Rijksoverheid

Centraal Aanspreekpunt Pensioenen overzicht wet- en regelgeving 2020

Titel regeling
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Type
AMvB
Wetsfamilie
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag; Wet bekostiging financieel toezicht; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet basisregistratie personen; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag; Wet bekostiging financieel toezicht; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag; Wet bekostiging financieel toezicht; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet basisregistratie personen; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag; Wet bekostiging financieel toezicht; Pensioenwet; Wet verplichte beroepspensioenregeling; Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet; Wet openbaarheid van bestuur; Wet Nationale ombudsman; Wet basisregistratie personen; Wet op de loonbelasting 1964; Wet toezicht accountantsorganisaties; Wet op de huurtoeslag
Geldend vanaf
1-1-2020
Geselecteerde elementen
Volledig
Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;
Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;
De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • afkoopvoet: verhouding tussen het af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren afkoopwaarde;

  • balanstotaal: het balanstotaal zoals dat blijkt uit de jaarrekening;

  • De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

  • FVP-bijdrage: bijdrage, verstrekt op grond van de Wet privatisering FVP, zoals deze wet luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IIA van de Verzamelwet pensioenen 2017, om te voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van een werknemer of zijn nagelaten betrekkingen;

  • fonds:

    • 1°. pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

    • 2°. beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

  • loonaanvullingsuitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • opbouwkeuzevoet: verhouding tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd;

  • overdrachtsdatum: datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken aan de ontvangende uitvoerder;

  • pensioenregeling:

    • 1°. pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

    • 2°. beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

  • rechthebbende: degene die in aanmerking komt voor waardeoverdracht;

  • ruilvoet: verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen;

  • uitbesteding door een uitvoerder: het door een uitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die deel uitmaken van:

    • 1°. of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf; of

    • 2°. de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan;

  • uitvoerder:

    • 1°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

    • 2°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • vervolguitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Artikel 1a. Nadere regels arbeidsongeschiktheidspensioen

  • 1. Voor zover een aanvulling op een vervolguitkering of een loonaanvullingsuitkering geen arbeidsongeschiktheidspensioen is als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt deze aanvulling als arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van een van die artikelen aangemerkt indien:

    • a. de aanvulling op de vervolguitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid toenemen;

    • b. de aanvulling op de loonaanvullingsuitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid toenemen; of

    • c. het een eenmalige aanvulling is die wordt verstrekt in verband met werkhervatting of werkuitbreiding.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aanvullingen op een vervolguitkering of op een loonaanvullingsuitkering, indien het verzoek tot algemeen verbindend verklaring is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 15 juli 2008 houdende enige wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten.

Hoofdstuk 2. Informatie

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 21, vierde lid, 38, tweede lid, 39, tweede lid, 40, vierde lid, 41, tweede lid, 42, derde lid, 43, tweede lid, 44, derde lid, 44a, tweede lid, 45, derde lid, 45a, tweede lid 46, zesde lid, 46a, zesde lid, 47b, 48, vijfde lid, 49, zesde lid, 51, elfde lid, en 63b, zesde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 48, derde lid, 49, tweede lid, 50, tweede lid, 51, vierde lid, 52, tweede lid, 53, derde lid, 54, tweede lid, 55, derde lid, 55a, tweede lid, 56, derde lid, 56a, tweede lid, 57, zesde lid, 57a, zesde lid, 57b, 59, vijfde lid, 60, zesde lid, 62, elfde lid, en 75b, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 2. Informatie over de pensioenregeling

  • 1. De informatie over de kenmerken van de pensioenregeling en de uitvoering van de pensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval het volgende:

    • a. de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling voorziet;

    • b. de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling niet voorziet;

    • c. de wijze waarop pensioen wordt opgebouwd;

    • d. de keuzemogelijkheden van de deelnemer of gewezen deelnemer waarin de pensioenregeling voorziet;

    • e. de risico’s;

    • f. de soorten uitvoeringskosten;

    • g. de beleidsdekkingsgraad met een omschrijving van de gevolgen ervan;

    • h. op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen; en

    • i. indien van toepassing, de beleggingsmogelijkheden van de deelnemer of gewezen deelnemer waarin de pensioenregeling voorziet.

  • 2. De uitvoerder maakt bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, gebruik van de opschriften en iconen in de volgorde waarin ze staan in laag 1 van de Pensioen1-2-3, zoals deze op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars is opgenomen.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de opschriften en iconen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3. Mogelijkheid toezichthouder tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid

De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer.

Artikel 4. Informatie over toeslagverlening

  • 1. De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel c, 40, eerste lid, onderdeel b, en 44, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel c, 51, eerste lid, onderdeel b, en 55, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, en 9b, eerste lid, wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd.

  • 2. De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 39, eerste lid, onderdeel b, 41, eerste lid, onderdeel b, 42, eerste lid, onderdeel b, 43, eerste lid, onderdeel c, en 45, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet en de artikelen 50, eerste lid, onderdeel b, 52, eerste lid, onderdeel b, 53, eerste lid, onderdeel b, 54, eerste lid, onderdeel c, en 56, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen vijf jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd.

  • 3. De informatie over toeslagverlening die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen tien jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd en of dit in overeenstemming met het toeslagenbeleid is geweest.

Artikel 5. Informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten

  • 1. De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel d, 40, eerste lid, onderdeel c, en 44, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel d, 51, eerste lid, onderdeel c, en 55, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, en 9b, eerste lid, wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste drie jaar is doorgevoerd.

  • 2. De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 39, eerste lid, onderdeel e, 41, eerste lid, onderdeel d, 42, eerste lid, onderdeel c, 43, eerste lid, onderdeel d, en 45, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet en de artikelen 50, eerste lid, onderdeel e, 52, eerste lid, onderdeel d, 53, eerste lid, onderdeel c, 54, eerste lid, onderdeel d, en 56, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste vijf jaar is doorgevoerd.

  • 3. De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste tien jaar is doorgevoerd.

Artikel 5a. Informatie over reglementair te bereiken pensioenaanspraken

  • 1. De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Pensioenwet en artikel 49, eerste lid, onderdeel g, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt bevat:

    • a. in geval van een uitkeringsovereenkomst dan wel uitkeringsregeling een opgave van de hoogte van het periodiek uit te keren pensioen vanaf de ingangsdatum van het pensioen;

    • b. in geval van een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal daarvoor wordt aangewend; of

    • c. in geval van een premieovereenkomst dan wel premieregeling:

      • 1°. wanneer de premie wordt belegd, een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum;

      • 2°. de hoogte van de periodieke uitkering wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend; of

      • 3°. een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds wordt aangewend voor een verzekerd kapitaal.

  • 2. Bij de indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en onderdeel c, onder 1° en 3°, worden de op dat moment bij de pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd.

  • 3. Bij de in het eerste lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.

Artikel 5b. Informatie over premies

De informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel h, van de Pensioenwet wordt verstrekt en de informatie over de premie in rekening gebracht bij de beroepsgenoot die op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel h, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de premies die over het afgelopen jaar in rekening zijn gebracht.

Artikel 6. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming

De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over:

  • a. het vervallen van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 55, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de vervalgrens;.

  • b. het gebruik van het recht van de uitvoerder tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van een pensioenaanspraak onder de overdrachtgrens en de daarbij gevolgde procedure;

  • c. het recht op waardeoverdracht, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, of de mogelijkheid tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de Pensioenwet dan wel artikel 86 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

  • d. het recht tot afkoop, bedoeld in artikel 66, tweede lid, onderdeel c, van de Pensioenwet dan wel artikel 75, tweede lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens en de uitvoerder artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling toepast;

  • e. de consequenties van arbeidsongeschiktheid;

  • f. het actueel zijn van een herstelplan of geactualiseerd herstelplan;

  • g. het vervallen van de dekking tegen het risico op overlijden indien nabestaandenpensioen werd verworven op basis van risicofinanciering; en

  • h. de website waarop het pensioenregister te raadplegen is.

Artikel 7. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding

De uitvoerder verstrekt de gewezen partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens.

Artikel 7a. Verstrekken informatie voorafgaand aan of bij pensioeningang

De uitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde wordt voorafgaand aan of bij de pensioeningang in ieder geval informatie over:

  • a. het recht te kiezen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 60 van de Pensioenwet dan wel artikel 72 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van opbouw van ouderdomspensioen en partnerpensioen;

  • b. de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 66 tot en met 69 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 tot en met 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens of een fiscaal bovenmatige pensioenaanspraak;

  • c. de mogelijkheid tot of het recht op waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 80, 81, 81a, tweede lid, en 81b, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 88, 89, 89a, tweede lid, en 89b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een aan te wenden kapitaal op de pensioendatum; en

  • d. andere keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt.

Artikel 7b. Jaarlijkse informatieverstrekking aan pensioengerechtigden

De opgave van zijn pensioenrecht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 55, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling heeft bij een variabele uitkering betrekking op:

  • a. de uitkering over het afgelopen jaar; en

  • b. de uitkering voor het komende jaar.

Artikel 7c. Informatieverstrekking over uitkeringen

  • 1. Bij de informatie die wordt verstrekt over een variabele uitkering, bedoeld in de artikelen 44a, eerste lid, of 63b, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a, eerste lid, of 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, geldt het volgende:

    • a. een uitvoerder die één uniform beleggingsprofiel hanteert, vermeldt dit;

    • b. een uitvoerder die meerdere beleggingsprofielen hanteert, baseert de opgave van de hoogte van de variabele uitkeringen op het beleggingsprofiel dat passend is gezien het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer.

  • 2. De uitvoerder die een spreidingsperiode hanteert van meer dan vijf jaar neemt in de informatie die wordt verstrekt over een variabele uitkering, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, of artikel 63b, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 55a, eerste lid, of artikel 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de volgende tekst op:

    De ontwikkeling van uw pensioen hangt onder meer af van economische omstandigheden. Uw pensioen kan hierdoor omhoog of omlaag gaan. Wij spreiden financiële meevallers en tegenvallers over <x> jaar om grote schokken in de hoogte van uw pensioen te voorkomen. Bij langdurige tegenvallers en bij een spreidingsperiode van meer dan vijf jaar kan uw pensioen na verloop van tijd flink lager uitvallen.

  • 3. De uitvoerder die geen vastgestelde uitkeringen uitvoert, geeft bij de opgave van de hoogte van de vastgestelde uitkeringen, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 55a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, aan dat een vastgestelde uitkering naar verwachting lager is dan een variabele uitkering maar met minder of geen kans op afwijking.

  • 4. Bij de opgave van de hoogte van de variabele uitkeringen voorafgaand aan de eerste toetreding tot de toedelingskring, bedoeld in artikel 63b, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75b, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is artikel 5a van toepassing.

Artikel 7d. Standaardmodellen

  • 1. Bij de informatieverstrekking, bedoeld in de artikelen 44a en 63b van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a en 75b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruikt gemaakt van standaardmodellen.

  • 2. Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de standaardmodellen vast. De modellen worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars.

Artikel 7e. Rekenregels

  • 1. Voor de weergave op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, bedoeld in de artikelen 38, eerste lid, onderdeel g, 40, eerste lid, onderdeel a, 44a, eerste lid, 45, tweede lid, 46, derde en vijfde lid, 51, eerste lid, en 63b, tweede lid, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel g, 51, eerste lid, onderdeel b, 55a, eerste lid, 56, tweede lid, 57, derde en vijfde lid, 62, eerste lid en 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en, voor zover het betreft weergave op basis van een pessimistisch en verwacht scenario, artikel 1a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, wordt gebruik gemaakt van de scenariosets, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en een voorgeschreven rekenmethodiek.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de rekenmethodiek.

Artikel 8. Verstrekken informatie aan deelnemers vrijwillige pensioenregeling

  • 1. De uitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, waarbij de artikelen 2 en 3 van overeenkomstige toepassing zijn.

  • 3. De informatie over de beleggingsresultaten wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling en heeft betrekking op de resultaten van de afgelopen vijf jaar of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder.

  • 4. De informatie over de structuur van de kosten die door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden gedragen wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling en heeft betrekking op de administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, de kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, indien deze kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht.

Artikel 9. Informatie op verzoek

  • 1. De uitvoerder verstrekt de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner op verzoek:

    • a. in geval van een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling een opgave van de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de ingangsdatum van het pensioen;

    • b. in geval van een premieovereenkomst dan wel premieregeling:

      • 1°. wanneer de premie wordt belegd, een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum met de daarbij gehanteerde veronderstellingen; of

      • 2°. de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden verzekerd kapitaal wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend.

  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.

  • 3. Indien sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer tijdens de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen.

  • 4. De uitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek:

    • a. informatie over het van toepassing zijn van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van de Pensioenwet dan wel artikel 166 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en

    • b. informatie over de aanstelling van een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van de Pensioenwet dan wel artikel 168 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 5. De uitvoerder verstrekt de deelnemer of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van uitruil als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 72, 73 of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor de deelnemer of gewezen deelnemer.

  • 6. Indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling in de opbouwfase of een variabele uitkering verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling ten minste de afgelopen vijf jaar hebben behaald of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder.

Artikel 9a. Algemene eisen uniform pensioenoverzicht

  • 1. De titel van het uniform pensioenoverzicht bevat het woord «pensioenoverzicht».

  • 2. Het uniform pensioenoverzicht bevat naast de informatie, bedoeld in de artikelen 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, en 48, vierde lid, tweede zin, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, eerste lid, en 59, vierde lid, tweede zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling in ieder geval het volgende:

    • a. de persoonsgegevens van de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde;

    • b. de naam en het contactadres van de pensioenuitvoerder;

    • c. het soort pensioenregeling; en

    • d. de datum waarop de informatie betrekking heeft.

  • 3. Op het uniform pensioenoverzicht wordt elke wezenlijke wijziging ten opzichte van het uniform pensioenoverzicht van het voorgaande jaar duidelijk aangegeven.

Artikel 9b. Beschikbare informatie

  • 1. Ten behoeve van de vergelijkbaarheid van de pensioenregeling wordt de informatie, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover het betreft informatie over de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling wel dan wel niet voorziet, de jaarlijkse pensioenopbouw, de risico’s en de beleidsdekkingsgraad tevens verstrekt met gebruikmaking van sjablonen die op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars zijn opgenomen.

  • 2. De verdere informatie over de pensioenregeling, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft in ieder geval informatie over:

    • a. het vervallen van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 55, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en

    • b. het beleid van de uitvoerder ten aanzien van waardeoverdracht als bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en de daarbij toe te passen procedure.

  • 3. De informatie over uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft:

  • 4. De informatie over uitvoeringskosten die op de website wordt geplaatst betreft:

    • a. voor fondsen en premiepensioeninstellingen: de administratieve uitvoeringskosten als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde en de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen;

    • b. voor verzekeraars: de administratieve uitvoeringskosten als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde en de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten:

      • 1°. bij uitkeringsovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten dan wel uitkeringsregelingen en kapitaalregelingen, indien de kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht als percentage van het gemiddeld belegd vermogen, en indien de kosten niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht, met vermelding dat deze kosten niet zijn opgenomen omdat zij niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht;

      • 2°. bij premieovereenkomsten of premieregelingen waarbij de premie wordt belegd tot de pensioendatum als percentage van het gemiddeld belegd vermogen en bij overige premieovereenkomsten of premieregelingen, indien de kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht als percentage van het gemiddeld belegd vermogen, en indien de kosten niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht, met vermelding dat deze kosten niet zijn opgenomen omdat zij niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht;

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 9c. Het uniform pensioenoverzicht

  • 1. Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de modellen voor het uniform pensioenoverzicht vast.

  • 2. De modellen voor het uniform pensioenoverzicht worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars.

  • 3. Een uitvoerder verstrekt een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan een ieder die in de gehele of in een deel van de voor het uniform pensioenoverzicht relevante periode deelnemer bij die pensioenuitvoerder was.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan de pensioenuitvoerder afzien van verstrekking van een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan degene die op het eind van de, voor dit pensioenoverzicht, relevante periode geen deelnemer bij de pensioenuitvoerder meer is, indien:

    • a. in de informatie die wordt verstrekt bij beëindiging van de deelneming of bij de pensioeningang een opgave van de aan het lopende kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen is opgenomen, alsmede informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die in het lopende kalenderjaar in rekening is gebracht dan wel de premie die in het lopende kalenderjaar in rekening is gebracht bij de beroepsgenoot; of

    • b. in het uniform pensioenoverzicht voor gewezen deelnemers verstrekt in het kalenderjaar na het jaar waarin de deelneming is beëindigd een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen is opgenomen, alsmede informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die in het voorgaande kalenderjaar in rekening is gebracht dan wel de premie die in het voorgaande kalenderjaar in rekening is gebracht bij de beroepsgenoot.

Artikel 9d. Elektronische informatieverstrekking

  • 1. Voor de elektronische verstrekking van informatie door middel van een externe berichtenbox wordt MijnOverheid.nl gebruikt.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de elektronische informatieverstrekking.

Artikel 9e. Pensioenregister

  • 1. Een vermindering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten wordt door de uitvoerders binnen vier maanden verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt.

  • 2. Een andere wijziging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten dan bedoeld in het eerste lid wordt door de uitvoerders binnen vier maanden nadat de wijziging in de administratie van de uitvoerders is doorgevoerd verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt.

  • 3. Het pensioenregister geeft in ieder geval inzicht in de hoogte van het te bereiken pensioen door:

    • a. weergave in netto bedragen per maand en in bruto bedragen per jaar;

    • b. de mogelijkheid om ter vergelijking het huidige netto inkomen per maand in te voeren.

  • 4. Met betrekking tot de keuzes ten aanzien van ouderdomspensioen worden in ieder geval de indicatieve gevolgen op het pensioeninkomen getoond van het vervroegen of uitstellen van de pensioeningangsdatum.

  • 5. Met betrekking tot belangrijke gebeurtenissen worden in ieder geval bij nabestaandenpensioen de gevolgen getoond van overlijden op het moment van de uitvraag, na beëindiging van de deelneming en na pensionering.

  • 6. Voor weergave van ouderdomspensioen in scenario’s wordt gebruik gemaakt van een navigatiemetafoor die op een herkenbare plek in het pensioenregister is weergegeven. Een navigatiemetafoor bevat ten minste drie pijlen en de volgende bedragen en teksten:

    • a. de opgebouwde pensioenaanspraken en de pensioenrechten;

    • b. de op te bouwen pensioenaanspraken en de pensioenrechten bij een pessimistisch scenario, met gebruik van de tekst «Als het tegenzit, ontvangt u minder: € <bedrag>»;

    • c. de op te bouwen pensioenaanspraken en de pensioenrechten bij een verwacht scenario, met gebruik van de tekst «Verwacht eindresultaat: € <bedrag>»; en

    • d. de op te bouwen pensioenaanspraken en de pensioenrechten bij een optimistisch scenario, met gebruik van de tekst «Als het meezit, ontvangt u meer <bedrag>».

Artikel 9f. Fasering pensioenregister

[Vervallen]

Artikel 10. Kosten informatieverstrekking

De informatie op grond van de artikelen 21, 38 tot en met 44, 45, 46, eerste en tweede lid, 46a, eerste en tweede lid, 52, 52a, 63b en 134, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 55, 56, 57, eerste en tweede lid, 57a, eerste en tweede lid, 63, 63a, 75b en 129, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt kosteloos verstrekt.

Artikel 10.0a. Taal informatie

De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt is beschikbaar in de Nederlandse taal.

Artikel 10a. Informatie over uitvoeringskosten in bestuursverslag

  • 1. De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het pensioenbeheer. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor:

    • a. het vaststellen en innen van de premie;

    • b. registratie van pensioenaanspraken en pensioenrechten;

    • c. informatieverstrekking aan en communicatie met deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever;

    • d. het bestuur; en

    • e. het toezicht door de toezichthouders.

  • 2. De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het beheer van het belegde vermogen, met uitzondering van de transactiekosten. Onder de kosten van vermogensbeheer wordt onder meer begrepen de kosten voor:

    • a. fiduciair vermogensbeheer;

    • b. bewaarloon; en

    • c. advieskosten.

  • 3. De transactiekosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor de transacties in vermogenstitels. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor:

    • a. aankoop en verkoop van vermogensbestanddelen;

    • b. acquisitie van beleggingen; en

    • c. deelname aan beleggingsfondsen.

  • 4. Kosten die niet kunnen worden toebedeeld aan een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden over de categorieën, bedoeld in het eerste en tweede lid, verdeeld.

Artikel 10b. Weergave uitvoeringskosten in bestuursverslag

  • 1. De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaalbedrag en als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde.

  • 2. De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaal bedrag en als percentage van het in het verslagjaar gemiddeld belegde vermogen.

Artikel 10ba. Informatieverstrekking voorafgaand aan waardeoverdracht pensioendatum

  • 1. De verzekeraar die bereid is op te treden als ontvangend uitvoerder verstrekt een betrokkene die het uit een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling of een premieovereenkomst dan wel premieregeling voortvloeiende kapitaal op de pensioendatum wenst aan te wenden voor een pensioenuitkering, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een pensioenuitkering ten minste de volgende informatie:

    • a. haar statutaire naam, handelsnaam en adres;

    • b. het feit dat zij een verzekeraar is;

    • c. of zij advies verstrekt over pensioenuitkeringen;

    • d. haar interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht en de erkende geschilleninstantie waarbij zij is aangesloten; en

    • e. de aard van de vergoeding die haar werknemers ontvangen voor het sluiten van de overeenkomst.

  • 2. De verzekeraar verstrekt de informatie in de Nederlandse taal of in elke andere taal die door partijen is overeengekomen.

  • 3. De verzekeraar verstrekt de informatie schriftelijk en kosteloos. De verzekeraar kan na toestemming van de betrokkene, de informatie elektronisch verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de betrokkene zaken doet. De elektronische verstrekking van informatie door de verzekeraar past in de context waarin de verzekeraar met de betrokkene zaken doet, indien is bewezen dat de betrokkene regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de betrokkene een e-mailadres opgeeft geldt in ieder geval als bewijs hiervan.

  • 4. Indien de informatie elektronisch wordt verstrekt, krijgt de betrokkene op zijn verzoek kosteloos een papieren afschrift.

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 25, derde lid, Pensioenwet en artikel 4a, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 10c. Kostenregeling in uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement

  • 1. Bij de regeling over de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling die volgens de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement in mindering kunnen worden gebracht of kunnen worden verhaald op een afgescheiden vermogen van een algemeen pensioenfonds of ten laste kunnen worden gebracht van de premie, wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a. administratieve uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid;

    • b. vermogensbeheerskosten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid;

    • c. transactiekosten als bedoeld in artikel 10a, derde lid; en

    • d. kosten, met inbegrip van schulden aan derden, die voortvloeien uit het beheer van het vermogen van de desbetreffende collectiviteitkring.

  • 2. Overige kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling en niet als kosten in de zin van een van de categorieën, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden toebedeeld worden volgens een vaste verdeelsleutel over de categorieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b verdeeld. Daarbij worden deze kosten nader gespecificeerd.

  • 3. De wijze waarop de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bepaald is volledig en duidelijk gespecificeerd.

Artikel 10d. Kwaliteit van de dienstverlening

In de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt een regeling opgenomen waaruit blijkt welke diensten worden uitgevoerd, onder welke voorwaarden dat gebeurt en waarbij in ieder geval afspraken worden opgenomen over indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening.

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Bepaling ter uitvoering van artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 11. Waarborging goed bestuur

  • 1. Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen voor fondsen de Code Pensioenfondsen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en de Pensioenfederatie en voor verzekeraars de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en het Verbond van Verzekeraars. Deze laatste code is van overeenkomstige toepassing op premiepensioeninstellingen. De codes, en iedere wijziging daarvan, behoeven de goedkeuring van Onze Minister

  • 2. Een uitvoerder doet in het bestuursverslag mededeling over de naleving van de principes, bedoeld in het eerste lid. Indien een uitvoerder de principes niet heeft nageleefd of niet voornemens is deze in het lopende en daarop volgende boekjaar na te leven, doet hij daarvan in het bestuursverslag gemotiveerd opgave.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Bepalingen ter uitvoering van artikel 34, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 43, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 12. Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed

In aanvulling op artikel 34, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling besteedt een uitvoerder niet uit, indien:

  • a. door de uitbesteding het operationele risico onnodig toeneemt;

  • b. door de uitbesteding de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden wordt ondermijnd.

Artikel 13. Overeenkomst tot uitbesteding

  • 1. Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.

  • 2. In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

    • a. welke werkzaamheden worden uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de administratieve organisatiebeschrijving van het fonds, alsmede de voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt;

    • b. sluitende afspraken in beleggingsmandaten bij uitbesteding van vermogensbeheer;

    • c. de informatie-uitwisseling tussen het fonds en de derde;

    • d. de verplichting voor de derde om informatie waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn wettelijke taak om vraagt rechtstreeks aan de toezichthouder ter beschikking te stellen;

    • e. de mogelijkheid voor het fonds om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;

    • f. de verplichting voor de derde om het fonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde;

    • g. de mogelijkheid voor de toezichthouder om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde;

    • h. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het fonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren; en

    • i. de toepasselijkheid van de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het fonds op de derde.

Artikel 14. Beheersing van de risico’s

  • 1. Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

  • 2. Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 3. Een fonds legt het beleid met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden schriftelijk vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan.

  • 4. Een fonds hanteert een adequate selectieprocedure voor derden aan wie werkzaamheden worden uitbesteed. Het fonds legt vast op grond van welke afwegingen zij tot de keuze voor een bepaalde derde is gekomen.

  • 5. Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

  • 6. Een fonds draagt er zorg voor dat de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het fonds worden toegepast bij derden waaraan werkzaamheden van het fonds zijn uitbesteed, tenzij de derde valt onder een richtlijn, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2016/2341/EU. Indien de derde valt onder een richtlijn, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2016/2341/EU heeft het fonds zicht op het beloningsbeleid van de derde aan wie werkzaamheden worden besteed, betrekt het fonds het beloningsbeleid bij de keuze voor de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed en maakt zijn beleid dienaangaande openbaar.

Artikel 14.0a. Kennisgeving uitbesteding

  • 1. Een fonds stelt De Nederlandsche Bank tijdig in kennis van het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde. Indien de uitbesteding de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie, actuariële functie of het beheer van het pensioenfonds betreft, wordt De Nederlandsche Bank daarvan in kennis gesteld voordat de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed in werking treedt.

  • 2. Een fonds stelt de Nederlandsche Bank in kennis van belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden.

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 52, zevende lid, en 52a, zesde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 63, zevende lid, en 63a, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 14a. Eisen ten aanzien van beleggingen

  • 1. Bij uitvoering van een premieovereenkomst of premieregeling in de opbouwfase of een variabele uitkering is artikel 13, eerste lid, en derde tot en met zevende lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen.

  • 2. De waarden worden door de uitvoerder belegd op een wijze die past bij de aard en duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.

  • 3. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, neemt de uitvoerder het eerste en tweede lid in acht bij het advies, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 14b. Beleggingsbeleid

  • 1. Fondsen stellen voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het fonds. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen stellen voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat past bij de doelstellingen van de pensioenregeling of beroepspensioenregeling en de voor de toedelingskring vastgelegde risicohouding. Het strategisch beleggingsbeleid is gebaseerd op gedegen onderzoek.

  • 2. Artikel 13a, tweede tot en met vijfde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen.

  • 3. De uitvoerder die werkt met beleggingsprofielen geeft binnen het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan invulling aan die beleggingsprofielen en onderbouwt voor ieder profiel dat het past binnen de prudent person regel.

Artikel 14ba. Keuze overnemen verantwoordelijkheid beleggingen deelnemer

Bij het op grond van artikel 52, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling aan een deelnemer of gewezen deelnemer bieden van de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen informeert de pensioenuitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer dat, indien de deelnemer of gewezen deelnemer hier niet voor kiest of geen keuze kenbaar maakt, de pensioenuitvoerder verantwoordelijk blijft voor de beleggingen en daarbij handelt overeenkomstig artikel 135 van de Pensioenwet dan wel artikel 130 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 14c. Verantwoordelijkheid beleggingen deelnemer

  • 1. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen stelt de uitvoerder op basis van de informatie, bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer vast en baseert het advies, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, op dit risicoprofiel.

  • 2. Het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar, indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft en als de deelnemer of gewezen deelnemer om toetsing vraagt. Indien het nieuwe risicoprofiel daartoe aanleiding geeft adviseert de uitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer over een ander passend beleggingsprofiel.

  • 3. De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de voorwaarden die aan de beschikbare beleggingsmogelijkheden zijn verbonden.

Artikel 14d. Verantwoordelijkheid beleggingen uitvoerder

  • 1. De uitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen legt de risicohouding vast waarop het beleggingsbeleid is gebaseerd. Artikel 1a, eerste en derde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen met dien verstande dat deze uitvoerders in plaats van overleg met de in het eerste lid van dit artikel genoemde partijen ernaar streven van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over hun doelstellingen en risicohouding. De risicohouding wordt per toedelingskring vastgelegd.

  • 2. De uitvoerder toetst periodiek op basis van een scenarioanalyse of het beleggingsbeleid passend is bij de vastgestelde risicohouding en past het beleggingsbeleid aan indien dat niet het geval is. Artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is van toepassing bij de scenarioanalyse.

  • 3. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid in de opbouwfase biedt de uitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer effectieve bescherming tegen de gevolgen van negatieve beleggingsresultaten voorafgaand aan de pensioendatum. De uitvoerder kan hiertoe het beleggingsrisico afbouwen naarmate de deelnemer ouder wordt of kan op andere wijze bescherming bieden. De uitvoerder die een andere methode dan leeftijdsgerelateerde afbouw van beleggingsrisico toepast, onderbouwt dat op deze wijze de deelnemer of gewezen deelnemer beschermd wordt, zonder dat anderen worden benadeeld. Indien de door de uitvoerder toegepaste methode naar het oordeel van De Nederlandsche Bank niet aan de doelstellingen voldoet, kan De Nederlandsche Bank de uitvoerder verplichten over te gaan op leeftijdsgerelateerde afbouw van beleggingsrisico.

  • 4. De uitvoering van het beleggingsbeleid in de opbouwfase wordt door de uitvoerder gebaseerd op een vastgestelde uitkering, tenzij is gebleken dat de deelnemer of gewezen deelnemer een voorkeur heeft voor een variabele uitkering of toetreedt tot een toedelingskring waarop een collectief toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico wordt toegepast als bedoeld in artikel 63b, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75b, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. In die situaties wordt de uitvoering van het beleggingsbeleid afgestemd op een variabele uitkering.

  • 5. Voor de uitvoering van het vierde lid vraagt de uitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer naar diens voorkeur voor een vastgestelde of variabele uitkering, zodra dit voor de beleggingen relevant is. De uitvoerder verstrekt daarbij de voor de deelnemer of gewezen deelnemer relevante informatie over de gevolgen en risico’s.

  • 6. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid in de uitkeringsfase vergroot de uitvoerder het beleggingsrisico niet tenzij sprake is van een wijziging van de risicohouding of een gewijzigd risicoprofiel dat aanleiding is voor een wijziging van het beleggingsprofiel.

  • 7. Het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar en indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft.

Artikel 14da. Uitzondering op verplichting tot uitvraag voorkeur

  • 1. De verplichting om de voorkeur van een gewezen deelnemer voor een vaste of variabele uitkering uit te vragen, bedoeld in artikel 14d, vijfde lid, geldt niet indien op basis van de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan het op basis van artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde bedrag, en voldaan is aan het tweede, derde of vierde lid.

  • 2. Indien de deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2018 geldt de verplichting niet, indien de uitvoerder op grond van artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling probeert over te gaan tot waardeoverdracht van de aanspraken van de gewezen deelnemer of dit tenminste vijf maal jaarlijks tevergeefs heeft geprobeerd.

  • 3. Indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2018 geldt de verplichting niet tot de start van de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 17f, tweede lid, indien de uitvoerder voornemens is voor de aanspraken van de gewezen deelnemer een opgave te vragen als bedoeld in artikel 17f, eerste lid, onderdeel a.

  • 4. Indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2018 geldt de verplichting niet vanaf de start van de uitvoering van het plan, indien waardeoverdracht van de aanspraken van de gewezen deelnemer is opgenomen in het plan.

Artikel 14e. Inwinnen van informatie door pensioenuitvoerder

  • 1. De informatie, bedoeld in de artikelen 52, zesde lid, en 52a, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 63, zesde lid, en 63a, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling stelt de uitvoerder in staat om vast te kunnen stellen dat het advies of het beleggingsprofiel:

    • a. voldoet aan de doelstellingen van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde ten aanzien van het pensioen; en

    • b. inhoudt dat de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde de met deze doelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan en wil dragen.

  • 2. De uitvoerder legt vast op welke wijze wordt vastgesteld of het advies of het beleggingsprofiel past bij het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde.

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 60, elfde lid, 61, vijfde lid, 62, zesde lid, 66, tiende lid, en 69, zevende lid, van de Pensioenwet, de artikelen 72, elfde lid, 73, vijfde lid, 74, zesde lid, 78, tiende lid, en 80a, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

Artikel 15. Ruilvoet en opbouwkeuzevoet

  • 1. Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72, 73, 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld.

  • 2. De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61, vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72, vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming.

Artikel 16. Afkoop kleine pensioenen en afkoop bovenmatig pensioen

  • 1. De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69 van de Pensioenwet dan wel bedoeld in de artikelen 78 en 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.

  • 2. Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.

  • 3. De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

Artikel 17. Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten

Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.

Hoofdstuk 5a. Variabele uitkeringen

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 63a, negende lid, van de Pensioenwet en 75a, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 17a. Vaste daling

  • 1. Bij toepassing van een periodieke vaste daling van de uitkering als bedoeld in artikel 63a, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt de uitkeringshoogte vastgesteld door te rekenen met een periodieke vaste daling van de uitkering die niet meer bedraagt dan 35% van het verschil tussen de risicovrije rente en de parameter voor aandelenrendement en niet meer dan consistent is met het beleggingsbeleid. De waarde van de met de risicovrije rente contant gemaakte kasstromen is gelijk aan het pensioenkapitaal op pensioendatum.

  • 2. Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de periodieke vaste daling als bedoeld in het eerste lid kan de risicovrije rentecurve worden omgerekend tot één rentepercentage door middel van een duratie benadering.

  • 3. De uitvoerder legt vast of en zo ja op welke wijze een periodieke vaste daling wordt toegepast.

Artikel 17b. Risicovrije rente bij projectierente en vaste daling

De risicovrije rente, bedoeld in artikel 63a, derde, zevende en achtste lid, van de Pensioenwet, artikel 75a, derde, zevende en achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en artikel 17a, eerste lid, is de risicovrije rente voor fondsen.

Artikel 17c. Collectief toedelingsmechanisme

  • 1. De uitvoerder legt de toedelingskring vast en informeert de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde hierover voorafgaand aan zijn toetreding tot de toedelingskring.

  • 2. De uitvoerder legt de vormgeving van het toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico vast en onderbouwt dat daarbij op voorhand geen sprake is van herverdelingseffecten tussen leeftijdsgroepen.

Artikel 17d. Parameter aandelenrendement

De parameter voor aandelenrendement, bedoeld in artikel 63a, derde lid, van de Pensioenwet, artikel 75a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 17a, eerste lid, is gelijk aan de parameter, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 70a, zesde lid, en 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en de artikelen 81a, zesde lid, en 214a, vierde lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 17e. Waardeoverdracht nieuw klein pensioen

  • 1. De overdragende uitvoerder die gebruikmaakt van het recht op waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak, bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vraagt binnen een jaar nadat de deelneming van de deelnemer is geëindigd bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de gewezen deelnemer pensioenaanspraken verwerft, tenzij de uitvoerder aantoont dat aan uitvraag binnen deze termijn redelijkerwijs niet kan worden voldaan.

  • 2. De overdragende uitvoerder herhaalt het verzoek om een opgave ten minste jaarlijks zolang de waardeoverdracht van de kleine pensioenaanspraak niet heeft plaatsgevonden. De uitvoerder registreert de verzoeken en registreert of deze tot een waardeoverdracht hebben geleid.

  • 3. Het pensioenregister meldt de overdragende uitvoerder zo spoedig mogelijk of, en zo ja bij welke uitvoerder, de gewezen deelnemer pensioenaanspraken verwerft en wat zijn klantherkenningsnummer bij deze uitvoerder is.

  • 4. De overdragende uitvoerder betaalt binnen tien werkdagen na de melding dat de gewezen deelnemer bij een uitvoerder pensioenaanspraken verwerft, de overdrachtswaarde aan de ontvangende uitvoerder. De overdragende uitvoerder verstrekt daarbij het klantherkenningsnummer en de geboortedatum van de gewezen deelnemer en andere relevante gegevens aan de ontvangende uitvoerder.

  • 5. De ontvangende uitvoerder wendt de overdrachtswaarde binnen een maand aan voor pensioenaanspraken en informeert de deelnemer daarna binnen tien werkdagen over de waardeoverdracht en de verworven pensioenaanspraken.

  • 6. De artikelen 25 tot en met 28 zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak met dien verstande dat als overdrachtsdatum wordt aangemerkt de datum waarop de overdragende uitvoerder de overdrachtswaarde aan de ontvangende uitvoerder betaalt.

  • 7. De overdragende uitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer op verzoek binnen twee weken een opgave van de berekening van de overdrachtswaarde.

Artikel 17f. Waardeoverdracht bestaand klein pensioen

  • 1. De voorwaarden, bedoeld in artikel 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 214a, vierde lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn als volgt:

    • a. de uitvoerder die gebruik wil maken van het recht op waardeoverdracht vraagt binnen zes maanden na 1 januari 2020 bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerders bij wie de gewezen deelnemers, waarvoor de uitvoerder gebruik wil maken van het recht op waardeoverdracht, pensioenaanspraken verwerven;

    • b. de uitvoerder handelt bij de waardeoverdracht conform het plan, bedoeld in het tweede lid; en

    • c. de uitvoerder informeert de betreffende gewezen deelnemers over de voorgenomen waardeoverdracht.

  • 2. De uitvoerders maken, in overleg met de Stichting Pensioenregister, een plan voor een gefaseerde uitvoering van de waardeoverdracht voor de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van het pensioenregister en de belangen van de overdragende en ontvangende uitvoerders. Op voordracht van de uitvoerders en de Stichting Pensioenregister, en na advies van de toezichthouders, stelt Onze Minister het plan vast. Het plan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 3. De overdragende uitvoerder die de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft gevraagd, vraagt op het moment dat dit is opgenomen in het plan, bedoeld in het tweede lid, bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de gewezen deelnemer pensioenaanspraken verwerft. Artikel 17e, derde tot en met zevende lid, is van toepassing.

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 71, zevende lid, 72a, eerste lid, en 76 negende lid, van de Pensioenwet en de artikelen 82, zevende lid, en 83a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 17g. Overgangsrecht termijn verzoek opgave pensioenaanspraken

  • 1. De deelnemer wiens verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen, vraagt een opgave als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling binnen zes maanden na aanvang van de verwerving.

  • 2. Indien op grond van artikel 74, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 85, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de plichten van de overdragende en de ontvangende uitvoerder, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, herleven, wordt de in het eerste lid omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen verlengd tot zes maanden na die herleving.

Artikel 18. Verzoek opgave informatie aan overdragende uitvoerder

  • 1. De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:

    • a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd;

    • b. de toeslagverlening;

    • c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en

    • d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.

    Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.

Artikel 19. Opgave informatie aan de uitvoerder

De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.

Artikel 19a. Tijdelijke regeling aanvullende bijdragen bij aanvang verwerving voor 2015

  • 1. De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a. de aanvullende bijdrage bedraagt meer dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde; en

    • b. de betreffende werkgever is een kleine werkgever.

  • 2. Een kleine werkgever als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarin de in het derde lid bedoelde situatie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv, is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar.

  • 3. Indien de overdragende pensioenuitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18 of de ontvangende pensioenuitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, stelt hij de betreffende werkgever in de gelegenheid om binnen een maand na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan te tonen dat de werkgever een kleine werkgever is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Tevens wordt de betreffende werkgever gevraagd of hij, indien hij een kleine werkgever is, bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende pensioenuitvoerder informeert de ontvangende pensioenuitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen.

  • 4. Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aantoont een kleine werkgever te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangenomen dat hij geen kleine werkgever is.

  • 5. Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende pensioenuitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.

  • 6. Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen.

Artikel 19b. Tijdelijke regeling aanvullende bijdragen bij aanvang verwerving vanaf 2015

  • 1. De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en de aanvullende bijdrage meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde.

  • 2. Indien de overdragende uitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, of de ontvangende uitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, wordt de betreffende werkgever gevraagd binnen een maand na ontvangst van het verzoek aan te geven of hij bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende uitvoerder informeert de ontvangende uitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen.

  • 3. Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aangeeft bereid te zijn de aanvullende bijdragen te betalen, wordt aangenomen dat hij hiertoe niet bereid is.

  • 4. Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.

  • 5. Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling vanaf 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen.

Artikel 20. Opgave informatie aan de rechthebbende

De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.

Artikel 21. Verzoek tot waardeoverdracht

  • 1. Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.

  • 2. Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder

De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Afhandeling waardeoverdracht

  • 1. De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.

  • 2. Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.

  • 3. De overdrachtswaarde wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.

  • 4. De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.

Artikel 23a. Opschorting plicht tot waardeoverdracht

  • 1. De vaststelling door fondsen of de plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege de in artikel 72, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, vindt plaats per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de beleidsdekkingsgraad op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand.

  • 2. Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie na de datum waarop de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt, verhindert de opschorting de verdere afhandeling van deze waardeoverdracht niet.

  • 3. Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer die een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 schriftelijk over de opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan.

  • 4. De plicht tot waardeoverdracht herleeft zodra de ontvangende en de overdragende uitvoerder niet langer in de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie verkeren. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Als de plicht tot waardeoverdracht na een periode van opschorting vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie herleeft, geldt het volgende:

    • a. indien de datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18, ligt voor de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht herleeft en de gegevens, bedoeld in artikel 20, niet aan de deelnemer zijn verstrekt voor de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort, is, in afwijking van de definitie, bedoeld in artikel 1, de overdrachtsdatum de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht is herleefd;

    • b. indien de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 voor de herleving van de plicht tot waardeoverdracht, vraagt de ontvangende uitvoerder binnen drie maanden na herleving van de plicht tot waardeoverdracht aan de overdragende uitvoerder een opgave als bedoeld in artikel 18, tenzij de plicht tot waardeoverdracht weer is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling beschreven situatie.

  • 6. Indien in de in het tweede lid beschreven situatie de deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 12 november 2009 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regeling voor waardeoverdracht en de kostenregeling (Stb. 2009, 598), een verzoek tot waardeoverdracht als bedoeld in artikel 21 heeft gedaan dat niet is afgehandeld vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, stelt de ontvangende uitvoerder de deelnemer in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken.

Artikel 24. Overschrijding termijnen

Overschrijding van de in dit hoofdstuk gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt de deelnemer niet tegengeworpen.

Artikel 25. Berekening overdrachtswaarde

  • 1. De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.

  • 2. Indien de overdrachtswaarde niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.

  • 3. Bij de berekening van de overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:

    • a. partnerpensioen dat is verzekerd op risicobasis, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen; en

    • b. aanspraken op partnerpensioen of nettopensioen die achterblijven bij de overdragende uitvoerder.

  • 4. De overdrachtswaarde wordt, in afwijking van het eerste lid, niet berekend op basis van het standaardtarief indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit:

    • a. een kapitaalovereenkomst of kapitaalregeling;

    • b. een premieovereenkomst of premieregeling, waarbij de premie wordt belegd; of

    • c. een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal.

  • 5. Onze Minister stelt regels voor de berekening van de overdrachtswaarde in de in het vierde lid genoemde gevallen.

Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken

Indien bij een uitkeringsovereenkomst, een uitkeringsregeling of een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering de overdrachtswaarde niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of van het fonds waar de regeling was ondergebracht.

Artikel 27. Aanwenden van overdrachtswaarde

  • 1. Onze Minister stelt regels voor de berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder.

  • 2. In geval van waardeoverdracht naar een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.

Artikel 28. Behandeling aanspraken na waardeoverdracht

  • 1. De na waardeoverdracht verkregen aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op dezelfde manier behandeld worden.

  • 2. Indien de ontvangende uitvoerder een beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.

  • 3. Indien in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.

  • 4. In een pensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 101a, negende lid, en 104, tiende lid, van de Pensioenwet en artikel 110a, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 28a. Voorzitter omgekeerd gemengd bestuur

  • 1. De voorzitter van een omgekeerd gemengd bestuur als bedoeld in artikel 99 van de Pensioenwet bepaalt de agenda van de overleggen van het bestuur en het niet uitvoerend deel van het bestuur.

  • 2. De voorzitter van een omgekeerd gemengd bestuur ziet toe op een goede samenstelling en het functioneren van het bestuur en is namens het bestuur eerste aanspreekpunt voor het verantwoordingsorgaan over het functioneren van het bestuur.

Artikel 28b. Auditcommissie omgekeerd gemengd bestuur

  • 1. De niet uitvoerende bestuurders bij een omgekeerd gemengd bestuur als bedoeld in artikel 99 van de Pensioenwet stellen een auditcommissie bedrijfseconomische aspecten en risicobeheer in. Deze auditcommissie is in ieder geval belast met toezicht op:

    • a. de risicobeheersing;

    • b. het beleggingsbeleid;

    • c. de financiële informatieverschaffing door het fonds.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan ontheffing verlenen van het eerste lid indien op andere wijze wordt voorzien in adequaat toezicht op het in het vorige lid genoemde.

Artikel 28c. Raad van toezicht

  • 1. De raad van toezicht van een fonds kan de bestuurders van het fonds schorsen of ontslaan wegens disfunctioneren.

  • 2. Van disfunctioneren als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake indien het bestuur een besluit heeft genomen zonder de op grond van artikel 104, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 110a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling benodigde goedkeuring van de raad van toezicht en het bestuur niet aannemelijk maakt dat dit nodig was in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden dan wel voortvloeit uit een aanwijzing van de toezichthouder, een last onder dwangsom of rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift.

  • 3. Het bestuur van een fonds legt de benoeming van een kandidaat bestuurder voor aan de raad van toezicht. De raad van toezicht kan de benoeming van deze kandidaat bestuurder beletten indien deze niet voldoet aan de profielschets.

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 106, negende lid, en 106a van de Pensioenwet en de artikelen 110c, negende lid, en 110ca van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 29. Toets geschiktheid en betrouwbaarheid

  • 1. De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid en de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid van een fonds bepaalt of mede bepaalt, bedoeld in artikel 106 van de Pensioenwet dan wel artikel 110c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en op ieder ander moment, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.

  • 2. De Nederlandsche Bank toetst de betrouwbaarheid van een persoon die houder is van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en op ieder ander moment, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat. De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid van de houders van deze functies, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.

  • 3. De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid en betrouwbaarheid van een persoon die het intern toezicht van een fonds door een visitatiecommissie, de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie, niet zijnde het houderschap van deze functie, uitoefent, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.

Artikel 30. Geschiktheid

  • 1. De personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen voldoen aan de vereiste geschiktheid indien hun kwalificaties, kennis en ervaring, waaronder vaardigheden en professioneel gedrag, volstaan om een gezond en prudent bestuur van het fonds mogelijk te maken, met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief.

  • 2. De personen die de interne auditfunctie of actuariële functie vervullen voldoen aan de vereiste geschiktheid indien hun beroepskwalificaties, beroepskennis en beroepservaring volstaan om de functie naar behoren te vervullen.

  • 3. De personen die de risicobeheerfunctie vervullen voldoen aan de vereiste geschiktheid, indien hun kwalificaties, kennis en ervaring volstaan om de functie naar behoren te vervullen.

Artikel 31. Betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 106, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110c, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Artikel 32. Antecedenten

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in ieder geval in aanmerking de in de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.

Artikel 33. Bronnen

  • 1. De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

    • a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;

    • b. van de Landelijke Officier van Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;

    • c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;

    • d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;

    • e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;

    • f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;

    • g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;

    • h. gegevens uit openbare bronnen;

    • i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 31 bedoelde persoon betrokken is geweest;

    • j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of

    • k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.

  • 2. Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

    • a. de reden van het nadere onderzoek;

    • b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en

    • c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.

Artikel 34. Specifieke antecedenten

  • 1. De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel indien:

    • a. deze onherroepelijk veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;

    • b. deze veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;

    • c. deze veroordeeld is ter zake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of

    • d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen ter zake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van de bijlage bij dit besluit, en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 35, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.

Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:

  • a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;

  • b. de belangen die de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling beogen te beschermen; en

  • c. de overige belangen van het fonds en de betrokkene.

Artikel 35a. Tijdsbeslag bestuurders en toezichthouders

  • 1. Tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een fonds kunnen in ieder geval niet worden benoemd personen die door deze benoeming meer dan 1 voltijd equivalent aan werkzaamheden als bestuurder of in een toezichthoudend orgaan zouden verrichten.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij rechtspersonen een functie als:

    • a. bestuursvoorzitter of bestuurder ten minste als 0,6;

    • b. voorzitter van een toezichthoudend orgaan ten minste als 0,4; en

    • c. lid van een toezichthoudend orgaan ten minste als 0,2.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij grote fondsen een functie als:

    • a. bestuursvoorzitter ten minste als 0,6;

    • b. bestuurder ten minste als 0,4;

    • c. voorzitter van een raad van toezicht ten minste als 0,2; en

    • d. lid van een raad van toezicht ten minste als 0,1.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij kleine fondsen een functie als:

    • a. bestuursvoorzitter ten minste als 0,3;

    • b. bestuurder ten minste als 0,2;

    • c. voorzitter van een raad van toezicht ten minste als 0,2; en

    • d. lid van een raad van toezicht ten minste als 0,1.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel:

    • a. wordt verstaan onder een klein fonds: een fonds met een beheerd vermogen van niet meer dan € 10 miljard;

    • b. wordt verstaan onder een groot fonds: een fonds met meer dan € 10 miljard beheerd vermogen;

    • c. betreft de verwijzing naar rechtspersonen de rechtsvorm van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste twee van de vereisten, bedoeld in artikel 397, eerste en tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, onderscheidenlijk de stichting, bedoeld in artikel 297a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een fonds;

    • d. telt de benoeming bij verschillende rechtspersonen die met elkaar in een groep zijn verbonden, als één benoeming;

    • e. wordt verstaan onder toezichthoudend orgaan: een raad van toezicht, een raad van commissarissen of indien bij een rechtspersoon de bestuurstaken zijn verdeeld over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders, niet uitvoerende bestuurders;

    • f. geldt een tijdelijke aanstelling overeenkomstig artikel 349a, tweede lid, of artikel 356, onder c, van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek, niet als benoeming.

  • 6. De nietigheid van de benoeming op grond van de vorige leden heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming waaraan is deelgenomen.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 114, tweede lid, 151, zevende lid en 204, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 113a, tweede lid, 146, zevende lid en 198, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 35b. Verklaring geen bezwaar bij omzetting fonds

  • 1. De Nederlandsche Bank verleent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 114 van de Pensioenwet en artikel 113a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 2. Bij de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstrekt:

    • a. een door een accountant gecontroleerde en gewaarmerkte balans van het fonds met als peildatum de datum van omzetting van het fonds in een andere rechtsvorm; en

    • b. de schriftelijk vastgelegde afspraken over de besteding van het vermogen van het fonds en de vruchten daarvan na de omzetting.

Artikel 36. Toedeling van taken

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede zin, vierde lid, 29, eerste lid, 29, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft communicatie en de klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 36, 38 tot en met 51, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s, 52, tweede tot en met vierde lid, 52, vijfde lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 52, zesde lid, 52, zevende lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 52a, tweede lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 52a, derde tot en met vijfde lid, 52a, zesde lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 63b, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s, 66, derde en vierde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid, 76, derde en negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 134, tweede lid van de Pensioenwet.

  • 2. De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 38, 39, eerste lid, 39, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid, 42, voor zover het betreft communicatie en de klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 44, 48 tot en met 62, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s, 63, tweede tot en met vierde lid, 63, vijfde lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 63, zesde lid, 63, zevende lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 63a, tweede lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 63a, derde tot en met vijfde lid, 63a, zesde lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 75b, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s, 78, derde en vierde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 129, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 3. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de regels genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden

De Stichting Autoriteit Financiële Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172, 173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 38. Wijze van samenwerking

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:

    • a. de uitwisseling van gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 205 van de Pensioenwet en artikel 199 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

    • b. de afstemming van beleidsregels, met name over de inzet van handhavinginstrumenten;

    • c. de wijze waarop en het moment wanneer informatie over de toepassing van een handhavinginstrument wordt uitgewisseld;

    • d. het overnemen van elkaars oordeel.

  • 2. De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.

Artikel 39. Contacten toezichthouder met Onze Minister

  • 1. De toezichthouder deelt Onze Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.

  • 2. De toezichthouder stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en taakverdeling binnen het bestuur of de directie.

Artikel 40. Eisen aan de toezichthouder

  • 1. De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.

  • 2. De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.

  • 3. De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.

  • 4. De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.

Artikel 40a. Publicatie gegevens

  • 1. De gegevens van fondsen die door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 204, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 198, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, kunnen worden gepubliceerd, hebben betrekking op

    • a. de beleidsdekkingsgraad;

    • b. de reële dekkingsgraad;

    • c. het vereist eigen vermogen;

    • d. het belegd vermogen;

    • e. kwartaalrendementen, waarbij is aangegeven wat het aandeel daarin is van de renteafdekking;

    • f. de premie;

    • g. het aantal deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden;

    • h. de toeslagverlening;

    • i. de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten;

    • j. de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onderdeel a;

    • k. de technische voorzieningen;

    • l. de premiedekkingsgraad;

    • m. het percentage renteafdekking; en

    • n. het percentage zakelijke waarden.

  • 2. De publicatie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop aan het fonds het besluit tot publicatie bekend is gemaakt.

  • 3. Bij periodieke publicatie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aan het fonds, voorafgaand aan de eerste publicatie in dat jaar, het besluit tot publicatie bekend gemaakt, waarbij vermeld wordt op welke data de gegevens in dat jaar gepubliceerd zullen worden.

  • 4. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de publicatie opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 112a, derde en negende lid, van de Pensioenwet

Artikel 40b. Procedure vergunning

  • 1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 112a, tweede lid, van de Pensioenwet. Deze aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door De Nederlandsche Bank beschikbaar gesteld formulier.

  • 2. De Nederlandsche Bank bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.

  • 3. De Nederlandsche Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag.

  • 4. De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid te adviseren over gedragstoezichtaspecten van de vergunningaanvraag.

  • 5. De gegevens, bedoeld in artikel 40c, worden in zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door De Nederlandsche Bank mogelijk is.

Artikel 40c. Gegevens bij aanvraag vergunning

  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 112a, derde lid, van de Pensioenwet zijn:

    • a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de internetpagina van het algemeen pensioenfonds;

    • b. een opgave van de statutaire zetel en de statutaire naam;

    • c. een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister;

    • d. een gewaarmerkt afschrift van de statuten;

    • e. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;

    • f. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;

    • g. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106a van de Pensioenwet met betrekking tot bestuurders en leden van de raad van toezicht is bepaald over het tijdsbeslag;

    • h. een beschrijving van besturing en toezicht in de organisatie, mede in relatie tot de voorziene collectiviteitkringen;

    • i. een beschrijving van de wijze waarop, in overeenstemming met de rangregeling, de scheiding wordt gewaarborgd tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden, overeenkomstig artikel 123 van de Pensioenwet;

    • j. een programma van werkzaamheden die het algemeen pensioenfonds voornemens is te verrichten;

    • k. bescheiden waaruit het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet blijkt, inclusief bescheiden waaruit blijkt dat het algemeen pensioenfonds gedurende de eerste drie jaren doorlopend kan beschikken over het wettelijk vereiste weerstandsvermogen;

    • l. een beschrijving van de werkzaamheden die worden uitbesteed, voorzien van een op een risicoanalyse gebaseerde onderbouwing;

    • m. een beschrijving van de inrichting van de organisatie met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet, inclusief een eigen risicobeoordeling;

    • n. de uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsovereenkomsten die het algemeen pensioenfonds voornemens is te sluiten, of indien hiervan nog geen sprake is, een modeluitvoeringsovereenkomst;

    • o. het pensioenreglement of de pensioenreglementen die het algemeen pensioenfonds op grond van artikel 35 van de Pensioenwet heeft opgesteld ten behoeve van de collectiviteitkring of collectiviteitkringen of indien hiervan nog geen sprake is een modelpensioenreglement; en

    • p. een beschrijving van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten als bedoeld in artikel 102a, eerste lid, van de Pensioenwet.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:

    • a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;

    • b. een curriculum vitae;

    • c. een opgave van de relevante diploma’s;

    • d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en

    • e. een opgave van referenten.

  • 3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn:

    • a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;

    • b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;

    • c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de bijlage bij dit besluit; en

    • d. een opgave van referenten.

  • 4. Het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bevat ten minste:

    • a. een beschrijving van het bedrijfsmodel en verdienmodel;

    • b. een raming voor de eerste drie boekjaren van de kosten; en

    • c. een raming voor de eerste drie kalenderjaren van de liquiditeitspositie.

Artikel 40d. Intrekken of wijzigen vergunning

  • 1. De Nederlandsche Bank kan een verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:

    • a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;

    • b. de vergunninghouder, naar later blijkt, bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • c. de vergunninghouder omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;

    • d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens de Pensioenwet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen;

    • e. de vergunninghouder geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt binnen een termijn van twaalf maanden na vergunningverlening;

    • f. de vergunninghouder de vergunningplichtige activiteit gedurende meer dan zes maanden heeft beëindigd;

    • g. de vergunninghouder het bedrijf ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;

    • h. de vergunninghouder wordt ontbonden;

    • i. niet blijkt dat de jaarrekening of de staten een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van het algemeen pensioenfonds en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;

    • j. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat het algemeen pensioenfonds binnen een door De Nederlandsche Bank te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door De Nederlandsche Bank, wordt het algemeen pensioenfonds of de curator in faillissement van het algemeen pensioenfonds aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.

Artikel 40e. Weerstandsvermogen

  • 1. Het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet bedraagt ten minste 0,2% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen met een minimum van € 500.000 en een maximum van € 20 miljoen.

  • 2. Voor de dekking van aansprakelijkheidsrisico’s wordt het weerstandsvermogen, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met 0,1% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen, tenzij het algemeen pensioenfonds een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening heeft die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste 0,75% van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het weerstandsvermogen meer dan het resultaat van de berekeningswijze overeenkomstig dit artikel, indien de risicoanalyse van het algemeen pensioenfonds daartoe aanleiding geeft.

  • 4. Het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds wordt gevormd door de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 8 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

  • 5. Het algemeen pensioenfonds toetst ten minste een keer per jaar of de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog in overeenstemming is met de eisen, bedoeld in het tweede lid, dan wel vaker wanneer sprake is van een wijziging van omstandigheden die hierop van invloed zijn.

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 117a, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 115a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 41. Voorwaarden uitvoering nettopensioen

  • 1. De uitvoering van het nettopensioen door een fonds voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a. ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen op opbouwbasis heeft het karakter van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij het fonds het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen belegt tot een onder b genoemd moment van omzetting;

    • b. omzetting van het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke uitkering kan plaatsvinden op het moment dat de deelnemer overlijdt, gepensioneerde of gewezen deelnemer wordt of in de tien jaren voorafgaand aan de pensioendatum op basis van een dekkingsgraadneutraal tarief;

    • c. de omzetting van het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke uitkering vindt plaats door inkoop in de basispensioenregeling waarbij:

      • 1°. uitsluitend rekening wordt gehouden met de levensverwachting van de groep deelnemers aan het nettopensioen; en

      • 2°. het nettopensioen een voorwaardelijke toeslagverlening kent;

    • d. ingeval de verplichtingen van het fonds ten aanzien van het nettopensioen toenemen als gevolg van een verschil in de stijging van de levensverwachting tussen de deelnemers aan het nettopensioen en de deelnemers aan de basispensioenregeling, vermindert het fonds de voorwaardelijke toeslagverlening bij het nettopensioen totdat deze toename van de verplichtingen bij het nettopensioen is gecompenseerd;

    • e. ingeval het fonds een incidentele bijstorting ontvangt van de werkgever vermindert het fonds de voorwaardelijke toeslagverlening bij het nettopensioen, voor zover deze storting ten goede is gekomen aan het nettopensioen;

    • f. in geval van een nabestaandenpensioen op risicobasis of een premievrijstelling in verband met arbeidsongeschiktheid stelt het fonds de hierop betrekking hebbende premie vast rekening houdend met de kenmerken van de groep deelnemers aan het nettopensioen;

    • g. het fonds rekent de kosten behorend bij het nettopensioen apart toe;

    • h. het fonds houdt voor het nettopensioen een gescheiden administratie bij, waaruit ten minste blijken:

      • 1°. de voor het nettopensioen ingelegde premies;

      • 2°. de met de beschikbaar gestelde premies behaalde rendementen;

      • 3°. de waarde van de pensioenverplichtingen;

      • 4°. de actuariële gegevens over de groep deelnemers aan het nettopensioen die ten grondslag liggen aan de premie en aan de waardering van de pensioenverplichtingen, waaronder de geschatte levensverwachting en risico’s op arbeidsongeschiktheid en vooroverlijden;

      • 5°. de toeslagverlening en de toepassing van de onderdelen d en e.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt het dekkingsgraadneutraal tarief gebaseerd op de dekkingsgraad van het fonds met als minimum de dekkingsgraad benodigd om te voldoen aan de vereisten van het minimaal vereist eigen vermogen, bedoeld in artikel 131 van de Pensioenwet dan wel artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt de risicovrije rente gehanteerd en wordt rekening gehouden met tariefgrondslagen passend bij de groep deelnemers aan het nettopensioen. Indien de feitelijke premie voor de basispensioenregeling van het fonds gedeeld door de daarmee ingekochte jaarlijkse pensioenaanspraken leidt tot een hoger tarief dan bedoeld in de eerste zin, wordt dit hogere tarief gebruikt.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen of premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verzekerd bij een verzekeraar.

  • 4. Het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, h, onder 5, en het tweede lid, zijn niet van toepassing indien en voor zover voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a. ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen op opbouwbasis heeft het karakter van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen wordt gebruikt voor financiering van een variabele uitkering die kan variëren door de verwerking van financiële mee – of tegenvallers als gevolg van het beleggingsrisico en die varieert door de verwerking van financiële mee – of tegenvallers als gevolg van de ontwikkeling van het sterfteresultaat en de ontwikkeling van de levensverwachting;

    • b. voor de ontwikkeling van het sterfteresultaat en de ontwikkeling van de levensverwachting wordt uitsluitend rekening gehouden met het sterfteresultaat en de levensverwachting van de groep deelnemers aan het nettopensioen;

    • c. de waarde van de met de risicovrije rente contant gemaakte verwachte kasstromen is gelijk aan het pensioenkapitaal op pensioendatum.

Hoofdstuk 9a. Pensioenbewaarder

Bepaling ter uitvoering van artikel 124a, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 120a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 42. Overeenkomst met pensioenbewaarder

In een overeenkomst als bedoeld in artikel 124a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 120a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt in ieder geval geregeld dat:

  • a. de pensioenbewaarder in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden optreedt;

  • b. over het in bewaring gegeven pensioenvermogen slechts kan worden beschikt door het fonds en de pensioenbewaarder tezamen;

  • c. de pensioenbewaarder het in bewaring gegeven pensioenvermogen slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring van het fonds waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van het bedrijf van pensioenfonds;

  • d. de pensioenbewaarder jegens het fonds, de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden aansprakelijk is voor door hen geleden schade voor zover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook indien de pensioenbewaarder het bij hem in bewaring gegeven pensioenvermogen geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft toevertrouwd; en

  • e. de pensioenbewaarder van het fonds de informatie ontvangt die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

Artikel 43. Vaststelling verschuldigd bedrag

[Vervallen]

Artikel 44. Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar

[Vervallen]

Artikel 45. Gegevensverstrekking

[Vervallen]

Artikel 46. Betaling

[Vervallen]

Artikel 47. Fusie uitvoerders

[Vervallen]

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Bepalingen ter uitvoering van artikel 179, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, eerste en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 48. Vaststelling hoogte boete

  • 1. De toezichthouder stelt een bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het basisbedrag, bedoeld in artikel 179, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  • 2. De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

  • 3. De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

Artikel 49. Recidive

De door de toezichthouder met toepassing van artikel 48 vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.

Artikel 50. Draagkracht

  • 1. De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.

  • 2. De toezichthouder kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.

Artikel 51. Schade voor derden bij pensioenuitvoerders

  • 1. De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden.

  • 2. De toezichthouder kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 48, 49 en 50 verlagen met maximaal 75 procent.

Artikel 51a. Indeling naar categorie

  • 1. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet is als volgt beboetbaar:

    Pensioenwet

    Boetecategorie

    21, eerste lid

    2

    21, tweede lid, tweede volzin

    2

    23

    2

    25

    1

    26

    1

    28

    1

    29, eerste lid

    2

    29, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid

    2

    34, eerste lid

    2

    35

    2

    36, eerste lid

    2

    38 tot en met 48

    2

    49

    2

    50, tweede en vierde lid

    1

    51, eerste, tweede, vierde en vijfde lid

    2

    52

    2

    52a

    2

    58

    2

    60, eerste tot en met tiende lid

    2

    61, eerste tot en met vijfde lid

    2

    62, eerste tot en met vijfde lid

    2

    63

    1

    63b

    2

    66, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid

    2

    67, tweede lid

    2

    68, tweede lid

    2

    69, tweede en derde lid

    2

    71, eerste tot en met vijfde lid

    2

    74, tweede en derde lid

    2

    76, eerste, tweede, derde en vierde lid

    2

    83, tweede lid

    2

    84, tweede lid

    2

    85, eerste lid

    2

    86, eerste en tweede lid

    2

    87

    2

    91

    1

    94, tweede lid

    1

    96

    1

    98

    1

    100

    1

    101

    1

    101a

    1

    102

    1

    102a

    1

    103

    1

    104

    1

    105

    2

    106

    1

    107

    1

    111

    1

    112

    1

    112a, zevende lid

    1

    113

    1

    115

    1

    115a

    2

    115b

    1

    115c

    2

    115e

    1

    115f

    1

    115g

    1

    115h

    1

    116

    2

    117

    2

    118, eerste, tweede en derde lid

    2

    119, eerste, tweede en derde lid

    2

    120, eerste, tweede en derde lid

    2

    125

    2

    128

    1

    129

    1

    130

    1

    130a

    2

    134, tweede, vierde en vijfde lid

    1

    135, eerste lid

    2

    135, vierde lid

    1

    136, eerste lid

    1

    137, eerste lid

    1

    138, eerste t/m vierde lid

    2

    139

    2

    140, eerste tot en met derde lid

    2

    143

    2

    145

    2

    146

    1

    147, eerste, tweede, derde en vijfde lid

    2

    150

    1

    167

    1

    169

    1

    170

    1

    171, eerste lid

    2

    172, vijfde lid

    1

    194

    1

    197

    1

    199

    1

    203, derde lid

    2

    204

    2

  • 2. Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is als volgt beboetbaar:

    Wet verplichte beroepspensioenregeling

    Boetecategorie

    8

    2

    21

    2

    22

    1

    23

    2

    25

    2

    26

    1

    35

    1

    36

    1

    38

    1

    39, eerste lid

    2

    39, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid

    2

    43, eerste lid

    2

    44, eerste lid

    2

    46

    2

    47

    2

    48, eerste en tweede lid

    2

    49 tot en met 59

    2

    60

    2

    61, tweede en vierde lid

    1

    62, eerste, tweede, vierde en vijfde lid

    2

    63

    2

    63a

    2

    69

    2

    72, eerste tot en met tiende lid

    2

    73, eerste tot en met derde lid

    2

    74, eerste tot en met vijfde lid

    2

    75

    1

    75b

    2

    78, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid

    2

    79, tweede lid

    2

    80, tweede lid

    2

    82, eerste tot en met vijfde lid

    2

    85, tweede en derde lid

    2

    91, tweede lid

    2

    92, tweede lid

    2

    93, eerste lid

    2

    94, eerste en tweede lid

    2

    95

    2

    99

    1

    102, tweede lid

    1

    104

    1

    105

    1

    106

    1

    107

    1

    108

    1

    110

    1

    110a

    1

    110b

    2

    110c

    1

    110d

    1

    110e

    2

    110f

    1

    110g

    1

    110h

    1

    113

    1

    114

    2

    115

    2

    116

    2

    117

    2

    118

    2

    123

    1

    124

    1

    125

    1

    125a

    2

    129, tweede, vierde en vijfde lid

    1

    130, eerste lid

    2

    130, vierde lid

    1

    131, eerste lid

    1

    132, eerste lid

    1

    133, eerste tot en met vierde lid

    2

    134

    2

    135, eerste tot en met derde lid

    2

    138

    2

    140

    2

    141

    1

    142, eerste, tweede, derde en vijfde lid

    2

    145

    1

    162

    1

    164

    1

    165

    1

    166, eerste lid

    2

    167, vijfde lid

    1

    191

    1

    193

    1

    197, derde lid

    2

    198

    2

  • 3. Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van de Algemene wet bestuursrecht is als volgt beboetbaar:

    Algemene wet bestuursrecht

    Boetecategorie

    5:20

    2

  • 4. Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit is als volgt beboetbaar:

    Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

    Boetecategorie

    2

    2

    6

    2

    7

    2

    7a

    2

    8

    2

    9

    2

    9a

    2

    9c, derde lid

    2

    10

    2

    10ba

    2

    14a

    1

    14b

    1

    14c

    1

    14d

    1

    15

    2

    16

    2

    25

    2

    26

    2

    27

    2

    28

    2

  • 5. Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is als volgt beboetbaar:

    Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen

    Boetecategorie

    12

    1

    13

    2

    13a

    1

    14

    1

    15

    2

    16

    2

    29

    2

    31

    2

    33

    2

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Artikel 52. Overgangsrecht in verband met artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet

  • 1. Ten aanzien van de in artikel 18, derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

  • 2. In aanvulling op artikel 22, eerste lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet blijft, tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 45 van de Pensioenwet, artikel 8a, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Artikel 52a. Overgangsrecht in verband met artikel 35a

Artikel 35a is niet van toepassing op benoemingen tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een fonds voor 1 juli 2014.

Artikel 52b. Overgangsrecht artikel 5a, tweede lid

[Wijzigt dit besluit.]

Artikel 52c. Overgangsrecht artikel 4

[Vervallen]

Artikel 52d. Overgangsrecht reglementair te bereiken pensioenaanspraken

[Vervallen]

Artikel 53. Overgangsrecht overdrachtsdatum

De definitie van overdrachtsdatum, bedoeld in artikel 1, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 2 december 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht (Stb. 469) blijft van toepassing indien de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, voor dat tijdstip aan de deelnemer heeft verstrekt.

Artikel 54. Tijdelijke regeling informatieverstrekking

  • 1. Tot het tijdstip, bedoeld in artikel IV van de Wet verbeterde premieregeling, wordt bij de informatie, die op grond van de artikelen 44a en 63b van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a en 75b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt, tevens het risico ten aanzien van de hoogte van de variabele uitkering weergegeven op basis van drie rendementen.

  • 2. De opgave van de hoogte van de variabele uitkeringen en het risico heeft betrekking op de pensioendatum en tien jaar na de pensioendatum.

  • 3. De Nederlandsche Bank stelt de scenario’s voor de vaststelling van de drie rendementen beschikbaar.

Artikel 55. Overgangsrecht Wet verbeterde premieregeling

[Vervallen]

Artikel 56. Overgangsrecht Wet waardeoverdracht klein pensioen

De overdragende uitvoerder die gebruik maakt van het recht op waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak, bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor de aanspraken van gewezen deelnemers van wie de deelneming is geëindigd in het jaar 2018, vraagt, in afwijking van artikel 17e, eerste lid, binnen een jaar vanaf 1 januari 2019, bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de gewezen deelnemer pensioenaanspraken verwerft, tenzij de uitvoerder aantoont dat aan uitvraag binnen deze termijn redelijkerwijs niet kan worden voldaan.

Artikel 57. Wijziging Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000

[Wijzigt het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000.]

Artikel 58. Wijziging Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004

[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.]

Artikel 59. Wijziging Besluit bestuursorganen WNo en Wob

[Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.]

Artikel 60. Wijziging Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

[Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.]

Artikel 61. Wijziging bijlage Wet toezicht accountantsorganisaties

[Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties.]

Artikel 62. Wijziging Besluit op de huurtoeslag

[Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag.]

Artikel 63. Inwerkingtreding

  • 3. Artikel 15 geldt ten aanzien van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Pensioenwet en artikel 73, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang van 1 januari 2008.

  • 4. Artikel 15 geldt ten aanzien van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, tweede, zevende, achtste en negende lid, van de Pensioenwet en artikel 73, tweede, zevende, achtste en negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 64. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 december 2006

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Bijlage behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

  • het in of vanuit Nederland, beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (WED));

  • het doorgeven van voorwetenschap als bedoeld in de artikelen 5:53 en 5:56 van de Wft of de nadrukkelijke aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder daarbij de voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van de Wft junctois de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de WED);

  • handel met voorwetenschap (artikelen 8 en 14 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (PbEU 2014, L 173) (verordening marktmisbruik) juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de WED);

  • het iemand aanraden of ertoe aanzetten om te handelen met voorwetenschap (artikelen 8 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de WED);

  • het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap (artikelen 10 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de WED);

  • overtreding van een andere bepaling uit de financiële toezichtswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2 juncto 6 van de WED en waarvoor betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete van ten minste de vierde categorie;

  • deelneming aan een criminele of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr));

  • valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr);

  • opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a WvSr);

  • opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);

  • diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikelen 311 en 312 WvSr);

  • verduistering (artikelen 321 tot en met 323 WvSr);

  • benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);

  • opzetheling (artikel 416 WvSr);

  • witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420 ter WvSr);

  • financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr); of

  • overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

  • openbare orde en discriminatie (artikelen 131 tot en met 151a);

  • gemeengevaarlijke misdrijven (artikelen 157 tot en met 175);

  • openbaar gezag (artikelen 177 tot en met 207a );

  • muntmisdrijven (artikelen 208 tot en met 215 WvSr);

  • andere valsheiddelicten dan muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235 WvSr);

  • opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a WvSr);

  • opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);

  • misdrijven tegen de zeden (artikelen 242, 246, 243 tot en met 245, 247 tot en met 250, 250ter WvSr);

  • bedreiging met geweld of misdrijf (artikel 285 WvSr);

  • geweldsmisdrijven tegen het leven (artikelen 287 tot en met 294 WvSr);

  • mishandeling (artikelen 300 tot en met 306 WvSr);

  • dood en lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 tot en met 309 WvSr);

  • eenvoudige diefstal (artikel 310 WvSr);

  • diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikel 311 WvSr);

  • diefstal met geweld (artikel 312 WvSr);

  • afpersing (artikel 317 WvSr);

  • verduistering (artikelen 321 tot en met 323 WvSr);

  • bedrog (artikelen 326 tot en met 337 WvSr);

  • benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);

  • vernieling (artikelen 350 tot en met 354);

  • ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot en met 380 WvSr);

  • heling en schuldheling (artikelen 416 tot en met 417 bis WvSr);

  • witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420 quinquies WvSr);

  • financieren van terrorisme (artikel 421 WvSr);

  • opgave van valse naam, academische titel etc. (artikel 435 WvSr);

  • indruk wekken van officieel gesteund of erkend optreden (artikel 435b WvSr);

  • onbevoegd uitoefenen makelaardij (artikel 436a WvSr);

  • eigenmachtig handelen tijdens surséance (artikel 442 WvSr);

  • verstrekken van onware gegevens (artikel 447c WvSr); of

  • schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 447d WvSr).

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

  • met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2, eerste lid);

  • met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen softdrugs (3, eerste lid); of

  • voorbereidingshandelingen met betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkel harddrugs (artikel 10a, eerste lid).

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

  • zonder erkenning wapens of munitie vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid);

  • voorhanden hebben etc. van bepaalde wapens (artikel 13, eerste lid);

  • zonder consent bepaalde wapens of munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);

  • zonder vergunning/verlof vervoeren van bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);

  • verboden voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of

  • verboden overdragen van bepaalde wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).

Wegenverkeerswet 1994:

  • dood of letsel door schuld (artikel 6);

  • doorrijden na ongeval (artikel 7);

  • rijden onder invloed (artikel 8);

  • motorvoertuig besturen na ontzegging (artikel 9);

  • joyriding (artikel 11); of

  • medewerking weigeren aan onderzoek (artikel 163).

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Strafbeschikkingen

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

2.3. Transacties

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

3. Financiële antecedenten

3.1. Persoonlijk

  • betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;

  • ten aanzien van betrokkene is surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;

  • betrokkene is thans in Nederland of elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken; of

  • de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.

3.2. Zakelijk

  • de huidige of één van de voormalige werkgevers van betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins medeverantwoordelijk of medeverantwoordelijk is of was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische procedures in Nederland of elders geleid;

  • met betrekking tot de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon beleidsbepaler of medebeleidsbepaler bekleedt/bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken;

  • betrokkene is veroordeeld tot het voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 50a, 138, 149, 248, 259 en 300a).

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten

4.1. Toezichtantecedenten

  • het onjuist en/of onvolledig verstrekken van gegevens aan een van overheidswege, in Nederland of in het buitenland, met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

  • betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

  • een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;

  • betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is in conflict geweest met een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder, en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;

  • aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring door de Minister van Justitie ter zake van de oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd op gronden genoemd in artikel 68, tweede lid, 179, tweede lid, 125, tweede lid, onderscheidenlijk 235, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

5.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

  • opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);

  • het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e);

  • het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

  • opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);

  • het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of

  • het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

  • de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;

  • betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid;

  • betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene (zoals in de vorm van een waarschuwing, berisping, schorsing of ontslag).