kan het toezicht met instemming van de opdrachtgever, de minister, worden beëindigd.

3.3 Opdracht toezicht aan de politie

De handhaving van de vrijheidsbeperkende voorwaarden valt onder de algemene signalerende taak van de politie. Toezicht door een buurtregisseur, doelgroepagent en/of basisteam, kan de handhavingsdruk en de pakkans bij overtredingen aanmerkelijk doen toenemen. Het CJIB/AICE meldt deze vrijheidsbeperkende voorwaarden aan de politie. 17

Wanneer de rechter een contactverbod of locatieverbod/-gebod (al dan niet met ET) en het daarbij behorende politietoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaart, wordt de betreffende strafrechtelijke beslissing zo spoedig mogelijk verstrekt aan het CJIB/AICE conform de ketenafspraken. Het CJIB/AICE stelt de uitvoerders (politie en eventueel reclassering) zo spoedig mogelijk daarvan in kennis.

In geval van handhaving van vrijheidsbeperkende voorwaarden door de politie, moet het OM het CJIB/AICE zorgvuldig informeren bij beëindiging van de voorlopige hechtenis (en daarmee het vervallen van de schorsingsvoorwaarde) of het einde van de proeftijd in geval van veroordeling. Daarmee worden onrechtmatige aanhoudingen voorkomen.

3.4. Niet naleven van de algemene voorwaarde

3.4.1. Bij schorsing van de voorlopige hechtenis

Pleegt de verdachte tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dan kan, afhankelijk van de ernst van het nieuwe feit en de aard van de (bijzondere) voorwaarde(n), de verdachte ter zake van het nieuwe feit worden voorgeleid of de opheffing van de schorsing worden gevorderd bij de RC of de raadkamer. Ook een combinatie van beide opties is mogelijk.

3.4.1. Na veroordeling

Pleegt een (deels) voorwaardelijke veroordeelde tijdens de proeftijd een nieuw strafbaar feit dan kan de officier van justitie een vordering voorlopige tenuitvoerlegging bij de RC aanbrengen (binnen drie maal vierentwintig uur na aanhouding).

Vervolgens brengt de officier van justitie de hoofdzaak tegelijk met een vordering tot tenuitvoerlegging aan bij de rechter. Is bij het nieuwe feit voorlopige hechtenis toegelaten, dient de afweging te worden gemaakt tussen een vordering bewaring of een vordering voorlopige tenuitvoerlegging. Overigens kunnen ook beide vorderingen tegelijkertijd (evt. primair/subsidiair) worden ingediend. Als veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit en de vordering van het OM gelijktijdig geschiedt met de behandeling van dat strafbare feit, is het gerecht bevoegd dat kennis neemt van dat feit.

3.5. Niet naleven van de bijzondere voorwaarde(n)

Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van voorwaarden die gesteld zijn bij schorsing van de voorlopige hechtenis in verband met het nemen van vervolgbeslissingen (art. 6.3.14 lid 1 Sv). De reclasseringsinstelling licht het OM (op een in de keten afgesproken wijze) in over het gehouden toezicht.

Als blijkt dat iemand die onder toezicht is gesteld de bijzondere voorwaarden niet naleeft of zich niet houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, bericht de reclassering dit aan het CJIB/AICE en aan het OM, al dan niet via het CJIB/AICE. Bij het bericht aan het OM geeft de reclassering tegelijk advies over de reactie die naar het oordeel van de reclassering zou moeten volgen op de geconstateerde overtreding. Het OM neemt (een) vervolgbeslissing(en).

3.5.1. Bij schorsing van de voorlopige hechtenis

Indien de niet nageleefde voorwaarde in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis was opgelegd, dan kan de officier de aanhouding van de verdachte bevelen en onverwijld de vordering tot opheffing van de schorsing indienen bij de rechter (art. 84 Sv). De rechter kan de schorsingsbeslissing wijzigen (art. 81, eerste lid Sv) of de opheffing van de schorsing bevelen (art. 82, eerste lid Sv) waarbij verdachte zo mogelijk wordt gehoord.

Indien na ommekomst van deze termijn de verdachte nog niet is aangehouden, geeft de officier van justitie aan of de verdachte actief moet worden opgespoord.

De officier van justitie dient zijn vordering onverwijld na de aanhouding in bij de rechtbank, die de schorsing heeft bevolen (art. 84, tweede lid Sv).

3.5.2. Na veroordeling

De niet-naleving van een voorwaarde zal worden geconstateerd door de reclassering of door de politie.

De reclassering licht het OM in over het gehouden toezicht. Indien blijkt dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft, niet meewerkt aan het toezicht of anderszins het belang van de veiligheid van personen of goederen het eist, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie én de minister (al dan niet via het CJIB/AICE). 18 In het geval dat de politie een overtreding constateert, zal dit veelal betrekking hebben op een algemene voorwaarde of een vrijheidsbeperkende voorwaarde. De politie meldt deze overtreding aan het OM en legt dit vast in een proces-verbaal van bevindingen. De officier kan van eenieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving.

De officier kan besluiten:

  • 1. een schriftelijke waarschuwing te sturen of een waarschuwingsgesprek ten parkette te voeren 19 ;

  • 2. te vorderen dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog voorlopig ten uitvoer wordt gelegd (art. 6:3:15 aanhouding, 6:6:20 vordering, voorgeleiding);

  • 3. te vorderen dat de gehele of een gedeelte van de voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd al of niet onder instandhouding dan wel wijziging van de voorwaarden (art. 6:6:21 (tul));

  • 4. een vordering in te dienen tot verlenging van de proeftijd (art. 6:6:19 Sv) of tot wijziging van de voorwaarden (6:6:19 Sv), zonder de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

3.6. Bevel onmiddellijke aanhouding door hulpofficier

Het openbaar ministerie kan, wanneer aan veroordeelde een onherroepelijke voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van personen of goederen zulks eist en aannemelijk is dat de rechter de vrijheidsbeneming zal bevelen (Art. 6:3:15 Sv). Indien het bevel van het OM niet kan worden afgewacht, kan ook de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie. Deze toetst de aanhouding.

3.7. Indienen vordering voorlopige tenuitvoerlegging

Nadat de veroordeelde is aangehouden, dient het OM onverwijld een vordering in tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf bij de rechter-commissaris. Ook wordt tegelijkertijd een vordering tenuitvoerlegging (6:6:21 lid 1) ingediend. In geval van een voorwaardelijke straf opgelegd door het Hof, legt de AG een dergelijke vordering terug bij de officier in de eerste lijn met het verzoek deze in te dienen bij de RC. Het verdient aanbeveling in de vordering voorlopige tenuitvoerlegging op te nemen dat en waarom het voortduren van de aanhouding noodzakelijk is.

De RC toetst of er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de algemene en/of bijzondere voorwaarde niet is nageleefd. De RC dient binnen driemaal vierentwintig uur na indienen van de vordering de veroordeelde te horen en te beslissen op de vordering tenuitvoerlegging (art. 6:6:20). Het bevel van de RC is dadelijk uitvoerbaar. Hangende de beslissing wordt veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

Het OM vordert de voorlopige tenuitvoerlegging

tenzij:

  • kan worden volstaan met een waarschuwing of

  • een vordering wijziging voorwaarden of

  • een vordering verlengen proeftijd wordt ingediend;

en mits:

  • sprake is van een onherroepelijke voorwaardelijke gevangenisstraf en

  • de schending van de voorwaarde(n) zodanig is, dat de insluiting van de veroordeelde noodzakelijk en proportioneel is.

Een voorlopige tenuitvoerlegging kan derhalve niet worden gevorderd bij een voorwaardelijke taakstraf en/of de maatregel van een voorwaardelijke ISD.

Nadat een vordering tenuitvoerlegging wordt ingediend vindt het onderzoek zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:20 een beslissing heeft genomen, vindt het onderzoek in elk geval plaats binnen een maand na ontvangst van de vordering tenuitvoerlegging.

Indien de RC de vordering van het OM toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde. Beslissingen worden onverwijld vanwege het OM schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde. De rechter kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging opheffen.

3.8. Toepassen supersnelrecht

In gevallen waarin spoed geboden is bij het vorderen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf of sprake is van een korte voorwaardelijke vrijheidsstraf, kan ook het toepassen van supersnelrecht (inhoudelijke behandeling in de termijn van de inverzekeringstelling) geschikt zijn.

De vordering van voorlopige tenuitvoerlegging wordt dan feitelijk ‘overgeslagen’.

In overleg met de ketenpartners kan een dergelijke voorziening worden georganiseerd. Bij het toepassen van supersnelrecht kan de RC optreden als politierechter. Het proces-verbaal van de politie en/of de aflooprapportage van de reclassering dienen volledig te zijn om te kunnen dienen als onderbouwing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

3.9. Verlenging proeftijd en wijzigen voorwaarden

De rechter kan de proeftijd verkorten of verlengen of in de voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, inclusief opheffen of alsnog stellen van bijzondere voorwaarden. 20 Ook kan de opdracht aan de reclassering om toezicht te houden worden gegeven, gewijzigd of opgeheven. 21

De verlenging bedraagt bij een voorwaardelijke straf ten hoogste de termijn die maximaal aan de proeftijd kan worden verbonden. De maximale duur van de proeftijd is terug te vinden in art. 14b Sr en kan drie tot tien jaar zijn. Er is geen maximum meer gebonden aan het aantal keer dat de proeftijd kan worden verlengd, maar wel aan de duur van de proeftijd in totaal.

3.10. Gevolgen voor het toezicht tot aan zitting

Het toezicht van de politie en/of de reclassering loopt door tot aan de behandeling door de rechter van de vordering opheffing schorsing of de vordering tot (voorlopige) tenuitvoerlegging.

Het toezicht wordt alleen beëindigd naar aanleiding van een bevel van de rechter tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis of naar aanleiding van een (voorlopig) bevel tot volledige tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.

3.11. Behandeling van de vordering

Een vordering tul van een voorwaardelijke straf of maatregel op grond dat door de veroordeelde één of meer bijzondere voorwaarden zijn geschonden, wordt binnen 30 dagen na het indienen van de vordering door het gerecht behandeld. 22 Tot het nemen van een tulbeslissing is bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd. De zaak wordt behandeld door een enkelvoudige kamer tenzij:

  • a) de vordering strekt tot vrijheidsbeneming van een jaar of meer;

  • b) de rechter die kennisneemt van de zaak aanstonds oordeelt dat deze door de meervoudige kamer moet worden behandeld. 23

Het OM roept zowel de veroordeelde, indien daartoe aanleiding is degene die met reclasseringstoezicht is belast, en indien noodzakelijk ook de toezichthouder van de politie op tot het bijwonen van de zitting waarop over de vordering (voorlopige) tenuitvoerlegging wordt beslist (6:6:3 Sv). Als veroordeelde geen raadsman heeft, wordt deze toegevoegd door de raad voor rechtsbijstand.

Het OM is bevoegd ter zitting gedurende het onderzoek wijziging te brengen in de vordering (art. 6:6:4 Sv).

De beslissing van de rechter over de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wordt door het OM onverwijld meegedeeld aan de veroordeelde (art. 6:6:5 Sv) Indien het gaat om een wijziging, bevat de kennisgeving tevens de gestelde voorwaarden, alsmede de datum van ingang van de voorwaarden. Indien daarvan sprake is, wordt de mededeling ook gedaan aan de toezichthouder. Het OM stelt het CJIB/AICE van de rechterlijke beslissing in kennis. Via het CJIB/AICE wordt de reclassering en politie geïnformeerd.

3.12. Opschorten lopend toezicht als gevolg van rechterlijke beslissing

Indien de RC besluit de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf te gelasten of ter zake van het nieuwe strafbare feit de bewaring van de verdachte te bevelen, schort dit besluit de uitvoering van het reeds lopende toezicht op.

Indien de rechter ter zake van eerdere of nieuwe strafbare feiten een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt of heeft opgelegd, dan schort de tenuitvoerlegging hiervan de proeftijd en de uitvoering van het toezicht op (art. 6:1:18 lid 3 Sv) De nieuwe eindtermijn van de proeftijd wordt bekend gemaakt via het CJIB/AICE. Het toezicht wordt weer voortgezet zodra de vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd.

Legt de rechter ter zake van het nieuwe strafbare feit een (deels) voorwaardelijke straf op met bijzondere voorwaarden met toezicht door de reclassering, dan wordt, na de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke strafdeel, het eerder opgelegde toezicht voortgezet, mits de proeftijd dan nog van kracht is. Zolang de proeftijd van de eerdere veroordeling nog van kracht is, wordt het toezicht gelijktijdig uitgevoerd.

3.13. Tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf

Tegen de beslissing van de rechter om de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen staat geen rechtsmiddel open (art. 6:6:7 Sv). De veroordeelde kan wel beroep instellen tegen de beslissing, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit (art. 6:6:22, eerste lid, onder b en 6:6:22a, eerste lid, Sv). 24 Hangende de beslissing kan de rechter het bevel tot tenuitvoerlegging opheffen (art. 6:6:22, tweede lid Sv).

4. Overdracht naar EU-lidstaat via Europese regelingen

4.1. Overdracht bijzondere voorwaarden (incl. v.i.) en taakstraffen binnen de EU (Kaderbesluit 947)

De tenuitvoerlegging van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke sanctie kan binnen de Europese Unie (EU) worden overgedragen. Dit is geregeld in EU Kaderbesluit 947 25 . In Nederland is dit Kaderbesluit geïmplementeerd in de Wet Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafvonnissen (WETS). Het IRC Noord-Holland, afdeling WETS-ETM is landelijk aangewezen als de Centrale Autoriteit (CA) voor de uitvoering van dit Kaderbesluit, alsmede Kaderbesluit 829 (zie § 4.2 hierna) en het Europees Beschermingsbevel Slachtoffers. Deze Europese regelingen zijn alle gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning, waardoor een beslissing een op een (dus zonder omzetting) overgenomen dient te worden.

Belangrijke voorwaarden voor overdracht zijn dat de veroordeelde voldoende binding heeft met het andere EU-land en dat het restant van de proeftijd meer dan zes maanden bedraagt.

Algemene voorwaarden kunnen op grond van dit Kaderbesluit niet overgedragen worden. De volgende bijzondere voorwaarden zijn in principe overdraagbaar (zie art. 3:2 WETS):

  • a. het gebod een bepaalde autoriteit in kennis te stellen van een verandering van woonplaats of van de plaats waar hij werkt;

  • b. het gebod zich op bepaalde tijdstippen bij een bepaalde instantie te melden;

  • c. het verbod bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden te betreden;

  • d. de beperking van het recht om de uitvoerende lidstaat te verlaten;

  • e. het verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

  • f. het gebod contact te vermijden met bepaalde zaken die door de veroordeelde zijn gebruikt of kunnen worden gebruikt om een strafbaar feit te plegen;

  • g. het gebod de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden of het bewijs te leveren dat aan die verplichting is voldaan;

  • h. het gebod samen te werken met de reclassering of met een maatschappelijke dienst die met verantwoordelijkheden jegens veroordeelden is belast;

  • i. het gebod een therapie of ontwenningskuur te ondergaan;

  • j. de verplichting een taakstraf te verrichten;

  • k. verplichtingen betreffende het gedrag, de woonplaats, opleiding, de vrijetijdsbesteding, dan wel verplichtingen die beperkingen op of voorwaarden inzake de beroepsuitoefening inhouden.

Er dient per zaak bekeken te worden of overdracht daadwerkelijk mogelijk is. Het CJIB/AICE verricht de eerste persoonsgerichte beoordeling en selecteert zaken voor overdracht. Het CJIB/AICE stuurt de geselecteerde zaken door aan de afdeling WETS-ETM, onderdeel van het IRC Noord-Holland, voor beoordeling van de overdracht. Als de afdeling WETS-ETM van oordeel is dat dit opportuun is, verzorgt de afdeling WETS-ETM de WETS-procedure. Het lokale parket wordt door de afdeling WETS-ETM benaderd voor het invullen van het benodigde certificaat. Als de afdeling WETS-ETM van oordeel is dat overdracht niet opportuun is of de overdracht is mislukt zal het CJIB/AICE de reguliere tenuitvoerlegging starten of voortzetten.

4.2. Overdracht schorsingsvoorwaarden voorlopige hechtenis (Kaderbesluit 829)

De tenuitvoerlegging van bijzondere voorwaarden (schorsingsvoorwaarden) bij een schorsing van de voorlopige hechtenis kan ook binnen de EU overgedragen worden. Dit is geregeld in Kaderbesluit 829 26 . In Nederland is dit Kaderbesluit geïmplementeerd in het Wetboek van Strafvordering (zie Boek 5, titel 7, artt. 5.7.1. t/m 5.7.20). Vereiste voor overdracht is dat verdachte voldoende binding heeft met het andere EU-land. De volgende toezichtmaatregelen zijn in principe overdraagbaar:

  • a. het gebod een bepaalde autoriteit in kennis te stellen van elke wijziging van woon- of verblijfplaats;

  • b. het verbod bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden te betreden;

  • c. het gebod op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

  • d. de beperking van het recht om de uitvoerende lidstaat te verlaten;

  • e. het gebod zich op bepaalde tijdstippen bij een bepaalde instantie te melden;

  • f. het verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

  • g. andere toezichtmaatregelen op de naleving waarvan de uitvoerende lidstaat bereid is toe te zien.

Er dient per zaak bekeken te worden of overdracht daadwerkelijk mogelijk is. De officier van justitie kan voorafgaand aan de zitting inlichtingen inwinnen bij de afdeling WETS-ETM, onderdeel van het IRC Noord-Holland over de mogelijkheden van overdracht. Indien overdracht van de schorsingsvoorwaarden gewenst is, neemt de rechter bij voorkeur in de schorsingsbeslissing / beschikking op dat de schorsing ingaat op het moment van erkenning door de andere Lidstaat. Indien de overdracht niet wordt erkend, wordt de zaak geretourneerd aan het CJIB/AICE.

Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

  • 1

    Bijzondere voorwaarden kunnen ook worden opgelegd bij een strafbeschikking (in de vorm van een aanwijzing), een gedragsaanwijzing, een tbs-maatregel met voorwaarden, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging bij een tbs-maatregel, de voorwaardelijke invrijheidstelling, een voorwaardelijke ISD-maatregel, de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, en gratieverlening. Deze vallen buiten het toepassingsbereik van deze aanwijzing. Voor het beleid ten aanzien van jeugdigen geldt een separate aanwijzing.

  • 2

    Waar in de aanwijzing wordt gesproken over ‘officier van justitie’, ‘rechter’, ‘rechtbank’ en ‘vonnis’, wordt daarmee tevens ‘advocaat-generaal’, ‘raadsheer’, ‘gerechtshof’ respectievelijk ‘arrest’ bedoeld, tenzij anders is aangegeven

  • 3

    Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen, onderdeel van het CJIB.

  • 4

    Art. 6:3:14 Sv.

  • 5

    Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82.

  • 6

    Zie art. 80 Sv.

  • 7

    Met ‘de reclassering’ worden in deze aanwijzing de drie erkende reclasseringsorganisaties bedoeld: Reclassering Nederland, Stichting Verslavingsreclassering GGZ, Leger des Heils Reclassering.

  • 8

    Het landelijke strafprocesreglement is opgesteld door de Raad voor de Rechtspraak in overleg met het OM en is laatstelijk 1 januari 2019 in werking getreden. Het reglement uniformeert de wijze van behandeling van strafzaken door ZM en OM.

  • 9

    De officier van justitie (art. 509hh Sv), de rechter (art. 38v Sr) en de burgemeester (art. 172a Gemeentewet) hebben tevens een eigenstandige bevoegdheid om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

  • 10

    De Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie beoordeelt op basis van evidence-based criteria of gedragsinterventies leiden tot vermindering van recidive. Voor een overzicht van erkende interventies kan de site geraadpleegd worden: http://www.erkenningscommissie.nl.

  • 11

    HR 6 november 1990, NJ 1991, 274; HR 30 januari 2007, LJN AZ0262.

  • 12

    Voor schorsing van de voorlopige hechtenis zal bij deze grond weinig ruimte zijn.

  • 13

    Elektronisch toezicht is de wettelijke term. In de praktijk wordt voornamelijk elektronische monitoring en soms elektronische controle gebruikt. Internationaal is ‘electronic monitoring’ een gebruikelijke term. Dat geeft beter weer dat er niet alleen sprake is van controle of toezicht, maar bovenal begeleiding en inzet van de enkelbanddata ter ondersteuning van gedragsverandering.

  • 14

    ECLI:NL:HR:2017:3186.

  • 15

    Art. 6:1:1 Sv.

  • 16

    Art. 6:1:10 Sv en het Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging.

  • 17

    Alle parketten melden een contactverbod, locatieverbod of locatiegebod aan het AICE, dat deze informatie aan de politie doorgeeft. In geval van elektronische controle wordt ook de reclassering bericht.

  • 18

    Art. 6:3:14 Sv. De melding wordt gedaan op een wijze en termijn conform ketenafspraken.

  • 19

    Zie art. 6:6:21 lid 3 Sv

  • 20

    Art. 6:6:19 lid 1 sub a en b Sv.

  • 21

    Art. 6.6.19 lid 1 sub c Sv.

  • 22

    Conform ketenafspraken, zoals vastgelegd in het landelijk strafprocesreglement en in het Samenwerkingsreglement.

  • 23

    Art. 6:6:1 Sv

  • 24

    Stb. 2020, 225

  • 25

    Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libdocumentproperties/EN/218, artt. 3:1 e.v. WETS.

  • 26

    Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis, https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libdocumentproperties/EN/221, artt. 5.7.1. e.v. Sv.